2014/131 Gemeente moet voldoende kans bieden voor effectief bezwaar tegen evenementenvergunning

Man stelt dat het onmogelijk was een effectieve bezwaarprocedure te doorlopen tegen een verleende vergunning voor een jaarlijks terugkerend techno-housefestival door de gemeente De Bilt. De vergunning van drie mappen dik was vijf dagen voor de start van het evenement verleend. Het evenement is dan al uitverkocht en er worden al podia opgebouwd. In die dagen had overleg moeten plaatsvinden tussen verzoeker en een advocaat, onderzoek door een rechter, een hoorzitting en een uitspraak. De man stelt dat de gemeente het belang van de organisator van het evenement zwaarder heeft laten wegen dan zijn belang. De Nationale ombudsman is het met hem eens. Ook het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening was op deze korte termijn geen reële mogelijkheid meer. De gemeente zegt toe dat ze er in nieuw evenementenbeleid rekening mee zal houden de burger voldoende mogelijkheid te geven procedurele kansen te benutten.

Instantie: Gemeente De Bilt

Klacht:

meermalen achteraf vergunningen verleend voor evenementen dat de rechtsbescherming van burgers in het gedrang komt

Oordeel: gegrond

Het Soenda festival in De Bilt trekt jaarlijks vele duizenden bezoekers. Zowel in 2013 als in 2014 is de vergunning pas enkele dagen voor het festival verleend. Verzoeker klaagt er over dat het daardoor niet mogelijk was effectief bezwaar aan te tekenen.

De Nationale ombudsman overwoog dat zowel de organisator, als de omwonenden van een evenement er bij zijn gebaat dat er ruim voor de geplande datum van het evenement duidelijkheid is over de afgifte van de vergunning en de daarin opgenomen voorwaarden. Voor de organisator biedt dit zekerheid over het doorgaan van het evenement en duidelijkheid over hetgeen van hem of haar wordt verwacht. Voor omwonenden biedt dit de mogelijkheid te beoordelen of hun belangen, bijvoorbeeld het tegengaan van overlast, in voldoende mate zijn beschermd.

Uit het onderzoek blijkt dat het college alles-op-alles heeft gezet om nog vóór de datum van het reeds door de aanvrager geplande evenement vergunning af te geven. Op zichzelf is dit een prestatie, omdat er weinig tijd beschikbaar was tussen de datum van het evenement en de datum waarop de (volledige) vergunningaanvraag was ingediend. De ombudsman is echter tevens van oordeel dat het college het belang van de organisator hierdoor uiteindelijk zwaarder heeft laten wegen dan het belang van verzoeker. Door pas enkele dagen voor het evenement een vergunning af te geven, was het voor verzoeker niet meer mogelijk een effectieve bezwaarprocedure te doorlopen. Een procedure die de overheidsinstantie, naar aanleiding van de argumenten die door de bezwaarmakers zijn aangevoerd, de mogelijkheid biedt haar eerdere beslissing volledig te heroverwegen. Deze heroverweging was nu feitelijk niet meer mogelijk. Ook was de periode tussen de vergunningverlening en het evenement zo kort dat het vragen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank geen reële mogelijkheid meer was.

De Nationale ombudsman is derhalve van oordeel dat het college heeft gehandeld in strijd met het vereiste van fair play en acht de klacht gegrond.

Inhoudsopgave

Samenvatting

Het Soenda festival in De Bilt trekt jaarlijks vele duizenden bezoekers. Zowel in 2013 als in 2014 is de vergunning pas enkele dagen voor het festival verleend. Verzoeker klaagt er over dat het daardoor niet mogelijk was effectief bezwaar aan te tekenen.

De Nationale ombudsman overwoog dat zowel de organisator, als de omwonenden van een evenement er bij zijn gebaat dat er ruim voor de geplande datum van het evenement duidelijkheid is over de afgifte van de vergunning en de daarin opgenomen voorwaarden. Voor de organisator biedt dit zekerheid over het doorgaan van het evenement en duidelijkheid over hetgeen van hem of haar wordt verwacht. Voor omwonenden biedt dit de mogelijkheid te beoordelen of hun belangen, bijvoorbeeld het tegengaan van overlast, in voldoende mate zijn beschermd.

