2018/001 Politie beëindigt manifestatie in Scheveningen zonder opdracht van burgemeester

De Stichting Een Dier Een Vriend houdt een manifestatie voor dierenrechten. De politie Den Haag arresteert een demonstrant wegens belediging van een politieambtenaar en beëindigt de manifestatie. De klacht van de stichting hierover wordt door de politiechef deels ongegrond verklaard. De ombudsman oordeelt na onderzoek dat de politie de manifestatie niet zonder opdracht van de burgemeester had mogen beëindigen. De arrestatie van de demonstrant was niet proportioneel en de wijze en de duur van de klachtbehandeling waren ver onder de maat.

Instantie: Politie Den Haag

Klacht:

beëindiging van de manifestatie; arrestatie van een demonstrant; wijze en duur van de klachtbehandeling

Oordeel: gegrond

Leden van de Stichting Een Dier Een Vriend (EDEV) wilden op 24 augustus 2013 een manifestatie houden in Scheveningen. Door middel van een flashmob wilden ze aandacht vragen voor dierenrechten. Ze hadden de burgemeester hier ook van in kennis gesteld, zoals het hoort. De flashmob viel echter in het water door een hoosbui, waarna ze de manifestatie ná de met de burgemeester afgesproken eindtijd lopend over de boulevard hebben voortgezet. De politie beëindigde de actie en arresteerde een demonstrant in een apenpak wegens belediging van een politieambtenaar.

Er waren drie klachtonderdelen: 1) de beëindiging van de manifestatie, 2) de arrestatie van de demonstrant en 3) de wijze en de duur van de klachtbehandeling.

De ombudsman verklaart de klacht op alle punten gegrond. De politie had de manifestatie niet zonder opdracht van de burgemeester mogen beëindigen. Dat is in strijd met de wet.
De arrestatie van de demonstrant is niet proportioneel geweest, nu aan moet worden genomen dat de demonstrant geen ernstige belediging aan een politieambtenaar heeft gericht en ook niet de intentie had een agent te beledigen.
De wijze en de duur van de klachtbehandeling waren ver onder de maat. Er zaten bijna drie jaren tussen het moment van indienen van de klacht en het uiteindelijke oordeel van de politiechef. Tijdens de procedure zijn bovendien tal van fouten gemaakt van feitelijke en procedurele aard.

Gebruikte behoorlijkheidsnormen:
- Respecteren van grondrechten;
- Evenredigheid;
- Professionaliteit

NB: In maart 2018 komt de Nationale ombudsman met een rapport (onderzoek uit eigen beweging) over de praktijk rond demonstraties. Deze casus is een voorbeeld van hoe het soms mis kan gaan: een demonstratie is beëindigd op een manier die in strijd is met de wet. Het grondrecht tot demonstreren is onvoldoende gerespecteerd in dit geval.

Kader

Het recht tot vergadering en betoging is onder meer beschermd in artikel 9 van de Grondwet (Gw; zie achtergrond voor de genoemde wetsartikelen) en artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hoewel het een juridisch stevig verankerd recht betreft, is het recht tot betoging niet onbegrensd. Het tweede lid van artikel 9 Gw bepaalt dat de wet regels kan stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. In Nederland is daaraan uitvoering gegeven in de Wet openbare manifestaties (Wom).

In artikel 4 Wom (eerste lid) staat dat de gemeenteraad kan bepalen in welke gevallen een aan de demonstratie voorafgaande kennisgeving vereist is. In artikel 2:3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Den Haag zijn dergelijke voorschriften gesteld. Demonstranten dienen een demonstratie 4x24 uur van tevoren aan te melden bij de gemeente. De gemeente en de politie hebben dan tijd om een en ander voor te bereiden en de burgemeester kan eventueel zijn bevoegdheden op grond van de Wom aanwenden. In artikel 5 Wom is bijvoorbeeld bepaald dat de burgemeester voorschriften en beperkingen kan stellen aan een demonstratie en deze zelfs kan verbieden. Ook kan hij aanwijzingen geven aan de demonstranten (artikel 6 Wom). Daarnaast kan hij een reeds begonnen demonstratie beëindigen (artikel 7 Wom).

Het beëindigen van een demonstratie is een van de meest vergaande beperkingen van de demonstratievrijheid. Anders dan de tekst van artikel 7 Wom suggereert, kan beëindiging alleen in beeld komen als laatste redmiddel en in het licht van de belangen genoemd in artikel 2 Wom en artikel 9 Gw: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Dit is in nationale en internationale rechtspraak bepaald. Het niet aanmelden van een demonstratie en/of het niet volgen van opgelegde beperkingen zijn puur op zichzelf geen valide gronden voor beëindiging van een demonstratie. Wel is het zo dat de organisator van een demonstratie waarvoor een verbod geldt op grond van artikel 11 Wom een overtreding begaat die kan worden bestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. Dit geldt ook voor demonstranten die handelen in strijd met een voorschrift, beperking, aanwijzing of beëindigingsopdracht van de burgemeester.

Wanneer de burgemeester besluit een demonstratie te beëindigen, stelt hij de politie hiervan in kennis. Zonder een dergelijke opdracht heeft de politie niet het recht een demonstratie te beëindigen. De politie moet, wanneer zij daar aanleiding toe ziet, eerst contact leggen met de burgemeester, zodat die een beslissing kan nemen. Dit contact verloopt doorgaans via 'de lijn', dat wil zeggen via een of meer leidinggevenden van de politie en een of meer gemeenteambtenaren. Als de burgemeester opdracht geeft tot beëindiging van de demonstratie, kan de politieambtenaar vervolgens een bevel geven aan de demonstranten om de demonstratie te stoppen en om zich te verwijderen. Voldoen de demonstranten hier niet aan, dan kunnen ze worden gearresteerd.

Van belang is overigens om op te merken dat de burgemeester niet alleen degene is die het demonstratierecht kan beperken, maar dat hij ook een actieve verplichting heeft om demonstraties waar mogelijk te faciliteren en beschermen, zodat demonstranten hun grondrecht kunnen uitoefenen.

Aanleiding

De stichting Een Dier Een Vriend (EDEV) is een organisatie die opkomt voor het welzijn en de rechten van dieren. De stichting organiseert met regelmaat acties als demonstraties en manifestaties om hun doelstellingen te bereiken. Op 24 augustus 2013 wil EDEV een manifestatie houden op de boulevard van Scheveningen. De bedoeling is dat de leden van EDEV een zogenaamde 'flashmob' uitvoeren. Bij een flashmob komt een (grote) groep mensen op een openbare plek samen, doet iets ongebruikelijks en valt daarna weer uiteen. Daarbij zouden dan bananen worden uitgedeeld met een flyer eraan, waarin aandacht wordt gevraagd voor de campagne van EDEV 'Alle Apen Vrij'. EDEV meldt de actie tijdig aan bij de gemeente Den Haag. Later op de avond van de 24e augustus 2013 zou in Scheveningen een vuurwerkshow te zien zijn in het kader van het Internationaal Vuurwerkfestival Scheveningen. De gemeente verwacht grote drukte. De burgemeester van Den Haag verbiedt de actie van EDEV echter niet en geeft een definitief kennisgevingsformulier af, waarin onder meer staat dat de manifestatie zal duren van 19.30 uur tot 19.55 uur. Op het formulier staat ook 'Route: NVT', hetgeen erop duidt dat de manifestatie een statisch karakter zou hebben. Als contactpersoon staat onder meer mevrouw D genoemd. Zij is voor deze actie de woordvoerster van de stichting EDEV. Onderaan het formulier staat vermeld dat de afspraak is gemaakt dat bevelen gegeven door de politie in het belang van de openbare orde en/of de veiligheid strikt worden nageleefd.

