2017/132 Politie Den Haag moet meer aandacht hebben voor doel van klacht slachtoffer schietincident

Bij de politie komt een melding binnen over een man die zelfmoord wil plegen en een vuurwapen bij zich draagt. De man volgt een bevel niet op en wordt twee keer beschoten waarna hij blijvend invalide is. Hij klaagt dat de politie te snel voor de tweede maal schoot na een onterechte melding van de meldkamer dat er al geschoten was. Ook klaagt hij over het gebrek aan aandacht na het incident. De Nationale ombudsman vindt dat de politie meer aandacht aan de man en zijn klacht had moeten besteden, vanwege de ernstige gevolgen en omdat de politie zijn klacht al gegrond had verklaard.

Instantie: Politie eenheid Den Haag

Klacht:

te snel voor de tweede maal geschoten, nadat de meldkamer ten onrechte had doorgegeven dat er al was geschoten

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Politie eenheid Den Haag

Klacht:

geen gevolg gegeven aan de gegronde klacht, over de wijze waarop de politie hem heeft bejegend nadat hij was neergeschoten

Oordeel: gegrond

Na een melding bij de politie dat verzoeker zelfmoord wilde plegen en dat hij een vuurwapen bij zich had kwamen twee politieambtenaren ter plaatse. Verzoeker stond voor het portiek. Zij riepen tegen verzoeker dat hij zijn handen moest laten zien. Verzoeker deed zijn rechterarm achter zijn rug. Op het moment dat verzoeker naar achteren stapte, het portiek in, schoot een politieambtenaar op verzoeker. Zij schoot na 0,7 seconden nogmaals. Later bleek dat zij hem in beide knieën had geraakt. Verzoeker was daarna invalide. Het staat vast dat het vuurwapengebruik in deze situatie gerechtvaardigd was.

Verzoeker klaagt erover dat de meldkamer ten onrechte had doorgegeven dat al was geschoten, terwijl dit niet zo was en dat de politieambtenaar te snel voor de tweede maal schoot. Ook klaagt hij erover dat de politie hem geen aandacht heeft geschonken na dit incident.

De Nationale ombudsman acht het op grond van zijn onderzoek (waarbij onder meer 3 wapen deskundigen zijn geraadpleegd) begrijpelijk dat de politieambtenaar dacht dat het gevaar na het eerste schot nog niet verdwenen was. En dat niet van haar kon worden verlangd om langer te wachten omdat zij ook verantwoordelijk was voor de veiligheid van de omstanders. Het beter doorgeven van de juiste informatie door de meldkamer moet als leerpunt worden beschouwd. Deze klacht is niet gegrond. Wel vindt de Nationale ombudsman dat de motivering van de politiechef te kort schiet.

De klacht over de bejegening is gegrond. De politie had zeker aandacht aan verzoeker moeten besteden. Zeker omdat de politie deze klacht al gegrond had verklaard. De gebrekkige motivering en het gebrek aan aandacht heeft er toe geleid dat verzoeker de formele klachtbehandeling heeft voortgezet, terwijl hij een gesprek wilde. De politie moet oog hebben voor wat iemand met zijn klacht wil bereiken.

Behoorlijkheidsvereiste: professionaliteit en fatsoenlijke bejegening.

Wat is de klacht?

Verzoeker klaagt over het optreden van politieambtenaren van de regionale politie eenheid Den Haag op 31 oktober 2014. Hij klaagt er met name over dat een politieambtenaar te snel voor de tweede maal op hem heeft geschoten, nadat de meldkamer ten onrechte had doorgegeven dat er al was geschoten.

Verzoeker klaagt er ook over dat de politie geen gevolg heeft gegeven aan de gegronde klacht, over de wijze waarop de politie hem heeft bejegend nadat hij was neergeschoten.

Wat ging er aan de klacht vooraf

Schietincident

Op 31 oktober 2014 rond 18.30 uur belde verzoekers vriendin 112. Zij deelde de medewerkster van de meldkamer van de politie Den Haag mee dat verzoeker depressief was, dat hij zelfmoord wilde plegen en dat hij een vuurwapen bij zich had. Twee politieambtenaren, mevrouw H. en de heer D., waren als eerste ter plaatse. D. en H. zagen verzoeker, die in het portiek bleef staan. Verzoeker deed zijn rechterarm achter zijn rug. Daarop trokken D. en H. hun vuurwapen en riepen diverse malen tegen verzoeker dat hij zijn handen moest laten zien. Verzoeker hield zijn rechterarm achter zijn rug. Na een paar minuten stapte verzoeker naar achteren, het portiek in. Op dat moment schoot H. en 0,7 seconden later schoot zij nogmaals. Daarop viel verzoeker neer. Hij was in beide knieën geschoten. Achteraf bleek dat verzoeker geen vuurwapen bij zich had.

