2016/089 Gemeente Tiel biedt echtpaar onvoldoende hulp na aanmelding bij schuldhulpverlening

Een echtpaar vraagt schuldhulpverlening aan bij de gemeente Tiel. De afhandeling duurt lang. Er ligt beslag op de uitkering van meneer. De gemeente vindt dat ze eerst moeten zorgen dat de Belastingdienst het beslag opheft om tot een stabiel inkomen te komen. Mevrouw vindt dat die taak bij de gemeente hoort en klaagt erover dat de gemeente geen hulp biedt. De bestaande schuldregelingsovereenkomst moet volgens de Nationale ombudsman voldoende zijn om het beslag op de uitkering tijdelijk op te heffen. De ombudsman vraagt zich wel af waarom het noodzakelijk is om het beslag van de uitkering op te heffen. De gemeente start uiteindelijk het schuldhulpverleningstraject, maar heeft het echtpaar onnodig lang in onzekerheid gelaten.

Instantie: Gemeente Tiel

Klacht:

geen hulp geboden bij het stabiliseren van het inkomen van verzoeksters partner na aanmelding bij de schuldhulpverlening

Oordeel: gegrond

Mevrouw V. vraagt samen met haar partner, de heer K., schuldhulpverlening aan bij de gemeente Tiel. Het duurt lang voor het traject op gang komt. Er ligt beslag op de uitkering van de heer K. De gemeente is van mening dat mevrouw en meneer er zélf voor moeten zorgen dat de Belastingdienst het beslag op het inkomen van de heer K. opheft. Mevrouw V. is van mening dat die taak bij de gemeente hoort bij het uitvoeren van schuldhulpverlening. Mevrouw V. dient een jaar na de aanvraag schuldhulpverlening een klacht in bij de gemeente Tiel. De gemeente Tiel acht de klachten over de lange behandelingsduur en de communicatie vanuit de gemeente Tiel gegrond. Haar klacht over het gebrek aan kennis en kunde bij de medewerkers wordt ongegrond verklaard. In de klachtafhandeling komt aan de orde dat de gemeente van mening is dat mevrouw V. en meneer K. zelf verantwoordelijk waren voor het beslagvrij maken van het inkomen van meneer K. Mevrouw V. is het daarmee niet eens. Zij dient daarover een klacht in bij de Nationale ombudsman.

Wat is de klacht?

Mevrouw V. klaagt erover dat de gemeente Tiel geen hulp geboden heeft bij het stabiliseren van het inkomen van haar partner na aanmelding bij de schuldhulpverlening.

Wat gaat er aan de klacht vooraf?

Mevrouw V. vraagt op 27 september 2013 samen met haar partner, de heer K., schuldhulpverlening aan bij de gemeente Tiel. Zij vermeldt op het aanvraagformulier dat het niet meer mogelijk is om hun situatie op orde te krijgen. In 2008 is de eenmanszaak van de heer K. failliet verklaard en wegens te kort aan baten opgeheven. Het huis is verkocht, maar er is sprake van een restschuld. Omdat er verschillende schuldeisers betaald moesten worden, zijn er schulden ontstaan in de lopende zaken zoals bij de betaling van de zorgverzekering en belastingen. De extra kosten van invordering zorgen ervoor dat de achterstand steeds verder oploopt. De heer K. ontvangt een WIA-uitkering van het UWV. Mevrouw V. werkt op het moment van de aanvraag bij een landelijk bewindvoerderskantoor. Het kantoor werkt volgens dezelfde regels van de NVVK als de gemeente Tiel, waardoor mevrouw V. kennis heeft over het te volgen proces.

Naar aanleiding van het ingevulde aanvraagformulier schuldhulpverlening, stuurt de gemeente Tiel op 6 november 2013 een uitnodiging voor twee intakegesprekken. Die intakegesprekken vinden plaats op 28 november 2013 en 5 december 2013. Tijdens deze intakegesprekken geven mevrouw V. en de heer K. aan dat de Belastingdienst beslag heeft gelegd op de WIA-uitkering van de heer K. De gemeente Tiel bespreekt met meneer K. en mevrouw V. dat zij ervoor moeten zorgen dat het beslag wordt opgeheven.