Tijdens het uitvoeren van de flashmob werken de weergoden niet mee. Een hoosbui doet de leden en vrijwilligers van de stichting EDEV besluiten te gaan schuilen onder de luifel van de pier. Tijdens het schuilen overleggen ze wat er met de overgebleven bananen met flyers moet gebeuren. Ze besluiten om, als de regen opgehouden is, terug te lopen naar hun verzamelplaats bij het Kurhaus en intussen op de boulevard de bananen uit te delen aan het langslopende publiek. Voor de groep uit loopt de heer X van de stichting EDEV, gekleed in een apenpak.

Omstreeks 20.15 uur wordt de lopende groep van de stichting EDEV aangesproken door politieambtenaren M en Z. Zij zijn in Scheveningen om toezicht te houden op het vuurwerkfestival. Politieambtenaar M gaat in gesprek met mevrouw D. Mevrouw D krijgt te horen dat EDEV zich niet houdt aan de beperkingen in de kennisgeving.

Wanneer de heer X merkt dat de groep achter hem tot stilstand is gekomen, loopt hij terug om te vragen wat er aan de hand is. Politieambtenaar S geeft hem te kennen dat hij weg moet gaan, omdat de politie in gesprek is met de woordvoerster mevrouw D. Op enig moment maakt de heer X een opmerking die voor S aanleiding is om tot aanhouding over te gaan. X wordt geboeid en meegevoerd naar het bureau. Ook woordvoerster mevrouw D wordt meegenomen naar het politiebureau, omdat zij zich niet kan legitimeren. Hiermee wordt de manifestatie van de stichting EDEV beëindigd. De heer X krijgt korte tijd later een strafbeschikking thuisgestuurd wegens belediging van een ambtenaar in functie. Op 16 juni 2015 wordt hij door de politierechter vrijgesproken van dit feit. Tegen mevrouw D is door de politie proces-verbaal opgemaakt wegens het niet kunnen tonen van een geldig legitimatiebewijs, maar dit is haar nooit toegezonden.

Klacht en verloop onderzoek

Nadat op 24 juni 2016 de klacht van de stichting EDEV deels ongegrond is verklaard door de politiechef, dient de heer X namens de stichting EDEV een klacht in bij de Nationale ombudsman. De ombudsman besluit een onderzoek in te stellen op basis van de volgende klachtformulering:

Verzoeker klaagt namens de stichting Een Dier Een Vriend (EDEV) over het feit dat de politie op 24 augustus 2013 in Den Haag de manifestatie van de stichting heeft beëindigd. Hij klaagt er bovendien over dat hij daarbij met geweld is aangehouden. Ten slotte klaagt hij over de wijze van klachtbehandeling door de Klachtencommissie en de duur daarvan.

Ten behoeve van het onderzoek heeft de politie op 16 januari 2017 alle relevante processen-verbaal en mutaties verstrekt. Bij brief van 16 februari 2017 heeft de politiechef op verzoek van de Nationale ombudsman een standpunt ingenomen over de klacht. Ook de voorzitter van de klachtencommissie van de politie-eenheid Den Haag heeft gereageerd op de opening, bij brief van 25 maart 2017. Verder heeft de ombudsman de betrokken politieambtenaren M, S, en Z gehoord en getuige mevrouw D. De rechtbank Den Haag heeft op 23 november 2017 aan de ombudsman een uitwerking verstrekt van het mondelinge vonnis van de politierechter tegen de heer X.

EDEV heeft voor de opening de klacht al toegelicht en nadien ook gereageerd op (vrijwel) alle verklaringen en stukken in het dossier.

Bevindingen

De beëindiging van de manifestatie
EDEV klaagt erover dat de politie de manifestatie door haar optreden heeft beëindigd, zonder dat de politie daar een juridische basis of een valide grond voor had.

Mutatierapporten en verklaringen betrokken ambtenaren
Tegenover de ombudsman verklaart politieambtenaar S dat hij wist dat er die avond een statische manifestatie van EDEV zou zijn van half acht tot vijf voor acht. Ook politieambtenaar M zegt dat dit tijdens de briefing vooraf genoemd is. Politieambtenaar Z herinnert zich dat niet.

Na acht uur zien zij de groep van EDEV lopen over de boulevard. M en Z verklaren in hun mutatierapport van 28 augustus 2013 dat het tijdens de actie van de groep enorm druk was op de boulevard en dat er sprake was van irritatie bij het publiek, omdat hinder werd ondervonden van de actie van EDEV. M en Z verklaren dat zij vóór hun ingrijpen van de operationeel commandant hoorden dat de groep terstond hun actie moest beëindigen en dat de mensen van EDEV individueel de boulevard moest verlaten. Z verklaart in zijn proces-verbaal van bevindingen dat ze dat over de portofoon hadden gehoord. M verklaart dat hij direct tegen de woordvoerster mevrouw D heeft gezegd dat de actie (in deze vorm) 'niet is toegestaan' en dus beëindigd moest worden.

Tegenover de ombudsman verklaart M in eerste instantie dat hen via de portofoon werd gevraagd om naar de manifestatie van EDEV toe te lopen om te kijken hoe de situatie was, maar dat niet de opdracht is gegeven de manifestatie te beëindigen. Geconfronteerd met zijn eerdere verklaring hierover, zegt hij dat het dan toch wel zo geweest zal zijn als hij in het mutatierapport heeft beschreven, al herinnert hij zich dat nu anders.
Ook S heeft hierover verklaard tegenover de ombudsman. Toen hij de groep na achten nog zag lopen, heeft hij via de portofoon contact opgenomen met het bureau in Scheveningen. Daarover verklaart hij:

'Ik weet dat we zelf niet een demonstratie mogen ontbinden. Normaal zet je het stil en vraag je naar de woordvoerder en geef je het door aan het bureau. Van daaruit wordt contact gelegd met de gemeente door bureau CCB. In dit geval weet ik niet of dat ook gebeurd is. Ik kreeg in ieder geval te horen dat we moesten achterhalen wie de woordvoerder was. Die moest ik vragen wat de bedoeling was, zodat we dat door konden geven.'

Na het contact via de portofoon, is de politie in gesprek gegaan met mevrouw D, die zich voorstelde als woordvoerster van EDEV tijdens deze actie. Dit gesprek werd in eerste instantie gevoerd door politieambtenaar M. S verklaart daarover:

'M wilde van haar weten wat de bedoeling was. Het was op dat moment nog niet duidelijk voor mij dat de manifestatie beëindigd zou worden. De beslissing om een manifestatie te stoppen ligt ook niet bij ons. […] Ik hoor van u dat collega's M en Z eerder hebben verklaard dat de operationeel commandant opdracht had gegeven de manifestatie te beëindigen, maar ik herinner me dat niet zo. Ik was nog in de fase van vragen wat de bedoeling was.'