Rijksrechercheonderzoek

De Rijksrecherche heeft in opdracht van de officier van justitie onderzoek gedaan naar de toedracht van dit schietincident, om te weten of het toegepaste geweld rechtmatig is geweest.

Geluids- en beeldopnamen van het politieoptreden

Er zijn geluidsopnamen van de gesprekken met de meldkamer in het onderzoek van de Rijksrecherche ingebracht. Ook is de geschreven tekst van deze gesprekken in dit onderzoek ingebracht. Op deze geluidsopnamen is te horen dat verzoekers vriendin geëmotioneerd is. De medewerkster van de meldkamer vraagt aan verzoekers vriendin of verzoeker een vuurwapen heeft en zij bevestigt dit. Ook is te horen dat de medewerkster van de meldkamer diverse malen aan verzoekers vriendin heeft gevraagd of hij al dan niet had geschoten, omdat zij iets meende te horen. Verzoekers vriendin was erg overstuur en zegt dat zij dacht dat het harder zou klinken. De medewerkster geeft daarop door dat zij een schot hoorde. Op deze geluidsopnamen bleek achteraf geen schot te horen te zijn.

Ook zijn er camerabeelden van het politieoptreden in het onderzoek van de Rijksrecherche ingebracht. Deze camerabeelden zijn van een bewakingscamera buiten het portiek en zijn zonder geluid. Te zien is dat de politieambtenaren D. en H. arriveren. Zij komen verzoeker tegen die in het portiek blijft staan. Verzoeker zwaait met zijn linkerarm en gebaart daar heftig mee. Hij heeft zijn rechterarm achter zijn rug. De politieambtenaren, H. en D., stappen achteruit en trekken beiden hun vuurwapen en richten dat op verzoeker. Op het moment dat verzoeker naar achteren stapt schiet H. op verzoeker. Dan verdwijnt hij uit het beeld. Na 0,7 seconden schiet H. nogmaals. Verzoeker is dan al niet meer te zien.

De verklaring van H. aan de Rijksrecherche

De Rijksrecherche heeft aan H. geen vragen gesteld over het tweede schot.

H. verklaarde aan de Rijksrecherche dat zij hoorde dat verzoeker zei dat hij naar binnen zou gaan, en zei: "Ik ga dood. Adios." Zij waarschuwde verzoeker voor de laatste keer met de woorden: "Als je nu naar binnengaat, dan schiet ik." Zij zag dat verzoeker naar achteren bleef lopen en zij dacht dat er binnen een gevaarlijke situatie kon ontstaan, als hij de deur zou dicht gooien. Zij dacht dat verzoeker het vuurwapen al had gebruikt en nog steeds zou kunnen schieten. Als verzoeker in één vloeiende beweging een vuurwapen zou trekken en zou schieten, zou zij te laat zijn, omdat zij eerst moet waarnemen, reageren en dan schieten. Verzoeker zou op zichzelf kunnen schieten, maar ook op bewoners van die portiekwoning. Op dat moment schoot zij tweemaal. Zij zag dat verzoeker na het tweede schot meteen op de grond viel. Zij had een waarschuwingsschot overwogen, maar dat was niet mogelijk, omdat er mensen op de balkons boven haar stonden.

De verklaring van verzoeker aan de Rijksrecherche

Verzoeker verklaarde aan de Rijksrecherche dat het eerste schot zijn linkerbeen raakte, waarop hij zich omdraaide, en dat hij na het tweede schot viel.

Sepotbeslissing van de officier van justitie

Op grond van het Rijksrecherche-onderzoek heeft de officier van justitie op 13 januari 2015 aan verzoeker laten weten van oordeel te zijn dat het vuurwapengebruik tegen verzoeker rechtmatig is geweest en dat de zaak werd geseponeerd. De officier van justitie gaf als motivering van deze beslissing dat de betreffende politieambtenaren dachten dat verzoeker een vuurwapen had, dat hij diverse malen was gevraagd om zijn handen te laten zien, en dat de agente vreesde dat er mogelijk andere mensen gevaar zouden lopen op het moment dat verzoeker het portiek in wilde gaan. Zij schoot verzoeker in de knieën omdat er geen andere mogelijkheden waren om hem te stoppen.