Het volgende gesprek vindt plaats op 27 januari 2014. Dit gesprek heeft als doel dat het financieel beheer wordt opgestart. Het is dan onder andere nodig een budgetplan op te stellen. Ook komt het beslag op de WIA-uitkering van de heer K. opnieuw ter sprake. De aanvraag om schuldhulpverlening van de heer K. wordt aangehouden totdat het beslag op zijn uitkering komt te vervallen. Mevrouw V. en meneer K. zouden de gemeente hiervan op de hoogte houden.

Op 29 januari 204 stuurt mevrouw V. een e-mail naar hun schuldhulpverlener. Zij legt daarin uit dat er meermaals contact is geweest met de Belastingdienst over het beslag op de WIA-uitkering van de heer K. Ook maakt mevrouw V. duidelijk dat haar werkgever het eigenlijk niet toestaat dat medewerkers van het bewindvoerderskantoor schulden hebben.

Op 31 januari 2014 wordt een schuldregelingsovereenkomst getekend tussen de gemeente Tiel en mevrouw V. en de heer K. Onder artikel 2 lid 4 van die overeenkomst staat vermeld: "De organisatie (gemeente Tiel; N.o.) verzoekt alle schuldeisers de vordering niet verder te verhogen met (vertragings-) rente en/of invorderingskosten en tot schorsing van de uitvoering van (reeds gelegde) beslagen."

Ook stuurt mevrouw V. op 31 januari 2014 haar correspondentie met de Belastingdienst aan haar schuldhulpverlener. Uit die correspondentie blijkt dat de Belastingdienst inderdaad een onjuiste beslagvrije voet heeft gehanteerd, maar dat dat hersteld zal worden.

Op 26 februari 2014 stuurt mevrouw V. aan haar schuldhulpverlener de bevestiging van de Belastingdienst dat de beslagvrije voet is aangepast.

Mevrouw V. en de heer K. stellen dat zij verschillende malen aan de gemeente Tiel hebben doorgegeven dat zij zelf niet bij machte waren het beslag van de Belastingdienst op de WIA-uitkering van de heer K. op te heffen.

Wat is de oorspronkelijke klacht?

Op 22 september 2014 dienen mevrouw V. en meneer K. een klacht in bij de gemeente Tiel. Zij klagen over de duur van de afhandeling van het schuldhulpverleningstraject, het niet of nauwelijks communiceren door de medewerkers van de gemeente en een gebrek aan kennis bij de medewerkers van de gemeente.

Welke reactie komt er op de klacht?

In november 2014 is er contact tussen mevrouw V. en de gemeente in het kader van de informele behandeling van de klacht. Eind maart 2015 start de gemeente Tiel met de formele afhandeling van de klacht. In de tussentijd heeft mevrouw V. haar vertrouwen in de gemeente Tiel verloren en haar aanvraag schuldhulpverlening ingetrokken. Haar partner, de heer K., blijft wel in het traject.

Op 19 mei 2015 vindt een hoorzitting plaats. De klachtencommissie geeft daarin zowel mevrouw V. en de heer K. als de gemeente de gelegenheid om de klacht toe te lichten en hun belangen en standpunten te verwoorden. De klachtencommissie brengt een advies uit. Het advies luidt als volgt.

De klacht over de duur van de behandeling van het schuldhulpverleningstraject wordt gegrond verklaard. De commissie tekent daarbij aan dat uit het dossier blijkt dat de behandeling van de aanvraag onder andere vertraging heeft opgelopen omdat de inkomenssituatie van de heer K. niet stabiel was. Uit het dossier blijkt dat ook andere gegevens ontbraken en zijn opgevraagd. Het is onduidelijk of, en zo ja, wanneer, alle ontbrekende gegevens zijn ontvangen.

De klachtencommissie vindt ook de klacht over de communicatie terecht. Daarover staat in het advies: "Uit het dossier en ter zitting is gebleken dat de verwachtingen die de heer K. en mevrouw V. hadden ten opzichte van het college en die het college ten opzichte van de heer K. en mevrouw V. hadden, niet altijd overeenkwamen. (….) Daarnaast blijkt uit het dossier en de vele e-mails van mevrouw V. dat zij vaak om informatie en duidelijkheid heeft gevraagd maar dat daar niet altijd adequaat op werd gereageerd."