Standpunt politiechef
In eerste instantie heeft de districtschef van de politie een standpunt ingenomen over de klacht. EDEV heeft zich niet gehouden aan de voorwaarden gesteld aan de manifestatie, schrijft hij in zijn brief van 18 november 2015. De afgesproken eindtijd is overschreden. EDEV hinderde bovendien bezoekers van het vuurwerkfestival door met een spandoek breeduit over de boulevard te lopen. Op basis daarvan heeft de politiecommandant belast met openbare orde maatregelen, op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012, besloten dat EDEV de manifestatie moest beëindigen. De districtschef acht dit optreden niet juist:

'De manifestatie werd beëindigd op het moment dat de deelnemers zich vanaf de aangewezen locatie lopend zijn gaan verplaatsen over de boulevard. Op dat moment ontstond een nieuwe, onaangekondigde manifestatie. In dergelijke gevallen dient op grond van de Wet openbare manifestaties de burgemeester in kennis gesteld te worden door de aanwezige politieambtenaren. In afwachting van de beslissing van de burgemeester, die binnen een half uur genomen moet worden, had de politie de nu spontaan ontstane manifestatie moeten faciliteren. Mochten zich tijdens deze spontane demonstratie openbare orde verstoringen voordoen had de manifestatie verplaatst kunnen worden naar een locatie waar de openbare orde niet in het geding was. De wijze waarop in dit geval door de politie is opgetreden is derhalve niet correct geweest.'

De beëindiging van de manifestatie is in het verdere verloop van de klachtbehandeling niet meer aan de orde geweest, maar de politiechef heeft gedurende het onderzoek van de ombudsman het standpunt van de districtschef herhaald.

Standpunt EDEV
EDEV stelt zich op het standpunt dat, als er sprake was van een demonstratie buiten de bepalingen van de kennisgeving, de politie deze niet mag beëindigen zonder opdracht van de burgemeester. Bovendien kan beëindiging dan nog alleen indien de volksgezondheid, veiligheid of de openbare orde in het geding is, hetgeen volgens EDEV niet het geval was.

Volgens EDEV bestond hun groep uit minstens 30 personen, maar was het niet zo dat zij het publiek op de boulevard hinderden met hun actie. Er werd juist positief op de actie gereageerd door de aanwezigen. Er ontstond volgens EDEV ook geen opeenhoping van mensen die hun weg niet konden vervolgen, hetgeen de politie stelt. De politie had volgens EDEV de-escalerend op moeten treden, nu er geen sprake was van een verstoring van de openbare orde.

EDEV betwijfelt of de betrokken agenten wel goed gebrieft waren over de manifestatie van EDEV. Zij stellen dat dit bleek uit opmerkingen tegenover de heer X tijdens zijn verhoor en uit de verklaring van Z tegenover de ombudsman. Hierdoor wist de politie niet goed wat er aan de hand was en is er niet op een juiste manier gehandeld.

De aanhouding van de heer X
EDEV klaagt erover dat de heer X, vrijwilliger van EDEV, met disproportioneel geweld is aangehouden door de politie.

Mutatierapporten en verklaringen betrokken ambtenaren
In zijn mutatierapport van 25 augustus 2013 verklaart verbalisant S dat de heer X tegen hem zei: 'Ik laat me niet wegsturen door zo een lul met een petje' of woorden van gelijke strekking. Hierop is S overgegaan tot aanhouding.

Verbalisant S verklaart in het mutatierapport dat hij in gesprek was met woordvoerster mevrouw D, toen de heer X in het apenpak zich met dit gesprek begon te bemoeien. S stelt dat hij X meerdere malen gezegd heeft dat hij ergens anders moest gaan staan, omdat hij in gesprek was met mevrouw D. X werd steeds bozer en wilde niet weggaan. Door andere mensen van EDEV werd hij weggetrokken en zij zeiden tegen hem dat hij weg moest gaan. Daarop hoorde hij X luidkeels schreeuwen: 'Ja, maar ik laat me niet wegsturen door een lul met een petje op.' S stelt dat hij zag dat X hem daarbij aankeek. S voelde zich door die opmerking in zijn goede naam en eer aangetast. Volgens S hadden omstanders de opmerking van X ook gehoord en waren zij ervan geschrokken. Tegenover de ombudsman heeft S eensluidend verklaard over de aanhouding en de toedracht. Tijdens dat gesprek is hij ook ingegaan op de wijze van aanhouding:

'Ik pakte hem bij zijn linkerarm vast. Hij probeerde zich meteen los te trekken. Gezien de situatie met een hoop kinderen in de buurt, vond ik het vervelend om hem ter plekke aan te houden. Een andere collega kwam erbij en heeft hem ook vastgepakt – ik denk ook bij zijn arm – en we hebben hem samen ongeveer honderd meter verder neergezet. We hebben hem dus zeker niet van achteren besprongen, zoals hij verklaart. We hebben uiteindelijk de handboeien aangelegd, volgens mij moest het pak toen een stukje uit om de handen vrij te maken. Hij was toen al wat rustiger en liet zich boeien. […] U vraagt mij welke geweldsmiddelen zijn gebruikt. Ik heb geen geweld gebruikt. Ik heb ook geen geweldsrapportage opgemaakt.'

Dat X nadien is vrijgesproken van de belediging noemt S 'vrij bijzonder'. Als hij eerder had geweten van de uitspraak van de politierechter, had hij de officier van justitie wel willen vragen om in beroep te gaan.

Verbalisant Z verklaart dat S diverse malen vriendelijk aan X heeft verzocht om zich niet met het gesprek te bemoeien. X gaf hier geen gehoor aan. Z verklaart:

'Nadat X nogmaals door collega S was verzocht om zich niet met het gesprek te bemoeien en hem nogmaals werd verzocht om zich te verwijderen, zag en hoorde ik dat hij wegliep en daarbij luidkeels riep: 'Ik laat me niet wegsturen door een lul met een petje'. Het was voor mij duidelijk dat X met deze uitspraak collega S bedoelde. X keek in de richting van collega S toen hij de uitspraak deed en collega S droeg een petje, behorende bij zijn uniform.'

Het proces-verbaal van aanhouding, opgesteld door Z en S samen, geeft hetzelfde beeld als de andere processen-verbaal en mutatierapporten.

M verklaart tegenover de ombudsman de aanhouding van X niet goed gezien te hebben en er zeker niet bij betrokken te zijn geweest. Wel heeft hij de indruk dat de zaak door toedoen van X is geëscaleerd.

Uit het mutatierapport van 25 augustus 2013 blijkt dat de heer X vanaf het begin ontkent een verbalisant te hebben beledigd. Tijdens zijn verhoor op 24 augustus 2013 verklaart hij dat hij inderdaad een agent (S) heeft aangesproken om te vragen wat er precies aan de hand was. Hij stelde de vraag eerst met het apenmasker op en herhaalde de vraag daarna met het apenmasker af, omdat de agent in eerste instantie niet reageerde. S stuurde hem hierop weg zonder antwoord te geven op zijn vraag. Later verklaart X daarover dat dit gebeurde met de woorden 'Opzouten jij!'. X zegt in zijn verhoor dat hij daarop vroeg of de politie niet beter op zakkenrollers kon gaan letten. Ook zei hij tegen de agent dat een vraag stellen niets illegaals is. Daarna werd hij aangeklampt door zijn partner, de voorzitter van EDEV, die tegen hem zei dat ze nog naar een verjaardag moesten.

Gevraagd naar de aanleiding van de aanhouding stelt X:

'Omdat de agent hoorde dat ik naar een verjaardag moest, kwam de agent weer naar mij toegelopen en werd ik beetgepakt. […] Het voelde of de agent mijn avond wilde verpesten door mij aan te houden zodat ik niet naar de verjaardag kon. Ik denk dat de agent dacht dat ik een lastpak ben.'