KLACHTBEHANDELING BIJ DE POLITIE

De klacht

Verzoeker diende via zijn advocaat op 3 juni 2015 een klacht in bij de politie. Als gevolg van de beide schotwonden was hij blijvend invalide. Het Rijksrecherche-onderzoek gaf geen antwoord op de vraag waarom H. voor de tweede maal had geschoten. De politie kon deze vraag evenmin beantwoorden, en nam de klacht in behandeling. Verzoeker vond het tweede schot overbodig, omdat hij na het eerste schot al naar de grond viel of al op de grond lag, zodat hij toen al was uitgeschakeld. Verzoeker wilde weten waarom H. niet de uitwerking van het eerste schot had afgewacht en had gekeken of het eerste schot afdoende was.

Volgens verzoeker was H. door de onjuiste mededeling van de meldkamer dat een schot was gehoord, eerder bereid om haar vuurwapen te trekken en te gebruiken. Tijdens de hoorzitting op 2 februari 2016 was verzoeker niet aanwezig, omdat dit te belastend voor hem was. Zijn advocaat voerde namens hem het woord, en voegde nog een klacht toe: Ook al vond verzoeker dat hij het incident ook aan zichzelf te wijten had, toch had hij graag gewild dat de politie hem na het schietincident enige aandacht had geschonken. Verzoeker had echter niets meer van de politie vernomen na het schietincident. Een bemiddelingsgesprek zou mogelijk de grond onder de klacht hebben weggehaald.

Het advies van de klachtencommissie aan de politiechef

De klachtencommissie onthield zich in haar advies van een oordeel over de klacht over de onjuiste mededeling van de meldkamer, omdat zij niet kon vaststellen of de centralist professioneel had gehandeld. De commissie overwoog dat verzoekers vriendin tijdens het telefoongesprek met de medewerkster van de meldkamer had gezegd dat verzoeker een vuurwapen in zijn hand had. Bovendien was verzoekers vriendin zeer geëmotioneerd en niet altijd even helder in haar uitlatingen. De medewerkster van de meldkamer dacht dat zij een schot had gehoord. De centralist in de meldkamer moet zeer snel handelen in een hectische situatie. Daarbij dient zij de informatie te wegen en te beslissen welke informatie met de eenheden gedeeld moet worden, en is er weinig ruimte voor nuances. Daarom kon de centralist in de meldkamer zich volgens de klachtencommissie onder die omstandigheden misschien stelliger uitdrukken dan op basis van de ontvangen informatie achteraf gerechtvaardigd lijkt.

De klachtencommissie adviseerde de klacht over het tweede schot gegrond te verklaren. H. had bij de klachtencommissie verklaard dat zij zag dat het eerste schot niet het beoogde effect had. Daarop loste zij het tweede schot en vervolgens zag zij dat verzoeker omviel. De klachtencommissie leidde uit de verklaring van H. bij de Rijksrecherche en uit de camerabeelden af dat H. beide schoten had afgevuurd vanuit één wilsbesluit. Volgens de klachtencommissie had H. de uitwerking van haar eerste schot niet afgewacht, terwijl dit wel passend was geweest. Immers, H. had verzoeker in het vizier en kon zorgvuldig mikken. Mocht verzoeker alsnog een wapen te voorschijn halen, dan had H. nog alle tijd gehad voor het tweede schot.

De klachtencommissie adviseerde de klacht over de bejegening gegrond te verklaren. De klachtencommissie vond dat het passend was geweest als de politie uit fatsoen, los van de schuldvraag, begrip had getoond voor de gezondheidssituatie van verzoeker omdat hij nu blijvend invalide is.

Het oordeel van de politiechef

De politiechef volgde in zijn oordeel van 10 mei 2016 het advies van de klachtencommissie, behalve het advies over het tweede schot. De politiechef achtte die klacht ongegrond. Hij overwoog dat er geen richtlijnen of algemene objectief toepasbare criteria bestaan die antwoord geven op de vraag hoe lang een politieambtenaar moet wachten of het geplaatste schot (voldoende) effect sorteert. Dit is immers sterk afhankelijk van de situatie. Bepalend is met name waar de verdachte wordt geraakt en of hij na het eerste schot nog tot handelen in staat is, dat wil zeggen of hij nog steeds een vuurwapen kan pakken, richten en schieten. Tussen de twee schoten zat volgens hem één á twee seconden. Hij had de adviseur Integrale Beroeps Training (IBT) om een professionele beoordeling gevraagd. Deze achtte de verklaring van H. voor het tweede schot plausibel, omdat zij na haar eerste schot geen direct effect zag bij verzoeker, waardoor zij zich genoodzaakt zag een tweede keer te schieten. Na het tweede schot zag zij wel effect. Volgens de politiechef ondersteunen de camerabeelden deze verklaring en was na het eerste schot te zien dat verzoeker nog stond.

