2003/191

Rapport

Verzoeker klaagt erover dat het waterschap Noorderzijlvest zich niet heeft gehouden aan de na tussenkomst van de Nationale ombudsman in augustus/september 2000 tussen partijen gemaakte afspraken betreffende het bestrijden van de door verzoeker ondervonden wateroverlast.

Beoordeling

I. Inleiding

1. Eind 1999 wendde verzoeker zich tot de Nationale ombudsman met een klacht over het waterschap Noorderzijlvest. Verzoeker klaagde erover dat het waterschap ondanks zijn klacht onvoldoende actie had ondernomen om een einde te maken aan de door verzoeker ondervonden wateroverlast, veroorzaakt door achter zijn woning gelegen en onder schouw van het waterschap vallende (afwaterings)sloten. Mede vanwege het tussen verzoeker en het waterschap bestaande verschil van mening over de feitelijke situatie ter plaatse werd tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman besloten dat partijen gezamenlijk en in aanwezigheid van een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman de situatie ter plaatse in ogenschouw zouden nemen. Doel van de bijeenkomst was om de mogelijke oorzaken van de wateroverlast te vinden, op grond van welke informatie verzoeker en het waterschap afspraken konden maken over de te treffen maatregelen ter vermindering van de wateroverlast. De bijeenkomst had plaats op 29 augustus 2000. De door verzoeker en het waterschap gemaakte afspraken zijn vastgelegd in de brieven van de substituut-ombudsman van 5 september 2000 aan verzoeker en het waterschap (zie Bevindingen, onder A.1).

In deze brieven is onder meer vastgelegd dat daar waar in de afspraken geen termijnen zijn vermeld waarbinnen diverse acties dienden te worden ondernomen, geldt dat deze acties dienden te worden ondernomen binnen korte termijn.

2. Op 8 januari 2002 bracht de gemeentelijke Ombudsvrouw van de gemeenten Groningen en Leek een rapport uit naar aanleiding van verzoekers klacht over gedragingen van de gemeente Leek betreffende de afwatering rond zijn woning.

3. Verzoeker klaagt erover dat het waterschap Noorderzijlvest zich niet heeft gehouden aan de na tussenkomst van de Nationale ombudsman in augustus/september 2000 tussen partijen gemaakte afspraken betreffende het bestrijden van de door verzoeker ondervonden wateroverlast.

II. Ten aanzien van de afspraak dat het waterschap bij verzoekers buurvrouw schriftelijk zou aangeven dat het waterschap het uit een oogpunt van een goede afwatering noodzakelijk acht dat een bepaalde duiker op haar perceel wordt verwijderd.

1. Op 29 augustus 2000 is door de twee namens het waterschap aanwezige medewerkers van het waterschap geconstateerd (de heren F. en K.) dat een zich op het eigendom van verzoekers buurvrouw bevindende duiker (op bijlage B behorende bij de brieven van de substituut-ombudsman van 5 september 2000 aangegeven met “BOK uit 1.52 +”; zie Achtergrond, onder 2) de zogenoemde “bottleneck” vormt in het afwateringstracé en dat verwijdering van de duiker de afwatering sterk zal bevorderen. Tevens werd vastgesteld dat de duiker kan worden verwijderd, omdat deze geen ontsluitende functie heeft. Tussen verzoeker en het waterschap werd afgesproken dat het waterschap bij de betreffende buurvrouw schriftelijk zou aangeven dat het waterschap het uit een oogpunt van een goede afwatering noodzakelijk acht om de duiker te verwijderen. Verzoeker verklaarde zich bereid om te helpen bij het verwijderen van de duiker.

2. Bij brief van 11 oktober 2000 deelde het waterschap de Nationale ombudsman mee dat het waterschap de problematiek van de duiker binnen afzienbare termijn zou bespreken met de betreffende ingeland.

3. Verzoeker klaagt erover dat het waterschap zich niet heeft gehouden aan de hierboven onder 1 genoemde afspraak.

4. In reactie op de klacht deelt het waterschap mee dat het waterschap verzoekers buurvrouw heeft aangeschreven. Het betreft hier een brief van 13 augustus 2002.

5. De door het waterschap bedoelde brief dateert van na de datum waarop de Nationale ombudsman verzoekers klacht schriftelijk aan het waterschap voorlegde (23 juli 2002). Vastgesteld wordt dat het waterschap op het moment dat verzoeker zich met zijn klacht wendde tot de Nationale ombudsman (28 juni 2002) de hier bedoelde afspraak niet was nagekomen. Het waterschap heeft niet binnen korte termijn na de schriftelijke vastlegging van deze afspraak in de brieven van 5 september 2000 uitvoering gegeven aan hetgeen was afgesproken.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

6. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Ook de inhoud van de brief van 13 augustus 2002 voldoet niet geheel aan hetgeen is afgesproken. In bedoelde brief wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de vaststelling dat de hierboven bedoelde duiker een belemmering vormt in het afwateringstraject en dat verwijdering van deze duiker de afwatering zal bevorderen, uit de koker van verzoeker komt. Er wordt gesproken van “het voorstel” van verzoeker en de door verzoeker “verlangde werkzaamheden”. De brief doet onvoldoende recht aan het feit dat bedoelde vaststelling op 29 augustus 2000 is gedaan door de twee medewerkers van het waterschap. Verder is de mededeling door het waterschap in de brief van 13 augustus 2002, dat in de optiek van het waterschap vanuit waterhuishoudkundig oogpunt geen overwegende bezwaren bestaan tegen “het voorstel” van verzoeker, van een duidelijk andere strekking dan hetgeen is afgesproken, namelijk dat het waterschap verzoekers buurvrouw zou mededelen dat het waterschap het uit een oogpunt van goede afwatering noodzakelijk acht dat de duiker wordt verwijderd.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen ziet de Nationale ombudsman aanleiding om aan dit rapport een aanbeveling te verbinden.

III. Ten aanzien van het informeren van verzoeker over de uitkomst van de procedure tot het aanmerken van de sloten achter de L. als schouwsloten

1. Op 29 augustus 2000 is afgesproken dat de twee medewerkers van het waterschap er voor zorg zouden dragen dat aan het waterschapsbestuur wordt voorgesteld om de sloten achter de L. aan te merken als schouwsloten.

2. Bij brief van 11 oktober 2000 deelde het waterschap de Nationale ombudsman mee dat het ontwerp-besluit met bijlagen, strekkende tot vaststelling van de schouwkaarten ten behoeve van de najaarsschouw 2000 op dat moment ter inzage lag. Uit deze brief bleek dat de wijzigingsprocedure voor het aanmerken van de sloten achter de L. als schouwsloten pas in 2001 zijn beslag zou kunnen krijgen.

3. Verzoeker klaagt erover dat hij door het waterschap niet (nader) is geïnformeerd over de uitkomst van bedoelde procedure.

4. Het waterschap deelt in reactie op de klacht mee dat het waterschapsbestuur is voorgesteld om bedoelde sloten aan te merken als schouwsloten, dat het waterschapsbestuur met dit voorstel heeft ingestemd en dat in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 3 oktober 2001 is besloten om de schouwkaarten definitief vast te stellen, waarbij genoemde sloten thans onder schouw staan. Verder deelt het waterschap mee dat verzoeker mondeling is geïnformeerd over de door het waterschap ondernomen acties ter uitvoering van de afspraken. Verzoeker ontkent door het waterschap te zijn geïnformeerd.

5. Op de door het waterschap meegestuurde schouwkaart betreffende het onderhavige gebied staan de sloten achter de L. als schouwsloten opgenomen. In januari 2002 heeft het waterschap de onderhoudsplichtigen van deze sloten er schriftelijk aan herinnerd om aan hun onderhoudsverplichting te voldoen.

Vastgesteld wordt dat de afspraak om het waterschapsbestuur voor te stellen dat de sloten achter de L. worden aangemerkt als schouwsloten, is nagekomen.

Hoewel dit niet met zoveel woorden in de op 29 augustus 2000 met verzoeker gemaakte afspraken was opgenomen, lag het in de rede dat het waterschap verzoeker vanuit het oogpunt van actieve informatieverstrekking persoonlijk op de hoogte zou brengen van het feit dat bedoelde sloten inmiddels definitief als schouwsloten waren aangemerkt. Over de vraag of het waterschap verzoeker heeft geïnformeerd, spreken verzoeker en het waterschap elkaar tegen. Omdat er geen aanknopingspunten voor zijn dat aan de verklaring van de één in dit geval meer waarde moet worden gehecht, dan aan die van de ander, onthoudt de Nationale ombudsman zich op dit punt van een oordeel.

IV. Ten aanzien van de afspraak dat het waterschap bij de planning van de najaarsschouw van november 2000 zoveel mogelijk voorrang zou verlenen aan het schouwen van sloot R.

