2017/146 Overheidsinstanties moeten bij beslaglegging bestaansminimum garanderen

Een man ontvangt een uitkering van het UWV. De Belastingdienst, GGN en de Regionale Belastinggroep leggen beslag op de uitkering. Deze instanties moeten rekening houden met de beslagvrije voet, maar in hun berekening daarvan zitten grote verschillen. De man komt daardoor onder het bestaansminimum. De Nationale ombudsman vindt dat het UWV en de Belastingdienst samen moeten zorgen dat de man tijdens de beslaglegging kan beschikken over voldoende inkomen.

Instantie: UWV

Klacht:

uitgegaan van een te lage beslagvrije voet, waardoor een te hoog bedrag is afgedragen aan de eerste beslaglegger, de Belastingdienst.

Oordeel: gegrond

Instantie: De Belastingdienst

Klacht:

niet bereid de ten onrechte ontvangen afdrachten te corrigeren

Oordeel: gegrond

De heer X ontvangt een uitkering van het UWV. Er wordt door de Belastingdienst, GGN en de Regionale Belastinggroep beslag gelegd op de uitkering van de heer X. Deze instanties moeten rekening houden met de beslagvrije voet, maar in hun berekening daarvan zitten grote verschillen. Het UWV gaat uit van de laagste beslagvrije voet. De heer X komt daardoor onder het bestaansminimum. Omdat de Belastingdienst de eerste beslaglegger is, gaat al het ingehouden geld daar naartoe. Ook wanneer dat meer is dan de Belastingdienst zelf zou innen gelet op de door de Belastingdienst berekende beslagvrije voet.

De Nationale ombudsman toetst aan het vereiste van goede samenwerking en acht de klacht van de heer X gegrond. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman hadden het UWV en de Belastingdienst er samen voor moeten zorgen dat de heer X ten tijde van de beslaglegging kon beschikken over het bestaansminimum.

Wat is de klacht?

Verzoeker klaagt erover dat het UWV is uitgegaan van een te lage beslagvrije voet, waardoor een te hoog bedrag is afgedragen aan de eerste beslaglegger, de Belastingdienst. De Belastingdienst is, daarnaar gevraagd, niet bereid gebleken de ten onrechte ontvangen afdrachten te corrigeren. Hierdoor heeft verzoeker geruime tijd niet kunnen beschikken over een bedrag ter hoogte van de voor hem geldende beslagvrije voet.

Wat ging er aan de klacht vooraf?

De heer Batelaan ontvangt een WIA-uitkering van € 1.341,-. Op 12 september 2015 heeft de Belastingdienst beslag gelegd op de WIA-uitkering van de heer Batelaan. Op grond van de gegevens die de Belastingdienst van de heer Batelaan ter beschikking had, heeft de Belastingdienst de beslagvrije voet vastgesteld op € 1.259,-. Met deze beslagvrije voet zou de Belastingdienst afgerond € 82,- per maand uit het loonbeslag moeten ontvangen. Op 17 september 2015 heeft gerechtsdeurwaarder GGN ook beslag gelegd op de WIA-uitkering van de heer Batelaan. GGN hanteerde daarbij een beslagvrije voet van afgerond € 866,-.
Het UWV informeerde de Belastingdienst bij brief van 22 september 2015 over het beslag door GGN en de door GGN vastgestelde beslagvrije voet. Omdat het UWV, op grond van zijn beleid, uitgaat van de laagste beslagvrije voet en de Belastingdienst de eerste beslaglegger was, werd het bedrag dat de Belastingdienst uit het loonbeslag ontving verhoogd met ruim € 393,-.

Op 18 februari 2016 ontving het UWV wederom een verzoek tot loonbeslag, ditmaal van de Regionale Belastinggroep. De Regionale Belastinggroep hanteerde een beslagvrije voet van € 625,-. Vanaf 18 februari 2016 ging het UWV daarom uit van een beslagvrije voet van € 625,-. Op 7 maart 2016, drie weken nadat het beslag was gelegd, heeft de Regionale Belastinggroep aan het UWV doorgegeven dat het beslag weer kon worden opgeheven. Op 11 maart 2016 ontving de heer Batelaan een brief van het UWV waarin stond dat het UWV de beslagvrije voet van € 625,- bleef hanteren. Alle ingehouden gelden werden afgedragen aan de Belastingdienst. Vanaf maart 2016 ontving de Belastingdienst maandelijks ruim € 730,- uit het loonbeslag. Ook het vakantiegeld, € 972,-, ging naar de Belastingdienst.