De klacht over de kennis en kunde van de medewerkers vindt de klachtencommissie niet terecht. Uit het feit dat de schuldhulpverlener geen regeling heeft getroffen met de Belastingdienst, kan niet worden geconcludeerd dat het aan deskundigheid ontbreekt, zo schrijft de klachtencommissie.

Tot slot schrijft de commissie dat zij het uitgangspunt van de gemeente respecteert dat bij schuldhulpverlening de eigen verantwoordelijkheid centraal staat. In de praktijk betekent dat dat de gemeente niets doet, tot de cliënt heeft geregeld wat met hem is afgesproken. Gelet op vergaande consequenties en gelet op het feit dat het in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening met regelmaat om kwetsbare personen gaat vraagt dat, volgens de klachtencommissie, des te meer duidelijke en dus schriftelijke afspraken en communicatie van de zijde van de gemeente. Op die manier kan er geen verwarring ontstaan over de vraag wie wat moet doen. In het dossier van mevrouw V. en meneer K. is de communicatie van de gemeente op dit punt tekort geschoten.

De gemeente neemt het advies van de klachtencommissie over. De klacht over de lange behandelingsduur en de communicatie wordt gegrond verklaard. De klacht over het hebben van onvoldoende kennis wordt ongegrond verklaard.

De gemeente neemt de aanbevelingen van de commissie over, te weten de aanbevelingen om in toekomstige gevallen

1. de wettelijke termijnen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nauwkeurig in acht nemen,
2. afwijkingen hiervan schriftelijk vast te leggen, conform de bepalingen van de Awb,
3. een dossierhouder als vaste contactfunctionaris aan te wijzen,
4. alle contacten en afspraken die het college met verzoekers heeft, goed te documenteren.

Wat is de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

Mevrouw K. is nog steeds erg ontevreden over de gemeente Tiel. Zij is het niet eens met het standpunt van de gemeente dat binnen de schuldhulpverlening eigen verantwoordelijkheid centraal staat. Mevrouw K. is van mening dat juist de gemeente het inkomen van haar partner 'beslagvrij' had kunnen maken.

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

De Nationale ombudsman vraagt de gemeente om een standpunt in te nemen over de klacht van mevrouw V. Daarnaast stelt hij enkele vragen over het dossier van mevrouw V. en meneer K.

Hoe reageert de gemeente Tiel?

De gemeente schrijft de Nationale ombudsman dat, gelet op het door de raad vastgestelde beleid, de klacht van mevrouw V. niet terecht is. Mevrouw V. en haar partner zijn zelf primair verantwoordelijk voor de stabilisering van hun inkomen. Zij zijn over dit uitgangspunt ook tijdig en voldoende geïnformeerd. Tenslotte, zo schrijft de gemeente, is ook voldoende en zorgvuldig getoetst of mevrouw V. en haar partner daartoe in staat geacht mogen worden.

De gemeente licht toe dat in het gemeentelijk beleid op het gebied van schuldhulpverlening is opgenomen dat de inwoner/schuldenaar een belangrijke rol heeft als het gaat om het oplossen van schulden. De gemeente wijst de Nationale ombudsman op enkele onderdelen uit het Beleidsplan Schuldhulpverlening 2013-2016 (zie Achtergrond) van de gemeente Tiel waarin de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner aan de orde is. Deze uitgangspunten zijn voor de gemeente aanleiding geweest om de verantwoordelijkheid voor het stabiliseren van het inkomen bij mevrouw V. en haar partner te leggen. Het is de gemeente niet of niet in overtuigende mate gebleken dat mevrouw V. en de heer K. die verantwoordelijkheid niet konden dragen. Daardoor vindt de gemeente niet dat zij die verantwoordelijkheid ten onrechte bij mevrouw V. en haar partner zou hebben gelegd.