1. Ten aanzien van sloot R (zie Achtergrond, onder 1) werd op 29 augustus 2000 door verzoeker en de aanwezige medewerkers van het waterschap geconstateerd dat, nu deze sloot een belangrijke schakel is in het afwateringstracé, bij een voldoende geschoonde sloot weinig afwateringsproblemen zouden ontstaan. Afgesproken werd dat door het waterschap bij de planning van de najaarsschouw 2000 (betreffende de volgorde van de te schouwen sloten) zoveel mogelijk voorrang zou worden verleend aan het schouwen van sloot R.

2. Verzoeker klaagt erover dat het waterschap zich niet aan deze afspraak heeft gehouden.

3. Het waterschap deelt in reactie op de klacht mee dat de onderhoudsplichtigen van sloot R door het waterschap zijn aangeschreven betreffende de najaarsschouw 2000.

Hiernaar gevraagd door de Nationale ombudsman, deelt het waterschap mee dat het niet mogelijk is om de Nationale ombudsman afschriften te verstrekken van bedoelde brieven, wegens de overgang op andere programmatuur.

4. Een van de betreffende onderhoudsplichtigen verklaarde, hiernaar gevraagd door de Nationale ombudsman, dat de schouw van sloot R in 2000 begin november heeft plaatsgehad.

5. Gelet op het bovenstaande is het aannemelijk geworden dat het waterschap zich aan de afspraak heeft gehouden.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

V. Ten aanzien van de afspraak dat het waterschap de gemeente Leek er schriftelijk op zou wijzen dat het waterschap het noodzakelijk acht dat walbeschoeiing wordt aangebracht bij de sloot die evenwijdig loopt aan de H.straat en uitkomt in sloot R.

1. Door verzoeker en de twee medewerkers van het waterschap is op 29 augustus 2000 vastgesteld dat aan weerszijden van de sloot die evenwijdig loopt aan de H.straat en die uitkomt in sloot R de oever is ingezakt en dat dit een goede doorstroming hindert. Tevens werd vastgesteld dat deze sloot eigendom is van de gemeente Leek en dat de gemeente daarmee onderhoudsplichtige is van deze sloot. De twee van het waterschap aanwezige medewerkers onderschreven het standpunt van verzoeker dat beschoeiing noodzakelijk was. Afgesproken werd dat het waterschap de gemeente er schriftelijk op zou wijzen dat het waterschap het noodzakelijk achtte dat ter plaatse walbeschoeiing wordt aangebracht.

2. In de brief van 11 oktober 2000 aan de Nationale ombudsman deelde het waterschap mee dat over de noodzaak van beschoeiingen binnen afzienbare termijn contact zou worden opgenomen met de gemeente Leek. Het waterschap zou de daarbij te maken afspraken schriftelijk aan de gemeente bevestigen en, in verband met het op termijn aanwezige risico van inzakking van de taluds, daarbij tevens aandringen op de wenselijkheid van het plaatsen van beschoeiingen. Het waterschap merkte in genoemde brief verder op dat de rol van het waterschap in deze kwestie primair adviserend van aard was.

3. Verzoeker klaagt erover dat het waterschap zich niet heeft gehouden aan de hierboven onder 1. genoemde afspraak. Tevens stelt hij dat de oevers van de hier bedoelde sloot zijn ingezakt.

4. In reactie op de klacht deelt het waterschap mee dat het de gemeente bekend is dat het waterschap het wenselijk acht dat ter plaatse (ook wel genoemd “het water langs het L.”) beschoeiing wordt aangebracht. Over dit onderwerp heeft volgens het waterschap tussen het waterschap en de gemeente Leek ambtelijk overleg plaats gehad op 8 maart 2001 en is ter plaatse gezamenlijk onderzoek gedaan op 15 maart 2001. Verder wijst het waterschap op een brief van het waterschap aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van 10 april 2001 (zie Bevindingen, onder D.5). Het waterschap stelt verder dat het de gemeente vrij staat om de aanbeveling van het waterschap terzijde te stellen als nut en noodzaak van het plaatsen van de beschoeiing aan de gemeente voorbij gaan.

5. Het rapport van de Ombudsvrouw bevestigt de lezing van het waterschap. Uit het rapport blijkt dat het waterschap volgens de gemeente Leek de gemeente heeft geadviseerd (in maart 2001) om beschoeiing aan te brengen bij de sloot langs het L. Ook noemt de gemeente de brief van het waterschap van 10 april 2001.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

6. Echter niet gezegd kan worden dat het waterschap dit advies heeft gegeven binnen korte termijn nadat de tussen verzoeker en het waterschap gemaakte afspraak hierover was vastgelegd in de brieven van de Nationale ombudsman van 5 september 2000 (zie hierboven onder I.1). Evenmin kan worden gesteld dat het waterschap tot actie is overgegaan binnen “afzienbare termijn”, zoals door het waterschap zelf was aangekondigd in zijn brief van 11 oktober 2000.

In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

7. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Uit het rapport van de Ombudsvrouw blijkt dat de gemeente Leek haar bij brief van 14 december 2001 heeft meegedeeld dat de gemeente zich weliswaar op advies van het waterschap had voorgenomen om de beschoeiing aan te brengen in 2002, maar dat de situatie inmiddels was veranderd en daarmee het advies van het waterschap achterhaald. Volgens de gemeente had de sloot zich inmiddels gezet, hadden de oevers stevigheid gekregen en was met het waterschap afgesproken dat het waterschap opnieuw advies aan de gemeente zou uitbrengen. De gemeente gaf aan dat zij het van het waterschap te ontvangen advies zouden uitvoeren.

Het waterschap deelde, in reactie op een vraag van de Nationale ombudsman, mee dat het waterschap bij de najaarsschouw 2002 had geconstateerd dat de oevers van de sloot langs het L. stevigheid hadden gekregen en dat het waterschap naar aanleiding daarvan echter geen nieuw advies aan de gemeente Leek had uitgebracht over het al dan niet bestaan van de noodzaak tot het aanbrengen van walbeschoeiing ter plaatse. Verder berichtte het waterschap dat het, gelet op de informatie van verzoeker over de huidige staat van genoemde sloot, binnen drie weken de situatie ter plaatse zou opnemen, waarna het alsnog een advies zou uitbrengen aan de gemeente Leek. Bij brief van 25 maart 2003 deelde het waterschap mee dat bedoeld onderzoek inmiddels had plaatsgehad. Het waterschap had afkalving van de oevers van de sloot geconstateerd en gaf aan de gemeente Leek binnen korte termijn schriftelijk in overweging te geven ter plaatse oeverbeschoeiing aan te brengen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest is gegrond wat betreft het niet nakomen van de afspraak ten aanzien van de duiker op het perceel van verzoekers buurvrouw. Wat betreft de afspraak ten aanzien van de gemeente Leek is de klacht in zoverre gegrond dat het waterschap deze afspraak niet binnen korte termijn is nagekomen. Voor het overige is de klacht op dit onderdeel niet gegrond. Op het punt van het nakomen van de afspraak dat het waterschap bij de planning van de najaarsschouw van november 2000 zoveel mogelijk voorrang zou verlenen aan het schouwen van sloot R, is de klacht niet gegrond. Op punt van het informeren van verzoeker over de uitkomst van de procedure tot het aanmerken van de sloten achter de L. onthoudt de Nationale ombudsman zich een oordeel.

Aanbeveling

Het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest wordt in overweging gegeven om de hierboven onder II van de Beoordeling bedoelde buurvrouw van verzoeker nogmaals binnen korte termijn aan te schrijven, met inachtneming van hetgeen onder II is overwogen.

Onderzoek

Op 28 juni 2002 ontving de Nationale ombudsman een brief van de gemeentelijke Ombudsvrouw van de gemeenten Groningen en Leek. Zij had naar aanleiding van een klacht van de heer B. te Y onderzoek gedaan naar gedragingen van de gemeente Leek betreffende verzoekers klachten over de afwatering rond zijn woning en had haar rapport uitgebracht op 8 januari 2002. In haar brief stelde zij dat volgens verzoeker de met het waterschap Noorderzijlvest gemaakte afspraken niet waren nagekomen en verzocht zij de Nationale ombudsman namens verzoeker om onderzoek in te stellen.