Wat was de oorspronkelijke klacht?

Doordat het UWV vanaf maart 2016 uitgaat van een beslagvrije voet van € 625,- komt de heer Batelaan financieel in de problemen. Hij klaagt hierover bij het UWV.

Welke reactie komt er op de klacht?

De heer Batelaan heeft contact opgenomen met het UWV; dat moet op 1 augustus 2016 zijn geweest. Naar aanleiding van dit contact heeft het UWV geconstateerd dat er voor een periode van vijf maanden is uitgegaan van een te lage beslagvrije voet. Vanaf het moment dat de Regionale Belastinggroep aan het UWV heeft doorgegeven dat het beslag kon worden opgeheven had het UWV moeten uitgaan van de beslagvrije voet die is berekend door GGN, zo stelde het UWV vast. Dit was een beslagvrije voet van € 866,-.
Gelet op de financiële situatie van de heer Batelaan heeft het UWV daarom besloten om vanaf 1 augustus 2016 uit te gaan van de hoogste beslagvrije voet. Dit is de beslagvrije voet die door de Belastingdienst is vastgesteld op € 1.259,-. Hiermee heeft het UWV de heer Batelaan willen compenseren voor de eerdere te hoge inhoudingen.
Ook stuurt het UWV op 12 augustus 2016 een brief aan de Belastingdienst. Het UWV laat de Belastingdienst weten dat de heer Batelaan alleen een WIA-uitkering ontving en nog steeds ontvangt. De hogere afdracht aan de Belastingdienst is dan ook niet door een hoger inkomen veroorzaakt maar doordat het UWV teveel heeft afgedragen. Daarom vraagt het UWV de Belastingdienst om de bedragen die boven de vastgestelde beslagvrije voet van € 1.259,- zijn geïncasseerd terug te betalen aan de heer Batelaan. Het UWV voegt een berekening bij van wat de Belastingdienst uit het beslag heeft ontvangen en wat dat feitelijk had moeten zijn, uitgaande van de door de Belastingdienst vastgestelde beslagvrije voet van € 1.259,-. Het gaat om een flink verschil, zo'n € 5.131,-.

Wat was de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

Omdat de Belastingdienst niet reageert op de brief van het UWV, neemt de heer Batelaan op 26 oktober 2016 contact op met de Nationale ombudsman.

De Nationale ombudsman neemt contact op met de Belastingdienst en vraagt de Belastingdienst alsnog op de brief van het UWV te reageren. Op 15 november 2016 reageert de Belastingdienst op het verzoek van de Nationale ombudsman. In deze reactie geeft de Belastingdienst aan meer gelden te hebben ontvangen dan op basis van de eigen beslagvrije voet-berekening nodig was. De Belastingdienst is echter van mening dat hij niets verkeerd heeft gedaan. Dat het UWV meer afdraagt dan de beslagvrije voet kan de Belastingdienst niet worden verweten, aldus de Belastingdienst. Om die reden komt de Belastingdienst niet tegemoet aan het verzoek van het UWV om de teveel ingehouden gelden aan de heer Batelaan te retourneren.

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

De Nationale ombudsman heeft de klacht aan het UWV en de Belastingdienst voorgelegd met het verzoek daarop te reageren en een aantal vragen te beantwoorden. Ook heeft de Nationale ombudsman informatie opgevraagd bij GGN en de Regionale Belastinggroep. De Nationale ombudsman heeft de klacht van de heer Batelaan aan het UWV voorgelegd met het verzoek daarop te reageren. Ook heeft hij het UWV verzocht om hem de stukken uit het dossier toe te sturen en een aantal aanvullende vragen te beantwoorden. De Nationale ombudsman heeft de klacht van de heer Batelaan aan het UWV voorgelegd met het verzoek daarop te reageren. Ook heeft hij het UWV verzocht om hem de stukken uit het dossier toe te sturen en een aantal aanvullende vragen te beantwoorden. De Nationale ombudsman heeft de klacht van de heer Batelaan aan het UWV voorgelegd met het verzoek daarop te reageren. Ook heeft hij het UWV verzocht om hem de stukken uit het dossier toe te sturen en een aantal aanvullende vragen te beantwoorden.

