2016/046 SVB moet zich bij verrekening houden aan beslagvrije voet

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) keert een echtpaar AOW uit. Het echtpaar heeft schulden. Mevrouw moet ook de SVB geld terugbetalen. Zij heeft een renteloze lening ontvangen van de SVB omdat haar AOW-pensioen later ingaat. Daarom houdt de SVB maandelijks een deel van haar AOW in. Als er vervolgens ook beslag wordt gelegd op de AOW, is het inkomen van mevrouw gedaald tot onder de beslagvrije voet. De SVB weigert de beslagvrije voet toe te passen op de verrekening van de renteloze lening. De Nationale ombudsman vindt dat de SVB in deze situatie onvoldoende heeft gedaan om de familie een inkomen te garanderen ter hoogte van de beslagvrije voet. De SVB heeft er na tussenkomst van de ombudsman voor gezorgd dat de beslagvrije voet wel toegepast werd op de verrekening van de renteloze lening.

Instantie: Sociale Verzekeringsbank

Klacht:

geweigerd om de beslagvrije voet toe te passen op de verrekening van de renteloze lening met het AOW-pensioen van betrokkenen

Oordeel: gegrond

De heer en mevrouw C. klagen erover dat de Sociale Verzekeringsbank geen rekening houdt met de beslagvrije voet. Mevrouw C. heeft een renteloze lening aangevraagd. Die lening wordt in vaste termijnen verrekend met haar AOW-pensioen. Als het Zorginstituut Nederland ook beslag legt op haar AOW-pensioen, houden meneer en mevrouw C. te weinig over om van te leven. Zij dienen daarover een klacht in bij de Sociale Verzekeringsbank. De SVB schrijft in de klachtafhandeling dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op deze verrekening.

Wat is de klacht?

Verzoekers klagen erover dat de Sociale Verzekeringsbank weigert de beslagvrije toe te passen op de verrekening van de renteloze lening met het AOW-pensioen van betrokkenen.

Wat gaat er aan de klacht vooraf?

Op 3 april 2014 heeft de Sociale Verzekeringsbank (verder: SVB), per 18 november 2014, een AOW-pensioen toegekend aan mevrouw C. In diezelfde brief is mevrouw erop gewezen dat de mogelijkheid bestaat om een renteloze lening aan te vragen. Het gaat om een tijdelijke regeling die samenhangt met de verhoging van de pensioenleeftijd. Hierdoor hebben mensen vaak een paar maanden minder inkomen. Hun 'oude' inkomen is namelijk gestopt op het moment dat zij 65 jaar zijn geworden. Het AOW-pensioen gaat echter een paar maanden later pas in. En er zijn mensen die hierop op geen enkele manier hebben kunnen anticiperen. Dat geldt ook voor mevrouw C.

Op 13 augustus 2014 heeft mevrouw C. die renteloze lening daarom aangevraagd en een dag later is de lening toegekend over de maanden september, oktober en november 2014. In de brief over de toekenning is ook vastgesteld dat de SVB, over de periode december 2014 tot en met november 2015, in twaalf termijnen een bedrag van € 99,71 inhoudt op haar AOW-pensioen. Op die manier betaalt zij de volledige lening terug aan de SVB.

In april 2015 sturen de heer en mevrouw C. een brief naar de SVB met het verzoek om de verrekening van de lening aan te passen. Het Zorginstituut Nederland (ZIN) heeft de SVB opdracht gegeven om een deel van het AOW-pensioen van mevrouw C. aan hem over te maken. Hun inkomen is door de afdracht aan het ZIN gedaald tot onder de beslagvrije voet. Bij het verzoek wordt een berekening gevoegd waaruit blijkt dat het netto inkomen onder de beslagvrije voet ligt. Op die brief komt geen reactie van de SVB. De heer en mevrouw C. bellen daarom de SVB en krijgen te horen dat de SVB niet van plan is om de verrekening aan te passen.

Wat is de oorspronkelijke klacht?

Daarop dienen meneer en mevrouw C. een klacht in bij de SVB. Ze schrijven dat uit de brief van het ZIN blijkt wat de preferentievolgorde is. Daarmee bedoelen meneer en mevrouw C. dat in de volgorde van schuldeisers die aan de beurt komen om beslag te leggen het ZIN de eerste schuldeiser is. Pas als er dan nog ruimte is voor beslag, zou de SVB kunnen verrekenen. Verzoekers zijn van mening dat het beslag door het ZIN gevolgen heeft voor de verrekening door de SVB. Verzoekers vragen de SVB om de verrekening te herzien en om de teveel ingehouden bedragen aan hen terug te storten.