Naar deze gedraging van het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het waterschap verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen het waterschap en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd het waterschap een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Noch verzoeker noch het waterschap gaf binnen de gestelde termijn een reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Eind 1999 wendde verzoeker zich tot de Nationale ombudsman met een klacht over het waterschap Noorderzijlvest. Verzoeker klaagde erover dat het waterschap ondanks zijn klacht onvoldoende actie had ondernomen om een einde te maken aan de door verzoeker ondervonden wateroverlast, veroorzaakt door achter zijn woning gelegen en onder schouw van het waterschap vallende (afwaterings)sloten. Mede vanwege het tussen verzoeker en het waterschap bestaande verschil van mening over de feitelijke situatie ter plaatse werd tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman besloten dat partijen gezamenlijk en in aanwezigheid van een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman de situatie ter plaatse in ogenschouw zouden nemen. Doel van de bijeenkomst was om de mogelijke oorzaken van de wateroverlast te vinden, op grond van welke informatie verzoeker en het waterschap afspraken konden maken over de te treffen maatregelen ter vermindering van de wateroverlast. De bijeenkomst had plaats op 29 augustus 2000. De door verzoeker en het waterschap gemaakte afspraken zijn vastgelegd in de brieven van de substituut-ombudsman van 5 september 2000 aan verzoeker en het waterschap. De brief aan verzoeker, die het waterschap in kopie ontving, luidde als volgt:

“Bij de Nationale ombudsman is uw klacht in behandeling over waterschap Noorderzijlvest betreffende de door u ondervonden jaarlijks terugkerende wateroverlast.

Uit de stukken uit het dossier is het volgende gebleken.

In uw klacht stelt u onder meer dat de zich in de omgeving van uw perceel bevindende schouwsloten (…) niet zijn geschoond, hetgeen volgens u (mede) de oorzaak is van de wateroverlast. Volgens het waterschap verkeren bedoelde schouwsloten in de vereiste staat van onderhoud. Met betrekking tot sloot A is dit door het waterschap geconstateerd bij de herschouw van maart/april 2000, voor sloot R is dit door de districtsopzichter van het waterschap geconstateerd op 27 juni 2000.

Volgens u wordt de wateroverlast met name ook veroorzaakt door het feit dat de gemeente (in overleg met het waterschap) ongeveer 15 jaar geleden een onder de H.straat gelegen duiker (uitmondend in schouwsloot R) onklaar heeft gemaakt. De toen door de gemeente nieuw aangelegde duiker is volgens u te hoog aangebracht.

In reactie op uw klacht stelde het waterschap dat de wateroverlast gevolg is van het feit dat u de drainuitmonding - van de door u op advies van het waterschap aangelegde drainage - zodanig heeft geplaatst dat deze uitmondt in de ten zuiden van uw perceel, achter uw woning gelegen, afwateringssloot (sloot A). Dit was volgens het waterschap in strijd met het door het waterschap gegeven advies om de drainuitmonding(en) in oostelijke richting te laten aflopen.

Verder stelde het waterschap dat de hoogte van de instroomopening van door u op uw perceel aangebrachte beduikering te hoog ligt, hetgeen volgens het waterschap eveneens bijdraagt aan de door u ondervonden wateroverlast. Het waterschap concludeerde dat vermindering van de wateroverlast kan worden bereikt door verwijdering van de door u aangelegde duiker en door het verplaatsen van de drainuitmonding(en) in oostelijke richting.

Volgens u loopt de door u aangelegde drainage wel degelijk in oostelijke richting.

Mede vanwege het bestaande verschil van mening tussen u en het waterschap over de feitelijke situatie ter plaatse, achtte mr. H., medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, het noodzakelijk de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen.

Op dinsdag 29 augustus 2000 vond op zijn voorstel een bijeenkomst plaats op en rond uw perceel aan de H.straat te Y. Naast u en uw echtgenote waren aanwezig de heren F. en K. medewerker handhaving, Keur en schouw (beiden werkzaam bij het waterschap Noorderzijlvest), de heer E. (uw buurman, (…) en de heer H. Doel van deze bijeenkomst was om gezamenlijk de feitelijke situatie ter plaatse te bekijken en de mogelijke oorzaken te vinden van de wateroverlast, op grond van welke gegevens u en het waterschap afspraken konden maken over de te treffen maatregelen ter vermindering van de wateroverlast.

1. Tijdens de bijeenkomst merkte u (hierin gesteund door uw echtgenote en de heer E.) op dat u de laatste jaren geen schoningsactiviteiten heeft waargenomen. Volgens de heer F. blijkt uit de gegevens van het waterschap dat dit voorjaar wel is geschoond. In februari zijn betreffende onderhoudsplichtigen door het waterschap schriftelijk gemaand om aan hun verplichtingen te voldoen. De heer H. verzocht de heer F. om afschriften van deze brieven.

Afspraak: De heer F. zegde toe deze afschriften naar de Nationale ombudsman toe te sturen.

Tijdens de gezamenlijke rondgang langs het afwateringstracé ter plaatse werd het volgende door de aanwezigen gezamenlijk geconstateerd en afgesproken.

2. Sloot A (…) verkeerde niet in goede staat van onderhoud, ook als rekening wordt gehouden met het feit dat er sinds de herschouw in maart/april 2000 weer enige tijd is verstreken. De hoeveelheid slib op de bodem van de sloot was groter in het gedeelte dat u niet zelf (onverplicht) had geschoond dan in het gedeelte dat u wel had geschoond. De door u aangebrachte duiker vormt, in tegenstelling tot van de zijde van het waterschap in een eerder stadium was meegedeeld, geen probleem voor de afwatering.

De toestand van deze sloot kan niet de (hoofd)oorzaak zijn van uw wateroverlast.

3. De door u aangelegde drainage loopt in oostelijke richting. De drainuitmondingen zijn correct aangebracht en kunnen geen oorzaak zijn van de wateroverlast.

4. Volgens de heer K. (hierin gesteund door de heer F.) vormt de duiker (op bijlage B aangeduid met “BOK uit 1.52 +”) de zogenoemde “bottleneck” in het afwateringstracé. Met name als gevolg hiervan ondervindt u wateroverlast. Verwijdering van deze duiker zal de afwatering sterk bevorderen. U beaamde dit. Omdat de duiker geen ontsluitende functie heeft, kan deze worden verwijderd. De duiker ligt op het eigendom van uw buurvrouw.

Afspraak: Het waterschap zal bij betreffende buurvrouw schriftelijk aangeven dat bedoelde duiker de afwatering in het gebied hindert, als gevolg waarvan u jaarlijks wateroverlast ondervindt, alsmede dat het waterschap het uit een oogpunt van een goede afwatering noodzakelijk acht om de duiker te verwijderen.

U bent bereid om te helpen bij het verwijderen van de duiker.

5. De op bijlage A met geel aangegeven sloten (dit zijn de sloten achter de L.; N.o.) zijn ten onrechte geen schouwsloten. Dit is historisch zo gegroeid. Genoemde sloten zijn relevant voor een goede afwatering.

Afspraak: De heren F. en K. zullen er voor zorgdragen dat aan het waterschapsbestuur wordt voorgesteld om deze sloten aan te merken als schouwsloten.

U dient er volgens beide heren wel rekening mee te houden dat tegen een dergelijk besluit van het waterschap voor belanghebbenden de mogelijkheid van bezwaar openstaat.

6. De instroomopening van door de gemeente onder de H.straat aangelegde duiker (op bijlage B aangeduid met “BOK in 1.43 +”) is aan de hoge kant.

Volgens de heren F. en K. heeft de gemeente zeggenschap over (het eventueel lager leggen van) deze duiker.

Afspraak: Het waterschap is bereid om de gemeente schriftelijk mee te delen dat deze duiker om redenen van een goede afwatering lager dient te worden gelegd.

Vermoed wordt dat de gemeente hier niet snel aan zal willen meewerken, uit vrees voor het ter plaatse mogelijk inzakken van het wegdek van de H.straat. Ook het kostenaspect speelt een rol. Gelet hierop zal het waterschap (de hoogteligging van) deze duiker pas bij de gemeente ter sprake brengen, indien gebleken is dat de in dit verslag onder 4 en 7 besproken maatregelen ter bevordering van een goede afwatering geen soelaas hebben geboden.

7. Ten aanzien van sloot R werd geconstateerd dat weliswaar wat beplanting is verwijderd, doch dat er op de bodem nog teveel slib aanwezig is. Voor een goede afwatering dient minder bodemslib aanwezig te zijn. Nu deze sloot een belangrijke schakel is in het afwateringstracé zullen bij een voldoende geschoonde sloot weinig afwateringsproblemen ontstaan.

Afspraak: Zoals het waterschap al in de loop van het onderzoek naar uw klacht schriftelijk had toegezegd, zal bij de planning van de najaarschouw van november 2000 (betreffende de volgorde van de te schouwen sloten) zoveel mogelijk voorrang worden verleend aan het schouwen van sloot R.

In dit verband merkte de heer F. op dat het waterschap in dit geval de betreffende onderhoudsplichtige(n) er al vóór de schouw van november 2000 per brief op zal wijzen dat deze sloot op de schouwdatum in goede staat van onderhoud dient te verkeren.

8. Evenwijdig aan de H.straat loopt een sloot die uitkomt in sloot R. Aan weerszijden van eerstgenoemde sloot is de oever ingezakt, hetgeen een goede doorstroming hindert.