Hierna wordt hem voorgehouden: 'Uit de stukken blijkt dat u het volgende hebt gezegd: Ja, maar ik laat me niet wegsturen door een lul met een petje op. Wat kunt u daarover verklaren?'. X antwoordt:

'Dat heb ik niet gezegd. Ik heb het volgende gezegd tegen mijn vriend en niet luidkeels: die onnozel met zijn petje. Dit was in woord tegen een vriend, zoals een gesprek. […] Ik kan bedenken dat als ik beledigende dingen tegen een agent zeg, dat ik [dan] wordt aangehouden. Maar deze agent heeft lopen zoeken. […] De agent zal het woord "onnozel" wel verkeerd hebben verstaan.'

Uitwerking vonnis politierechter
Op 16 juni 2015 diende de zaak tegen de heer X bij de rechtbank Den Haag wegens belediging van de politieambtenaren S en/of Z met de opmerking 'Ik laat me niet wegsturen door een lul met een petje op'. De heer X heeft tijdens de zitting verklaard dat hij sprak tegen zijn partner, nadat hij zich had omgedraaid. De agent kan de opmerking verkeerd hebben verstaan, omdat hij op dat moment naar een andere kant keek. X verklaart niet de intentie te hebben gehad een agent te beledigen.

Vervolgens heeft de officier van justitie vrijspraak voor de heer X gevorderd, omdat het opzettelijk beledigen van de agenten niet bewezen kon worden verklaard. De politierechter heeft hierna direct vonnis gewezen. Hij achtte niet wettig en overtuigend bewezen dat de heer X een of meer agenten beledigd had en sprak hem daarvan vrij. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kon volgens de politierechter niet worden vastgesteld welke woorden door de heer X precies zijn gebezigd. Ook is niet gebleken dat de heer X het opzet had om de verbalisanten te beledigen.

Standpunt politiechef
De districtschef schrijft in zijn brief van 18 november 2015 dat de heer X diverse malen is gezegd dat hij zich moest verwijderen, maar dat hij daaraan geen gehoor gaf. Omdat hij zich niet verwijderde, omdat hij een politieambtenaar belemmerde in zijn werkzaamheden en omdat hij luidkeels riep: 'Ik laat me niet wegsturen door een lul met een petje', werd hij aangehouden. Hij werkte niet mee met de aanhouding en werd vervolgens geboeid overgebracht naar het bureau. De aanhouding vindt de districtschef terecht:

'Over de wijze waarop u bent aangesproken lopen de verklaringen van u en de politieambtenaren uiteen. Wel is vast komen te staan dat u zich beledigend uit liet tegen een van de politieambtenaren. […] De beslissing van de politierechter, vrijspraak van het ten laste gelegde feit, zijnde dit feit niet wettig en overtuigend bewezen, betekent niet dat de rechter bewezen acht dat u onschuldig bent.'

De klachtencommissie acht de klacht op dit punt evenmin gegrond als de districtschef. De commissie stelt dat X beter geen uitlatingen had kunnen doen nu hij niet als woordvoerder van de stichting EDEV optrad. Het lijkt de commissie waarschijnlijk dat hij een ongepaste opmerking tegen de politie heeft gemaakt. Deze woorden hebben aanleiding gegeven hem aan te houden wegens belediging. De lezing van beide partijen over de gebruikte woorden komen niet overeen, maar de commissie hecht meer waarde aan de verklaring van een politieambtenaar. De commissie concludeert dat de beklaagde geweld heeft toegepast dat valt binnen de werking van artikel 7 lid 1 Politiewet en acht het optreden van de politie derhalve niet disproportioneel.

De voorzitter van de Klachtencommissie van de eenheid Den Haag heeft gedurende het onderzoek van de ombudsman te kennen gegeven dat de commissie in haar beraadslaging na de zitting van 15 maart 2016 uitvoerig heeft stilgestaan bij de aanhouding in relatie tot de uitspraak van de rechter. De commissie heeft de zaak beoordeeld in het kader van de vraag of de handelingen van politieambtenaar S behoorlijk waren. S achtte zich beledigd door de uitspraak van de heer X. De commissie kwam tot het oordeel dat S de uitspraak van X in de gegeven situatie met omstanders erbij als beledigend kon aanmerken. Daaruit heeft de commissie de conclusie getrokken dat S niet onbehoorlijk heeft gehandeld door X vervolgens aan te houden. Het feit dat de rechter X heeft vrijgesproken, heeft de commissie niet doen besluiten dat de aanhouding niet behoorlijk is geweest.

De politiechef verklaart het klachtonderdeel op basis van het advies van de klachtencommissie niet gegrond. Tijdens het onderzoek door de ombudsman heeft de politiechef te kennen gegeven te blijven bij dit oordeel, na opnieuw informatie te hebben ingewonnen bij de districtschef. Volgens de districtschef werkte X niet mee aan de aanhouding, hetgeen onder andere bleek doordat hij zich bewoog in een andere richting dan door de betrokken politieambtenaren werd aangegeven. Bovendien werkte X niet mee bij het aanbrengen van de handboeien. Het gebruikte geweld was minimaal en proportioneel, aldus de districtschef.

Standpunt EDEV
EDEV stelt zich op het standpunt dat de processen-verbaal van de betrokken agenten elkaar tegenspreken, zowel wat betreft het verloop van de avond als wat betreft (de aanleiding tot) de aanhouding van X.

EDEV ontkent dat X steeds bozer werd tijdens de woordenwisseling tussen hem en politieambtenaar S, hetgeen S stelt. Ook ontkent EDEV dat S niet vrij was om in gesprek te gaan met X, omdat hij al aan het praten zou zijn geweest met mevrouw D. Volgens EDEV was verbalisant M in gesprek met D en was S vrij om de vraag van X normaal te beantwoorden.

De heer X stelt dat hij zich al omgedraaid had en wegliep, op het moment dat hij de opmerking richting zijn partner maakte. Hij gaf gehoor aan de opdracht om weg te gaan. Dit blijkt volgens hem ook uit de foto's die zijn gemaakt door de fotograaf wiens rol het was de manifestatie van EDEV vast te leggen.

EDEV ontkent dat omstanders geschrokken waren van de opmerking van X, nu deze niet in die vorm gemaakt is. Ze waren eerder geschrokken van het optreden van de politie, aldus EDEV. Veel directe omstanders hoorden ook bij EDEV.

Over de manier van aanhouden heeft X tegenover de klachtencommissie verklaard dat hij van achteren in zijn nek is gepakt. In de oorspronkelijke klachtbrief van 27 augustus 2013 schrijft EDEV dat de heer X door vier politieagenten is meegesleept en afgevoerd. EDEV stelt dat getuigen hebben gezien dat een agent (S) de heer X sommeerde te vertrekken, dat X dit ook deed en dat de agenten hem tijdens het omdraaien en weglopen 'van achteren op de nek sprongen'. Daarnaast is X volgens EDEV op gewelddadige en pijnlijke wijze geboeid en van achteren onderaan de rug naar de stoep omlaag getrokken. EDEV stelt dat X actief wilde meewerken bij het boeien, maar dat S toen ineens riep 'Wat?! Je verzetten tegen je arrestatie?!' EDEV schetst een beeld van een onnodig escalerend politieoptreden, dat leidde tot veel onrust en verbijstering onder de aanwezigen.