Hoe reageerden het UWV en de Belastingdienst?

De Belastingdienst
De Nationale ombudsman heeft de Belastingdienst een aantal vragen voorgelegd. Zo wil de Nationale ombudsman weten wat de Belastingdienst heeft gedaan naar aanleiding van het verzoek van het UWV om de bedragen die boven de vastgestelde beslagvrije voet zijn geïncasseerd terug te betalen. De Belastingdienst geeft aan dat hij eerste beslaglegger is geweest bij het UWV voor een openstaande belastingschuld. De Belastingdienst heeft door de verlaging van de beslagvrije voet meer geld ontvangen dan was gevraagd en heeft de ontvangen gelden allemaal afgeboekt op de openstaande belastingschulden van de heer Batelaan waarvoor loonbeslag was gelegd. De Belastingdienst geeft aan de heer Batelaan in diverse contacten te hebben gewezen op het feit dat hij voor het wijzigen van de gehanteerde beslagvrije voet niet bij de Belastingdienst maar bij de overige schuldeisers moest zijn. Naar aanleiding van het verzoek van het UWV om de teveel geïncasseerde bedragen terug te betalen aan de heer Batelaan is er telefonisch contact geweest tussen de Belastingdienst en het UWV. In dit telefoongesprek is meegedeeld dat er naar het oordeel van de Belastingdienst geen sprake zou zijn van een fout en dat er geen correctie zou volgen.

De Nationale ombudsman heeft de Belastingdienst ook gevraagd of hij bereid is de teveel ontvangen bedragen terug te betalen aan de heer Batelaan, als uiteindelijk zou blijken dat de heer Batelaan geruime tijd onder de voor hem geldende beslagvrije voet heeft geleefd. Hierop heeft de Belastingdienst laten weten dat er naar het oordeel van de Belastingdienst geen sprake is van 'teveel ontvangen bedragen'. De Belastingdienst licht dit verder toe en geeft daarbij aan dat de loonvordering bij de heer Batelaan is aangekondigd waarbij de beslagvrije voet is geschat op € 1.259,- per maand. Bij deze aankondiging is het formulier "Opgaaf persoonlijke situatie berekening beslagvrije voet" meegestuurd. Met dit formulier werd de heer Batelaan in de gelegenheid gesteld om gegevens aan te leveren waardoor de beslagvrije voet nauwkeurig kon worden berekend. Deze informatie heeft de heer Batelaan niet aangeleverd. De Belastingdienst hanteerde vervolgens een geschatte beslagvrije voet van € 1.259,- per maand. Deze beslagvrije voet is in verband met de loonvordering doorgegeven aan het UWV.
Op het moment van de klachtbehandeling in november 2016 waren alle schulden door middel van de loonvordering voldaan. Herberekening van de beslagvrije voet voor de loonvordering was daardoor niet meer aan de orde. Zowel het UWV als de heer Batelaan hebben bericht ontvangen over de intrekking van het loonbeslag, zo schrijft de Belastingdienst. De Belastingdienst geeft verder aan dat er zowel op 11 maart 2016 als op 30 juni 2016 aan de heer Batelaan is aangegeven dat de overige beslagleggers een lagere beslagvrije voet hanteerden en dat hij daar een verzoek tot herziening van de beslagvrije voet kon indienen. Er kan volgens de Belastingdienst dan ook geen sprake van zijn dat in onwetendheid teveel is afgedragen.2 De Belastingdienst geeft ook aan dat in de klachtbehandeling van november 2016 actuele gegevens door de heer Batelaan zijn aangeleverd en dat toen alsnog een actuele berekening van de beslagvrije voet is gemaakt. Uit deze berekening kwam een beslagvrije voet van € 1.008,-.