De sloot is eigendom van de gemeente. De gemeente is daarmee onderhoudsplichtige van die sloot. Volgens de heer E. heeft de gemeente hem dit schriftelijk meegedeeld. De heer E. toonde de originele brief van de gemeente over dit onderwerp van 26 februari 1999. Volgens hem heeft de gemeente verder gezegd dat zij pas beschoeiing zal willen aanbrengen, indien het waterschap zulks noodzakelijk acht.

De heren F. en K. onderschreven uw standpunt dat beschoeiing noodzakelijk is.

Afspraak: U stuurt de Nationale ombudsman een kopie van de door de heer E. bedoelde brief. Het waterschap zal de gemeente er schriftelijk op wijzen dat het waterschap het noodzakelijk acht dat ter plaatse beschoeiing wordt aangebracht.

Het voorgaande dient nog te worden aangevuld met het volgende. Daar waar in de afspraken van bovenstaand verslag geen termijnen zijn vermeld waarbinnen diverse acties dienen te worden ondernomen, geldt dat deze acties dienen te worden ondernomen binnen korte termijn.

Graag verneem ik schriftelijk van u of u bovenstaande weergave van de bijeenkomst van 29 augustus 2000 (inclusief gemaakte afspraken) juist acht. Indien u aan- of opmerkingen heeft over de inhoud van bovenstaand verslag, verneem ik ook deze graag schriftelijk van u. Ik verzoek u binnen twee weken te reageren.

Een kopie van deze brief stuur ik vandaag naar het waterschap.”

De bij deze brieven behorende bijlagen A en B zijn deels opgenomen onder Achtergrond, onder 1 en 2.

2. In reactie op de brief van 5 september 2000 deelde het waterschap het volgende aan de Nationale ombudsman mee bij brief van 11 oktober 2000:

“…Ter voldoening aan het gestelde onder punt 1 op pagina 2 van het rapport gelieve u bijgaand de schriftelijke aanmaning, gericht aan de heer H., H.straat (…) te Y., gedateerd 22 februari 2000, (…), aan te treffen. De heer H. voornoemd is onderhoudsplichtige voor slootgedeelten van watergang R aan de overzijde van de H. straat, welke eveneens een belangrijke afwaterende functie heeft voor het perceel van (verzoeker; N.o.).

(…)

Ten aanzien van punt 4 van het rapport berichten wij u dat wij de problematiek van de hoogteligging van de duiker (op de bij u bekende bijlage B aangeduid met “BOK uit 1.52+), binnen afzienbare termijn zullen bespreken met de betreffende ingeland.

In verband met uw opmerkingen onder punt 5 van het rapport kunnen wij u meedelen dat het ontwerp-besluit met bijlagen, strekkende tot vaststelling van de schouwkaarten ten behoeve van de najaarsschouw 2000 momenteel ter inzage ligt. Belanghebbenden kunnen tot en met maandag 23 oktober 2000 naar keuze mondeling danwel schriftelijk hun zienswijze omtrent de schouwkaarten aan het Voorlopig Dagelijks Bestuur van het waterschap kenbaar maken. Op grond van de Schouwverordening dient het Dagelijks Bestuur van het waterschap deze kaarten vast te stellen. De schouwkaarten voor de najaarsschouw 2000 zullen in hun definitieve vorm onderwerp van bespreking en besluitvorming zijn in de vergadering van genoemd college, te houden op 25 oktober 2000. De met geel aangegeven sloten zullen, alhoewel ze op dit moment niet als schouwbare watergangen op de kaarten voorkomen, alsnog op de betreffende schouwkaarten worden geplaatst. Gelet op de vergevorderde huidige procedure van terinzagelegging en vaststelling van de schouwkaarten, zal dit in formele zin pas volgend jaar zijn beslag kunnen krijgen middels een wijzigingsprocedure conform afdeling 3.4 Awb. Wij zijn bereid en voornemens de met geel aangeduide sloten desalniettemin mee te nemen tijdens de najaarsschouw 2000. De betreffende onderhoudsplichtigen zullen reeds thans door ons persoonlijk bij schriftelijke kennisgeving op de hoogte worden gebracht, dat het in de bedoeling ligt bedoelde sloten volgend jaar middels de daarvoor geldende openbare voorbereidingsprocedure formeel op de schouwkaarten te plaatsen en aan schouw te onderwerpen.

Gelet op punt 6 van uw rapport kunnen wij u mededelen dat ons gebleken is dat de duiker onder de H.straat (op de bij u bekende tekening aangeduid met “BOK in 1,43+) gelegen is op de ter plaatse aanwezige gemeentelijke riolering. Hierdoor is het slechts met behulp van zeer kostbare ingrepen mogelijk de duiker lager te leggen. Gelet op de relatief lage ligging van het perceel van (verzoeker; N.o.) heeft de huidige (vrij hoge) hoogteligging van de betreffende duiker voor hem het bijkomende voordeel van een enigszins stuwende werking, in die zin dat het water uit de sloot “R” vrijwel nimmer terug zal stromen in de richting van zijn perceel. Wij hebben, mede gelet op het voorgaande, dan ook de overtuiging bekomen, dat het lager leggen van de duiker naar verwachting niet zal bijdragen aan een voor (verzoeker; N.o.) gunstiger situatie, terwijl het voorts evident is dat met een dergelijke maatregel wel hoge kosten zijn gemoeid.

In relatie tot punt 8 van het verslag merken wij op dat over de daarin aangekaarte noodzaak van beschoeiingen, alsmede over de meest wenselijke loop van het afwateringstracé ter plaatse binnen afzienbare termijn op ambtelijk niveau contact zal worden opgenomen met de gemeente Leek. Wij zullen de daarbij te maken afspraken schriftelijk aan de gemeente bevestigen en, in verband met het op termijn aanwezige risico van inzakking van de taluds, daarbij tevens aandringen op de wenselijkheid van het plaatsen van beschoeiingen. Wij wensen daarbij op te merken dat de rol van het waterschap in deze kwestie primair adviserend van aard is…”

3. In de brieven van 27 oktober 2000 van de Nationale ombudsman was naar aanleiding van de brief van 11 oktober 2000 een toelichting opgenomen op een aantal in de brieven van 5 september 2000 vastgelegde afspraken. De brief aan verzoeker, die het waterschap in kopie ontving, luidde als volgt:

“Naar aanleiding van ontvangen informatie van het waterschap Noorderzijlvest heb ik besloten om het onderzoek naar aanleiding van uw klacht te beëindigen.

U wendde zich tot de Nationale ombudsman met een klacht over het waterschap Noorderzijlvest te Onderdendam. Uw klacht werd als volgt geformuleerd:

Verzoeker klaagt erover dat het waterschap Noorderzijlvest te Onderdendam ondanks zijn klacht onvoldoende actie heeft ondernomen om een einde te maken aan de door verzoeker ondervonden wateroverlast, veroorzaakt door achter zijn woning gelegen en onder schouw van het waterschap vallende (afwaterings)sloten.

Hetgeen uit het onderzoek door de Nationale ombudsman naar uw klacht is gebleken, is reeds neergelegd in de brief aan u van de substituut-ombudsman van 5 september 2000. Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud van die brief. In genoemde brief is tevens een verslag neergelegd van de bijeenkomst van 29 augustus 2000 op en rond uw perceel, waarbij onder meer u, medewerkers van het waterschap en de heer H., medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, aanwezig waren. Ook is in bedoelde brief een weergave vastgelegd van de door u en het waterschap bij die gelegenheid gemaakte afspraken over de te treffen maatregelen ter vermindering van de wateroverlast.

U en het waterschap zijn verzocht mij mee te delen of u en het waterschap de weergave van de bijeenkomst (inclusief de door u en het waterschap gemaakte afspraken) juist achten.

Bij brief van 20 september 2000 berichtte u akkoord te zijn met bedoelde weergave.

Het waterschap reageerde bij brief van 11 oktober 2000, van welke brief u bij deze een kopie aantreft. Ik verwijs u naar de inhoud daarvan.

Met betrekking tot een aantal onderdelen (punten 1, 2, 4, 5, 6 en 8) van bovengenoemde brief van 5 september 2000 maakt het waterschap enkele opmerkingen.

Deze opmerkingen houden, algemeen gesproken, niet zozeer een andere weergave in van de door u en het waterschap gemaakte afspraken, als wel een nadere toelichting op door het waterschap in dit verband ondernomen en te ondernomen acties.

Alleen ten aanzien van punt 6 komt het waterschap met een nieuw gezichtspunt. Volgens het waterschap is gebleken dat de duiker onder de H.straat (BOK in 1,43 +) gelegen is op de ter plaatse aanwezige gemeentelijke riolering. Hierdoor is het volgens het waterschap slechts met behulp van zeer kostbare ingrepen mogelijk deze duiker lager te leggen. Bovendien zal het lager leggen van de duiker naar verwachting van het waterschap niet bijdragen aan een voor u gunstigere situatie, omdat de huidige vrij hoge ligging van de duiker voor u het voordeel heeft van een enigszins stuwende werking.