Welke reactie komt er op de klacht?

Een medewerkster van de SVB belt met de heer C. Zij legt aan hem uit dat de SVB de klacht niet terecht vindt. De SVB is verplicht om de bestuursrechtelijke premie in te houden als het ZIN daartoe opdracht geeft. De inhouding kan alleen worden gewijzigd of stopgezet in opdracht van het ZIN. De reactie wordt ook per brief aan verzoekers verstuurd. Daarin verwijst de SVB verzoekers naar de Nationale ombudsman.

Wat is de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

Meneer en mevrouw C. zijn niet tevreden met de reactie van de SVB. De SVB legt namelijk alleen uit waarom zij verplicht is om de bestuursrechtelijke premie in te houden. Op het verzoek om de verrekening van de renteloze lening aan te passen wordt niet gereageerd. Verzoekers zijn van mening dat de verhoogde ZIN-premie een standaard onderdeel van de beslagvrije voet is. Door de inhouding van het ZIN is hun beslagvrije voet verhoogd en daarmee komt de verrekening door de SVB in het gedrang. Verzoekers vragen de Nationale ombudsman om de klacht gegrond te verklaren. Zij hopen dat de Nationale ombudsman kan bevorderen dat het besluit van de SVB op korte termijn wordt herzien.

Interventie 1
De Nationale ombudsman is van mening dat de SVB eerst inhoudelijk op de klacht over de verrekening zou moeten reageren. Hij verzoekt de SVB om de klacht van verzoekers nogmaals te behandelen en daarbij in te gaan op de klacht zoals verzoekers die in hun brief van 18 juni 2015 verwoordden.

Binnen twee weken ontvangen verzoekers een reactie van de SVB. De Nationale ombudsman ontvangt een afschrift van die reactie, alsmede een kopie van het telefoonrapport van het gesprek tussen de klachtbehandelaar en de heer C. In de reactie van de SVB wordt het eerdere standpunt herhaald.

"De SVB is op grond van wettelijke bepalingen verplicht om aan het verzoek van het Zorginstituut Nederland te voldoen. Voor eventuele klachten gericht tegen de procedure om in te houden, klachten over de wijze waarop de inhouding is vastgesteld of klachten over de hoogte van het door de SVB in te houden bedrag, moet u zich, zoals wij reeds hebben besproken tijdens ons gesprek van 17 juni 2015, wenden tot het Zorginstituut Nederland.
De SVB bepaalt niet de hoogte van de beslagvrije voet en kan deze niet voor u aanpassen zonder bericht van het Zorginstituut Nederland."

Interventie 2
De Nationale ombudsman neemt opnieuw contact op met de SVB. Hij maakt daarbij duidelijk dat de klacht gaat over de hoogte van de verrekening die door de SVB wordt toegepast op het AOW-pensioen van mevrouw C. Hij legt uit dat, indien er sprake is van inhouding door het ZIN, de beslagvrije voet met het bedrag van die inhouding moet worden verhoogd. Dat is ook door de rechter bepaald in een uitspraak1. De ombudsman verzoekt om een reactie op de klacht dat er minder ruimte is voor de verrekening door de SVB zelf, omdat de SVB voor het ZIN de bestuursrechtelijke premie inhoudt op het AOW-pensioen.

De SVB reageert in een brief van 22 juli 2015 naar verzoekers. Zij vindt de klacht over de verrekening niet terecht. De klachtbehandelaar licht dat toe. Mevrouw C. heeft een renteloze lening aangevraagd. Op 14 augustus 2014 is die toegekend. In de beslissing is afgesproken dat de SVB over de periode december 2014 tot en met november 2015 in twaalf termijnen een bedrag van € 99,71 inhoudt op het AOW-pensioen.

De SVB legt in de brief verder uit dat de renteloze lening een voorschot is op het AOW-pensioen. Na toekenning van het AOW-pensioen wordt, afhankelijk van het uitbetaalde voorschot, een bedrag verrekend met het AOW-pensioen. Die verrekening vindt plaats over een periode van zes, twaalf of achttien maanden. Op grond van artikel 22 van de Algemene Ouderdomswet is de SVB verplicht om het voorschot te verrekenen met het ouderdomspensioen. In de SVB Beleidsregels2 wordt deze verplichting verder uitgewerkt. Als verrekening binnen de termijn van zes, twaalf of achttien maanden niet mogelijk is, kan de SVB een andere periode vaststellen.