Het UWV
Ook aan het UWV heeft de Nationale ombudsman een aantal vragen voorgelegd. Zo wil de Nationale ombudsman weten of het UWV van mening is dat hij als overheidsinstantie en uitvoerder van het loonbeslag een bijzondere verantwoordelijkheid heeft waar het gaat om het toepassen van de correcte beslagvrije voet en hoe er invulling wordt gegeven aan deze verantwoordelijkheid. Het UWV geeft aan deze bijzondere verantwoordelijkheid wel te hebben, maar vindt dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen het UWV als actieve beslaglegger en het UWV als derde beslagene. In situaties waarin het UWV de actieve beslaglegger is, wordt er verrekend met lopende uitkeringen. Wanneer verrekening niet mogelijk is wordt een terugbetalingsregeling afgesproken. In beide gevallen wordt rekening gehouden met de financiële capaciteit van betrokkene. In de gevallen waarin er geen verrekening of een terugbetalingsregeling mogelijk is wordt er door een deurwaarder beslag gelegd namens het UWV. In alle gevallen houdt het UWV rekening met de beslagvrije voet.

De rol van het UWV is anders wanneer een derde (gerechtsdeurwaarder of Belastingdienst) beslag op de uitkering van betrokkene legt. Het UWV geeft aan dat er in het geval van beslag onder derden rekening moet worden gehouden met de wettelijke bepalingen in artikel 475 e.v. van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). In deze bepalingen is opgenomen dat de beslaglegger de hoogte van de beslagvrije voet vaststelt. Het UWV is verplicht om, op basis van de door de beslaglegger berekende beslagvrije voet, de verschuldigde gelden aan de beslaglegger te voldoen. Het UWV geeft aan niet bevoegd te zijn de geldigheid van het beslag en de vastgestelde beslagvrije voet te beoordelen. Als de schuldenaar het niet eens is met de beslagvrije voet moet hij de burgerlijke rechter inschakelen. Hierbij verwijst het UWV naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.3

De Nationale ombudsman heeft het UWV ook gevraagd hoe de aanpassing van de beslagvrije voet binnen de organisatie is ingericht. Als antwoord op deze vraag geeft het UWV aan dat aanpassing van de beslagvrije voet een handmatig proces is. Iedere wijziging wordt door een medewerker aangebracht. Het UWV merkt hierbij op dat de aanpassingen wel moeten geschieden conform de gemaakte afspraken tussen het UWV en de gerechtsdeurwaarder of Belastingdienst.
Op de vraag van de Nationale ombudsman waarom de beslagvrije voet niet is aangepast toen de Regionale Belastinggroep het beslag ophief heeft het UWV geantwoord dat de behandelend medewerker dit was vergeten. In dit geval is niet gewerkt volgens de instructies. De beslagvrije voet had op dat moment moeten worden aangepast.
Tot slot heeft de Nationale ombudsman het UWV gevraagd naar de reactie die hij van de Belastingdienst heeft ontvangen. Het UWV geeft aan dat in het gesprek met de Belastingdienst niet is besproken wat de Belastingdienst heeft gedaan met de extra afdrachten die hij heeft ontvangen. De beslagvrije voet die door de Belastingdienst werd gehanteerd was hoger dan die van GGN en de Regionale Belastinggroep. Het beleid van het UWV is dat er wordt uitgegaan van de laagste beslagvrije voet.