Op de vraag of de gemeente de mogelijkheid had om, middels een convenant, de Belastingdienst te verzoeken om het beslag op het inkomen van de heer K. op te heffen, reageert de gemeente ontkennend. De gemeente schrijft dat zij geen convenant met de Belastingdienst heeft, dat gebruikt had kunnen worden om het beslag tijdelijk op te heffen.

Tot slot benadrukt de gemeente dat mevrouw V. en de heer K. zelf verantwoordelijk zijn voor de stabilisatie van het inkomen en dat zij daartoe ook in staat zijn.

Hoe reageert mevrouw V.?

Mevrouw V. is het niet eens met de reactie van de gemeente Tiel. Zij is van mening dat de gemeente Tiel geen verantwoordelijkheid wil nemen voor de tekortkoming in de behandeling van de aanvraag schuldhulpverlening van mevrouw V. en haar partner. Ook geeft zij nogmaals aan dat zij en haar partner niet bij machte waren om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst het beslag op het inkomen van haar partner zou opheffen. Zij is van mening dat juist de gemeente die mogelijkheid wel had.

Daarnaast is het schuldhulpverleningstraject van haar partner wél doorgegaan en zijn er nu afspraken gemaakt, terwijl het beslag door de Belastingdienst op het inkomen van de heer K. nog steeds doorloopt. Mevrouw V. vindt dat de gemeente zichzelf tegenspreekt. Eerst is het niet mogelijk om te starten met schuldhulpverlening als er nog beslag ligt op het inkomen van de heer K., maar later is dat blijkbaar wel mogelijk.

Mevrouw V. stelt dat zij verschillende malen hebben aangegeven aan de gemeente Tiel dat zij niet de mogelijkheid hadden om het inkomen van de heer K. beslagvrij te maken en dat de gemeente Tiel dit wel kon, in het kader van een minnelijke regeling.

Op 26 februari 2014 heeft mevrouw V. aan de schuldhulpverlener laten weten dat de Belastingdienst inmiddels de juiste beslagvrije voet hanteerde, maar dat zij er zelf niet voor konden zorgen dat de Belastingdienst het beslag zou opheffen, zo schrijft mevrouw V.

Tot slot laat mevrouw V. weten dat op de website van de Belastingdienst voorwaarden voor betaalafspraken bij minnelijke schuldhulpverlening natuurlijke personen staan vermeld. Daaruit blijkt dat als een gemeentelijke schuldhulpverlener een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer heeft afgesloten met de 'klant', die betaalafspraken kan maken namens de klant. De schuldhulpverlener van de gemeente had dus actie moeten ondernemen door de belastingdienst aan te schrijven zodat het beslag van de uitkering zou worden gehaald, zo schrijft mevrouw V.

Hoe reageert de gemeente?

De Nationale ombudsman legt deze reactie van mevrouw V. voor aan de gemeente met het verzoek om hierop te reageren. De Nationale ombudsman vraagt daarnaast om aan te geven op welke momenten de gemeente Tiel mevrouw V. en de heer K. erover heeft geïnformeerd dat het uitgangspunt van de gemeente is dat zij zelf primair verantwoordelijk zijn voor de stabilisering van hun inkomen.

De gemeente laat weten dat zij mevrouw V. telefonisch heeft geïnformeerd over het standpunt van de gemeente dat zij en haar partner zelf primair verantwoordelijk zijn voor de stabilisering van hun inkomen. Niets hiervan is per e-mail of brief bevestigd. De gesprekken hierover hebben in de 2e week van januari 2014 tot eind januari 2014 plaatsgevonden. De klacht van mevrouw V. over de communicatie is gegrond verklaard in de klachtenprocedure, zo schrijft de gemeente.

Tot slot herhaalt de gemeente dat zij geen convenant heeft met de Belastingdienst, dat gebruikt had kunnen worden om het beslag tijdelijk op te heffen. Er is volgens de gemeente geen schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling van de NVVK (de branchevereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren, waarbij de gemeente Tiel is aangesloten) tot stand gekomen. Daarom is het niet mogelijk geweest om de Belastingdienst aan artikel 73.5 en volgende van de Leidraad Invordering 2008 te houden.

Hoe reageert mevrouw V.?