Verzoekers reactie op het oordeel van de politiechef

Verzoeker wendde zich via zijn advocaat op 13 september 2016 tot de Nationale ombudsman. Verzoeker was het niet eens met het oordeel van de politiechef om niet het advies van de klachtencommissie te volgen over het tweede schot. Verzoeker vond dit oordeel onvoldoende gemotiveerd, aangezien dit op twee punten feitelijk onjuist was. Ten eerste omdat uit de camerabeelden bleek dat er minder dan één seconde tussen het eerste en tweede schot zat, en niet één á twee seconden, zoals de politiechef van mening was. En ten tweede omdat verzoeker buiten het beeld van de camera stond toen hij naar achter stapte, zodat de reactie van de politiechef dat op de camerabeelden te zien was dat verzoeker nog steeds stond, ook op dat punt onjuist was. Ook bleef verzoeker er bij dat H. door de onjuiste informatie van de meldkamer op hem had geschoten. Tot slot was er volgens verzoeker voor de politie naar aanleiding van de gegronde klacht zeker aanleiding geweest om actie te ondernemen. Verzoeker wilde alsnog een gesprek met de politie. Hij had dit liever gewild dan een formele klachtbehandeling.

onderzoek Nationale ombudsman

Het onderzoek van de Nationale ombudsman richtte zich niet op de rechtmatigheid van het schietincident. Deze vraag is immers in het onderzoek van de Rijksrecherche beantwoord. Het Rijksrecherche-onderzoek heeft zich niet gericht op het tweede schot en op welke invloed de informatie van de meldkamer heeft gehad op het politieoptreden. Daarom ziet Nationale ombudsman ruimte voor onderzoek naar deze twee aspecten van het politieoptreden.

De heer dr. N., gedragsdeskundige, heeft op zijn computer in het bijzijn van medewerkers van de Nationale ombudsman nagemeten hoe snel het tweede schot viel. Dit bleek inderdaad na 0,7 seconden te zijn. Ook heeft de Nationale ombudsman de heer L., adviseur Integrale Beroeps Training, de heer O., deskundig op het gebied van vuurwapengebruik, en de heer N., geraadpleegd, onder andere over de vraag of het mogelijk is om binnen 0.7, seconden te zien of een schot effect heeft en of het mogelijk is om binnen die tijd de beslissing te nemen om te schieten. Deze drie deskundigen hebben, evenals de twee betrokken ambtenaren H. en D., in persoon een verklaring afgelegd, waarbij voor zover nodig de camerabeelden zijn getoond. De medewerkster van de meldkamer heeft geen verklaring afgelegd, omdat zij daartoe niet in staat was. De hoofdpunten van de verklaringen zijn hierna weergegeven, voor zover relevant voor dit onderzoek.

Ook is door tussenkomst van de Nationale ombudsman een afspraak gemaakt voor een gesprek in februari 2017 tussen verzoeker en de politie, te weten de bureauchef van H. Dit gesprek heeft echter niet plaatsgevonden, omdat de gezondheid van verzoeker dit niet toe liet. Op 27 juni 2017 is verzoeker overleden. Dit overlijden heeft geen directe relatie met het schietincident. Wel is het volgens verzoekers advocaat met verzoeker door de blijvende invaliditeit bergafwaarts gegaan. De advocaat vindt het betreurenswaardig dat de politie na het incident geen contact met verzoeker heeft opgenomen

Lezing van betrokken ambtenaar H.

Deze lezing houdt onder meer in:

Zij schoot bewust, omdat zij verzoeker na het eerste schot niet zag vallen. Zij had verwacht dat verzoeker na het eerste schot zou vallen, maar hij bleef staan. Daarom schoot H. nog een keer. Toen viel verzoeker wel. Het was geen ongewild schot. Zij schoot bewust nogmaals omdat het gevaar moest stoppen. Zij nam duidelijk een tweede wilsbesluit.

H. betwistte dat zij de uitwerking van het eerste schot niet had afgewacht. Zij dacht erg snel, in een split second, dat het gevaar nog niet weg was. Daarom schoot zij nogmaals. Zij wilde niet wachten. Als verzoeker alsnog zijn arm vanachter zijn rug zou halen en een pistool zou trekken en zij dan nog moest reageren, zou zij te laat zijn. Na het tweede schot viel verzoeker wel meteen. Als H. zag hoe snel verzoeker na het tweede schot op de grond viel, kon hij wel binnen een seconde vallen.