Uit het onderzoek blijkt dat het college alles-op-alles heeft gezet om nog vóór de datum van het reeds door de aanvrager geplande evenement vergunning af te geven. Op zichzelf is dit een prestatie, omdat er weinig tijd beschikbaar was tussen de datum van het evenement en de datum waarop de (volledige) vergunningaanvraag was ingediend. De ombudsman is echter tevens van oordeel dat het college het belang van de organisator hierdoor uiteindelijk zwaarder heeft laten wegen dan het belang van verzoeker. Door pas enkele dagen voor het evenement een vergunning af te geven, was het voor verzoeker niet meer mogelijk een effectieve bezwaarprocedure te doorlopen. Een procedure die de overheidsinstantie, naar aanleiding van de argumenten die door de bezwaarmakers zijn aangevoerd, de mogelijkheid biedt haar eerdere beslissing volledig te heroverwegen. Deze heroverweging was nu feitelijk niet meer mogelijk. Ook was de periode tussen de vergunningverlening en het evenement zo kort dat het vragen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank geen reële mogelijkheid meer was.

De Nationale ombudsman is derhalve van oordeel dat het college heeft gehandeld in strijd met het vereiste van fair play en acht de klacht gegrond.

Wat was de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

Verzoeker heeft in 2013 pas achteraf bezwaar kunnen maken tegen de evenementenvergunning voor het Soenda festival op 18 mei 2013. Dit techno-housefestival in het natuur- en recreatiegebied Ruigenhoek in de gemeente De Bilt trekt jaarlijks 15.000 bezoekers. De vergunningaanvraag was op 1 mei 2013 gepubliceerd en de vergunningverlening werd pas twee dagen voor het evenement gepubliceerd. De kaarten waren toen al uitverkocht. Pas op 1 april 2014 zijn de bezwaarmakers uitgenodigd voor een hoorzitting van de adviescommissie. Toen verzoeker zich op 12 mei 2014 tot de Nationale ombudsman wendde, was nog niet op het bezwaarschrift beslist. Op dat moment was wel de opbouw voor de nieuwe editie van het festival op 17 mei 2014 reeds begonnen, zonder dat een vergunning was afgegeven. De burgemeester zou toestemming hebben gegeven om alvast te beginnen, omdat de organisatie niet de dupe mocht worden van trage besluitvorming.

Verzoeker krijgt de indruk dat het structureel op het laatste moment afgeven van een vergunning er toe dient om effectief bezwaar, bijvoorbeeld via het aanvragen van een voorlopige voorziening, onmogelijk te maken. Er staan voor de organisator en de terreinbeheerder grote financiële belangen op het spel en tussen hen en de gemeente De Bilt zijn er directe lijnen. Het komt er volgens hem op neer dat burgers buiten spel worden gezet, omdat zij niet vooraf maar ook niet achteraf bezwaar kunnen maken tegen een grootschalig evenement dat naar zijn mening voor veel overlast zorgt en niet past bij het groene en dorpse karakter van de gemeente. De gemeente zou dit ook bij andere vergunningprocedures doen, zodat veel medebewoners niet eens meer de moeite nemen een zienswijze in te dienen. Hij vindt dit niet acceptabel en is van mening dat de gemeente zich moet houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Verzoeker klaagt er over dat het college van burgemeester en wethouders van De Bilt

meermalen achteraf of zo laat vergunning verleent voor evenementen dat de

rechtsbescherming van burgers in het gedrang komt.

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

Het college van burgemeester en wethouders is onder andere gewezen op het Vereiste van fair play. Dit houdt in dat de overheid de burger de mogelijkheid geeft om zijn procedurele kansen te benutten en daarbij zorgt voor een eerlijke gang van zaken.

Het college is gevraagd te reageren op de stelling van verzoeker dat het college handelt in strijd met dit vereiste door regelmatig of zelfs stelselmatig (te) laat een vergunning af te geven. Omdat het gaat om een jaarlijks terugkerend evenement, is het college tevens gevraagd in hoeverre de gemeente inzicht heeft in de (jaarlijks terugkerende) evenementen waarvoor een vergunning is vereist, in hoeverre de gemeente contact heeft met de organisatoren daarvan en welke eisen worden gesteld aan het tijdig en volledig indienen van een vergunningaanvraag.

Hoe reageerde het college van burgemeester en wethouders?