Mevrouw V. is ontevreden met de reactie van de gemeente Tiel. Zij vindt dat de gemeente alles wat zij aandraagt met dezelfde vaart van tafel veegt. Ook stelt zij dat de informatie die de gemeente Tiel geeft niet juist is. Mevrouw V. heeft namelijk handtekeningen gezet voor de schuldregelingsovereenkomst en voor budgetbeheer. Met de schuldregelingsovereenkomst had de gemeente dus wel contact op kunnen nemen met de Belastingdienst.

De Nationale ombudsman ontvangt van mevrouw V. een kopie van de overeenkomst tot budgetbeheer van de heer K. met de gemeente, die op 26 september 2014 ondertekend is.

Nogmaals contact met de gemeente

De Nationale ombudsman neemt opnieuw contact op met de gemeente. In een telefoongesprek vertelt de teammanager van het team Participatie, waartoe ook de uitvoering van schuldhulpverlening behoort, dat de eerder verstrekte informatie niet helemaal juist was. Er was wel degelijk een schuldregelingsovereenkomst met de heer K. en mevrouw V. Op grond daarvan had de gemeente contact op kunnen nemen met de Belastingdienst met het verzoek om het beslag tijdelijk op te schorten. Voor zover de teammanager kan nagaan, had de gemeente echter zelf geen convenant met de Belastingdienst.

Inmiddels is het duidelijk dat er wel landelijke afspraken golden op grond waarvan een schuldhulpverlener de Belastingdienst kon vragen om voor een periode van 120 dagen de invordering op te schorten en eventuele beslagen op te heffen. Dat is ook zo vastgelegd in de Leidraad invordering (zie Achtergrond; N.o.), in artikel 73.5.

De gemeente Tiel stelt vast dat die afspraak achteraf gezien wel gebruikt had kunnen worden in de zaak van mevrouw V. om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst het beslag tijdelijk van het inkomen van de heer K. zou kunnen halen. Ook spreekt de teammanager uit dat hij graag tot een oplossing met mevrouw V. wil komen.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid de burger fatsoenlijk bejegent. De overheid respecteert de burger en is hulpvaardig.

Mevrouw V. klaagt erover dat de gemeente Tiel onvoldoende hulp heeft geboden bij het stabiliseren van het inkomen van haar partner na aanmelding bij de schuldhulpverlening.

Nadat mevrouw V. en de heer K. schuldhulpverlening hebben aangevraagd, hebben er verschillende gesprekken plaatsgevonden. In die gesprekken heeft de gemeente Tiel hen verzocht om het beslag van de Belastingdienst van de uitkering van de heer K . te laten halen. Op die manier zou het inkomen stabiel zijn, een voorwaarde om schuldhulpverlening op te starten. Mevrouw V. heeft de gemeente verschillende malen laten weten dat het voor hen niet mogelijk was om het beslag van de uitkering te laten halen. De gemeente Tiel heeft daarop geen actie ondernomen. Mevrouw V. heeft haar aanvraag schuldhulpverlening ingetrokken. Voor de heer K. is, ondanks het beslag op zijn inkomen, later wel een schuldhulpverleningstraject op gang gekomen.

De gemeente Tiel legt de verantwoordelijkheid om het beslag op de uitkering van de heer K. op te heffen bij de heer K. en mevrouw V. In het beleidsplan schrijft de gemeente over de stabilisatieperiode: "Eerst wordt bekeken of de schuldenaar zelf in staat is om met de schuldeisers betalingsregelingen op te zetten. Pas als dit niet mogelijk blijkt, kunnen producten ingezet worden die de verantwoordelijkheid tijdelijk bij de schuldenaar weg te namen." De Nationale ombudsman heeft in het rapport 'Burgerperspectief op schuldhulpverlening' vastgesteld dat gemeenten vaak onterecht uitgaan van de zelfredzaamheid van haar burgers.1 Dat de gemeente Tiel van een burger verwacht dat hij ook probeert om zelf een beslag op te heffen, is niet realistisch. Het is niet waarschijnlijk dat een beslaglegger meewerkt aan het opheffen van dwanginvorderingsmaatregelen, zonder dat onomstotelijk vast staat dat de burger is gestart met een schuldhulpverleningstraject.