De SVB komt tot de conclusie dat de beslagvrije voet, ongeacht de verhoging in verband met de inhouding door het ZIN, niet van toepassing is op de verrekening. Zij is van mening dat de familie op grond van artikel 22 AOW verplicht is om de renteloze lening terug te betalen. Die terugbetaling vindt plaats via verrekening met het AOW-pensioen. Wel verlaagt de SVB, gezien de financiële situatie van verzoekers, de verrekening per juli 2015 van 99,71 naar € 45,00 per maand.

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

De Nationale ombudsman ziet aanleiding om nader onderzoek te doen in deze zaak. Hij verzoekt de SVB om een reactie op de klacht. Ook vraagt de Nationale ombudsman hoe de SVB vaststelt dat het niet mogelijk is om binnen de termijn van zes, twaalf of achttien maanden te verrekenen, zoals is vastgelegd in de beleidsregel. De Nationale ombudsman vraagt daarnaast wat de reden is dat pas na zijn tussenkomst de verrekening werd verlaagd.

De Nationale ombudsman is ermee bekend dat de SVB in andere situaties, waarin de burger aangeeft een vordering niet te kunnen betalen, de aflossingscapaciteit berekent. Hij wil graag weten wat de SVB ziet als aflossingscapaciteit, in welke gevallen die wordt berekend en waarom in het geval van de familie C. de aflossingscapaciteit niet was berekend.

Tot slot vraagt de Nationale ombudsman de SVB om haar visie op het standpunt van de Nationale ombudsman3 dat de overheid al het mogelijke moet doen om de burger een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet te garanderen, ook indien er sprake is van verrekening.

Hoe reageert de Sociale Verzekeringsbank?

De SVB licht het karakter van de Voorschotregeling toe. De regeling is bedoeld om het inkomensgat te dekken in de periode tussen de 65e verjaardag en de datum waarop de verhoogde AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt. De regeling is voor iedereen toegankelijk ongeacht inkomen en vermogenspositie en ongeacht of er gedurende de overbruggingsperiode daadwerkelijk sprake is van een inkomensgat. Het aflossingsregime voor de terugbetaling van het voorschot is voor iedereen gelijk en vooraf bij wet vastgesteld. Inmiddels is de regeling van de renteloze lening vervangen door de Overbruggingsregeling AOW; daarvoor geldt wel een inkomens- en vermogenstoets en gelden ook andere criteria.

De SVB laat weten dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever er bewust voor gekozen heeft om in artikel 22 AOW vaste termijnen op te nemen waarbinnen de renteloze lening moet worden terugbetaald. De SVB heeft in beginsel geen ruimte om van deze vaste termijnen af te wijken. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt ook dat de regering zich ervan bewust is dat zich schrijnende gevallen kunnen voordoen, waarin het niet mogelijk is om binnen de gestelde termijnen te verrekenen. In die gevallen levert de SVB maatwerk. De SVB schijft verder dat zij niet uit eigen beweging onderzoekt of de verrekening binnen de vastgestelde termijn tot financiële problemen leidt. Zij doet dit als een pensioengerechtigde meldt dat hij of zij door de verrekening in de financiële problemen komt. In dat geval stelt de SVB de beschikbare aflossingscapaciteit vast. De SVB gebruikt dit bedrag als leidraad om met betrokkene een afspraak te maken over de hoogte van de verrekeningstermijnen.

Op de vraag wat de reden is dat pas na tussenkomst van de Nationale ombudsman de verrekening werd verlaagd, antwoordt de SVB dat zij in eerste instantie het verzoek heeft afgewezen. Verzoekers hebben opnieuw verzocht om toepassing van de beslagvrije voet. De SVB heeft toen een nieuw aflossingsbedrag vastgesteld. Dat was niet uitsluitend het gevolg van de tussenkomst van de Nationale ombudsman. De SVB heeft een berekening gemaakt van de beslagvrije voet om tot afspraken met betrokkenen te komen. De SVB heeft de berekening van de beslagvrije voet bijgevoegd. Daaruit blijkt, zo stelt de SVB, dat de verlaagde termijnen niet veel afwijken van de termijnen waarbij de beslagvrije voet wel zou worden toegepast.