Hoe reageerden GGN en de Regionale Belastinggroep

Omdat zowel de Belastingdienst, GGN als de Regionale Belastinggroep een andere beslagvrije voet hanteerden heeft de Nationale ombudsman ook bij GGN en de Regionale Belastinggroep navraag gedaan naar de berekening van de beslagvrije voet. GGN heeft aangegeven de beslagvrije voet van de heer Batelaan te hebben vastgesteld op basis van de gegevens die de deurwaarder op dat moment ter beschikking stonden. GGN is ervan uitgegaan dat de heer Batelaan alleenstaande is. GGN geeft daarbij aan dat de heer Batelaan geen stukken heeft aangeleverd om de beslagvrije voet juist vast te stellen en dat na raadpleging van de basisregistratie personen geen partner naar voren kwam.
De Regionale Belastinggroep heeft aangegeven dat, voordat werd overgegaan tot beslaglegging, een vragenformulier aan de heer Batelaan is gestuurd. Door middel van dit vragenformulier worden de relevante gegevens om de beslagvrije voet juist vast te stellen opgevraagd. Wanneer het formulier niet wordt terugontvangen halveert de Regionale Belastinggroep de beslagvrije voet. In de situatie van de heer Batelaan was dit het geval.
De Nationale ombudsman heeft de Regionale Belastinggroep gevraagd naar de reden van de snelle opheffing van het beslag. De Regionale Belastinggroep heeft hierop aangegeven dat het beslag is ingetrokken vanwege een al liggend loonbeslag door de Belastingdienst. De vraag van de Nationale ombudsman of de Regionale Belastinggroep en het UWV contact hebben gehad over de hoogte van de beslagvrije voet beantwoordt de Regionale Belastinggroep ontkennend.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

De Nationale ombudsman heeft de klacht van de heer Batelaan over het UWV en de Belastingdienst getoetst aan het vereiste van goede samenwerking. Dit houdt in dat de overheid op eigen initiatief in het belang van de burger met andere (overheids-)instanties samenwerkt en de burger niet van het kastje naar de muur stuurt.

Eerder heeft de Nationale ombudsman geoordeeld dat een overheidsinstantie er alles aan moet doen om een burger een inkomen te garanderen ter hoogte van de beslagvrije voet.4 De beslagvrije voet is het absolute bestaansminimum. Mensen komen financieel in de problemen als deze niet gerespecteerd wordt.

Vast staat dat de heer Batelaan geruime tijd onder het bestaansminimum heeft moeten leven. Zowel het UWV als de Belastingdienst hebben hierin een rol gespeeld. Het UWV door, volgens eigen beleid, uit te gaan van de laagste beslagvrije voet en de Belastingdienst doordat hij niet bereid is gebleken de gelden die hij heeft ontvangen boven de vastgestelde beslagvrije voet aan de heer Batelaan te retourneren. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman hadden het UWV en de Belastingdienst er samen voor moeten zorgen dat de heer Batelaan ten tijde van de beslaglegging kon beschikken over het bestaansminimum. Door dit na te laten hebben zowel het UWV als de Belastingdienst in strijd gehandeld met het vereiste van goede samenwerking.

Conclusie

De klachten over de onderzochte gedragingen van het UWV en de Belastingdienst zijn gegrond wegens strijd met het vereiste van goede samenwerking.

Uit de situatie van de heer Batelaan blijkt dat het beleid dat het UWV in dat geval hanteert tot ongewenste effecten kan leiden. De Nationale ombudsman zal daarom over dit beleid in gesprek gaan met de betrokken partijen om te bevorderen dat voor deze situatie een oplossing wordt gevonden.

instemming

De Nationale ombudsman heeft met instemming kennisgenomen dat het UWV in het geval van de heer Batelaan heeft besloten om vanaf 1 augustus 2016 uit te gaan van de beslagvrije voet die door de Belastingdienst is berekend.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman beveelt de Belastingdienst aan om in situaties waarin de Belastingdienst meer gelden uit een loonbeslag heeft ontvangen dan hij op basis van de vastgestelde beslagvrije voet had moeten ontvangen, hij deze gelden aan de schuldenaar retourneert.

Verder beveelt de Nationale ombudsman aan om contact met de heer Batelaan op te nemen om in zijn situatie tot een gepaste oplossing te komen.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Notes

[←1]

Gefingeerde naam

[←2]

De Belastingdienst doelt hier op de Memorie van Antwoord, pag. 13, Algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke uitkeringen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 17897, nr. 5).

[←3]

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4248; ECLI:NL:CRVB:2010: BM1562.

[←4]

Rapport In het krijt bij de overheid, 17 januari 2013, 2013/003, p. 12

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/146