De adrenaline was bij haar hoog. Zij zou niet anders hebben gehandeld als de meldkamer niet had gezegd dat er al was geschoten, maar wel had de mededeling dat al was geschoten gezorgd voor stijging van de adrenaline. Zij verwachtte namelijk dat verzoeker gevaarlijk kon zijn als zij niets zou doen. Als zij had geweten dat er niet was geschoten, was zij even goed wel gefocust geweest, maar dan was de adrenaline minder hoog geweest. Zij vond het vreselijk dat verzoeker invalide was geraakt. Zij had het zeker anders gewild.

Lezing van betrokken ambtenaar D.

Deze lezing houdt onder meer in:

Het verbaasde D. niet dat H. twee keer achter elkaar schoot. Zolang iemand nog tot handelen in staat is, betekent dat dat deze persoon alsnog om zich heen kan gaan schieten, en moet er voor worden gezorgd dat deze persoon niet meer kan handelen. D. zag verzoeker niet vallen, hij had dus niet gezien of het eerste schot raak was.

Voor zijn handelen maakte het niets uit dat achteraf bleek dat verzoeker niet had geschoten. Dan had hij alleen niet eerst een moment gehad dat hij dacht dat verzoeker al dood was, met de kans dat zij misschien meteen de kelderbox waren ingelopen en daar verzoeker waren tegen gekomen. Zij wisten dat verzoeker verlofhouder1 was. Het had wel veel uitgemaakt als zij hadden geweten dat verzoeker geen vuurwapen bij zich had gehad.

Verklaring van dr. N., gedragsdeskundige:

Deze verklaring houdt onder meer in:

N. leidde uit de camerabeelden af dat er bij de politieambtenaren behoorlijk veel spanning moest zijn geweest. Dit baseerde N. op verzoekers gedrag (dominant en bedreigend) en het gedrag van de politieambtenaren (zij bewogen heen en weer en soms plotseling naar achteren). Daarbij leken de omstandigheden voor de politieambtenaren niet optimaal om gemakkelijk overzicht te houden, omdat er mensen liepen en het donker was buiten.

Het eerste schot leek N. een reactie te zijn op het plotselinge bedreigende gedrag van verzoeker en het dichtvallen van de deur. Uitgaande van die sterk bedreigende situatie vond N. het niet verrassend dat H. tweemaal zo snel achter elkaar schoot. Het was geen zelfgekozen moment om te schieten en er was zeer beperkte tijd. Verwachtingen over mogelijke consequenties en onvoorspelbaarheid van de situatie konden hierbij een rol gespeeld hebben.

N. zag het tweede schot als onderdeel van één en dezelfde reactie, één wilsbesluit dus, namelijk dat er íets moest gebeuren om de ervaren dreiging weg te nemen. N. was geneigd om het tweede schot te zien als een directe reactie op de onzekerheid over de bedreiging die bleef bestaan na het eerste schot. N. achtte de ruimte uiterst beperkt om in zo korte tijd, ongeveer 0,7 seconden, en met zulke hoge spanning als in dit geval (met tot gevolg verminderde cognitieve controle en verhoogde impulsiviteit), voor- en nadelen van een schietbeslissing bewust af te wegen. De dreiging die leidde tot het eerste schot en de fysieke en psychologische reactie hier op, was niet in 0,7 seconden weg. Na verloop van tijd kon de adrenaline zakken, maar niet in 0,7 seconden. Daarbij kwam dat het vermogen om een eenmaal ingezette (schiet)reactie te stoppen mogelijk beperkt was door de spanning.

Anderzijds zijn volgens N. mensen onder invloed van spanning en adrenaline meer alert en scherper op eventuele bewegingen en andere informatie die mogelijk gevaar oplevert. Daarom achtte N. het goed mogelijk dat H. wel bewust had geconstateerd dat de dreiging na het eerste schot niet weg was, en dat er dus gehandeld moest worden om deze dreiging alsnog weg te nemen. Zij het dat de ruimte om dit bewust te besluiten dus uiterst beperkt was.

Verklaring van deskundige L., adviseur Integrale Beroeps Training

Deze verklaring houdt onder meer in:

L. zag op de beelden dat er een seconde zat tussen het eerste en tweede schot. Dat was kort. L. kon de vraag niet beantwoorden of H. de inschatting over het effect zo snel kon maken en zo snel een tweede beslissing kon nemen. Dit is ook afhankelijk van de vraag hoe een agent omgaat met stress.