Het college heeft, alhoewel het de klacht ongegrond acht, begrip voor de beleving van verzoeker. Er is alles aan gedaan om tijdig een besluit te kunnen nemen, ook al was de tijd om tot een zorgvuldige beoordeling te komen beperkt omdat het evenement al stond gepland. Ook voor verzoeker was er, zij het niet veel, nog tijd om een bezwaarschrift in te dienen en daarbij een verzoek om een voorlopige voorziening. Het college betreurt ten zeerste dat desondanks bij hem juist de indruk is gewekt dat de vergunningen op het laatste moment zijn afgegeven om bezwaar onmogelijk te maken.

Naar aanleiding van deze klacht heeft het college besloten om bij de ontwikkeling van het evenementenbeleid dat momenteel plaatsvindt de door de ombudsman in de Behoorlijkheidswijzer omschreven en gepubliceerde kernwaarden en behoorlijkheidsnormen te betrekken. Juist omdat het college zich er bewust van is dat het bij de uitvoering van zijn taken behoorlijk dient om te gaan met burgers en hun belangen.

Over de vergunningverlening in 2013 en 2014

De aanvraag voor 2013 is op 26 februari 2013 ingediend.

Op 12 maart hebben medewerkers van de Veiligheidsregio Utrecht en van de gemeente met aanvrager een bezoek gebracht aan het terrein. Op 21 maart 2013 vond er een ambtelijk vooroverleg plaats met de adviseurs van politie, veiligheidsregio, omgevingsdienst en gemeente. Omdat de aanvraag onvolledig was, is op 3 april 2013 een groot aantal aanvullingen gevraagd welke op 21 april 2013 zijn ontvangen. Toen was de aanvraag compleet en ontvankelijk. De aanvraag is op 2 mei 2013 gepubliceerd en heeft gedurende een week ter inzage gelegen. Op 7 mei 2013 vond er een zienswijzegesprek plaats met een inwoner van Utrecht. De besluiten op de aanvraag zijn op 13 mei genomen, de 15e mei gepubliceerd en op 16 mei 2013 verzonden.

Omdat de aanvraag voor het evenement van 18 mei 2013 op 2 mei is gepubliceerd, mocht bekend worden verondersteld dat het college binnen afzienbare tijd zou besluiten. Ook bij publicatie op woensdag 15 mei 2013 was er nog tijd om een bezwaarschrift in te dienen en een voorlopige voorziening aan te vragen bij de bestuursrechter.

De eerste aanvraag voor de vergunning 2014 is op 15 november 2013 ingediend. Deze was onvolledig en daarover is herhaaldelijk contact geweest met de aanvrager. Dit heeft medio maart 2014 geleid tot een complete, ontvankelijke aanvraag welke is uitgezet bij de diverse adviseurs. Hun reacties waren aanleiding voor aanpassingen en daarmee voor de inhoud van de aanvraag. Naar aanleiding van de definitieve aanvraag zijn opnieuw adviezen verkregen en heeft de aanvrager een aanvullend rapport ingediend. De aanvraag en ontwerpbeschikking zijn op 23 april 2014 gepubliceerd en ter inzage gelegd. Op verzoek van een inwoner uit Utrecht is een zienswijzegesprek gevoerd, terwijl verzoeker de stukken op het gemeentehuis heeft ingezien en hem toen kopieën zijn verstrekt. Tevens heeft hij, naast een andere inwoner, schriftelijk een zienswijze ingediend. De vergunning is vervolgens op 12 mei 2014 verleend en op dinsdag 13 mei 2014 verzonden en bij verzoeker thuisbezorgd. Het festival vond plaats op 17 mei.

Over het Vereiste van fair play

In reactie op verzoekers stelling, schrijft het college dat belanghebbenden gewoon gebruik (hebben) kunnen maken van de mogelijkheden tot rechtsbescherming.

Bij aanvragen voor een evenementenvergunning volgt het college de Algemene plaatselijke verordening. De maximale afhandelingstermijn bij een groot evenement, zoals bedoeld festival, is zes maanden. De aanvraag voor het in mei 2013 geplande evenement is ontvangen op 26 februari 2013, zodat het college slechts ruim elf weken de tijd had om een besluit te nemen. Dit is betrekkelijk kort, gelet op de complexiteit van handelingen die verricht moeten worden om de aanvraag zorgvuldig af te handelen.

De eerste aanvraag voor het in mei 2014 geplande evenement is ontvangen op 15 november 2013. Deze was echter onvolledig. Na diverse contacten was er medio maart, ongeveer twee maanden voor het geplande evenement, een aanvraag die in behandeling kon worden genomen. Ook hiervoor geldt dat de aanvraag in betrekkelijk korte tijd diende te worden afgehandeld.