Namens EDEV heeft X tijdens de zitting van de klachtencommissie aangegeven dat hij zich niet kan vinden in de opmerkingen van de districtschef over de betekenis van de vrijspraak door de politierechter. Volgens X is iemand onschuldig tot het tegendeel bewezen is.

Het vonnis van de politierechter is mondeling gedaan. In het kader van de zaak tegen X zijn een aantal getuigen gehoord door de rechter-commissaris. Een van hen is de genoemde fotograaf. Hij verklaart:
'Op een gegeven moment liep [partner van X] met X weg. De indruk die ik had was 'het heeft geen zin'. Toen ze op een meter of twee afstand waren, weglopend, met hun rug naar de agenten toe, had ik de indruk dat de agent een commando kreeg door zijn oortje. Men besloot in de aanval te gaan. X werd van achteren hard vastgepakt en gearresteerd door een agent. […] Wat de aanleiding was weet ik niet, daar kan ik alleen naar gissen. […] U vraagt mij of ik X heb horen zeggen "ja maar ik laat me niet wegsturen door een lul met een petje". Absoluut niet. Ik stond naast een aantal agenten. U houdt mij voor dat X die agent zou hebben aangekeken en dat toen zou hebben gezegd. Wat ik heb gezien is dat X wegliep en vervolgens van achteren werd aangevallen.'

Een andere getuige stelt dat ze X tegen zijn partner heeft horen zeggen: 'Is dit normaal, kan ik mij zo weg laten sturen', terwijl hij keek naar zijn partner en zeker niet richting de politieman. Een derde getuige, de partner, verklaart: 'X draaide zich om en liep weg. Hij heeft tegen mij iets gezegd van "wat een onbenul, moet dat nou, wat een onzin" en vervolgens liep hij weg.'

Op zitting heeft de officier van justitie volgens EDEV teruggetrokken dat X de intentie gehad zou hebben om de agent te beledigen, waarna vrijspraak volgde. Daarbij speelde mee dat de heer X niet in de richting van de agent keek toen hij de uiting deed. Overigens was verbalisant S volgens EDEV wel degelijk opgeroepen voor de zitting, maar niet gekomen.

Gezien de getuigenverklaringen, kan EDEV zich niet vinden in de stelling van de politiechef dat uit de uitspraak, of tijdens de procedure bij de politierechter, niet is gebleken dat de rechter bewezen acht dat X onschuldig is. In overtreffende trap kunnen zij de opmerking van de districtschef niet volgen dat 'vast is komen te staan dat X zich beledigend uitliet tegen een van de politieambtenaren', nu de rechter juist tot vrijspraak van dit feit gekomen is. EDEV vindt dat de klachtencommissie met het oordeel over de klacht de uitspraak van de rechter naast zich neerlegt.

De wijze en de duur van de klachtbehandeling
EDEV klaagt over de manier waarop de klachtbehandeling is verlopen en de duur daarvan.

De interne klachtbehandeling door de politie Den Haag kende verschillende fases. Op 27 augustus 2013, drie dagen na het gebeurde, dient de stichting EDEV een klacht in bij de politie Den Haag. Op 18 oktober 2013 gaat de heer X ook in verzet tegen de hem toegestuurde strafbeschikking wegens belediging van een ambtenaar in functie. Pas begin 2014 vindt er inhoudelijk contact plaats over de klacht, na schriftelijke rappels van EDEV aan de politie van 18 december 2013 en 16 januari 2014 en na zelf telefonisch contact te hebben opgenomen met de klachtbehandelaar. De politie schort de klachtbehandeling echter alsnog op, op grond van artikel 9:8 lid 1 sub f van de Algemene Bestuurswet (AWB), in afwachting van het oordeel van de politierechter in de zaak tegen de heer X. Op 16 juni 2015 komt de zaak voor de politierechter te Den Haag, die de heer X vrijspreekt van belediging van een ambtenaar in functie. Op 18 november 2015, ruim twee jaar na indiening van de klacht, volgt dan een reactie van de districtschef op de klacht. Hiermee is de eerste fase van klachtbehandeling bij de politie afgerond. De districtschef wijst op de mogelijkheid om de klacht nog voor te leggen aan de politiechef van de eenheid Den Haag. De stichting EDEV doet dat op 27 november 2015, waarna de politiechef op 16 juni 2016 een oordeel geeft over de klacht op advies van de klachtencommissie.

De politiechef oordeelt over de vijf klachtpunten die bij de klachtencommissie aan de orde zijn gekomen. Dit zijn:

  1. Geweld tegen de heer X
  2. De bejegening van de heer X
  3. Het wegsturen van de fotograaf
  4. De aanhouding van mevrouw D
  5. Vastleggen en verantwoorden

In zijn oordeel van 16 juni 2016 stelt de politiechef dat zijn oordeel over de gegrondheid van de klacht overeenkomt met het advies van de klachtencommissie. In afwijking van het advies verklaart hij echter het klachtpunt betreffende de bejegening van de heer X niet gegrond. De commissie onthoudt zich van een oordeel over dit klachtpunt. Tijdens het onderzoek door de ombudsman heeft de politie te kennen gegeven dat de bedoeling van de politiechef was het oordeel van de klachtencommissie onverkort te volgen. Deze afwijking was dus onbedoeld en de politiechef onthoudt zich van een oordeel over dit klachtpunt.

Twee van de klachtpunten waarop de politiechef heeft beslist en waarover de klachtencommissie heeft geadviseerd, betreffen het wegsturen van de fotograaf van de stichting EDEV respectievelijk het aanhouden van mevrouw D. Met betrekking tot het wegsturen van de fotograaf verklaren de betrokken ambtenaren tijdens de zitting bij de klachtencommissie van niets te weten. Er zijn ook geen stukken die duiden op enig handelen van de politie richting de fotograaf. De commissie concludeert dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor de aanhouding van de fotograaf en onthoudt zich van een oordeel.

Blijkens de verklaring van verbalisant M, heeft de aanhouding van mevrouw D plaatsgevonden. Volgens de commissie was niet vooraf bij de politie bekend dat zij tijdens deze actie van EDEV de woordvoerster was. Zij is aangehouden en meegenomen naar het bureau omdat zij zich niet kon legitimeren. De commissie acht dit optreden binnen de wettelijke bevoegdheden en conform het evenredigheidsbeginsel. Het proces-verbaal tegen D is echter nooit verzonden. Bij de afdeling Bonnen en Transacties is geen proces-verbaal tegen mevrouw D binnengekomen. EDEV stelt mede hierom dat het vastleggen en verantwoorden tekort schiet. De klachtencommissie overweegt dat tijdens het onderzoek geen aanknopingspunten inzake dit klachtelement zijn aangetroffen en stelt: 'Het lijkt erop dat er geen processen-verbaal zijn opgemaakt tegen de fotograaf en tegen mevrouw D.' De commissie acht zich hierdoor niet in staat tot een weloverwogen advies te komen en onthoudt zich van een oordeel over dit klachtpunt.

Verklaring mevrouw D
Tegenover de Nationale ombudsman verklaart mevrouw D, woordvoerster van de stichting EDEV tijdens de bewuste actie, dat er een proces-verbaal tegen haar is opgemaakt wegens het niet bij zich dragen van een geldig legitimatiebewijs. Zij heeft hier nadien echter niets meer van gehoord.