Op de vragen van de Nationale ombudsman over de aflossingscapaciteit reageert de SVB als volgt. Als de SVB een boete oplegt of een te veel betaald bedrag terugvordert en zij op grond van de wet de beslagvrije voet in acht moet nemen, kan de SVB op verzoek van de burger de aflossingscapaciteit berekenen. De aflossingscapaciteit bestaat uit het verschil tussen de som van al het netto periodieke inkomen en de individuele beslagvrije voet. In geval van verzoekers is de beslagvrije voet niet toegepast, omdat bij toepassing van artikel 22 AOW de beslagvrije voet niet geldt, zo stelt de SVB.

De SVB kent het rapport 2013/003 en onderschrijft de conclusies van de Nationale ombudsman. De SVB maakt wel een kanttekening bij de conclusie dat overheidsinstanties al het mogelijke moeten doen om de burger een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet te garanderen. Zij vindt het vanzelfsprekend dat zij de beslagvrije voet moet respecteren en juist moet vaststellen. De opvatting van de Nationale ombudsman dat de garantie van het minimale inkomen ook moet gelden voor verrekening, deelt de SVB alleen als daarvoor een juridische grondslag bestaat.

De SVB stelt dat bij verrekening (of beslag) wegens invordering van een boete of terugvordering van te veel ontvangen socialezekerheidsuitkeringen de wettelijke verplichting om in beginsel de beslagvrije voet te hanteren geldt, maar dat dit niet automatisch betekent dat dit voor alle verrekeningen en terugbetalingssituaties geldt.

In de visie van de SVB moet het mogelijk zijn om verrekeningen uit te sluiten van toepassing van de beslagvrije voet.

Aanvullende vragen
De Nationale ombudsman stelt de SVB naar aanleiding van haar reactie aanvullende vragen. Hij vraagt wanneer de SVB van schrijnende gevallen spreekt waarvoor de SVB maatwerk levert en of de SVB voorbeelden kan aandragen waarin maatwerk is verleend. Daarnaast vraagt hij op basis waarvan de SVB van mening is dat de beslagvrije voet in dit geval niet van toepassing is. Tot slot heeft de Nationale ombudsman zelf een berekening gemaakt van de beslagvrije voet en vraagt de SVB om daarop te reageren.

De SVB schrijft dat in artikel 22, lid 3 AOW expliciet wordt voorgeschreven in welke termijnen de SVB de verrekening moet realiseren. Deze termijnen zijn overgenomen in beleidsregel SB1282. Op grond van deze beleidsregel kan de SVB ook "maatwerk op verzoek" leveren in gevallen waarin verrekening binnen de voorgeschreven termijn niet mogelijk blijkt. De SVB heeft haar beleidsregel zodanig geformuleerd dat zij ook in niet schrijnend te achten situaties maatwerk kan leveren. Bijvoorbeeld om te voorkomen dat onverkorte toepassing van de wettelijke verrekeningstermijn in strijd komt met het voorschrift in artikel 4:93, lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze bepaling houdt in dat verrekening van een bestuursrechtelijke geldschuld niet is toegestaan voor zover betrokkene na verrekening niet ten minste de beschikking houdt over de beslagvrije voet, geeft de SVB aan.

Het gebruik van de renteloze lening komt relatief weinig voor. Daarom maakt de SVB in elke individuele situatie waarbij de belanghebbende meldt dat het wettelijke terugbetalingsregime niet haalbaar is, een afweging of zij de hiervoor bedoelde beleidsregel moet toepassen. Zij maakt deze afweging op basis van de persoonlijke en financiële situatie van de betrokkene. Indien de omstandigheden dermate ernstig zijn, dat een onverkorte toepassing van de wettelijke verrekeningstermijn in redelijkheid niet aanvaardbaar is, maakt de SVB op grond van de hiervoor bedoelde beleidsregel afspraken op maat met de betrokkene. Voor zover de SVB kan nagaan is dit het enige geval waarin om een afwijkende betalingsregeling is gevraagd.

Op de vraag op basis waarvan de SVB van mening is dat de beslagvrije voet niet van toepassing is, reageert de SVB als volgt. De beslagvrije voet is een norm die de wet voorschrijft bij derdenbeslag op loon en (pensioen)uitkeringen. In andere situaties dan loonbeslag geldt de beslagvrije voet slechts waar de wet dat expliciet voorschrijft. In het kader van de uitvoering van de AOW is de beslagvrije voet uitsluitend van toepassing verklaard bij de tenuitvoerlegging van bestuurlijke boeten en terugvordering van onverschuldigde betalingen.