Uiteindelijk is het in beide gevallen gelukt om tijdig een besluit te nemen, alhoewel voor publicatie van de aanvraag, het indienen van zienswijzen en de publicatie van het besluit er weinig tijd over bleef. Beide aanvragen zijn echter binnen de geldende termijn afgehandeld en er was na publicatie van de besluiten de mogelijkheid om bezwaar in te dienen, waarbij de rechter kon worden gevraagd om een voorlopige voorziening.

Omtrent de beslissing op bezwaar

Het college merkt op dat verzoeker niet alleen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit omtrent het Soenda festival, maar op een later tijdstip ook tegen het besluit inzake een beeldende kunstmanifestatie. Omdat deze evenementen reeds hadden plaatsgevonden is de behandeling aangehouden totdat in 2014 nieuwe aanvragen zouden worden ingediend. Naar aanleiding van deze nieuwe aanvragen zou dan wellicht een mediationtraject kunnen worden ingezet. Eind maart 2014 was bij de bezwaarschriftencommissie bekend dat onder meer een aanvraag was ingediend voor het festival op 17 mei 2014 en dat verzoeker geen mediationtraject wenste.

Tijdens de hoorzitting op 1 april 2014 bleek dat de nieuwe aanvraag voor 17 mei 2014 in behandeling was en binnen enkele weken een besluit zou worden genomen. De behandeling van het bezwaarschrift tegen het festival werd opgeschort om verzoeker niet in zijn processuele belangen te schaden. Hij was immers alleen ontvankelijk als de beslissing kon worden betrokken bij toekomstige besluiten. Verwacht werd dat het besluit over de nieuwe vergunning werd genomen, voordat op het bezwaarschrift zou worden beslist. Verzoeker zou dan niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het festival 2013 reeds had plaatsgevonden en met het bezwaar niet meer kon worden bereikt hetgeen daarmee was beoogd. Het was dan beter om tegen het nieuwe besluit bezwaar te maken.

Omdat verzoeker reeds was gehoord, lag het voor de hand zijn bezwaar te behandelen zoals zijn bezwaar tegen de kunstmanifestatie. Het bezwaarschrift van 2013

niet-ontvankelijk verklaren en van 2014 in behandeling nemen. Op 16 juni 2014 heeft de bezwaarschriftencommissie haar advies uitgebracht.

Over de (jaarlijks) terugkerende evenementen

Binnen de gemeente De Bilt worden diverse evenementen jaarlijks georganiseerd. Het is echter aan de organisator om te beslissen of het evenement weer wordt georganiseerd en hoe dit vorm wordt gegeven. Contact met de organisatoren volgt op de vergunningaanvraag. Afhankelijk van de omvang en aard van het evenement worden nadere eisen gesteld aan de aan te leveren aanvullende gegevens. Zo dienen bij grote evenementen onder andere constructiegegevens en -tekeningen, een mobiliteitsplan, geluidsplan, calamiteitenplan, communicatieplan, geneeskundig en gezondheidsplan en beveiligingsplan te worden overgelegd en eventueel een flora-en faunatoets. Deze evenementen gaan daarnaast vaak gepaard met vergunningen of ontheffing op grond van andere regelgeving, zoals de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Drank- en Horecawet, de Brandbeveiligingsverordening en geluidsontheffing APV. Als een aanvraag niet voldoet aan de eisen, volgt een schriftelijk verzoek tot aanvulling waarbij een termijn wordt gesteld en de beslistermijn wordt opgeschort. Gevolg hiervan is wel dat de beslistermijn wordt ingekort, omdat de datum van het geplande evenement al vaststaat.

Hoe reageerde verzoeker?

Hij merkt allereerst op dat hij in zijn directe woonomgeving te maken heeft met twee grootschalige, jaarlijks terugkerende evenementen. Naast het Soenda festival, met 15.000 bezoekers, is dit de kunstmanifestatie Kaap; een doorlopende manifestatie voor kinderen in de maanden april -juni met in totaal ca.10.000 bezoekers. Zijn klacht is beperkt tot het Soenda festival, omdat er over de kunstmanifestatie een procedure aanhangig is bij de rechtbank. De voorzieningenrechter heeft op 11 april 2014 (zaaknummer UTR 13/2262) geoordeeld dat de vergunning voor de kunstmanifestatie strijdig is met de artikelen 3:4 (evenredige belangenafweging) en 4:84 (handelen overeenkomstig de beleidsregel) van de Algemene wet bestuursrecht en is geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Verzoeker merkt op dat de schorsing plaatsvond nadat het evenement al geopend was, omdat de tijd tussen de bekendmaking van de vergunning, op maandag 31 maart 2014 en de opening op zaterdag 5 april volgens de rechtbank zelf te kort was om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen. Op basis van deze ervaring besloot verzoeker dat het niet haalbaar en zinvol was om voor het Soenda festival een voorlopige voorziening aan te vragen, zodat in plaats daarvan een klacht is ingediend.