L. kon evenmin de vraag beantwoorden hoe snel effect van een schot was te verwachten. Dit was ook afhankelijk van de plaats waar iemand was geraakt en of iemand onder invloed verkeerde van drank of drugs. L. achtte H.'s verklaring, dat zij geen effect zag van het eerste schot en zij het daarom nodig vond om een tweede schot te lossen, voorstelbaar. Het is van belang dat een agent de handen ziet van de verdachte, anders kan deze alsnog een vuurwapen trekken. Verzoeker hield zijn rechterhand op zijn rug en luisterde niet naar het bevel om zijn handen te laten zien. Verzoeker kon dus een vuurwapen onmiddellijk gereed hebben. L. vond minder dan één seconde tussen het eerste en het tweede schot wel kort, maar hij was van mening dat H. niet langer had kunnen wachten, vanwege haar eigen veiligheid en verzoekers veiligheid.

L. betwijfelde of H. nog tijd genoeg had gehad om snel genoeg te reageren als verzoeker alsnog een vuurwapen zou trekken. Op grond van de beelden en H.'s verklaring meende L. niet dat het een reflex schot of ongewild schot was.

L. gaf aan dat agenten leren om na een schot na te richten2. Dat is om te zien of het schot raak is en wat het effect is van het schot: zakt iemand in elkaar of kan hij nog handelen. Het gaat er immers om dat de verdachte stopt met handelen. Narichten duurt ongeveer twee seconden. Maar afhankelijk van de omstandigheden kan het ook langer of korter zijn.

L. vond het ongelukkig dat de informatie van de meldkamer onvolledig en onjuist was. Dat er eerder was geschoten, bleek achteraf niet zo te zijn. Daar zat wel een leermoment. Wat had de centralist precies gehoord: was er een deur dichtgegooid of was er geschoten? Die vraag was teruggekoppeld aan de meldkamer van de politie Den Haag. Zij moeten namelijk doorvragen. Daarnaast was L. van mening dat D. en H. goed hadden gehandeld. Zo hadden zij een doel-aanpak analyse gemaakt en hadden zij afgesproken wie verzoeker zou aanspreken, daarmee hadden zij veilig en verantwoord gewerkt.

Verklaring van deskundige O., adviseur op het gebied van vuurwapengebruik

Deze verklaring houdt onder meer in:

O. achtte het optreden van H. professioneel. H. had verzoeker aangeroepen en zij schoot pas op het moment dat verzoeker de woning binnen wilde gaan en zij dat niet wilde. Ook stopte H. na het tweede schot toen zij verzoeker zag vallen. Volgens O. was H. op veel momenten in gevaar geweest, uitgaande van de gedachte dat verzoeker een vuurwapen had. O. vond 0,7 seconden wel kort, maar hij kon niet beoordelen of het ook te kort was. Hij wist niet of H. zo snel had kunnen zien dat het eerste schot geen effect had.

O. vond niet dat H. langer had moeten wachten met het tweede schot, omdat dat afhankelijk was van de vraag waartoe de verdachte nog in staat was en wat H. daarvan kon constateren. Soms is het niet mogelijk om langer te wachten, want dan kan het te laat zijn. Agenten wordt niet geleerd om standaard twee seconden te wachten. Als een agent ter aanhouding schiet en hij of zij ziet niet direct resultaat, dan kan een tweede schot nodig zijn. Een agent leert bij de training dat als iemand nog steeds kan handelen, hij de trekker kan overhalen. Zeker als onvoorspelbaar is wat de verdachte gaat doen. Het kan wel degelijk zijn dat iemand heel snel schiet. Verzoeker had zijn hand achter zijn rug, als hij een wapen had getrokken en had geschoten, had H. of een omstander geraakt kunnen worden, ook als zij zelf net iets sneller had geschoten dan verzoeker.

Visie politiechef

De politiechef van de eenheid Den Haag bleef bij zijn eerder ingenomen standpunt op de klacht. De politiechef gaf een nadere toelichting op de gebruikte term: 'één wilsbesluit'. Volgens hem kon niet zonder meer worden vastgesteld dat dit snelle handelen één wilsbesluit betrof. De betrokken ambtenaar had immers verklaard dat het eerste schot geen effect had en dat zij daarom nogmaals schoot. Zij handelde snel omdat zij dacht dat de verdachte een vuurwapen had en dit ook zou gebruiken. In die situatie kan het zeer gevaarlijk zijn voor omstanders, betrokkene zelf en de politieambtenaren, om één á twee seconden te wachten en is het afhankelijk van de snelheid van de perceptie van de politieambtenaar wanneer deze besluit dat het noodzakelijk is om voor de tweede maal te schieten.