Ten aanzien van de verrekening van de renteloze lening schrijft de AOW de toepassing van de beslagvrije voet niet voor. De wetgever heeft bewust de keuze gemaakt voor terugbetaling in een gefixeerd aantal maandtermijnen, ongeacht de draagkracht van de betrokkene. De SVB benadrukt echter dat zij haar beleidsregel zodanig geformuleerd heeft dat strijd met art. 4:93 Awb wordt voorkomen. De beslagvrije voet is daarmee van toepassing op de verrekening.

Berekening beslagvrije voet
De SVB is van mening dat de berekening van de beslagvrije voet, die de Nationale ombudsman aan haar heeft voorgelegd, niet juist is. De Nationale ombudsman komt tot een iets hogere beslagvrije voet, maar op grond van zijn berekening is de aflossingscapaciteit van meneer en mevrouw C. ook hoger dan het nu afgesproken bedrag.

De SVB stelt dat in de individuele situatie van de heer en mevrouw C. het wettelijk voorgeschreven maandbedrag dat verrekend wordt, is verlaagd van € 99,71 tot het onderling overeengekomen bedrag van € 45,-. Daarmee wordt de beslagvrije voet gerespecteerd.

Hoe reageert de familie C.?

De familie C. heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om op de reactie van de SVB te reageren.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

De heer en mevrouw C. klagen erover dat de SVB de beslagvrije voet niet respecteert. De SVB stelt in eerste instantie dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op deze verrekening; in de wet is namelijk niet vastgelegd dat de beslagvrije voet van toepassing is op het terugbetalingsregime van artikel 22 AOW, zo schrijft de SVB. De SVB besluit wel om na tussenkomst van de Nationale ombudsman 'uit coulance' de toegepaste verrekening te verlagen, zodat de beslagvrije voet weer wordt gerespecteerd. Later in het onderzoek komt de SVB terug op de stelling dat de wettelijke basis voor het toepassen van de beslagvrije voet ontbreekt. Die is er namelijk wel, op grond van artikel 4:93 Awb.

Behoorlijk overheidsoptreden houdt onder meer in dat de SVB voldoet aan het vereiste van betrouwbaarheid. De SVB dient binnen het wettelijk kader eerlijk en oprecht te handelen.

De burger moet erop kunnen vertrouwen dat de SVB al het mogelijke doet om hem een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet te garanderen. Toen de heer en mevrouw C. contact opnamen met de SVB over de schending van hun beslagvrije voet, reageerde de SVB niet adequaat. Ook na tussenkomst van de Nationale ombudsman laat de SVB de heer en mevrouw C. weten dat de SVB niets kan doen aan de inhouding van het ZIN. Als vervolgens duidelijk wordt dat de vraag gaat over de toepassing van de beslagvrije voet op de verrekening van de renteloze lening, stelt de SVB dat er geen wettelijke basis is voor het toepassen van de beslagvrije voet in deze situatie. Het is de Nationale ombudsman nog steeds onduidelijk waarop die stellingname gebaseerd was. In de wet4 is immers vastgelegd dat er verrekend kan worden tot het bedrag van de beslagvrije voet. Een burger moet de beschikking houden over de beslagvrije voet, ook bij verrekening. In de memorie van toelichting (zie achtergrond) wordt hiervoor de term 'verrekeningsvrije voet' gebruikt. De overheid moet zich dus ook bij verrekening houden aan de beslagvrije voet.

Naar het oordeel van de Nationale ombudsman heeft de SVB in deze situatie onvoldoende gedaan om de familie een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet te garanderen. Daarmee heeft de SVB gehandeld in strijd met het vereiste van betrouwbaarheid.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van Sociale Verzekeringsbank te Rotterdam is gegrond wegens strijd met het vereiste van betrouwbaarheid.

De Nationale ombudsman heeft met instemming ervan kennisgenomen dat:

- de SVB inmiddels heeft vastgesteld dat de beslagvrije voet wel van toepassing is op de verrekening van de renteloze lening.

- dat het beleid van de SVB in overeenstemming is met artikel 4:93 Awb.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen


Relevante literatuur en wet- en regelgeving

Artikel 22 AOW

1. De Sociale verzekeringsbank verleent op aanvraag aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken in de jaren 2013, 2014 of 2015 een voorschot op het ouderdomspensioen in de vorm van een renteloze lening.

