Brief: Belastingdienst motiveert afwijzing uitstel van betaling voldoende

Een onderneming (BV) krijgt naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd. De BV maakt bezwaar en vraagt om uitstel van betaling. Volgens de BV is er na de hoorzitting aanvullende informatie opgevraagd bij de ontvanger. De BV klaagt erover dat hij niet in de gelegenheid is gesteld deze stukken in te zien en hierop te reageren. De Nationale ombudsman vindt dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de Belastingdienst na de hoorzitting aanvullende informatie zou hebben opgevraagd. Ook vindt hij dat de beslissing toereikend is gemotiveerd. (Dossiernumer: 2015.4068)

Instantie: Belastingdienst

Klacht:

niet in de gelegenheid gesteld om de stukken in te zien die de Belastingdienst na de hoorzitting had opgevraagd

Oordeel: niet gegrond

De klacht is gericht tegen de handelwijze van de directeur Belastingdienst bij de behandeling van het door de onderneming ingediende beroep tegen de beslissing van de ontvanger om geen uitstel van betaling te verlenen omdat niet werd voldaan aan de gestelde eis om (voldoende) zekerheid te stellen. Volgens de onderneming had de directeur bij de behandeling van het beroep aanvullende informatie opgevraagd bij de ontvanger. Dit nadat de onderneming het dossier ter gelegenheid van de hoorzitting had ingezien. Volgens de onderneming was de beslissing op beroep genomen zonder hem van het opvragen van die informatie in kennis te stellen en in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Voor het geval geen nadere informatie was opgevraagd, ontbrak volgens de onderneming een deugdelijke onderbouwing van de beslissing.

De Nationale ombudsman oordeelde op basis van de bevindingen van het onderzoek dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de directeur – in weerwil van zijn ontkenning daarvan - na het plaatsvinden van de hoorzitting aanvullende informatie zou hebben opgevraagd.

Voorts oordeelde de Nationale ombudsman dat de directeur met zijn beslissing was gebleven binnen de kaders van het geldende invorderingsbeleid en dat de beslissing toereikend was gemotiveerd.

De reactie van betrokkenen op het voornemen het onderzoek te beëindigen gaf geen aanleiding om op dat voornemen terug te komen.

Geachte xxxxxxx,

U heeft namens uw cliënt (xxxxx) bij ons een klacht ingediend over de Belastingdienst. Op ons verzoek heeft u op 3 maart 2016 aanvullende informatie verstrekt.

Waar gaat het om?

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek is aan de BV een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (Vpb) 2011 opgelegd van € 307.248. Tegen deze navorderingsaanslag is bezwaar gemaakt waarbij de ontvanger is gevraagd om uitstel van betaling. Grond voor het bezwaar is onder meer dat sprake zou zijn van dubbele heffing. De gestelde inkomsten uit strafbare feiten worden ook bij xxxxx, de directeur- groot aandeelhouder van de BV (hierna: de dga), in privé belast (aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) 2011).

De ontvanger wil alleen uitstel van betaling verlenen onder de voorwaarde dat door de BV voldoende zekerheid wordt gesteld. De BV werd in de gelegenheid gesteld een nieuw verzoek in te dienen waarbij voldoende zekerheid wordt gesteld. Nadat verder contact met de ontvanger niet tot het gewenste resultaat leidde, werd het ingediende beroep tegen de beslissing van de ontvanger door de directeur Belastingen van de Belastingdienst afgehandeld. De directeur erkende dat sprake was van tekortkomingen in de beslissing van de ontvanger (in de motivering en het niet onderkennen dat het bezwaar was gericht tegen het gehele bedrag van de aanslag). Echter, inhoudelijk werd aan het beroep niet tegemoet gekomen.

U diende vervolgens bij de directeur een klacht in. U stelde dat de directeur, nadat u op 14 oktober 2015 het dossier had ingezien en de hoorzitting plaatsvond, aanvullende informatie had opgevraagd bij de ontvanger. Uw klacht is dat de directeur u/de BV niet in de gelegenheid heeft gesteld deze stukken in te zien. Evenmin is in een andere vorm hoor en wederhoor toegepast alvorens het beroepschrift werd afgewezen.

De directeur heeft u in reactie op de klacht meegedeeld dat bij de behandeling van het beroep van de BV (na 14 oktober 2015) geen informatie bij de ontvanger is opgevraagd.

Uw klacht bij de Nationale ombudsman

De dga heeft eveneens een verzoek om uitstel van betaling ingediend op grond van bezwaar tegen de opgelegde aanslag ib/pvv 2011. Dit verzoek is door de ontvanger afgewezen. Ook tegen deze beslissing is beroep ingesteld bij de directeur. Voor de behandeling van dit beroep heeft de directeur op 1 december 2015 bij de ontvanger om nadere informatie verzocht. U stelt dat gezien de verwevenheid tussen de BV en de dga het onwaarschijnlijk is dat enkel informatie kan worden opgevraagd over de verhaalsmogelijkheden bij de dga zonder ook informatie over de BV te ontvangen. U wijst er op dat de directeur in zijn beslissing refereert aan informatie over de omvang van de aangeboden zekerheid, een risico op onverhaalbaarheid en de afwezigheid van verdere verhaalsmogelijkheden bij de BV. Volgens u bevond die informatie zich ten tijde van de inzage niet in het dossier. U vermoedt daarom dat de directeur na het hoorgesprek nieuwe informatie heeft ontvangen over de verhaalsmogelijkheden bij de BV, en deze informatie zonder de BV nader te horen aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Dit via het ingediende verzoek om informatie over de dga.

