1999/493

Rapport

Op 2 december 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw Vm. te Lisse, ingediend door de heer en mevrouw V. te Lisse, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Hollands Midden.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden (de burgemeester van Leiden), werd een onderzoek ingesteld.

Op grond van de namens verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoekster klaagt erover dat het regionale politiekorps Hollands Midden niet adequaat is opgetreden in de nacht van 19 april 1998 te Lisse, waardoor feestelijkheden uit de hand zijn gelopen.

Voorts klaagt verzoekster over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Hollands Midden jegens haar en haar vriendinnen op 19 april 1998 zijn opgetreden. Zij klaagt er met name over dat een of meer politieambtenaren:

- haar tweemaal zonder reden in haar gezicht heeft/hebben geslagen;

- haar hebben aangehouden en overgebracht naar het politiebureau zonder haar de reden van aanhouding mee te delen;

- bij de overbrenging naar het politiebureau één van haar vriendinnen hebben geslagen en de andere vriendin in haar buik hebben getrapt;

- haar te lang - langer dan zes uur voor verhoor - hebben vastgehouden;

- door de bij haar toegepaste verhoormethode de drie vriendinnen tegen elkaar hebben uitgespeeld, en haar onder druk hebben gezet de verklaring te ondertekenen;

- haar ouders niet op de hoogte hebben gebracht van de aanhouding;

- hebben geweigerd haar een kopie van haar verklaring te geven.

Verder klaagt verzoekster over de wijze waarop het regionale politiekorps Hollands Midden haar klacht over het politieoptreden heeft behandeld. Zij klaagt er met name over dat:

- de ambtenaar die de verklaringen van haar en haar ouders over de klacht opnam zich bij het onderzoek niet onafhankelijk opstelde;

- zij het - nieuw opgemaakte - verslag van die verklaringen niet ter inzage hebben gekregen.

Ten slotte klaagt verzoekster over de wijze waarop de korpschef van de regiopolitie Hollands Midden haar klacht bij brief van 29 oktober 1998 heeft afgedaan. Zij is het niet eens met het oordeel en klaagt er met name over dat de korpschef zich onthoudt van een oordeel omtrent de wijze van verhoor, en dat hij niet is ingegaan op het feit dat een van haar vriendinnen in de buik is getrapt.

Achtergrond

1.1. Artikel 2 van de Politiewet 1993 luidt als volgt:

"De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven."

1.2. Artikel 25 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar luidt als volgt:

"De ambtenaar draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat personen die door drankgebruik, dan wel door andere oorzaken, onmiddellijk gevaarlijk zijn, hetzij voor de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, hetzij voor zichzelf, op de meest geschikte wijze van openbare plaatsen als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties, worden verwijderd. Onder openbare plaatsen worden mede verstaan vervoermiddelen die zich bevinden op deze plaatsen, een en ander voor zover niet gebezigd als woning..."

2. Enkele in deze zaak relevante artikelen uit het Wetboek van Strafrecht (Sr.) zijn in deze zaak:

"Artikel 180.

Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie."

"Artikel 184.

1. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.(...)"

"Artikel 185.

Hij die bij een terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en na het door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de tweede categorie."

3. Met betrekking tot het geweldgebruik.

3.1. Artikel 8, lid 1 van de Politiewet 1993 (Wet van 9 december 1993, Stb. 724) luidt als volgt:

"1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf."

3.2. Artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994; Stb. 275, in werking getreden op 1 april 1994) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"1. De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt dit aanwenden van geweld, de redenen die daartoe hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld schriftelijk aan zijn meerdere.

(...)

3. De melding, bedoeld in het eerste (...) lid, geschiedt binnen 48 uur in de vorm van een rapport indien:

a. de gevolgen van het aangewende geweld daartoe, naar het oordeel van de meerdere, aanleiding geven, of

b. gebruik is gemaakt van enig geweldmiddel en lichamelijk letsel dan wel de dood veroorzaakt is."

Ingevolge artikel 4 van de Ambtsinstructie is het gebruik van geweld uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar:

"a. aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop het geweldmiddel hem is toegekend, en

b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend."

Blijkens artikel 1, derde lid onder b, wordt in de Ambtsinstructie onder geweld verstaan:

"elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken."

4. Met betrekking tot de aanhouding zijn de volgende artikelen van belang:

4.1. Artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) luidt als volgt:

"1. In geval van ontdekking op heeter daad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden.