Wat betreft het verloop van de vergunningverlening

Volgens de APV van de gemeente De Bilt dient de vergunningaanvraag voor een evenement waar meer dan 1.000 bezoekers of deelnemers per dag worden verwacht uiterlijk zes maanden voor aanvang te worden ingediend en tevens, voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement gepland staat, te worden aangemeld bij de burgemeester. Anders dan het college stelt is de termijn van zes maanden volgens verzoeker dan ook geen maximale afhandelingstermijn, maar een minimale aanvraagtermijn.

De aanvraag voor 2013 is volgens verzoeker veel te laat ingediend en had geweigerd moeten worden, omdat er te weinig tijd was om deze zorgvuldig af te handelen. In 2014 is de vergunning wel zes maanden van te voren aangevraagd en zou er in principe genoeg tijd moeten zijn geweest om de reguliere inspraakprocedure te doorlopen. Het college geeft echter aan dat de aanvraag onvolledig en niet ontvankelijk was. Terwijl tijdens de hoorzitting op 1 april 2014 tevens bleek dat er op dat moment - zes weken voor het evenement - nog steeds geen complete aanvraag beschikbaar was. Verzoeker stelt dat de gemeente verzuimd heeft om een termijn te stellen, waarop een volledige, ontvankelijke aanvraag binnen zou moeten zijn en dus zelf verantwoordelijk is voor het feit dat er wederom in betrekkelijk korte tijd een aanvraag moest worden afgehandeld en er onvoldoende mogelijkheid was voor inspraak en bezwaar.

Bovendien merkt verzoeker, onder verwijzing naar een publicatie op de gemeentelijke website, op dat de gemeente onlangs zelf naar de rechter is gestapt om een evenement te verbieden waarvoor niet tijdig een vergunning is aangevraagd.

De reactie van het college dat er zowel in 2013 als in 2014 voldoende tijd was om een voorlopige voorziening aan te vragen, acht verzoeker inconsistent. De gemeente voert zelf als argument aan dat er weinig tijd was om de aanvraag af te handelen, maar dat er (vervolgens) te weinig tijd was om nog bezwaar te maken wijst het van de hand. Verzoeker vindt het bovendien niet reëel om te stellen dat effectief bezwaar gemaakt had kunnen worden. In 2013 werd de vergunning pas drie dagen van te voren bekend gemaakt en in 2014 vijf dagen. Beide keren waren de kaarten al volledig uitverkocht en de podia (grotendeels) opgebouwd. Volgens verzoeker zal geen enkele rechter het op zo’n laat moment aandurven om een festival met 15.000 bezoekers af te gelasten. Daarnaast is het praktisch onmogelijk om binnen een tijdsbestek van twee tot vier dagen een voorlopige voorziening tegen zo’n groot en complex evenement aan te vragen. Eerst moet een bezwaarschrift worden ingediend, waarvoor de vergunning moet worden bestudeerd. De vergunning van 2014 bestond uit drie dikke mappen van in totaal tien centimeter hoog. Omdat een zaak van deze omvang niet zonder rechtsbijstand kan, moet er vervolgens ook nog overleg plaatsvinden met een advocaat, waarna er nog tijd moet overblijven voor een rechter om het dossier te bestuderen, een hoorzitting te houden en uitspraak te doen.

Voor zover het college suggereert dat er op het moment dat de aanvraag werd gepubliceerd al voorbereidingen getroffen hadden kunnen worden voor het aanvragen van een voorlopige voorziening merkt verzoeker op dat op dat moment de tickets al grotendeels waren uitverkocht. Bovendien is het zonder de informatie uit de vergunning over eventueel daarin opgenomen aanvullende voorwaarden niet goed mogelijk een bezwaarschrift op te stellen en kan een rechter ook geen gefundeerd besluit nemen.