2. De voorschotverlening gaat in op de dag waarop de persoon, bedoeld in het eerste lid, de leeftijd van 65 jaar bereikt.

3. Het bedrag van het voorschot over een maand, respectievelijk van de voorschotten over twee en drie maanden wordt verrekend met het ouderdomspensioen over respectievelijk de eerste zes volledige kalendermaanden, de eerste twaalf volledige kalendermaanden en de eerste achttien volledige kalendermaanden na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

4. Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2017.

SVB Beleidsregel SB 1282

Verrekening van het voorschot

Op grond van artikel 22 AOW is de SVB verplicht om het voorschot van een, twee of drie maanden te verrekenen met het ouderdomspensioen over de zes, twaalf of achttien volledige kalendermaanden die direct volgen op het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Gelet hierop vangt de verrekening aan in de maand na de maand waarin de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Als verrekening binnen de gestelde termijn niet mogelijk is, kan de SVB een andere periode van verrekening vaststellen.

Artikel 4:93 Awb

1. Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering geschiedt slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.

2. Verrekening geschiedt onder vermelding van de vordering waarmee de geldschuld is verrekend alsmede de hoogte van het bedrag van de verrekening.

3. De verrekening werkt terug overeenkomstig artikel 129, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

4. De schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn.

5. Uitstel van betaling staat aan verrekening niet in de weg.

4:93 lid 4 in de Memorie van toelichting; 'de verrekeningsvrije voet'

“Het derde (Bew.: thans vierde) lid heeft betrekking op de verrekeningsvrije voet. Evenals in het privaatrecht geldt dat verrekening niet is toegestaan voorzover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn. De beslagvrije voet is dus niet vatbaar voor verrekening. Volledigheidshalve zij erop gewezen dat ingevolge artikel 4.4.3.5 (Bew.: thans 4:108) jo. 4.4.3.6 (Bew.: thans 4:109) de bevoegdheid tot verrekening van de schuldeiser van het bestuursorgaan niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering, tenzij de schuldeiser van het bestuursorgaan zelf een bestuursorgaan is.”

Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 41 (MvT).

Uitspraak CRvB, 2 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4073

"6.2.2.

Wat de zorgkosten betreft, is van belang dat uit de wetsgeschiedenis van de Wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet op de zorgtoeslag en enige andere wetten, houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering) volgt dat onder de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, opgenomen in artikel 475d, vijfde lid, onder a, Rv, tevens wordt begrepen de bestuursrechtelijke premie, indien de schuldenaar deze is verschuldigd. Zo blijkt uit de toelichting bij de Nota van Wijziging bij het wetsvoorstel structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering dat, indien op periodieke inkomsten van de schuldenaar beslag is gelegd en deze schuldenaar bovendien voor zijn zorgverzekering bestuursrechtelijke premie verschuldigd is, het wenselijk is dat de beslagvrije voet zo hoog wordt vastgesteld, dat de gehele bestuursrechtelijke premie eruit kan worden voldaan. Immers, na aftrek van de bestuursrechtelijke premie dient de schuldenaar nog evenveel geld over te houden om in de overige noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien (Kamerstukken II 2008/09, 31 736, nr. 7, blz. 5). Verder is in deze toelichting het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2008/09, 31 736, nr. 7, blz. 6):

“Indien de in [artikel 475d Rv] opgenomen term «de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering» dan ook na inwerking van voorliggend wetsvoorstel geacht wordt naast de premie voor een eventueel afgesloten aanvullende verzekering de werkelijke premie voor een zorgverzekering te omvatten, dat wil zeggen de bestuursrechtelijke premie indien de wanbetaler deze verschuldigd is, zal de beslagvrije voet zodra iemand in het bestuursrechtelijk premieregiem terechtkomt zodanig verhoogd kunnen worden, dat er de volledige bestuursrechtelijke premie (van 130% van de standaardpremie als bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag) uit kan worden voldaan. Zoals hiervoor reeds aangestipt, is dat op zich een wenselijk gevolg.”

Notes

[←1]

CRvB, 2 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4073, r.o. 6.2.2.

[←2]

SVB Beleidsregels SB1282

[←3]

Rapport 2013/003

[←4]

Artikel 4:93 lid 4 Awb.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/046