2. In zoodanig geval is de officier van justitie of de hulpofficier bevoegd den verdachte, na aanhouding, naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.

3. Geschiedt de aanhouding door een anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene ten spoedigste voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid..."

4.2. Art. 5, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 (hierna: EVRM) luidt in de Nederlandse tekst:

"Een ieder, die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal, die hij verstaat, op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht."

Art. 9, lid 2 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gesloten te New York op 19 december 1966 (hierna: IVBPR) bevat een overeenkomstige bepaling.

Beide verdragen zijn door Nederland geratificeerd.

5.1. Met betrekking tot de tijdsduur van het ophouden voor verhoor bepaalt artikel 61, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering dat de verdachte die niet in verzekering wordt gesteld of voor de rechter-commissaris wordt geleid, na te zijn verhoord dadelijk in vrijheid wordt gesteld.

Op grond van het tweede lid van dat artikel mag een verdachte niet langer dan zes uren voor verhoor worden opgehouden, met dien verstande dat niet wordt meegerekend de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens. De termijn van zes uren is een uiterste termijn en is bestemd voor verhoor. Als het verhoor binnen die termijn is beëindigd, zal dan ook onmiddellijk daarop een beslissing moeten worden genomen over de invrijheidstelling van de verdachte of over de toepassing van een ander dwangmiddel. Als het verhoor binnen de termijn van zes uren is beëindigd en geen van de vooromschreven beslissingen wordt genomen of er geen nader onderzoek wordt gedaan, met de resultaten waarvan de verdachte in een (nader) verhoor kan worden geconfronteerd, en daarmee de noodzaak tot het verhoor is komen te vervallen, moet de verdachte worden geacht niet meer "op openbaar (aan de wet ontleend) gezag" van zijn vrijheid beroofd te zijn.

Blijkens Strafvordering, Tekst &Commentaar, onder redactie van Cleiren en Nijboer, bij artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering is langer oponthoud dan zes uur slechts in twee gevallen geoorloofd, te weten wanneer tijdens het verhoor het vermoeden rijst dat de verdachte meer dan één strafbaar feit heeft begaan, en wanneer tijdens het verhoor blijkt dat een andere justitiële autoriteit de verdachte wenst te horen in verband met een eerder gerezen verdenking, waarvoor een zelfstandige aanhouding en voorgeleiding wenselijk en toelaatbaar is.

De termijn van zes uren begint te lopen op het moment van aankomst van de verdachte op de plaats van verhoor. Is de verdachte op het tijdstip waarop hij werd aangehouden dronken of bewusteloos, dan begint de termijn van zes uren pas te lopen op het moment dat de verdachte in staat is om verhoord te worden. Dit is bepaald in twee circulaires van 29 december 1928 en 31 december 1929.

5.2. Voorts is met betrekking tot het verhoor van belang artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dat luidt als volgt:

"1. In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord, onthoudt de verhoorende rechter of ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft eene verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd. De verdachte is niet tot antwoorden verplicht.

2. Voor het verhoor wordt de verdachte medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

3. De verklaringen van den verdachte, bepaaldelijk die welke eene bekentenis van schuld inhouden, worden in het proces-verbaal van het verhoor zooveel mogelijk in zijne eigen woorden opgenomen. De mededeling bedoeld in het tweede lid wordt in het proces-verbaal opgenomen."

6. Verstrekken van een kopie van proces-verbaal van verhoor.

Het recht van de verdachte van een strafbaar feit op inzage in - en een afschrift van - de stukken die op zijn strafzaak betrekking hebben is vastgelegd in de artikelen 30 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Voor zover in de onderhavige zaak van toepassing bepalen die artikelen het volgende:

- Aan de verdachte mag niet worden onthouden de kennisneming van het proces-verbaal van zijn verhoor (art. 31 sub a Sv).

- De verdachte kan van de stukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan ter griffie een afschrift krijgen (art. 34, lid 2 Sv).

7. Met betrekking tot het waarschuwen van familieleden van ingeslotenen bepaalt artikel 27 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar onder meer het volgende:

"1. Voor zover het bij of krachtens het Wetboek van Strafvordering bepaalde zich hiertegen niet verzet stelt de ambtenaar een familielid of een huisgenoot van een ingeslotene zo spoedig mogelijk op de hoogte van de insluiting. In het geval de ingeslotene minderjarig is, doet hij dit uit eigen beweging, indien de ingeslotene meerderjarig is, doet hij dit slechts op verzoek van de ingeslotene.