Daarnaast is gedurende het onderzoek gebleken dat de gemeente Tiel de mogelijkheid had om een afspraak te maken met de Belastingdienst om het beslag tijdelijk op te heffen als er een stabilisatieovereenkomst met de heer K. en mevrouw V. was gesloten. Dat die mogelijkheid er was, is vastgelegd in artikel 12.5 van de gedragscode NVVK én in
artikel 7.6 van het beleidsplan Schuldhulpverlening van de gemeente Tiel zelf: "Het doel van stabilisatie is het in evenwicht brengen en houden van inkomsten en uitgaven van de schuldenaar. Hierbij is van belang dat de inkomsten worden gemaximaliseerd, de uitgaven tot het minimum worden beperkt, er geen crisis is en de beslag vrije voet wordt gegarandeerd. Als dit is bereikt kan een schuldregeling, betalingsregeling of een herfinanciering worden opgezet."

Daarnaast is in het beleidsplan van de gemeente vastgelegd dat stabilisatie, met de schuldenaar overeengekomen door ondertekening van een Stabilisatieovereenkomst, ook noodzakelijk is om de medewerking van schuldeisers en opschorting van dwanginvorderingsovereenkomsten te realiseren. Met de Belastingdienst en Zorgverzekeraars gelden daarvoor al landelijke afspraken, zo is te lezen in het beleidsplan.

Of er een stabilisatieovereenkomst tussen de gemeente Tiel en mevrouw V. en/of de heer K. bestaat, is de Nationale ombudsman onbekend. Wel is duidelijk dat er op 31 januari 2014 een schuldregelingsovereenkomst bestond tussen de heer K. en de gemeente Tiel. Die overeenkomst was voldoende geweest om tot afspraken met de Belastingdienst te komen over het tijdelijk opheffen van het beslag op de uitkering van de heer K.

Tot slot vraagt de Nationale ombudsman zich af waarom het noodzakelijk was dat het beslag op het inkomen van de heer K. moest worden opgeheven. In het beleidsplan staat immers dat het doel van de stabilisatieperiode is dat onder andere de beslagvrije voet wordt gegarandeerd. Dat impliceert dat het niet noodzakelijk is dat het inkomen 'beslagvrij' wordt gemaakt. Het feit dat de heer K. inmiddels is toegelaten tot het schuldhulpverleningstraject ondersteunt de gedachte dat het beslag op het inkomen van de heer K. geen belemmering had hoeven vormen voor de start van een schuldregeling.

Hiermee heeft de gemeente Tiel onnodig een drempel opgeworpen voor de start van het schuldhulpverleningstraject van mevrouw V. en de heer K.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk

Conclusie

De klacht over het onvoldoende hulp bieden bij het stabiliseren van het inkomen door de gemeente Tiel is gegrond wegens schending van het vereiste van fatsoenlijke bejegening.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Achtergrond

Leidraad invordering

Artikel 73.5.1,

De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal 36 maanden als:

a. een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling van de NVVK tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen;

b. de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel 73.5a);

c. de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers;

d. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige – afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden – in aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;

e. aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.

Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen.

De ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener hem schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot stand is gekomen. Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De schuldhulpverlener rondt dit onderzoek af binnen 120 dagen, gerekend vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, wordt de schuldregelingsovereenkomst voortgezet; de schuldhulpverlener stelt de schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de schuldhulpverlener niet in het tot stand brengen van de schuldregeling, wordt de schuldregelingsovereenkomst beëindigd.

Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling ook van toepassing is op die belastingaanslagen.

De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst en is definitief in die zin dat daarop van de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer kan worden teruggekomen. In voorkomend geval wordt het bedrag van de verschuldigde belastingen door middel van schatting bepaald. In het geval de in de vorige volzin bedoelde schatting naar achteraf blijkt substantieel te laag mocht zijn, kan de ontvanger daarop alleen terugkomen indien terzake van die belasting ten tijde van de schatting ten onrechte geen aangifte was gedaan danwel indien de belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten dat de schatting te laag was.