Voor zover daadwerkelijk geen informatie is opgevraagd/ontvangen ten aanzien van de verhaalsmogelijkheden van de BV ontbreekt volgens u een deugdelijke onderbouwing van de beslissing van de directeur.

Onderzoek

Op 17 maart 2016 hebben mijn medewerkers, xxxxx, een bezoek gebracht aan de directeur. Tijdens dit bezoek is gevraagd om inzage in het dossier van de BV. De directeur verklaarde dat dit het dossier was zoals dat ook aan u en de BV op 14 oktober 2015 ter inzage is gegeven en op basis waarvan de beslissing op het beroep is genomen.

In het dossier troffen zij met betrekking tot de aangeboden zekerheid en de verhaalsmogelijkheden het advies van de ontvanger. En ook een mailwisseling tussen de ontvanger en het arrondissementsparket Oost Brabant (zie bijlage). En voorts een afschrift van het plaatsgevonden boekenonderzoek bij de BV.

Dat het advies van de ontvanger zich op 14 oktober 2015 in het dossier bevond, staat niet ter discussie. Uit uw brief aan ons van 3 maart 2016 (blz. 3/05, onder 10) leiden wij af dat u de mailwisseling tussen het arrondissementsparket en de ontvanger niet in het dossier heeft gezien. De directeur gaf aan dat ook dit stuk zich op 14 oktober 2015 in het dossier bevond. Op dit punt staat uw lezing recht tegenover die van de directeur.

Alles overziende zijn er naar onze mening onvoldoende aanwijzingen dat de directeur - in weerwil van zijn ontkenning daarvan – na 14 oktober 2015 voor de afhandeling van het beroep nadere informatie zou hebben opgevraagd bij de ontvanger. Hierbij nemen wij met name in aanmerking dat de overwegingen van de directeur over de aangeboden zekerheid en het risico op onverhaalbaarheid zijn terug te voeren op de inhoud van het advies van de ontvanger.

De beslissing van de directeur als zodanig

In de regel wordt bij een ingediend bezwaar tegen een opgelegde aanslag (voor het bestreden deel daarvan) uitstel van betaling verleend. Het is de ontvanger echter toegestaan om als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling zekerheid te vragen voor de bestreden belastingschuld. Dat gebeurt in beginsel alleen als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing houdt de ontvanger ook rekening met het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.1

De directeur is van oordeel dat in dit geval de ontvanger voldoende reden heeft om zekerheid te verlangen. Dit omdat het risico op onverhaalbaarheid te groot wordt geacht om zonder zekerheid uitstel te verlenen. Die conclusie grondt de directeur op een boekenonderzoek bij de BV. Hieruit blijkt dat er onjuiste aangiften zijn gedaan die hebben geleid tot een correctie op de winst van de BV over het jaar 2011 voor een bedrag van € 583.157 onder oplegging van een boete van 100%. In het boekenonderzoek wordt aan de hand van de feiten en omstandigheden gesteld dat de BV over het jaar 2011 opzettelijk een onjuiste aangifte Vpb heeft gedaan.

De Nationale ombudsman vindt dat de directeur met zijn oordeel is gebleven binnen de kaders van het geldende invorderingsbeleid alsmede dat de beslissing toereikend is gemotiveerd. Op de aangevoerde gronden kon de directeur in redelijkheid komen tot het oordeel dat de ontvanger aan het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde van het stellen van zekerheid mocht stellen.

Dat de door u aangeboden zekerheid in de vorm van het geldbedrag waarop het openbaar ministerie al beslag had gelegd niet is geaccepteerd, valt naar het oordeel van de Nationale ombudsman eveneens te billijken. Niet valt in te zien dat het beleid van de Belastingdienst om een ontnemingsmaatregel van Justitie zo min mogelijk te belemmeren een ongeoorloofde inbreuk zou geven op de belangen van de BV. De vraag of – zoals u stelt – de aangeboden zekerheid het bedrag van de navorderingsaanslag Vpb wel degelijk dekt, kan daarom verder buiten beschouwing blijven.

Overigens vinden wij in het advies van de ontvanger niet expliciet terug dat bij hem geen verdere verhaalsmogelijkheden bekend zijn. Dat doet aan het bovenstaande echter niet af. En hoe dan ook, de ontvanger heeft de BV in de gelegenheid gesteld om zekerheid aan te bieden. Dat heeft de BV ook gedaan. Uit de ons ter beschikking staande gegevens is niet gebleken dat naast het geldbedrag waarop het openbaar ministerie beslag heeft gelegd andere zekerheid is aangeboden.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande ziet de Nationale ombudsman geen aanleiding het onderzoek verder voort te zetten. De ontvanger is in de behandeling van uw verzoek om uitstel tekortgeschoten. Dit is door de directeur al erkend. Verder zijn er geen aanwijzingen dat de directeur na 15 oktober 2015 nadere gegevens heeft opgevraagd bij de ontvanger en kon de directeur naar onze mening in redelijkheid komen tot zijn beslissing op het beroep. Verder onderzoek kan hieraan niets toevoegen.

Voornemen tot sluiten dossier

Wij zullen het onderzoek naar uw klacht dan ook sluiten. Zorgvuldigheidshalve stellen wij u nog in de gelegenheid om binnen een termijn van 10 dagen op deze brief te reageren

Contact

Hebt u over deze brief nog vragen, dan kunt u contact opnemen met xxxxx. U kunt hem op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag bereiken via telefoonnummer xxxxx en emailadres xxxxx.

 

Met vriendelijke groet,

de Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

 

Notes

[←1]

Zie artikel 25.2.5 van de Leidraad Invordering 2008.

Publicatiedatum
Rapportnummer
Brief: