2001/245

Rapport

Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond op 31 december 1999 op grond van artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie doorzoeking heeft verricht in zijn videotheek te Rotterdam.

Voorts klaagt verzoeker erover dat dit politiekorps zijn verzoek om vergoeding van de schade, die hij heeft geleden tengevolge van de doorzoeking, heeft afgewezen.

Beoordeling

Inleiding

Op 31 december 1999 hebben politieambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond een doorzoeking verricht in de videotheek van verzoeker. De aanleiding voor deze doorzoeking was informatie van de RCID van dit korps, welke inhield dat er in het pand een aantal goederen aanwezig was die een overtreding van de Wet Wapens en Munitie (WWM) opleverde. Tijdens de doorzoeking hebben de politieambtenaren onder meer dozen met vuurwerk geopend.

I. De doorzoeking

1. Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond op 31 december 1999 op grond van artikel 49 van de WWM doorzoeking heeft verricht in zijn videotheek te Rotterdam.

2. De korpsbeheerder liet op 8 maart 2001 weten dat de politie informatie kreeg van de RCID, waarvan de strekking was dat er in verzoekers videotheek goederen aanwezig waren die een overtreding opleveren van de WWM. Omdat verzoeker de WWM reeds eerder had overtreden én de informatie van een betrouwbare bron afkomstig was, is in overleg met de officier van justitie besloten over te gaan tot een doorzoeking. De politie had voldoende grond om de doorzoeking te verrichten en heeft rechtmatig gehandeld, aldus de korpsbeheerder. De korpsbeheerder acht dit onderdeel van de klacht ongegrond.

3. Op grond van artikel 49 WWM zijn opsporingsambtenaren te allen tijde bevoegd om doorzoeking te doen ter inbeslagneming, indien zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat ter plaatse wapens of munitie aanwezig zijn (zie Achtergrond, onder 1.).

Onder doorzoeking in de zin van artikel 49 WWM wordt verstaan het doorzoeken van iedere plaats waar wapens en munitie kunnen worden vermoed. De bevoegdheid is aan elke algemene opsporingsambtenaar toegekend, die te allen tijde van deze bevoegdheid gebruik mag maken, indien de aanwezigheid van wapens of munitie kan worden vermoed. Nadere voorwaarden, zoals bijvoorbeeld een ontdekking op heterdaad, verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten of overleg met het openbaar ministerie of de rechter-commissaris, zijn niet gesteld om van de bevoegdheid van doorzoeking op grond van artikel 49 WWM gebruik te kunnen maken (zie Achtergrond, onder 2.).

4. Het staat vast dat de doorzoeking in verzoekers videotheek is verricht naar aanleiding van informatie die bij de RCID is binnengekomen. Na overleg tussen het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond en officier van justitie mr. B. is besloten tot een doorzoeking over te gaan. Gelet op de tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman aan hem verstrekte informatie, heeft de Nationale ombudsman geen reden om de betrouwbaarheid van de informant en de aard van diens informatie in twijfel te trekken. Dit betekent dat het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond van de juistheid van die informatie kon uitgaan. Uit de informatie dat in verzoekers videotheek wapens of munitie aanwezig zouden zijn die een overtreding opleveren van de WWM, kon dan ook in redelijkheid worden afgeleid dat er een gerede kans bestond dat er wapens of munitie in verzoekers videotheek aanwezig waren. De ambtenaren waren dan ook bevoegd tot het verrichten van een doorzoeking in verzoekers videotheek, zelfs indien er géén overleg met de officier van justitie zou hebben plaatsgevonden. Gezien de grote maatschappelijke belangen die gemoeid zijn bij de bestrijding van ongecontroleerde aanwezigheid van wapens of munitie, was het niet onredelijk dat de politieambtenaren in de gegeven omstandigheden van deze bevoegdheid gebruik hebben gemaakt. Het feit dat in verzoekers videotheek geen wapens of munitie gevonden zijn, doet hieraan niet af.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

II. Het verzoek om schadevergoeding

1. Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond zijn verzoek om vergoeding van de schade, die hij heeft geleden tengevolge van de doorzoeking, heeft afgewezen.

2. Bij brief van 8 maart 2001 deelde de korpsbeheerder mee dat hij van mening is dat de politie het recht had om de gesloten dozen met vuurwerk te openen bij de rechtmatig uitgevoerde doorzoeking. Verzoeker heeft onvoldoende aangetoond dat hij de geopende dozen vuurwerk niet heeft kunnen verkopen door het optreden van de politie, aldus de korpsbeheerder. Voorts acht de korpsbeheerder het niet aannemelijk dat de doorzoeking ertoe heeft geleid dat verzoeker geen klanten meer in zijn videotheek heeft gehad en hij als gevolg daarvan een grote hoeveelheid vuurwerk heeft overgehouden. De korpsbeheerder acht het juist dat het politiekorps het verzoek tot schadevergoeding heeft afgewezen en acht de klacht ongegrond.

3. Middels een brief van 21 juli 2000 van de vuurwerkhandelaar aan verzoeker heeft verzoeker aangetoond dat de vuurwerkhandelaar geen dozen met vuurwerk retour neemt indien deze geopend zijn. Echter, hiermee is de schade nog niet vast komen te staan. Verzoeker heeft niet aangetoond dat hij daadwerkelijk een aantal dozen met vuurwerk heeft overgehouden, die hij niet aan de vuurwerkhandelaar heeft kunnen retourneren. Voorts staat niet vast dat de klanten die in verzoekers videotheek aanwezig waren op het moment dat de doorzoeking aanving, de videotheek hebben verlaten. De videoband waarop te zien zou zijn dat de klanten bij aanvang van de doorzoeking de videotheek verlieten, heeft verzoeker ondanks herhaald verzoek daartoe niet aan de Nationale ombudsman overgelegd.

Gelet hierop wordt de lezing van de korpschef dat de verkoop van vuurwerk tijdens de doorzoeking ongehinderd werd voortgezet en dat er bij het verlaten van de videotheek nog steeds klanten in de videotheek aanwezig waren meer aannemelijk geacht. Bovendien is niet weersproken dat de doorzoeking ongeveer een half uur heeft geduurd.

Daarmee is dan ook niet vast komen te staan dat verzoeker schade heeft geleden ten gevolge van de doorzoeking die ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond op 31 december 1999 in zijn videotheek hebben verricht.

Gelet op deze omstandigheden en op de terughoudende opstelling van de Nationale ombudsman bij de beoordeling van een klacht over het afwijzen van een verzoek om schadevergoeding (zie Achtergrond, onder 3.) moet worden geoordeeld dat verzoekers schadeclaim niet zo evident juist was dat het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond zijn verzoek om schadevergoeding niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond (de burgemeester van Rotterdam), is niet gegrond.

Onderzoek

Op 1 februari 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer K. te Rotterdam, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond.

Omdat verzoeker zijn klacht nog niet had voorgelegd aan het betrokken bestuursorgaan en daarmee niet was voldaan aan het kenbaarheidsvereiste zoals is opgenomen in artikel 12, tweede lid, Wet Nationale ombudsman, stuurde de Nationale ombudsman de klacht door aan de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond.

Op 3 januari 2001 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van verzoeker, daar hij niet tevreden was met het oordeel dat de korpsbeheerder naar aanleiding van zijn klacht had uitgesproken.

Naar de gedraging van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond (de burgemeester van Rotterdam), werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

In verband met zijn verantwoordelijkheid voor het justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Rotterdam over de klacht geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De genoemde hoofdofficier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik.

Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Voorts brachten twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman een bezoek aan het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond, alwaar zij nadere informatie kregen verstrekt.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De korpsbeheerder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van verzoeker gaf aanleiding het verslag op een enkel punt aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Op 31 december 1999 verrichtten politieambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond een doorzoeking in verzoekers videotheek. Naar aanleiding hiervan berichtte verzoeker het arrondissementsparket te Rotterdam op 7 januari 2000 onder meer het volgende:

"Naar aanleiding van uw binnentreden op vrijdag 31 december 1999 in de videotheek, (…), wil ik u aansprakelijk stellen voor de geleden schade.

Na het telefoongesprek dat ik op dinsdag 5 januari 2000 met u had, verklaarde u het volgende: 'U had via een informant van de RCID informatie binnen gekregen, dat er in het pand een aantal zaken aanwezig was die te maken had met de WWM (Wet Wapens en Munitie; No). Deze informant stond als "betrouwbaar" te boek. Vervolgens heeft u aan de basiseenheid groen licht gegeven om ter plaatse een onderzoek in te stellen.' Een zestal dienders kwam het pand binnen dat vol stond met klanten die op dat moment vuurwerk aan het kopen waren. Deze waren op het moment van de binnentredende agenten plots verdwenen. De dienders hebben dozen open gemaakt en deze kan ik niet meer retourneren aan de leverancier. Daar komt nog bij, dat ik niet uitverkocht ben (wat ik overigens elk jaar ben) en heb ik ook op deze manier schade geleden.

Zoals u misschien weet, mag er landelijk drie dagen vuurwerk verkocht worden. Ik moet het dan ook hebben van de omzetsnelheid. Die omzetsnelheid was er door uw optreden helemaal uit. Ook na uw vertrek was dat ongeveer 1 uur nog zo.

Omdat er niets is aangetroffen, is er na de aktie geen enkel excuus geweest van uwer zijde dan wel van de betreffende ambtenaren.

Daarom wil ik u aansprakelijk stellen voor een bedrag van f 1750,00 incl. btw."

2. De hoofdofficier van justitie te Rotterdam deelde verzoeker bij brief van 20 maart 2000 onder meer het volgende mee:

"Op basis van binnengekomen RCID-informatie heeft op 31 december 1999 inderdaad een inval plaats gevonden in uw videotheek (…). De RCID-informatie behelsde, dat er sprake zou zijn van een overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Volgens deze RCID-informatie moest de informant als betrouwbaar worden gekwalificeerd. Op basis van deze informatie heeft de Officier van Justitie (…) toestemming gegeven tot een huiszoeking op grond van de Wet Wapens en Munitie. De politie heeft uw pand betreden, een huiszoeking gedaan en is zonder dat iets illegaals is aangetroffen weer weggegaan. Naar mijn mening is de politie voldoende omzichtig te werk gegaan (…).

Uiteraard was de huiszoeking voor u vervelend, maar gelet op de aard van de RCID-informatie was het terecht dat de politie hierop inzet heeft gepleegd en via de huiszoeking de RCID-informatie heeft onderzocht.

Naar mijn mening heeft de Officier van Justitie op basis van de hem aangeboden informatie terecht besloten tot een huiszoeking op grond van de Wet Wapens en Munitie.

Ik ben dan ook van mening, dat uw klacht (…) grond mist; uw verzoek om vergoeding van eventuele schade wijs ik gelet op het hiervoor overwogene eveneens af."

3. De chef van district Zuid van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond deelde verzoeker bij brief van 13 juni 2000 onder meer het volgende mee:

"Uit dit onderzoek (het onderzoek naar verzoekers klacht; No) kwam naar voren dat op 31 december 1999, informatie beschikbaar was dat in een videotheek (…) goederen aanwezig zouden zijn, vallend onder de Wet Wapens en Munitie. Ambtshalve was bekend dat u de eigenaar bent van genoemde videotheek.

In verband met het feit dat u in een eerder stadium met de politie en/of justitie in aanraking bent geweest, in verband met meerdere overtredingen van de Wet Wapens en Munitie, alsmede het feit dat de informatie afkomstig was uit betrouwbare bron, werd in overleg met de officier van justitie mr. B. van het arrondissementsparket Rotterdam besloten tot een huiszoeking ter inbeslagneming in uw videotheek (…).

Omstreeks 16.30 uur werd uw videotheek door diverse politieambtenaren betreden (…). Uit oogpunt van veiligheid van de binnentredende collega's werd back-up verleend door politieambtenaren die in de straat achterbleven. (…)

Uit het onderzoek is niet kunnen blijken dat de verkoop van vuurwerk werd gestagneerd. De klanten, c.q. omstanders van de videotheek waren niet onder de indruk van het politieoptreden en er werd geconstateerd dat tijdens de huiszoeking de verkoop gewoon door ging.

De heer S. heeft in een gesprek op woensdag 31 mei 2000 de uitkomst van dit onderzoek aan u medegedeeld en u een exemplaar verstrekt van de door hem opgestelde rapportage. U heeft in dit persoonlijk gesprek aangegeven ontevreden te zijn met de afhandeling van de klacht, omdat u van mening bent dat u wel degelijk schade, ad F 1750,= heeft ondervonden van het naar uw mening onterechte binnentreden en vindt dat de politie hiervoor excuses dient te maken.

Al met al kom ik tot de conclusie, dat uw klacht onterecht is."

4. Naar aanleiding van de op 16 maart 2000 door verzoeker ingediende klacht berichtte de korpschef van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond verzoeker medio augustus 2000 onder meer het volgende:

"Uw klacht is nader onderzocht op de volgende punten:

(…)

"4. Het feit dat de in de winkel aanwezige klanten ten tijde van de huiszoeking uw zaak verlieten, en er zich tijdens en na de huiszoeking geen klanten meer aandienden, waardoor u schade leed;

5. Het feit dat een gesloten doos met vuurwerk werd geopend, waardoor deze (onverkochte) doos niet ingeleverd kon worden bij uw leverancier en u schade leed;

Uit nader onderzoek is het volgende gebleken:

(…)

Ad 4. De bij het binnentreden betrokken politiemedewerkers verklaren allen afzonderlijk dat geen van de in uw zaak aanwezige personen uw winkel verlieten toen zij uw zaak betraden. Verder verklaarden de twee politiemedewerkers die tijdens de huiszoeking in het publieke deel van uw zaak verbleven dat de verkoop van vuurwerk ongehinderd doorging. Bij het verlaten van uw zaak constateerden de politiemedewerkers dat er nog steeds publiek in uw zaak aanwezig was. De gehele actie heeft ongeveer een half uur in beslag genomen. U heeft verder niet aangetoond dat de verkoop van vuurwerk door deze politieactie is achtergebleven, zodat van enige onderbouwing van geleden schade niet is gebleken.

Ad 5. U heeft een fax van uw leverancier doorgestuurd, waaruit bleek dat 'goederen slechts retour kunnen worden genomen, die ongeopend, ongeprijsd en onbeschadigd zijn en verpakt in goedgekeurde UN-dozen.' U heeft niet aangetoond dat de door de politie geopende dozen met vuurwerk onverkocht zijn gebleven door toedoen van de politie.

Op grond van het bovenstaande trek ik de volgende conclusies:

4. Uit nadere verklaringen van de betrokken medewerkers blijkt niet dat uw klanten vanwege de politieactie uw zaak verlieten. Deze klacht acht ik ongegrond.

5. Aan alle wettelijke voorschriften is voldaan. De politie heeft het recht gesloten dozen tijdens een huiszoeking te openen. (…) U heeft niet aangetoond dat de ongeopende dozen vuurwerk onverkocht zijn gebleven door toedoen van de politie en uw (financiële) schade het gevolg is van de actie. Deze klacht acht ik ongegrond."

5. In reactie op het oordeel van de korpschef liet verzoeker het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond bij brief van 15 augustus 2000 weten dat hij de zienswijze van de korpsbeheerder wilde inwinnen.

6. De korpsbeheerder van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond berichtte verzoeker op 11 december 2000 onder meer als volgt:

"Ten aanzien van het vierde punt (de stelling van verzoeker dat de in de videotheek aanwezige klanten de videotheek ten tijde van de doorzoeking verlieten; No) kan ik u het volgende mededelen. (…) Nu er sprake was van een rechtmatig optreden van de politie en dit optreden slechts kort heeft geduurd is voor mij niet komen vast te staan dat er klanten uw zaak vanwege de komst van de politie hebben verlaten. Dat er zich na de huiszoeking geen klanten meer aandienden om vuurwerk te kopen op 31 december acht ik hoogst onwaarschijnlijk. Ik kom derhalve tot de conclusie dat dit punt eveneens ongegrond is.

Ten aanzien van het vijfde punt (de stelling van verzoeker dat hij schade heeft geleden doordat hij de (onverkochte) geopende dozen vuurwerk niet aan de vuurwerkhandelaar heeft kunnen retourneren; No) ben ik van oordeel dat dit ook ongegrond is. De politie heeft aan alle wettelijke voorschriften voldaan en heeft binnen haar bevoegdheden gehandeld toen zij dozen vuurwerk voor onderzoek opende.

Ten aanzien van het laatste punt overweeg ik het volgende. (…) Het binnentreden en de huiszoeking hebben rechtmatig plaatsgevonden. Toen de politieambtenaren niets in uw zaak aantroffen was het op zijn plaats geweest als de politieambtenaren bij het verlaten van uw zaak, ondanks het feit dat er sprake was van een rechtmatig optreden, hun verontschuldigingen aan u hadden aangeboden. Nu de politieambtenaren hebben nagelaten om op dat moment hun verontschuldiging aan te bieden voor het ongemak ben ik van oordeel dat dit onderdeel van de klacht gegrond is."

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht.

C. Standpunt korpsbeheerder

De korpsbeheerder deelde in reactie op verzoekers klacht op 8 maart 2001 onder meer het volgende mee:

"De politie kreeg informatie van de Regionale Criminele Inlichtingendienst. De strekking van deze informatie was dat er in de videotheek van verzoeker goederen aanwezig zouden zijn die een overtreding opleveren van de Wet Wapens en Munitie. In verband met enerzijds het feit dat verzoeker eerder met politie en/of justitie in aanraking was geweest in verband met een of meerdere overtredingen van de Wet Wapens en Munitie en anderzijds dat de informatie uit betrouwbare bron afkomstig was, werd in overleg met de officier van justitie besloten tot een huiszoeking. De politie is vervolgens de zaak van verzoeker binnengetreden en heeft hier een huiszoeking gehouden (…). De politie had voldoende grond om de videotheek binnen te treden en een huiszoeking te houden. De politie heeft rechtmatig gehandeld. Dit onderdeel van de klacht acht ik derhalve ongegrond.

Ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht ben ik van mening dat de politie bij de door haar rechtmatig uitgevoerde huiszoeking het recht had om gesloten dozen te openen. (…) Verzoeker heeft echter naar mijn mening onvoldoende aangetoond dat de geopende dozen vuurwerk onverkocht zijn gebleven door het optreden van de politie. Voorts acht ik het niet aannemelijk dat de huiszoeking van de politie die slechts een geringe tijd in beslag heeft genomen (…), tot gevolg heeft gehad dat verzoeker geen enkele klant meer in zijn zaak heeft gehad en hij hierdoor met een grote hoeveelheid vuurwerk is blijven zitten. (…) Het feit dat het politiekorps het verzoek tot schadevergoeding heeft afgewezen acht ik juist. Dit onderdeel van de klacht acht ik ongegrond.

D. Informatie RCID-ambtenaar

Op 23 april 2001 brachten twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman een bezoek aan een ambtenaar van de RCID van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond.

Tijdens dit bezoek verstrekte deze ambtenaar algemene informatie over de wijze waarop de betrouwbaarheid van een informant, en de betrouwbaarheid van de door een informant verstrekte gegevens worden getoetst. Voorts verstrekte hij met betrekking tot deze specifieke zaak nadere informatie over onder meer de betrouwbaarheid van de informant en over de aard van de inlichtingen die de informant had verstrekt. Daarbij werd een beroep gedaan op het vertrouwelijke karakter van de verschafte inlichtingen. Op grond van de aard van die inlichtingen werd het beroep gehonoreerd. De verstrekte inlichtingen werden derhalve niet voorgelegd aan verzoeker.

e. Nadere informatie verzoeker

Op 30 januari 2001 heeft verzoeker in een telefoongesprek met een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman toegezegd een brief van de vuurwerkhandelaar op te sturen, waarin vermeld staat dat verzoeker geen dozen vuurwerk kan retourneren die reeds zijn geopend. Ook zou verzoeker een videoband opsturen, waarop te zien zou zijn dat de klanten, die reeds in zijn videotheek aanwezig waren, bij aanvang van de doorzoeking zijn videotheek verlieten.

Nadat de Nationale ombudsman verzoeker bij brief van 20 maart 2001 aan deze telefonische afspraak heeft herinnerd, heeft verzoeker op 4 april 2001 in een telefoongesprek met een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman laten weten dat hij de brief van de vuurwerkhandelaar en de videoband niet kon vinden.

Een afschrift van de betreffende brief heeft de Nationale ombudsman in een later stadium van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond ontvangen, waarin de vuurwerkhandelaar verzoeker onder meer het volgende meedeelde:

"Hiermede informeren wij u dat wij slechts goederen retour kunnen nemen, die ongeopend, ongeprijsd en onbeschadigd zijn en verpakt in goedgekeurde UN-dozen."

Achtergrond

1. Wet Wapens en Munitie (WWM)

Artikel 49:

"De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren (algemeen opsporingsambtenaren) kunnen te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming doorzoeking doen."

2. Harteveld, A.E en H.G.M. Krabbe, De doorzoeking in de wet wapens en munitie: uniek maar onverantwoord, Delikt en Delinkwent, Gouda Quint bv, december 1997, p. 991.

"Onder doorzoeking in de zin van art. 49 WWM wordt verstaan het doorzoeken van iedere plaats waar wapens en munitie kunnen worden vermoed. Deze bevoegdheid brengt mee dat plaatsen mogen worden betreden als kantoren, loodsen en woningen. (…) Omdat de bevoegdheid aan elke algemene opsporingsambtenaar is toegekend, die bovendien 'te allen tijde' (dus zonder nadere voorwaarden, zoals ontdekking op heterdaad of verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten) van deze bevoegdheid gebruik mag maken, biedt art. 49 WWM de opsporingsambtenaren heel veel ruimte voor een doorzoeking. Ook de jongste hulpagent mag zonder enige ruggespraak met zijn superieuren, het OM of de rechter-commissaris een doorzoeking verrichten bij de opsporing van de delicten van de WWM.

Als voorwaarde voor uitoefening geldt dat de aanwezigheid van wapens of munitie kan worden vermoed. Dat moet worden gelezen als de strafbare aanwezigheid van wapens of munitie; de bepaling geeft geen bevoegdheid tot controle van legaal wapenbezit. (…)

De grens van art. 49 WWM wordt pas overschreden als er geen redelijk vermoeden van een WWM-delict bestaat en ter plaatse geen wapens of munitie verwacht mogen worden (…).

Deze korte verkenning levert op dat art. 49 WWM in meerdere opzichten veel ruimer is dan het Wetboek van Strafvordering: de groep van tot doorzoeking bevoegde ambtenaren is veel groter en er is geen beperking aangebracht tot de meer ernstige delicten uit de WWM. Evenmin is een clausule opgenomen over de noodzaak tot doorzoeking. Tenslotte is niet voorzien in een instemmingsvereiste van een superieur of de R-C, vooraf noch achteraf."

3. Schadevergoeding

In het geval van een klacht over een besluit van een bestuursorgaan tot afwijzing van een verzoek om schadevergoeding dat kan worden onderworpen aan het oordeel van de bestuursrechter, is de Nationale ombudsman niet bevoegd.

Staat bij een dergelijke klacht de weg naar de bestuursrechter niet open, zodat de Nationale ombudsman ter zake wel bevoegd is, dan stelt de Nationale ombudsman zich terughoudend op. In dat geval is immers de burgerlijke rechter de instantie die bij uitsluiting bevoegd is om bindend te beslissen over de vraag of, op grond van bepalingen van burgerlijk recht, het betrokken bestuursorgaan is gehouden om de gestelde schade te vergoeden.

Alleen wanneer naar het oordeel van de Nationale ombudsman de aanspraak van betrokkene op schadevergoeding, gezien de gronden waarop deze aanspraak berust, zo evident juist is dat het betrokken bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn afwijzende besluit heeft kunnen komen, wordt dat besluit tot weigering van de gevraagde schadevergoeding aangemerkt als een niet-behoorlijke gedraging.

In de overige gevallen gaat de Nationale ombudsman ervan uit dat het in beginsel vrijstaat aan het betrokken bestuursorgaan om te betwisten dat het gehouden is tot het vergoeden van de gestelde schade, en om zich in verband daarmee op het standpunt te stellen dat de vraag naar die gehoudenheid - eventueel - moet worden beantwoord door de burgerlijke rechter. In die gevallen zal er voor de Nationale ombudsman geen reden zijn om het besluit tot weigering van de schadevergoeding aan te merken als een niet-behoorlijke gedraging.

Instantie: Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond

Klacht:

Op grond van artikel 49 Wet Wapens en Munitie doorzoeking verricht in videotheek; afwijzing verzoek om vergoeding schade als gevolg van doorzoeking.

Oordeel:

Niet gegrond