Reactie verzoeker

Verzoekers advocaat reageerde namens verzoeker op de verklaringen van de betrokken ambtenaren en van de deskundigen en op de lezing van de politiechef. Verzoeker bleef van mening dat H. één wilsbesluit had genomen. Hij vond dat H.'s latere verklaring dat zij zag dat het eerste schot geen effect had, niet overeenkwam met haar verklaring bij de Rijksrecherche. Hij achtte 0,7 seconden te kort om af te wegen of het eerste schot effect heeft gehad, zoals de deskundige N., had verklaard. N. zag immers het tweede schot als onderdeel van één en dezelfde reactie. Verzoeker achtte een dergelijke reactie begrijpelijk vanwege de dreigende situatie, maar hij vond het niet juist dat H. probeerde om het zo te draaien dat dit nodig was omdat het eerste schot geen effect had. Bovendien had H. volgens verzoeker het effect van het eerste schot niet afgewacht, zelfs als H. wel een afweging zou hebben gemaakt, omdat 0,7 seconden te kort is om naar de grond te vallen. Hij bleef er dan ook bij dat H. langer had moeten wachten om te zien of het eerste schot effect had, ook omdat H. op dat moment nog geen wapen bij verzoeker had gezien.


BEOORDELING

Politieambtenaar H. schoot op 31 oktober 2014 tweemaal op verzoeker. H. schoot na 0,7 seconden voor de tweede maal. Zij raakte verzoeker in beide knieën. Verzoeker was daarna invalide. Na onderzoek van de Rijksrecherche staat vast dat sprake is van een situatie waarin vuurwapengebruik gerechtvaardigd was.

  1. Het politieoptreden

Het vereiste van professionaliteit houdt in dat de overheid er voor zorgt dat haar medewerkers volgens hun professionele normen werken. De burger mag van hen bijzondere deskundigheid verwachten. Dit houdt onder meer in dat de politie secuur en zorgvuldig handelt.

De Nationale ombudsman acht, evenals de klachtencommissie, op grond van de geluidsopnamen van het gesprek tussen verzoekers vriendin en de meldkamer aannemelijk dat de omstandigheden waarin de centralist moest werken moeilijk waren. De centralist meende een knal te horen, waarvan zij dacht dat het een schot was, ook omdat zij dacht dat verzoeker een vuurwapen had. Zij heeft meerdere malen gevraagd aan verzoekers vriendin of verzoeker had geschoten. Zij heeft daarmee voldoende doorgevraagd, maar heeft onvoldoende duidelijk antwoord gekregen.

Vervolgens moest de centralist snel beslissen om informatie door te geven aan de politieambtenaren die al onderweg waren, terwijl informatie of verzoeker al had geschoten wel van belang was. Het is dan ook voorstelbaar dat zij in die situatie een beslissing heeft genomen die achteraf gezien onjuist was. Hoewel de politie er rekening mee moet houden dat er in hectische situaties informatie kan worden doorgegeven die achteraf gezien genuanceerder had moeten zijn, neemt dit echter niet weg dat de politie er in beginsel wel op moet kunnen vertrouwen dat de informatie van de meldkamer juist is. Daarom moet dit als leermoment worden beschouwd voor de politie.

Niet is gebleken dat H., zoals verzoeker heeft gesteld, door de onjuiste informatie van de meldkamer eerder bereid was om een pistool te trekken en te schieten. H. schoot namelijk op het moment dat verzoeker naar achteren stapte, het portiek in. Als de portiekdeur zou dichtvallen kon H. niet meer bij verzoeker komen en zij wilde voorkomen dat verzoeker zichzelf of omwonenden iets wilde aan doen. Wel had de mededeling dat al was geschoten tot gevolg dat de adrenaline bij H. was gestegen.

Verzoeker was met de klachtencommissie van mening dat H. te snel voor de tweede maal had geschoten en langer had moeten wachten met het tweede schot. Met name was hij van mening dat H. de uitwerking van het eerste schot niet heeft afgewacht.

De Nationale ombudsman heeft over de vraag of H. te snel voor de tweede maal heeft geschoten uitgebreid onderzoek gedaan. Zo is gesproken met drie deskundigen, te weten een gedragsdeskundige en twee deskundigen op het gebied van vuurwapengebruik. Ook is uitgebreid gesproken met de betrokken ambtenaren. Daarnaast zijn de camerabeelden bekeken, is de tijd tussen het eerste en het tweede schot nagemeten, en zijn de geluidsbanden beluisterd.