Gelet op het feit dat u en het waterschap volgens punt 6 van de brief van 5 september 2000 hadden afgesproken dat (het bij de gemeente ter sprake brengen van) het eventueel lager leggen van deze duiker pas aan de orde komt, indien de in de punten 4 en 7 van genoemde brief besproken maatregelen geen soelaas bieden, heeft het door het waterschap aangedragen nieuwe gezichtspunt geen gevolgen voor de uitvoering van de door u en het waterschap gemaakte afspraken onder 4 en 7. Indien duidelijk is dat deze maatregelen geen soelaas bieden, kunnen u en het waterschap over de onder de H.straat gelegen duiker met elkaar nader van gedachten wisselen. U kunt dit natuurlijk ook eerder doen. Dit is ter beoordeling van u en het waterschap. Het gaat hier immers om afspraken die zijn gemaakt door u en het waterschap.

Er kan worden uitgegaan dat het waterschap geheel akkoord is met de weergave in punten 1, 3 en 7 van de brief van 5 september 2000, nu het waterschap daaraan geen opmerkingen heeft gewijd in de brief van 11 oktober 2000. Overigens wijs ik u op de door het waterschap bijgesloten kopie van een brief aan een onderhoudsplichtige van sloot R, waaruit blijkt dat het waterschap op 22 februari 2000 schriftelijk heeft gemaand tot schonen.

Gelet op het feit dat thans, als uitvloeisel van de gezamenlijke plaatsopneming op 29 augustus 2000, afspraken bestaan tussen u en het waterschap over te treffen maatregelen tot vermindering van de door u ondervonden wateroverlast, zie ik niet in wat voortzetting van het onderzoek daaraan zou kunnen toevoegen.

Het waterschap heb ik van het bovenstaande in kennis gesteld door toezending van een kopie van deze brief.”

4. Op 8 januari 2002 bracht de gemeentelijke Ombudsvrouw van de gemeenten Groningen en Leek haar rapport uit over gedragingen van de gemeente Leek betreffende verzoekers klachten over de afwatering rond zijn woning:

“…EINDRAPPORT

Bestuursorgaan : het College van burgemeester en wethouders

i.c. de portefeuillehouder van Openbare werken

Sector : Openbare werken

: (…)

Klacht

Klagers hebben nog steeds klachten over de afwatering rond hun woning en verwijten dat de gemeente en het waterschap.

Bevindingen

(…)

verdere ontwikkelingen

Over de afwatering rond hun woning hebben klagers contact gehad met het waterschap Noorderzijlvest en zijn er - door tussenkomst van de Nationale ombudsman - afspraken gemaakt over de te treffen maatregelen ter vermindering van de wateroverlast. Deze afspraken zijn vastgelegd in de correspondentie aan klagers d.d. 5 september 2000 en 27 oktober 2000 van de Nationale ombudsman en d.d. 14 december 2000 van het Waterschap. Voor zover van belang zijn de afspraken - waar de gemeente een rol zou spelen - hieronder weergegeven.

(…)

brief d.d. 14 december 2000

Op 14 december 2000 berichtte het waterschap klagers met betrekking tot de afwatering van het bedrijventerrein L. dat hierover inmiddels op ambtelijk niveau de nodige contacten zijn gelegd met de gemeente Leek. Een datum voor de gezamenlijke beoordeling en overleg was toen echter nog niet gepland. Het heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 8 maart 2001; de gezamenlijke schouw een week later.

Wat betreft de wederzijdse afspraken die zijn gemaakt meldde het waterschap dat zij daar voldoende richtsnoer voor handelen aan kan ontlenen. Het waterschap benadrukte echter dat met de realisering van een en ander evenwel de nodige tijd is gemoeid, aangezien zij mede afhankelijk is van de inbreng van de gemeente Leek. Het waterschap vraagt daarvoor begrip.

Aangezien het waterschap verwees naar toekomstig overleg met de gemeente Leek, stelden klagers hierin een actieve opstelling van de gemeente voor.

Op 15 februari 2001 heeft de Ombudsvrouw klagers' klachten en een toelichting daarop voorgelegd aan het hoofd van de sector Openbare Werken.

reactie van de sector

Na vier maanden, op 11 juni 2001 reageerde de gemeente op de klacht d.d. 15 februari 2001. De gemeente geeft puntsgewijs een antwoord op de onderdelen van de klacht.

(…)

4. De walbeschoeiing

Hier neemt de gemeente aan dat klagers doelen op het ontbreken van beschoeiing van het water langs het L. De gemeente meldt:

“Het mag duidelijk zijn dat deze problematiek in alle correspondentie van het waterschap en de Nationale ombudsman als niet relevant worden geacht in relatie met klagers' klacht. Dat om andere, onderhoudstechnische redenen de gemeente Leek wel op een aantal plaatsen beschoeiing moet plaatsen, is duidelijk. Dit wordt meegenomen in de planning voor beschoeiingen in overleg met het waterschap. Uitvoering zal mogelijk in 2001 of uiterlijk in 2002 plaatsvinden. Dit onderwerp speelt mijns inziens geen rol in de afhandeling van de klacht.

(…)

reactie van de sector op het concept-eindrapport

Op 14 december 2001 heeft de sector als volgt gereageerd op het concept-eindrapport

“In uw concept-eindrapport trekt u een aantal conclusies met daaruit voortvloeiend een aantal aanbevelingen. Hierop wil ik in chronologische volgorde reageren.

Ten aanzien van de walbeschoeiing De walbeschoeiing van de sloot langs het L. zou door de gemeente in het jaar 2002 worden opgenomen in het beschoeiingsprogramma. De huidige stand van zaken is het volgende.

Toen het waterschap destijds heeft geadviseerd om op een aantal plaatsen beschoeiing aan te brengen, was deze sloot net gegraven en dus “vers”. Op deze situatie was het advies van het waterschap gebaseerd. Inmiddels heeft de sloot zich gezet en hebben de kanten een stevigheid gekregen die het naar mijn mening rechtvaardigt hier nog eens kritisch naar te kijken. Met het waterschap heb ik afgesproken dat zij de situatie van de sloot opnieuw bekijken. Het advies dat zij dan uitbrengen zal door de gemeente worden uitgevoerd. Uiteraard ook in 2002 zoals eerder was afgesproken. Ook bij dit onderdeel geldt, zie het antwoord van het waterschap van 10 april 2001 dat er geen relatie bestaat tussen uw vraag en de klacht.

(…)

conclusies

(…)

Afspraken waterschap

brief d.d. 5 september 2000

In de brief van 5 september 2000 van de Nationale ombudsman aan klagers zijn de volgende afspraken vastgelegd:

Het waterschap zou afschriften van de brieven die naar de onderhoudsplichtigen gestuurd waren overleggen aan de Nationale ombudsman.

-

-

Het waterschap zal bij de betreffende buurvrouw schriftelijk aangeven dat bedoelde duiker de afwatering in het gebied hindert, als gevolg waarvan klagers jaarlijks wateroverlast ondervinden, alsmede dat het waterschap het uit een oogpunt van een goede afwatering noodzakelijk acht om de duiker te verwijderen.

Het waterschap zal er voor zorgdragen dat aan het waterschapsbestuur wordt voorgesteld de sloten achter de L. aan te merken als schouwsloten.

Het waterschap is bereid om de gemeente schriftelijk mee te delen dat de duiker onder de H.straat om redenen van een goede afwatering lager dient te worden gelegd.

Zoals het waterschap al in de loop van het onderzoek naar klagers' klacht schriftelijk had toegezegd, zal bij de planning van de najaarsschouw van november 2000 (betreffende de volgorde van de te schouwen sloten) zoveel mogelijk voorrang worden verleend aan het schouwen van R-sloot.