Over de behandeling van het bezwaarschrift

Verzoeker stelt dat de gemeente hem nimmer heeft geïnformeerd over de overwegingen om zijn bezwaarschrift uit 2013 aan te houden en ook nooit heeft geïnformeerd of hij wel een mediationtraject wenste of daarvoor is uitgenodigd. Bovendien kreeg verzoeker pas een uitnodiging voor de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie, nadat hij de gemeente formeel in gebreke hadden gesteld.

Overigens merkt verzoeker op dat de gemeente op basis van het bezwaar zelf al direct had kunnen vaststellen dat mediation geen oplossing zou bieden. De bezwaren hebben betrekking op de rechtmatigheid van het evenement op de locatie. Mediation heeft - naar de mening van verzoeker – in dat geval geen zin omdat bezwaarmakers graag van een onafhankelijke commissie willen horen in hoeverre zij vindt dat de gemeente de vergunningaanvraag voldoende had getoetst aan bestaande beleidskaders, doelstellingen en functies voor het gebied. Functies die vooral gericht zijn op het bieden van rust, stilte en ruimte voor stedelingen.

De opschorting van de behandeling van het bezwaarschrift na de hoorzitting op 1 april 2014 geeft voor verzoeker de vicieuze cirkel weer die voor hem de directe aanleiding was om een klacht bij de ombudsman in te dienen. Hij merkt op dat de gemeente onvoldoende gelegenheid biedt om vooraf bezwaar te maken en, als dan na afloop bezwaar gemaakt wordt, wordt de behandeling net zo lang uitgesteld totdat het niet meer aannemelijk is dat de uitspraak nog mee kan worden genomen in het besluit op de volgende aanvraag. Vervolgens wordt het argument dat niet meer kan worden bereikt wat met het bezwaarschrift wordt beoogd aangevoerd om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. De vergunning wordt vervolgens weer op het laatste nippertje verleend, zodat er weer geen tijd is om vooraf bezwaar te maken en het hele spel weer opnieuw kan beginnen.

Verzoeker wil met zijn klacht deze vicieuze cirkel doorbreken. Hij vindt het zeer frustrerend dat het festival nu door gemeente, politie en andere instanties wordt gezien als een 'gevestigd' evenement. Bezwaar is eigenlijk niet meer mogelijk, omdat er voorgaande jaren immers ook geen probleem was.

Overigens vraagt hij zich af of het mogelijk is een bezwaarschrift, nadat het in behandeling is genomen en besproken in de commissie, alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en verneemt hij hierover graag het oordeel van de Nationale ombudsman.

Ten slotte merkt hij op dat nog steeds geen beslissing is genomen op zijn bezwaarschrift. Op 8 augustus 2014 is hem meegedeeld dat het opstellen van een ontwerpbesluit en voorstel aan het college geen gemakkelijke opdracht is gebleken. Naar verwachting neemt het college in de loop van augustus een besluit. Verzoeker merkt naar aanleiding hiervan op dat de beslissing op het bezwaar tegen de kunstmanifestatie op 25 april 2014 bij hem werd afgeleverd. De hoorzitting hierover vond ook plaats op 1 april 2014. Hij stelt dat de gemeente wel snel kan handelen als zij daar belang bij heeft, bijvoorbeeld zoals bij de kunstmanifestatie om de schorsing zo snel mogelijk te beëindigen. Als de beslissing op zijn bezwaarschrift tegen het festival ook op 25 april 2014 was genomen, dan was er naar de mening van verzoeker nog tijd geweest om de inhoud mee te nemen in de vergunningverlening voor 2014. Verzoeker had dan wellicht alsnog bereikt wat hij met het bezwaarschrift had beoogd. Deze verschillen in voortvarendheid zijn voor hem nogmaals een signaal dat de rechtspositie van burgers in De Bilt onvoldoende is gewaarborgd.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Het vereiste van fair play houdt in dat de overheid de burger de mogelijkheid geeft om zijn procedurele kansen te benutten en daarbij zorgt voor een eerlijke gang van zaken.

Dit betekent dat een overheidsinstantie bij de afgifte van besluiten ervoor zorgt dat er voor belanghebbenden voldoende mogelijkheden zijn om op een effectieve wijze bezwaar te maken.