Op basis van dit onderzoek acht de Nationale ombudsman het in de gegeven omstandigheden begrijpelijk dat H. zo snel nogmaals schoot. Het verwachte effect van het eerste schot, dat verzoeker zou vallen, bleef namelijk uit. Verzoeker bleef staan. Dit blijkt uit zijn eigen verklaring en de verklaring van H. Daarmee was het gevaar na het eerste schot nog niet weg. Bovendien was H. niet alleen verantwoordelijk voor zichzelf, maar ook voor de omstanders. Daarom moest niet van H. worden verlangd om langer te wachten met het tweede schot.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Het voorgaande leidt er wel toe om het volgende op te merken over de klachtbehandeling. De lezing van de klachtencommissie en de lezing van de politiechef over het tweede schot staan tegenover elkaar. De klachtencommissie was van mening dat H. langer had moeten wachten met het tweede schot, omdat zij de uitwerking van het eerste schot niet heeft afgewacht. Dit zal bepaalde verwachtingen bij verzoeker hebben gewekt. Dit heeft tot gevolg dat de politiechef zijn oordeel zorgvuldig moet motiveren als hij het advies niet volgt. Daarbij staat het buiten kijf dat hij deze beslissing baseert op de correcte feiten. Juist in een zo gevoelige zaak als deze. De reactie van de politiechef is op twee punten aantoonbaar feitelijk onjuist. In de eerste plaats omdat het tweede schot niet na één á twee seconden is gevallen maar na 0.7 seconden. Dit was hier juist van cruciaal belang. In de tweede plaats omdat de camerabeelden niet de verklaring van H. konden ondersteunen dat verzoeker na het eerste schot nog stond, omdat verzoeker toen al buiten beeld was. De motivering van de politiechef schiet dan ook tekort.

  1. De aandacht voor verzoeker

Het vereiste van een fatsoenlijke bejegening houdt in dat de overheid de burger respecteert, hem fatsoenlijk behandelt en hulpvaardig is. Dit betekent dat de politie aandacht behoort te hebben voor een burger wanneer de gevolgen van het politieoptreden voor de burger ernstig zijn, ook als dit optreden rechtmatig is geweest.

De politie had zeker aandacht aan verzoeker moeten besteden. In de eerste plaats omdat verzoeker al niet in staat was om bij de hoorzitting aanwezig te zijn en via zijn advocaat had aangegeven dat een bemiddelingsgesprek mogelijk de grond onder de klacht had weggehaald. En des te meer nadat de politiechef de klacht over het gebrek aan aandacht voor verzoekers situatie gegrond had verklaard. Het was dan ook passend geweest als de politie uit behoorlijkheid, los van de schuldvraag, begrip had getoond voor de situatie van verzoeker, die blijvend invalide was geraakt. Het is dan ook niet juist dat de politie ook na deze gegronde klacht geen nadere actie heeft ondernomen.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Door tussenkomst van de Nationale ombudsman was de politie alsnog bereid tot een gesprek. Er was een afspraak gepland voor een gesprek tussen politieambtenaar B. en verzoeker. Het is jammer dat dit gesprek niet meer heeft plaatsgevonden, omdat verzoeker toen al te ziek was.

De gebrekkige motivering van de politiechef en het gebrek aan aandacht voor verzoeker heeft er toe geleid dat verzoeker de formele klachtbehandeling heeft voortgezet. Klachtbehandeling heeft onder meer tot doel om het vertrouwen van de burger in de overheidsinstantie, in dit geval de politie, te herstellen. Dit betekent dat de politie oog moet hebben voor wat iemand met zijn klacht wil bereiken. Dit kan ook een goed gesprek zijn. Zeker als iemand dit met zoveel woorden aangeeft. De politie moet het zich dan ook zeker aantrekken dat een formele klachtbehandeling had kunnen worden voorkomen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de politiechef van de regionale eenheid Den Haag is niet gegrond voor wat betreft het politieoptreden op 31 oktober 2014.

Ten aanzien van de bejegening is de klacht gegrond, wegens strijd met het vereiste van fatsoenlijke bejegening.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Notes

[←1]

Een verlofhouder is bevoegd om een vuurwapen in zijn/haar woning te hebben.

[←2]

De toets schietvaardigheid pistool (WP99Q NL) van 1 januari 2015 maakt deel uit van de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Politie. Deze toets bestaat uit onder andere: gedifferentieerd aanhoudingsvuur/noodweervuur en dynamisch noodweervuur. Bij deze onderdelen is narichten voorgeschreven. Dit houdt in: "Na het afgegeven schot blijft u gericht op het doel. In de schiethouding kijkt u tenminste twee seconden over het pistool heen en heeft u de vinger aan de trekker. U hebt het pistool in een definitieve greep en bent gereed om te vuren."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/132