Het waterschap zal de gemeente er schriftelijk op wijzen dat het waterschap het noodzakelijk acht dat ter plaatse beschoeiing wordt aangebracht op de oevers van de sloot evenwijdig aan de H.straat die uitkomt in de R-sloot.

brief d.d. 27 oktober 2000

In zijn brief van 27 oktober 2000 aan klagers verwees de Nationale ombudsman naar het commentaar d.d. 11 oktober 2000 van het waterschap op de brief van 5 september 2000.

ad 1 In februari 2000 zouden de onderhoudsplichtigen voor slootgedeelten van watergang R schriftelijk zijn aangemaand. Of deze hun onderhoudsverplichtingen zijn nagekomen, wordt niet vermeld.

ad 4 De problematiek van de hoogteligging van de duiker (BOK uit 1.52+) zou binnen afzienbare tijd besproken worden met de betreffende ingeland, klagers' buurvrouw .

ad 5 De wijzigingsprocedure voor het aanmerken van de sloten achter de L. als schouwsloten zou pas in 2001 zijn beslag kunnen krijgen. De betreffende sloten zouden in ieder geval wel worden meegenomen in de najaarsschouwen van 2000 en onderhoudsplichtigen zouden hiervan op de hoogte worden gebracht.

ad 6 Benadrukt wordt dat het een kostbare ingreep is waarvan de waarde wordt betwijfeld, althans pas in beeld komt als de afspraken onder 4 en 7 geen soelaas bieden.

ad 8 Het waterschap stelt: “…in verband met het op termijn aanwezige risico van inzakking van de taluds, daarbij (bedoeld wordt het contact tussen waterschap en gemeente in maart 2001) tevens aandringen op de wenselijkheid van het plaatsen van beschoeiingen.

Volgens klagers zijn de afspraken onder 4, 7 en 8 nooit nagekomen en is het klagers niet bekend gemaakt of de onder 5 genoemde procedure ooit is gevorderd.

eindconclusies

(…)

ten aanzien van de walbeschoeiing

De walbeschoeiing langs het water van het L. dient om wat voor redenen dan ook geplaatst te worden op een aantal plaatsen.

Het is een taak van de gemeente, het waterschap heeft hierin een adviserende stem.

De gemeente heeft de toezegging gedaan de walbeschoeiing van de sloot langs het L. in het beschoeiingsplan 2001, uiterlijk 2002, in overleg met het waterschap mee te zullen nemen.

De sector ontgaat de relevantie tussen klagers' klacht en het aanbrengen van beschoeiingen op de oevers van de nieuw gegraven sloot op het L. Aangezien tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman is geconstateerd dat ook de R-sloot een belangrijke schakel vormde in het afwateringstracé, geldt deze constatering ook voor de later gegraven sloot vanuit de R-sloot.

Inmiddels is er in december 2001 contact geweest tussen de gemeente en het waterschap en is afgesproken dat het waterschap in 2002 de situatie opnieuw zou bekijken. Het advies dat het waterschap dan uitbrengt, zal door de gemeente worden uitgevoerd.

De gemeente doet uit dienstbetoon jegens klagers er goed aan om zich eigener beweging op de hoogte te houden van het onderzoek van het waterschap naar de staat van de genoemde sloten nu de wateroverlast reeds een lange periode speelt.

(…)

eindoordeel

De klacht ingediend (…) is gegrond en slechts voor een gedeelte opgelost.

aanbevelingen

aanbevelingen aan de gemeente

(…)

Ook doet de Ombudsvrouw de aanbeveling de beschoeiing van de nieuw gegraven sloot zo spoedig mogelijk aan te brengen. Gelet op de reactie van de dienst dat het waterschap onderzoek zal doen naar de situatie van de sloot, verzoekt de Ombudsvrouw de gemeente hierop toe te zien.

(…)

5. Bij brief van 8 februari 2002 reageerde de gemeente Leek op de in het hierboven onder 4. bedoelde rapport opgenomen aanbevelingen:

“…Aanbeveling 4

Wij zullen handelen conform aangegeven in onze brief van 14 december 2001 onder punt 2…”

B. Standpunt verzoeker

Voor het standpunt van verzoeker wordt verwezen naar de klachtsamenvatting onder Klacht. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Volgens verzoeker is de gemeente de afspraken, genoemd in de brieven van de substituut-ombudsman van 5 september 2000, onder 4, 7 en 8 niet nagekomen en is hem niet bekend gemaakt hoe ver de onder 5 van bedoelde brief genoemde procedure is gevorderd.

C. Standpunt waterschap Noorderzijlvest

1. Bij het voorleggen van verzoekers klacht stelde de Nationale ombudsman het waterschap de volgende vragen:

“…Ook in het rapport van de gemeentelijke Ombudsvrouw van 8 januari 2002 worden de afspraken opgesomd, waarbij op bladzijde 12 dezelfde nummering (1 tot en met 8) wordt aangehouden als in de brief van de substituut-ombudsman van 5 september 2000. Op dezelfde bladzijde staat vermeld dat uw waterschap de afspraken 4, 7 en 8 nooit is nagekomen alsmede dat verzoeker niet bekend is hoe ver de procedure, bedoeld onder 5, is gevorderd.

Ad 4 Heeft uw waterschap betreffende buurvrouw schriftelijk benaderd?

Zo ja, graag ontvang ik een kopie van uw brief. Wat was de reactie van de betrokkene? Indien u geen reactie heeft ontvangen, heeft u haar gerappelleerd, zo nee op welke korte termijn doet u dit alsnog?

Zo nee, waarom heeft u betreffende buurvrouw niet schriftelijk benaderd? Op welke korte termijn doet u dit alsnog?

Ad 5 Wat is de stand van zaken in betreffende procedure?

Ad 6 Hebben zich sinds het maken van de afspraken met verzoeker ontwikkelingen op dit punt voorgedaan? Zo ja, welke? Zo nee, is het, gelet op de nog steeds terugkerende wateroverlast thans niet noodzakelijk dat u de gemeente schriftelijk meedeelt dat de hier bedoelde duiker om redenen van een goede afwatering lager dient te worden gelegd?

Ad 7 Graag ontvang ik van u informatie betreffende de najaarschouw 2000 en 2001 van sloot A, sloot R en de onder 5 bedoelde sloten. Welke sloten zijn door welke onderhoudsplichtigen geschoond? Ik verzoek u mij afschriften toe te zenden van uw aanschrijvingen c.g. aanmaningen van onderhoudsplichtigen. Welke onderhoudsplichtigen zijn in verzuim? Wat gaat uw waterschap hiertegen ondernemen?

Ad 8 Heeft uw waterschap de gemeente Leek er schriftelijk op gewezen dat het waterschap het noodzakelijk acht dat op de oevers van de door de gemeente evenwijdig aan de H.straat gegraven sloot, uitkomende in sloot R, beschoeiing wordt aangebracht?

Zo ja, graag ontvang ik een kopie van uw brief aan de gemeente. Wat was de reactie van de gemeente (…)?

Zo nee, waarom niet? Wanneer gebeurt dit alsnog?

In het rapport van de gemeente Ombudsvrouw (…) wordt gesproken over het plaatsen van walbeschoeiing langs het water van het L. Is dit water precies dezelfde watergang als de hierboven bedoelde door de gemeente gegraven sloot en betreft het hier dus hetzelfde onderwerp?

Voorts verzoek ik u de volgende vragen te beantwoorden.

1. Heeft u sinds oktober 2000 verzoeker schriftelijk geïnformeerd over de door uw waterschap ondernomen acties ter uitvoering van de afspraken van augustus/

september 2000?…”

2. In reactie op de klacht en de door de Nationale ombudsman gestelde vragen deelde het waterschap bij brief van 1 oktober 2002 het volgende mee:

“…Het waterschap heeft tot heden in de veronderstelling verkeerd dat voornoemde afspraken - daar waar het binnen de bevoegdheid van het waterschap valt - in redelijkheid zijn nagekomen, en dat het waterschap klager ook overigens ter wille is geweest.

De beantwoording van uw vragen:

Alvorens uw vragen te beantwoorden breng ik onze brief van 11 oktober 2000 onder uw aandacht.

Blijkens deze brief zijn enkele vragen reeds in een eerder stadium beantwoord.

Ad 4. - zie bijlage 1

- Betrokkene heeft nog niet op deze brief gereageerd.

- Voor de goede orde en duidelijkheid merk ik op dat wij - onverplicht - en uit welwillendheid naar klager toe destijds hebben voorgesteld de problematiek bij de betreffende buurvrouw aan te kaarten.

- De daadwerkelijke uitvoering van de door klager verlangde werkzaamheden is afhankelijk van de buurvrouw/eigenaar.

Voor het waterschap is in de uitvoerende sfeer geen rol weggelegd.

Wij hebben de buurvrouw, (…) dan ook verzocht haar al dan niet instemming rechtstreeks kenbaar te maken aan klager.

Het betreft verder een zaak tussen klager en zijn buurvrouw.

Ad 5. Het waterschapsbestuur is voorgesteld de sloten achter de L. aan te merken als schouwsloten. Het waterschapsbestuur heeft met dit voorstel ingestemd.

Medio oktober 2001 zijn de schouwkaarten vastgesteld, waarbij genoemde sloten thans onder schouw staan.

Ad 6. De gemeente is door het waterschap niet medegedeeld dat de duiker onder de H.straat lager dient te worden gelegd.

Zoals eerder gesteld is dit een ultimum remedium, waarbij de te verwachten waterhuishoudkundige effecten slechts zeer marginaal zullen zijn.