Standpunt politiechef
De districtschef biedt in de brief van 18 november 2015 zijn verontschuldigingen aan voor het overschrijden van de gestelde termijn van klachtbehandeling. Na toezending van het vonnis van de politierechter op 24 september 2015 is de klachtbehandelaar vanwege (privé-)omstandigheden niet direct in actie gekomen, waardoor de vertraging is ontstaan. Het overschrijden van de termijn is in het verdere verloop van de klachtbehandeling niet meer aan de orde geweest.

Tijdens het onderzoek door de ombudsman heeft de politie te kennen gegeven in te zien dat de klachtbehandeling in deze zaak niet de schoonheidsprijs verdient. Ten gevolge van interne ontwikkelingen werden de afgelopen jaren binnen de eenheid Den Haag de klachten veelal behandeld door medewerkers die dit als neventaak deden en in sommige gevallen door medewerkers die niet als klachtbehandelaar waren opgeleid. De kwaliteit van de klachtbehandeling binnen de eenheid Den Haag stond hierdoor een paar jaar lang erg onder druk. De wijze van klachtbehandeling in deze casus is een gevolg van die problemen. Daarnaast zijn wettelijke termijnen overschreden, aldus de politiechef.

De klachtencoördinator heeft hier ten overstaan van de ombudsman aan toegevoegd dat het de klachtbehandelaar in deze zaak niet is gelukt om de casus naar behoren af te ronden. De klachtencommissie heeft hierdoor geen dossier ontvangen dat aan de eisen voldeed. De politiechef trekt daarom alle verantwoording naar zich toe met betrekking tot de behandeling van de klacht door de klachtencommissie.

De politiechef geeft aan dat de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) is gestart met een traject om de kwaliteit van de klachtbehandeling te verbeteren en te komen tot een uniforme werkwijze. Het uitgangspunt is daarbij dat er vaste klachtbehandelaars komen die in rechtstreeks contact staan met de klachtencoördinator. De nieuwe klachtbehandelaars worden momenteel opgeleid.

Standpunt voorzitter klachtencommissie
Gedurende het onderzoek van de ombudsman hebben de voorzitter van de Klachtencommissie politie-eenheid Den Haag en de voorzitter van de commissie die de zaak van de stichting EDEV op 15 maart 2016 behandelde, hun standpunt gegeven. Zij schrijven dat de commissie, voorafgaand aan de zitting en daarna, vragen heeft gesteld aan de klachtbehandelaar over het opmaken van proces-verbaal tegen mevrouw D en de fotograaf. De commissie heeft geprobeerd te achterhalen hoe een en ander is verlopen. Gebleken is dat de klachtbehandelaar en verbalisant M allebei stellen dat tegen mevrouw D proces-verbaal is opgemaakt, maar dat dit niet is terug te vinden in de systemen van de eenheid Den Haag. Ook is er in de systemen geen proces-verbaal tegen de fotograaf gevonden. De commissie erkent dat in het advies duidelijker geformuleerd had kunnen worden dat er onderzoek is gedaan naar het bestaan van deze processen-verbaal. De commissie gaat ervan uit dat er, zoals M zegt, inderdaad proces-verbaal is opgemaakt tegen mevrouw D, ook al is dit niet terug te vinden in de systemen.

Standpunt EDEV
EDEV is ontevreden over het verloop van het proces van de klachtbehandeling. Tijdens de klachtbehandeling heeft EDEV bij herhaling achter de klachtbehandeling aan moeten zitten. De klachtbehandelaar antwoordde vaak niet en was kennelijk niet goed opgeleid, aldus EDEV. EDEV vindt dit onprofessioneel en niet acceptabel voor een organisatie als de politie.

EDEV vindt dat de klachtencommissie onvoldoende onderzoek heeft gedaan en de feiten niet goed op een rijtje had. Getuigen die tegenover de rechter-commissaris hebben verklaard in het kader van de behandeling van de strafbeschikking tegen de heer X, zijn niet gehoord door de klachtencommissie. Er is ook niet gebleken dat hun verklaringen wel zijn gelezen en betrokken in de beraadslaging. EDEV meent dat de commissie hiermee te gemakkelijk voorbijgaat aan verklaringen van getuigen. Het klachtpunt betreffende de belediging die de heer X geuit zou hebben, wordt hierdoor ten onrechte gereduceerd tot een kwestie van woord tegen woord tussen de politie en EDEV. EDEV stelt dat de betrokken verbalisanten zichzelf en elkaar voortdurend tegenspreken en dat reeds daardoor duidelijk is dat zij de waarheid geweld aandoen.

Dat de commissie de feiten niet helder had, blijkt volgens EDEV ook uit de opmerking in het advies van de klachtencommissie dat het erop lijkt dat er geen proces-verbaal is opgemaakt tegen mevrouw D. Dit is onjuist. EDEV heeft de doorslag van dit proces-verbaal nog in bezit.

Beoordeling

Ten aanzien van het beëindigen van de manifestatie
Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten van burgers, zoals het recht tot demonstreren, worden gerespecteerd. Niet voor niets zijn er in de grondwet en de Wom strikte grenzen gesteld aan de mogelijkheden voor de overheid om de demonstratievrijheid in te perken door beperkingen op te leggen, een verbod uit te vaardigen of een demonstratie te beëindigen. Alleen de burgemeester mag dergelijke maatregelen nemen en dan nog alleen indien deze ten dienste staan van een van de drie doelcriteria, te weten ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

De Nationale ombudsman heeft de indruk dat de actie van EDEV tijdens de briefing van de politie wel aan de orde is geweest, nu verschillende betrokken politiemedewerkers dat verklaren. Uit de verklaringen van de betrokken ambtenaren blijkt dat zij in ieder geval heden ten dage op de hoogte zijn van het feit dat de politie niet een eigenstandige bevoegdheid heeft om een demonstratie te beëindigen, zonder opdracht daartoe van de burgemeester. Dat neemt echter niet weg dat de aanpak die de politie in dit geval in de praktijk hanteerde daarmee in strijd is.

De verklaringen van de betrokken ambtenaren, zoals het mutatierapport van 28 augustus 2013 van M en Z, geven de ombudsman aanleiding om aan te nemen dat wel degelijk vanuit de politie aan de demonstranten van EDEV de opdracht is gegeven om de demonstratie te beëindigen en de boulevard te verlaten. De ombudsman hecht op dit punt meer waarde aan de verklaringen van M en Z van destijds dan aan de verklaringen van M en S van recente datum in het kader van dit onderzoek. M en Z hebben destijds expliciet verklaard dat ze de opdracht hadden om de demonstratie te beëindigen. De ombudsman gaat ervan uit dat zij destijds naar waarheid hebben verklaard en nog vers in het geheugen hadden hoe een en ander verlopen is.

De ombudsman oordeelt dat de politie het recht niet had om de demonstratie zonder opdracht van de burgemeester te beëindigen. Met instemming neemt de ombudsman kennis van het standpunt van de politiechef dat het handelen van de politie niet correct is geweest. De politiechef stelt terecht dat de manifestatie van EDEV gefaciliteerd had moeten worden, in elk geval zolang de burgemeester geen beslissing had genomen. Het is naar het oordeel van de ombudsman overigens zeer de vraag of de burgemeester in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met het recht tot beëindiging van de manifestatie van EDEV had kunnen beslissen. Zelfs als de stelling van de politie klopt dat EDEV het overige publiek op de boulevard hinderde en irritatie veroorzaakte, is hiermee nog geen sprake van zodanige hinder van het verkeer of zodanige wanordelijkheden dat beëindiging op grond van artikel 11 Wom aan de orde kan komen.