Zowel de organisator, als de omwonenden van een evenement zijn er bij gebaat dat er ruim voor de geplande datum van het evenement duidelijkheid is over de afgifte van de vergunning en de daarin opgenomen voorwaarden. Voor de organisator biedt dit zekerheid over het doorgaan van het evenement en duidelijkheid over hetgeen van hem of haar wordt verwacht. Voor omwonenden biedt dit de mogelijkheid te beoordelen of hun belangen, bijvoorbeeld het tegengaan van overlast, in voldoende mate zijn beschermd.

Verzoeker klaagt er over dat het college van burgemeester en wethouders onvoldoende oog heeft gehad voor zijn belang. De afgifte van de vergunningen in 2013 en 2014 is voor hem zelfs reden om het college er van te verdenken bewust zo te handelen.

Uit de reactie van het college maakt de ombudsman op dat het college alles-op-alles heeft gezet om nog vóór de datum van het reeds door de aanvrager geplande evenement vergunning af te geven. Op zichzelf is dit een prestatie, omdat er weinig tijd beschikbaar was tussen de datum van het evenement en de datum waarop de (volledige) vergunningaanvraag was ingediend. De ombudsman is echter tevens van oordeel dat het college het belang van de organisator hierdoor uiteindelijk zwaarder heeft laten wegen dan het belang van verzoeker. Door pas enkele dagen voor het evenement een vergunning af te geven, was het voor verzoeker niet meer mogelijk een effectieve bezwaarprocedure te doorlopen. Een procedure die de overheidsinstantie, naar aanleiding van de argumenten die door de bezwaarmakers zijn aangevoerd, de mogelijkheid biedt haar eerdere beslissing volledig te heroverwegen. Deze heroverweging was nu feitelijk niet meer mogelijk. Ook was de periode tussen de vergunningverlening en het evenement zo kort dat het vragen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank geen reële mogelijkheid meer was. Derhalve heeft het college gehandeld in strijd met het vereiste van fair play.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

De ombudsman heeft met instemming kennis genomen van de beslissing van het college om bij de thans aan de orde zijnde ontwikkeling van het evenementenbeleid de Behoorlijkheidswijzer van de ombudsman te betrekken. Wellicht kunnen bij de ontwikkeling van dit beleid ook ervaringen van andere gemeenten met de behandeling van jaarlijks terugkerende evenementen worden betrokken. Het is de ombudsman bekend dat er gemeenten zijn die vroegtijdig overleggen met organisatoren van grootschaliger, jaarlijks terugkerende evenementen. Juist om verzekerd te zijn van de tijdige indiening van een ontvankelijke aanvraag van een vergunning. Op die manier wordt de organisator verantwoordelijk voor het tijdig indienen van een vergunningaanvraag en wordt voorkomen dat het probleem van de tijdige afhandeling bij de gemeente komt te liggen.

Oordeel

De onderzochte gedraging van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt, is gegrond wegens strijd met het vereiste van fair play.

De Nationale ombudsman,

mr. F.J.W.M. van Dooren,

waarnemend ombudsman

Relevante wet- en regelgeving

Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2009, inclusief de 5de wijziging

Artikel 1:3 Indiening aanvraag:

“1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan

drie weken, of minder dan de termijn in de betreffende bepaling is vermeld, vóór het

tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het

bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen

kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.”

Artikel 2:24 Begripsbepaling, tweede lid, onderdeel f:

“2. Onder evenement wordt mede verstaan:

f. een groot evenement: een evenement waarvoor meer dan duizend

bezoekers/deelnemers per dag worden verwacht en/of regelmatig terugkerende

evenementen die als zodanig door de burgemeester zijn aangewezen.”

Artikel 2:25 Evenement, eerste, vijfde lid onder a en zesde lid:

“1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een

evenement te organiseren.

(. .

5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 dient een aanvraag om een vergunning ten

behoeve van:

a. een groot evenement uiterlijk zes maanden voor aanvang van het groot evenement te

worden ingediend en tevens vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar

waarin het evenement gepland staat te worden aangemeld bij de burgemeester;

De burgemeester kan in afwijking van het gestelde onder a. en b. de uiterlijke datum

van de aanvraag afzonderlijk bepalen in verband met de benodigde voorbereidingstijd.

6. In afwijking van de in artikel 1:2 genoemde beslissingstermijn besluit de

burgemeester op de aanvraag voor een vergunning voor een groot evenement binnen

zes maanden na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. De burgemeester kan deze

termijn verlengen met twaalf weken.”

Publicatiedatum
Rapportnummer
2014/131