73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP

Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 73.5.1, onder b. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een schriftelijke mededeling van de schuldhulpverlener inhoudend dat hij activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële situatie van de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren.

Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst neemt de ontvanger gedurende 120 dagen geen dwanginvorderingsmaatregelen.

Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in overleg met de schuldhulpverlener. Voorts vindt verrekening alleen plaats met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.

Dit terughoudende beleid geldt niet in situaties waarin op voorhand duidelijk is dat de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling op basis van artikel 73.5.1 van deze leidraad. De ontvanger informeert de schuldhulpverlener hierover.

Als zich bijzondere omstandigheden voordoen kan de voormelde termijn door de schuldhulpverlener in overleg met de ontvanger met maximaal 120 dagen worden verlengd.

Artikel 7.6 beleidsplan schuldhulpverlening Tiel
7.6 Doelstelling: Wij streven naar financiële stabilisatie bij inwoners met schulden.
Het doel van stabilisatie is het in evenwicht brengen en houden van inkomsten en uitgaven van de schuldenaar. Hierbij is van belang dat de inkomsten worden gemaximaliseerd, de uitgaven tot het minimum worden beperkt, er geen crisis is en de beslagvrije voet wordt gegarandeerd. Als dit is bereikt kan een schuldregeling, betalingsregeling of een herfinanciering worden opgezet. Het stabilisatietraject leidt altijd tot een van de 4 vormen om de schulden te regelen en kent een maximale tijdsduur van 4 maanden.
Het spoor stabilisatie heeft ook tot doel om rust te creëren voor de klant, zodat ingezet kan worden op gedragsverandering. Dat is een belangrijke voorwaarde bij hulpverlening door het maatschappelijk middenveld. Stabilisatie, met de schuldenaar overeengekomen door ondertekening van een Stabilisatieovereenkomst, is ook noodzakelijk om de medewerking van schuldeisers en opschorting van dwanginvorderingsovereenkomsten te realisering. Met de Belastingdienst en Zorgverzekeraars gelden daarvoor al landelijke afspraken.

Stabilisatie hoeft niet standaard ingezet te worden bij alle schuldenaren. Het kan gebruikt worden om een fase van rust te creëren, zodat de schuldenaar beter in staat is om te werken aan aspecten die samenhangen met de schuldenproblematiek. Aansluitend op de stabilisatie kunnen de volgende producten worden ingezet voor ondersteuning of eventuele gedragsverandering bij de klant. De producten zijn:
- budgetbeheer;
- budgetcoaching;
- beschermingsbewind;
- flankerende hulp.

Bij het inzetten van stabilisatie blijft de schuldenaar in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn schulden. Ook bij het inzetten van producten zal dit altijd het uitgangspunt moeten zijn. Eerst wordt bekeken of de schuldenaar zelf in staat is om met de schuldeisers betalingsregelingen op te zetten. Pas als dit niet mogelijk blijkt, kunnen producten ingezet worden die de verantwoordelijkheid tijdelijk bij de schuldenaar wegnemen. De inzet van stabilisatie moet ook duurzaam zijn. Het is niet bedoeld om incidenten te bestrijden. Het moet aansluiten bij de verschillende wensen en behoeften die zich voor kunnen doen in de situaties van schuldenaren. Schuldhulpverlening is maatwerk, zo ook stabilisatie. Per schuldenaar moet beoordeeld worden of stabilisatie en/of andere producten noodzakelijk zijn.

Artikel 12.5 "Stabilisatie" gedragscode NVVK
Het doel van stabilisatie is het in evenwicht brengen en houden van inkomsten en uitgaven van de klant. Hierbij worden inkomsten gemaximaliseerd en uitgaven tot een minimum beperkt, er is geen crisis en de beslagvrije voet wordt gegarandeerd. Het stabilisatietraject leidt in principe tot een betalingsregeling, herfinanciering, schuldbemiddeling of saneringskrediet en kent een maximale tijdsduur van vier maanden. Tevens doelt stabilisatie erop rust te creëren voor de klant, zodanig dat op gedragsverandering kan worden ingezet.

Notes

[←1]

Zie hiervoor het rapport 2016/050, Burgerperspectief op schuldhulpverlening.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/089