Gelet op de disproportionaliteit tussen enerzijds het zeer marginale effect en anderzijds de zeer hoge kosten voor de gemeente Leek, is destijds dan ook terecht gesproken van een ultimum remedium. Er zijn thans nog voorliggende mogelijkheden.

Ad 7. Informatie najaarsschouw 2000 2001

Periode 2000

Van sloot A is betreffende onderhoudsplichtige aangeschreven; handhaving niet mogelijk wegens MKZ

Van sloot R zijn onderhoudsplichtigen W. en N., aangeschreven; handhaving niet mogelijk wegens MKZ

Van de sloten achter de L. zijn geschoond door onderhoudsplichtige (…); normaal onderhoud heeft plaatsgevonden.

Periode 2001

Sloot A is na aanschrijving geschoond door de onderhoudsplichtige.

Van sloot R is geschoond door onderhoudsplichtige W. en N. na aanschrijving en aanschrijving bestuursdwang. Dit heeft geleid tot de afspraak dat de sloot op aanwijzingen van het waterschap door een hoveniersbedrijf in 2002 wordt hergraven en geschoond, alsmede zullen de duikers worden geschoond

De sloten achter de L. zijn afgekeurd. Er heeft een aanschrijving plaatsgevonden.

Aanschrijvingen onderhoudsplichtigen: zie bijlagen/nazending

Verzuim onderhoudsplichtigen zie bijlagen/nazending

Ad 8. Het is de gemeente Leek bekend dat het waterschap het wenselijk acht dat op de oevers van de door de gemeente evenwijdig aan de H.straat gegraven sloot, uitkomend in sloot R, beschoeiing wordt aangebracht. Daartoe heeft dan ook ambtelijk overleg plaatsgevonden. Dit betreft een exclusieve gemeentelijke taak. Het waterschap kan beschoeiing aanbevelen. Als het nut en noodzaak aan de gemeente voorbijgaat staat het deze vrij de aanbeveling terzijde te zetten.

Het antwoord op uw vragen:

(Verzoeker; N.o.) is mondeling geïnformeerd over de door het waterschap ondernomen acties ter uitvoering van de afspraken van augustus/september 2000…”

3. Bij brief van 11 oktober 2002 deed het waterschap de Nationale ombudsman op het onderzoek betrekking hebbende stukken toekomen.

Een van deze stukken is een brief van het waterschap aan verzoekers buurvrouw van 13 augustus 2002:

“…Langs deze weg vragen wij uw aandacht voor het volgende.

In het nabije verleden heeft uw buurman, (verzoeker; N.o.), wonende aan de H.straat (…) te Y, bij meerdere gelegenheden de in zijn ogen problematische afwatering van zijn perceel onder de aandacht van het waterschap Noorderzijlvest en de gemeente Leek gebracht. Op zijn initiatief zijn de betrokken klachten in de periode 2000/2001 voorgelegd aan de Nationale ombudsman te 's-Gravenhage. In het kader van dat onderzoek heeft op 29 augustus 2000 door vertegenwoordigers van de Ombudsman en het waterschap ter plaatse een bezichtiging plaatsgevonden. Vanwege de mede-betrokkenheid van de gemeente Leek heeft ook de gemeentelijke Ombudsvrouw de kwestie inmiddels onderzocht.

In gezamenlijk overleg met (verzoeker; N.o.) zijn tussen hem en het waterschap goede afspraken gemaakt om tot een oplossing van de problematiek te komen. (Verzoeker; N.o.) heeft ons te kennen gegeven, dat hij voorstander is van het lager leggen, danwel verwijderen, van de duiker op het bij u in eigendom zijnde perceel, (…). Bedoelde duiker vormt door zijn huidige hoogteligging (circa + 1,52 m. NAP) in zekere mate een belemmering in het afwateringstraject. Door het treffen van de voorgestelde maatregel zal naar verwachting een snellere afwatering van het perceel van (verzoeker; N.o.) gerealiseerd kunnen worden.

In reactie op het voorstel van (verzoeker; N.o.) hebben wij hem laten weten deze mogelijkheid te onderzoeken en schriftelijk bij u aan te kaarten. Wij hebben daarbij echter aangetekend, dat de daadwerkelijke uitvoering van de door (verzoeker; N.o.) verlangde werkzaamheden afhankelijk is van uw toestemming als eigenaar van het perceel H.straat (…) te Y. Dit laatste houdt uitdrukkelijk in, dat de huidige situatie in stand zal worden gelaten, indien en voor zover mocht blijken, dat u zich met de voorgestelde maatregel op uw perceel niet kunt verenigen.

Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt bestaat tegen het voorstel van (verzoeker; N.o.) in onze optiek evenwel geen overwegende bezwaren. In verband met de te verwachten algehele verbetering van de afwateringssituatie doen wij bij deze dan ook een beroep op uw medewerking.

Indien u met het lager leggen of verwijderen van de duiker op uw perceel kunt instemmen, verzoeken wij u dit aan (verzoeker; N.o.) kenbaar te maken. Onderdeel van de met (verzoeker; N.o.) gemaakte afspraken is, dat voor het waterschap in de uitvoerende sfeer overigens geen taak is weggelegd. (Verzoeker; N.o.) heeft zich desgevraagd bereid verklaard om behulpzaam te zijn bij het daadwerkelijk lager leggen danwel verwijderen van de betreffende duiker. Wij verzoeken u dan ook u voor de verdere afwikkeling uitsluitend rechtstreeks tot (verzoeker; N.o.) te wenden.

Aangezien met het bovenstaande tegemoet wordt gekomen aan een uitdrukkelijk verzoek van (verzoeker; N.o.) en hij bereid is de werkzaamheden desgevraagd zelf ter hand te nemen, geschiedt de uitvoering geheel op zijn risico en komen eventuele daaraan verbonden kosten en schade te allen tijde voor zijn rekening. Het waterschap Noorderzijlvest aanvaardt hiervoor geen enkele aansprakelijkheid.

Wij vertrouwen erop u met het voorgaande voldoende te hebben geïnformeerd en zeggen u voor uw welwillende medewerking in deze bij voorbaat dank.

Een afschrift van deze brief hebben wij heden ter kennisneming toegezonden aan (verzoeker; N.o.) en aan de gemeente Leek…”

D. Nadere informatie waterschap Noorderzijlvest

1. De Nationale ombudsman stelde het waterschap enkele nadere vragen bij brief van 1 november 2002:

“…

Ad 5 Kunt u aangeven met ingang van welke datum de hier bedoelde sloten onder schouw staan?

Graag ontvang ik afschriften van stukken betreffende de besluitvorming waaruit zulks blijkt.

Ad 7 U stelt dat betreffende de schouw van 2000 de onderhoudsplichtigen van sloot R

- W. en N. - door het waterschap zijn aangeschreven.

Graag ontvang ik afschriften van deze brieven.

(…)

Ad 8 Tussen verzoeker en het waterschap is afgesproken (zie de brief van de Nationale ombudsman van 5 september 2000) dat het waterschap de gemeente Leek er schriftelijk op zal wijzen dat het waterschap het noodzakelijk acht dat op de oevers van de door de gemeente evenwijdig aan de hoofdstraat aan gelegen sloot, uitkomend in sloot R, beschoeiing wordt aangebracht.

In de brief van 11 oktober 2000 geeft het waterschap aan dat over de noodzaak van beschoeiingen binnen afzienbare tijd op ambtelijk niveau contact zal worden opgenomen met de gemeente Leek. Verder zegt het waterschap in de brief toe: “Wij zullen de daarbij te maken afspraken schriftelijk aan de gemeente bevestigen en (…) daarbij tevens aandringen op het plaatsen van beschoeiingen.”

In reactie op de vragen in de brief van de Nationale ombudsman van 23 juli 2002 onder Ad 8, stelt u slechts dat er ambtelijk overleg heeft plaatsgehad. Ik verzoek u alsnog te antwoorden op bedoelde vragen van de Nationale ombudsman. Tevens verzoek ik u aan te geven wanneer het door u bedoelde ambtelijk overleg heeft plaatsgehad…”

2. In reactie hierop liet het waterschap bij brief van 20 januari 2003 het volgende weten:

“…Ad 5 In de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 3 oktober 2001 is besloten de voorgestelde schouwkaarten definitief vast te stellen (Bijlage 1). Bijgaand treft u de relevante schouwkaart aan betreffende het onderhavige gebied waarop met rood de schouwsloten staan aangegeven. (Bijlage 2) (…)

Ad 7 Wegens de overgang op andere programmatuur zijn de herinneringsbrieven die zijn verzonden aan W. en N. helaas niet meer te reproduceren. (…)

Afschriften van de brieven inzake sloot R aan de erven W. en aan N. zijn als bijlage 4 bijgevoegd.