De ombudsman verklaart het klachtpunt gegrond wegens schending van het vereiste van het respecteren van grondrechten.

Terzijde
Terzijde reageert de ombudsman op de redenering van de politiechef, dat de manifestatie in eerste instantie werd beëindigd op het moment dat de deelnemers zich vanaf de aangewezen locatie lopend zijn gaan verplaatsen over de boulevard en dat hierdoor een nieuwe, onaangekondigde manifestatie is ontstaan. De ombudsman kan deze redenering niet volgen. EDEV heeft immers juist niet de bedoeling gehad de demonstratie na de flashmob te beëindigen, maar wilde deze voortzetten door lopend bananen met flyers uit te delen. Op dat moment is de manifestatie ook (nog) niet beëindigd door de politie (de facto) of de burgemeester. Nu er geen sprake was van beëindiging, moet wat er daarna gebeurde worden gezien als een vervolg van dezelfde demonstratie, waarmee EDEV de gemaakte afspraken wat betreft plaats en tijd overtrad.

Als de opvatting van de politiechef over het ontstaan van een nieuwe demonstratie juist zou zijn, zou dat leiden tot een situatie waarin demonstranten opgelegde beperkingen kunnen omzeilen door een 'nieuwe, onaangekondigde' demonstratie te beginnen direct volgend op een demonstratie waarvoor beperkingen gelden. Deze opvatting moet als onjuist worden aangemerkt.

Ten aanzien van de aanhouding van de heer X
Het evenredigheidsvereiste houdt in dat de overheid een middel kiest om haar doel te bereiken dat niet onnodig ingrijpt in het leven van de burger en dat in evenredige verhouding staat tot het doel. In relatie tot politieoptreden kan dit vereiste zo worden gezien, dat het optreden niet behoorlijk is als het gebruikte middel te zwaar is in vergelijking met het vergrijp.

Wat betreft (de aanleiding tot) de aanhouding van de heer X zijn er duidelijke discrepanties tussen de verklaringen van de direct en indirect betrokkenen. Ook heeft de politierechter een uitspraak gedaan. Hij achtte niet bewezen dat de heer X een beledigende opmerking heeft gemaakt, nu niet vast is komen te staan wat de heer X precies heeft gezegd, noch dat hij opzet had om een of meer agenten te beledigen. In het licht van de uitspraak van de politierechter moet het uitgangspunt gelden dat de uitspraak die de agent verstaan heeft, niet is gedaan, althans niet richting hem met de intentie hem te beledigen. De overweging van de klachtencommissie dat met de vrijspraak nog niet vaststaat dat de belediging niet is geuit, acht de ombudsman dan ook niet juist.

De vrijspraak betekent niet automatisch dat de politie niet behoorlijk gehandeld heeft door de heer X aan te houden. De ombudsman ziet daarom ruimte voor een zelfstandige beoordeling van het handelen van de politie, de uitspraak van de politierechter respecterend.

De heer X heeft zich tot politiemedewerker S gewend met de vraag wat er aan de hand was. In tweede instantie heeft de heer S aan X te kennen gegeven dat hij weg moest gaan. De ombudsman heeft niet kunnen vaststellen waarom precies, maar kennelijk had hij op dat moment niet de intentie om met X in gesprek te gaan. Er ontstond irritatie bij X over de opstelling van S, hetgeen blijkt uit de verklaring van X dat hij daarna aan S gevraagd heeft of hij niet beter op zakkenrollers kon gaan letten en zijn opmerking dat een vraag stellen niets illegaals is. Zijn irritatie was kennelijk dusdanig duidelijk, dat zijn partner reden zag om hem aan te klampen en te zeggen dat ze nog naar een verjaardag moesten die avond. De ombudsman is ervan overtuigd dat deze opmerking alleen maar de achtergrond kan hebben, dat de partner vreesde dat X in de problemen zou komen als hij verder in discussie zou gaan met S.

Daarna heeft X de opmerking gemaakt: 'Ik laat me niet wegsturen door een onnozel met een petje'. Dit wordt door zowel X als S bevestigd, al heeft S in plaats van het woord 'onbenul' het woord 'lul' verstaan. Gezien de uitspraak van de politierechter, gaat de ombudsman ervan uit dat de opmerking niet richting S is gemaakt en er bij X geen intentie was om S te beledigen.

Uitgaande van deze feiten en de uitspraak van de politierechter, ligt de vraag voor of de politie tot aanhouding van de heer X over mocht gaan, nadat deze tegen zijn partner opmerkte: 'Ik laat me niet wegsturen door een onbenul met een petje', zonder de intentie een agent te beledigen. Die vraag beantwoordt de ombudsman ontkennend. Het is niet proportioneel om, op deze enkele basis, tot aanhouding van een demonstrant over te gaan.

De Nationale ombudsman kan op basis van de hem bekende informatie niet goed beoordelen of de aanhouding zelf met disproportioneel geweld heeft plaatsgevonden. Wel merkt de ombudsman op dit punt op dat het feit dat X geen letsel meldt en het feit dat er geen geweldsrapportage is opgemaakt, erop lijken te duiden dat er in elk geval geen ernstig geweld is toegepast bij de aanhouding.

De ombudsman verklaart het klachtpunt wat betreft de aanhouding gegrond wegens schending van het vereiste van evenredigheid.

Ten aanzien van de klachtbehandeling
Het vereiste van professionaliteit houdt in dat de overheid er voor zorgt dat haar medewerkers volgens hun professionele normen werken. De burger mag van hen bijzondere deskundigheid verwachten.

De ombudsman stelt vast dat het verloop van de klachtbehandeling zowel qua duur als qua inhoud ver onder de maat is geweest. De politiechef erkent terecht dat de wettelijke termijnen die gelden voor klachtbehandeling ernstig zijn overschreden. Weliswaar is de klachtbehandeling enige tijd opgeschort geweest in afwachting van de uitspraak van de politierechter, ook afgezien daarvan heeft de politie onvoldoende de hand gehouden aan de voortgang. Hierdoor eindigde een klacht van 27 augustus 2013 pas op 16 juni 2016 in een oordeel van de politiechef op advies van de klachtencommissie. De ombudsman constateert bovendien dat EDEV steeds zelf het initiatief moest nemen om de klachtbehandeling op gang te brengen.

Wat betreft de inhoud van de klachtbehandeling constateert de ombudsman een reeks fouten van feitelijke en procedurele aard in zowel het oordeel van de districtschef, als het advies van de klachtencommissie, als het oordeel van de politiechef. Enkele voorbeelden daarvan:

- De districtschef schrijft in zijn oordeel op de klacht van 18 november 2015: 'Wel is vast komen te staan dat u zich beledigend uitliet tegen een van de politieambtenaren'. Dit was reeds na de zitting van de politierechter, waar X nu juist was vrijgesproken van die belediging. In dat licht is de opmerking van de districtschef onbegrijpelijk;
- De klachtencommissie overweegt dat 'het erop lijkt dat er geen proces-verbaal tegen mevrouw D is opgemaakt', terwijl dat evident wel het geval is geweest. Tijdens het onderzoek door de ombudsman heeft de klachtencommissie dat ook erkend. De commissie had dit tijdens de klachtbehandeling al expliciet kunnen en moeten vaststellen;
- De klachtencommissie geeft er in haar overwegingen geen blijk van het oordeel van de politierechter en het verloop van de zitting bij de politierechter in haar oordeel te hebben betrokken. Tijdens het onderzoek heeft de voorzitter van de klachtencommissie tegenover de ombudsman verklaard hier wel uitvoerig bij stilgestaan te hebben. Dit had echter expliciet uit het advies moeten blijken, zeker nu de behandeling van de klacht was aangehouden in afwachting van het oordeel van de politierechter. Door hier vervolgens niets over op te nemen, is tegenover de stichting EDEV de indruk gewekt dat het verloop van die zitting en het oordeel van de rechter onder het tapijt geschoven werden. Het betreft hier cruciale informatie, die expliciet aan de orde had moeten komen. Ook de verklaringen die door getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris zijn afgelegd hadden betrokken moeten worden in de overwegingen;
- In de overweging bij het klachtpunt 'Het toegepaste geweld tegen de heer X', gaat de klachtencommissie niet in op het al dan niet toegepaste geweld bij de aanhouding;
- In de overweging bij het klachtpunt 'De bejegening van de heer X' gaat de klachtencommissie niet in op de manier waarop X is aangesproken door verbalisant S, waar de stichting EDEV over klaagde;
- De klachtencommissie neemt zonder meer de stelling van de politie over dat vooraf niet bekend was dat mevrouw D de woordvoerster van EDEV zou zijn tijdens deze actie. De vraag had hier moeten worden gesteld hoe dat mogelijk is, nu mevrouw D als aanspreekpunt in het definitieve kennisgevingsformulier vermeld staat;
- De politiechef verklaart in zijn oordeel per abuis een klachtpunt niet gegrond, waar hij bedoelde zich in overeenstemming met het advies van de klachtencommissie te onthouden van een oordeel.

Voor zover het fouten in het advies van de klachtencommissie betreft, heeft de ombudsman begrepen dat de politiechef daarvoor het boetekleed aantrekt, omdat geen deugdelijk dossier is aangeleverd aan de klachtencommissie. De ombudsman heeft hier kennis van genomen.

De ombudsman kan zich goed voorstellen dat door het gehele verloop van de klachtbehandeling in deze casus het vertrouwen van de stichting EDEV in de politie niet is hersteld, maar juist verder is geschaad. De ombudsman verklaart het klachtpunt gegrond wegens schending van het vereiste van professionaliteit.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de politiechef van de regionale eenheid Den Haag is gegrond ten aanzien van:

- Het beëindigen van de manifestatie, wegens schending van het vereiste van het respecteren van grondrechten;
- De aanhouding van de heer X, wegens schending van het vereiste van evenredigheid.

De klacht over de onderzochte gedraging van de politiechef van de regionale eenheid Den Haag en de Klachtencommissie eenheid Den Haag is gegrond ten aanzien van:
- De wijze en de duur van de klachtbehandeling, wegens schending van het vereiste van professionaliteit

De Nationale ombudsman,Reinier van Zutphen

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Achtergrond

Grondwet (Gw)

Artikel 9
1 Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet.
2 De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het
verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Wet openbare manifestaties (Wom)

Artikel 2
De bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven
bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of
levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden
aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter
bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 4
1 De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is.

Artikel 5
1 De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
beperkingen stellen of een verbod geven.
2 Een verbod kan slechts worden gegeven indien:
a. de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan;
b. de vereiste gegevens niet tijdig zijn verstrekt;
c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.
3 Een voorschrift, beperking of verbod kan geen betrekking hebben op de inhoud van
hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens.
4 Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden zo spoedig mogelijk
bekendgemaakt aan degene die de kennisgeving heeft gedaan.

Artikel 6
De burgemeester kan tijdens een samenkomst tot het belijden van godsdienst of
levensovertuiging, vergadering of betoging aanwijzingen geven, die degenen die deze
houden of daaraan deelnemen in acht moeten nemen.

Artikel 7
De burgemeester kan aan degenen die een samenkomst tot het belijden van godsdienst
of levensovertuiging, vergadering of betoging houden of daaraan deelnemen opdracht
geven deze terstond te beëindigen en uiteen te gaan, indien:
a. de vereiste kennisgeving niet is gedaan, of een verbod is gegeven;
b. in strijd wordt gehandeld met een voorschrift, beperking of aanwijzing;

c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

Artikel 11
1 Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie
wordt gestraft:
a. het houden van of deelnemen aan een samenkomst tot het belijden van godsdienst of
levensovertuiging, vergadering of betoging waarvoor de vereiste kennisgeving niet is
gedaan of waarvoor een verbod is gegeven;
b. handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
met een aanwijzing als bedoeld in artikel 6 en artikel 9, tweede lid, of met een opdracht
als bedoeld in artikel 7, artikel 8, eerste lid, en artikel 9, derde lid.
2 De feiten zijn overtredingen.

Algemene Plaatselijke Verordening Den Haag (APV Den Haag)

Artikel 2:3
1 Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 Wet openbare manifestaties, een betoging of vergadering te houden, als bedoeld in de artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties, moet vóór de openbare aankondiging van deze vergadering of betoging en tenminste 4 x 24 uur voordat deze zal worden gehouden, de burgemeester hiervan schriftelijk kennis geven.
2 Indien aard of omvang van de betoging of vergadering zulks rechtvaardigen, kan de burgemeester de termijn van 4 x 24 uur bekorten.
3 De kennisgeving ( Zie bijgevoegde kennisgeving ) moet tenminste bevatten:
a. naam, adres en telefoonnummer (en zo mogelijk) faxnummer en e-mailadres van de organisator en kennisgever van de vergadering of betoging;
b. doel van de vergadering of betoging;
c. datum waarop de vergadering of betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging;
d. de plaats en, voorzover van toepassing, de gewenste route en de plaats van beëindiging;
e. het aantal te verwachten deelnemers en de wijze van samenstelling van de vergadering of betoging;
f. de middelen van vervoer van de deelnemers aan de vergadering of betoging;
g. door de organisatie zelf te nemen maatregelen om een ordelijk verloop van de vergadering of betoging te bevorderen.
4 Op de kennisgeving wordt door het Regiokorps Politie Haaglanden de datum en het tijdstip van inlevering vermeld en een kopie daarvan wordt terstond overhandigd of toegezonden aan degene, die de kennisgeving heeft gedaan.
5 Zo mogelijk na mondeling overleg met degene, die de kennisgeving heeft gedaan, wordt hem zo spoedig mogelijk schriftelijk de volgende stukken toegezonden:
a. de algemene voorschriften van de burgemeester op grond van de wet;
b. eventuele met de organisator gemaakte afspraken over een ordelijk verloop en eventuele door de burgemeester gestelde voorschriften of beperkingen.

Politiewet 2012 (Pw)

Artikel 3
De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in
overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke
handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Artikel 7
1 De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

Artikel 11
1 Indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter
uitvoering van de hulpverleningstaak, staat zij onder gezag van de burgemeester.
2 De burgemeester kan de betrokken ambtenaren van politie de nodige aanwijzingen
geven voor de vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken.

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)

Artikel 11
1 Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2 De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.

Algemene wet bestuursrecht (AWB)

Artikel 9:8
1 Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:

a. waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van de artikelen 9:4 en volgende is behandeld;
b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;
c. waartegen door de klager bezwaar gemaakt had kunnen worden,
d. waartegen door de klager beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of beroep kon worden ingesteld;
e. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest of,
f. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.
2 Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.
3 Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld. Artikel 9:12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2018/001