Sloot R is aangeschreven voor onderhoud vóór 1 november 2001. De sloot is speciaal geschouwd door onze buitendienstmedewerkers en goedgekeurd.

Ad 8 Met betrekking tot de vraag of het waterschap de gemeente Leek er schriftelijk op heeft gewezen dat het waterschap het noodzakelijk acht dat op de oevers van de door de gemeente evenwijdig aan de H.straat gegraven sloot, uitkomend op sloot R, beschoeiing wordt aangebracht, verwijs ik u naar onze brief van 10 april 2001 gericht aan het college van B&W van de gemeente Leek (Bijlage 5) :

Blz. 3.: “opmerkingen onzerzijds (: van het waterschap) over de eventuele mogelijkheid van beschoeiing hebben steeds uitsluitend en alleen betrekking gehad op de afwatering (langs het; N.o.) L., maar zijn - uitdrukkelijk - niet bedoeld voor de situatie rond de L. en omgeving).

De door de gemeente nieuw gegraven sloot, evenwijdig aan de H.straat lopend, en uitkomend op sloot R voert water af van het industriepark het L.

De advisering van het waterschap aan de gemeente Leek over de eventuele mogelijkheid van beschoeiing geldt derhalve voor de bovengenoemde sloot.

De gemeente heeft het advies ter kennisgeving aangenomen en hierop verder niet schriftelijk gereageerd.

Met betrekking tot de vraag of de walbeschoeiing langs het water van het L. als bedoeld in het rapport van de gemeentelijke Ombudsvrouw precies dezelfde watergang betreft als de eerder genoemde door de gemeente nieuw gegraven sloot beantwoord ik, mede gelet op het gestelde in uw brief van 5 september 2000, (…), bladzijde 4 punt 8 bevestigend.

De passage uit voornoemde brief luidt als volgt :

“Evenwijdig aan de H. straat loopt een sloot die uitkomt in sloot R..

Aan weerszijden van voornoemde sloot is een oever ingezakt, hetgeen een goede doorstroming hindert. De sloot is eigendom van de gemeente.

De gemeente is daarmee onderhoudsplichtige van die sloot.”

Het betreft hier aldus hetzelfde onderwerp.

Met betrekking tot uw vraag over het ambtelijk overleg;

Dit overleg tussen de heer O. van het waterschap en de heer Z. van de gemeente heeft plaatsgevonden op 8 maart 2001.

Er is nader onderzoek ter plekke door voornoemde heren gedaan op 15 maart 2001.

Voor de goede orde merk ik nog het volgende op.

Het waterschap heeft het ontwerpbestemmingsplan van de gemeente met betrekking tot betreffend gebied afgewezen omdat er niet voldoende in berging was voorzien…”

3. De in de brief van 20 januari 2003 bedoelde bijlage 1(“vergadering D.B 3 oktober 2001”):

“…vergunningen en legger

7.5. Voorstel tot vaststelling van de schouwkaarten 2001

Conform het voorstel wordt besloten:

de -als zodanig gewaarmerkte- schouwkaarten definitief vast te stellen met inachtneming van de zienswijzen zoals weergegeven op het bijgevoegde overzicht;

de indieners van de zienswijzen persoonlijk op de hoogte te stellen van het daarop ingenomen standpunt en betrokkenen schriftelijk in kennis te stellen van de aangebrachte wijzigingen;

het besluit tot vaststelling op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken…”

4. Op de door het waterschap als bijlage 3 meegestuurde schouwkaart betreffende het onderhavige gebied staan met rood de schouwsloten aangegeven. De sloten achter de Lindenhoeve staan op deze kaart als schouwsloten aangegeven.

5. De door het waterschap meegestuurde bijlage 5 betreft een brief van het waterschap aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leek van 10 april 2001:

“…In vervolg op het telefonisch gesprek tussen u en de heer F. van ons waterschap, dat plaatsvond op 10 april jongstleden, berichten wij u thans als volgt.

(…)

Door (verzoeker; N.o.) is voorts zijdelings de kwestie rond de afwatering van het bedrijvenpark L. aan de orde gesteld. Hij waarschuwde met name voor het mogelijk verder inzakken van de taluds van deze sloot, indien niet tijdig adequate maatregelen zouden worden genomen. De opmerkingen onzerzijds over de eventuele mogelijkheid van beschoeiing hebben daarom steeds uitsluitend en alleen betrekking gehad op de afwatering L., maar zijn uitdrukkelijk niet bedoeld voor de situatie rond de L. en omgeving. Wij zijn van mening dat nut en noodzaak van het aanbrengen van beschoeiing ter plaatse in de eerste plaats een zaak van onderling overleg tussen waterschap en gemeente is. Wij hebben de Nationale Ombudsman erop gewezen, dat de rol van het waterschap daarbij primair adviserend van aard is. Het zal u duidelijk zijn dat de afwateringssituatie van het bedrijvenpark, gezien de weergegeven formulering van de klacht, daarvan geen onderdeel heeft uitgemaakt en in zoverre in het kader van het door de Nationale Ombudsman uitgevoerde onderzoek dan ook buiten beschouwing is gebleven. Daarbij komt dat ons niet, of althans onvoldoende, gebleken is van een rechtstreeks aanwijsbaar verband tussen de afwatering van het bedrijvenpark L. en de eigenlijke klacht van (verzoeker; N.o.). Niettemin achten wij het van belang om aan bedoelde afwatering voldoende aandacht te schenken. Wij zullen daartoe met u in contact treden om de wenselijkheid van een en ander nogmaals in gezamenlijk overleg te beoordelen…”

E. nadere informatie verzoekeR

Verzoeker deelde de Nationale ombudsman, hiernaar gevraagd, op 12 maart 2003 mee dat hij van zijn buurvrouw geen reactie heeft ontvangen op de aan haar door het waterschap gestuurde brief van 13 augustus 2002, zoals hierboven bedoeld onder C.3.

Tevens deelde hij mee dat bij de sloot langs het L. geen walbeschoeiing is geplaatst en dat de oevers van deze sloot nog steeds zijn ingezakt. Verder stelde hij dat hij door het waterschap mondeling noch schriftelijk is geïnformeerd over de uitkomst van de procedure tot het aanmerken van de sloten achter de L. als schouwsloten.

f. verdere informatie waterschap noorderzijlvest

Het waterschap deelde, hiernaar gevraagd, de Nationale ombudsman op 14 maart 2003 mee dat het waterschap bij de najaarsschouw 2002 heeft geconstateerd dat de oevers van de sloot langs het L. stevigheid hebben gekregen. Het waterschap heeft echter geen nieuw advies aan de gemeente Leek uitgebracht over het al dan niet bestaan van de noodzaak tot het aanbrengen van walbeschoeiing ter plaatse. Gelet op de informatie van verzoeker over de huidige staat van genoemde sloot, zal het waterschap binnen drie weken de situatie ter plaatse opnemen, waarna het alsnog een advies zal uitbrengen aan de gemeente Leek.

Bij brief van 25 maart 2003 bevestigde het waterschap dat bedoeld onderzoek inmiddels had plaatsgehad:

“…er is door het waterschap geconstateerd dat er sprake is van afkalving van de oevers van de door de gemeente evenwijdig aan de H.straat gegraven sloot uitkomend in sloot R;

het waterschap zal binnenkort de gemeente Leek schriftelijk in overweging geven ter plaatse oeverbeschoeiing aan te brengen;

van voornoemd schrijven zal u een kopie worden toegezonden.

Wellicht ten overvloede doe ik u recente foto's ter plaatse toekomen, alsmede een gebiedskaart waarop de geconstateerde afkalving is aangegeven (bijlage)…”

G. Nadere informatie

Een van de onderhoudsplichtigen van sloot R. verklaarde, hiernaar gevraagd door de Nationale ombudsman, dat de schouw van deze sloot begin november 2000 had plaatsgehad.

Achtergrond

1. Bijlage A bij de brieven van de Nationale ombudsman van 5 september 2000

2. Bijlage B bij de brieven van de Nationale ombudsman van 5 september 2000

Instantie: Waterschap Noorderzijlvest

Klacht:

Zich niet gehouden aan afspraken betreffende het bestrijden van door verzoeker ondervonden wateroverlast: afspraak t.a.v. duiker op perceel van verzoekers buurvrouw niet nagekomen; afspraak om de gemeente Leek schriftelijk te wijzen op de noodzaak van walbeschoeing niet binnen korte termijn nagekomen.

Oordeel:

Gegrond

Instantie: Waterschap Noorderzijlvest

Klacht:

Niet gehouden aan afspraak om bij planning najaarsschouw november 2000 zoveel mogelijk voorrang te verlenen aan sloot R.

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Waterschap Noorderzijlvest

Klacht:

Verzoeker niet (nader) geïnformeerd over uitkomst van procedure.

Oordeel:

Geen oordeel