2. Indien de omstandigheden de uitvoering van het eerste lid niet toelaten bij een ingeslotene die geen ingezetene is, wordt de ambassade of het consulaat van het land waarin de ingeslotene ingezetene is, op de hoogte gesteld van de insluiting."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. De betrokken ambtenaren A., Br. S., H. en Pe. maakten van deze gelegenheid geen gebruik.

In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage over de klacht geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De genoemde hoofdofficier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik.

Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd de korpsbeheerder een aantal specifieke vragen gesteld, en werden de betrokken ambtenaren S., J., en Pe. nog telefonisch gehoord.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De betrokken ambtenaren K. en Pe. deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De reactie van verzoeksters/gemachtigden gaf geen aanleiding het verslag aan te vullen.

De korpsbeheerder en betrokken ambtenaren J. en S. gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1.1. In 1998 bestond de gemeente Lisse 800 jaar. In dat kader vonden rond 18 april 1998 festiviteiten plaats in Lisse. In het centrum van de gemeente was een muziektent geplaatst, en een bloemenmozaïek, dat de Nachtwacht van Rembrandt voorstelde.

Voor extra bewaking tegen vandalisme waren in de nachtelijke uren brandweerlieden aanwezig en was de politie verzocht extra toezicht uit te oefenen.

1.2. In de nacht van 18 op 19 april 1998 bevonden verzoekster en haar vriendinnen O. en E. zich na sluitingstijd van de plaatselijke horeca met een groep jongeren bij een fontein bij de muziektent in het centrum van Lisse. Zij hadden die avond een ruime hoeveelheid alcoholhoudende dranken genuttigd. Bij de fontein hielden zij een watergevecht, waarbij zij ook omstanders nat spetterden. Zij maakten daarbij lawaai. In verband met de aanwezigheid van politie en/of brandweer zongen zij liederen met voor de politie beledigende teksten. Ook riepen zij de toezichthoudende politieambtenaar J. woorden toe over zijn (politie)kleding.

1.3. Toen de groep zich in de muziektent bevond kwam politieambtenaar J. op de groep toegelopen en sommeerde hij de groep op te houden en te vertrekken. Een deel van de groep verwijderde zich. Verzoekster en haar vriendinnen bleven echter. Hierop is een en ander geëscaleerd.

Dit heeft geresulteerd in de aanhouding van verzoekster en haar vriendin O. wegens het niet voldoen aan een bevel of vordering, en van vriendin E. wegens het belemmeren van een ambtshandeling.

Verzoekster en haar vriendinnen zijn overgebracht naar het politiebureau te Noordwijk, waar zij na voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie zijn ingesloten voor de nacht. De volgende dag, op 19 april 1998, zijn zij verhoord en zijn zij na het verhoor heengezonden.

2.1. Het proces-verbaal dat naar aanleiding van dit incident is opgemaakt bevat onder meer de volgende stukken;

2.2. Een proces-verbaal van bevindingen, op 19 april 1998 opgemaakt door de heer J., ambtenaar van de regiopolitie Hollands Midden. Hierin is het volgende opgenomen:

"...aan de politie verzocht extra toezicht uit te oefenen.

Met deze opdracht was ik, J., aldaar in uniform ter plaatse en stond met wat mensen te praten. Eerder waren er een aantal meldingen geweest van enorme geluidsoverlast van schreeuwende mensen vanuit die muziektent.

Er was reeds een paar keer eerder een surveillanceauto ter plaatse geweest.

Ik zag, dat in deze muziektent een groepje jongelui zat. Ik zag, dat deze veelvuldig bier zaten te drinken, iets dat in artikel 2.48 van de Algemene Politieverordening van de gemeente Lisse is verboden. Ik heb het groepje, bestaande uit een tiental jongens een paar meisjes gevraagd op te houden met bier drinken en tevens op te houden met schreeuwen omdat er mensen overlast van ondervonden.

Aan dit verzoek werd door het merendeel voldaan en een gedeelte van deze groep ging naar huis.

Er bleef een groepje achter, waaronder een drietal meisjes. Deze bleven zeer luidruchtig en waren voorbijgangers aan het nat spetteren met water uit een fontein. Inmiddels was er wederom een melding binnengekomen van geluidsoverlast.

Ik heb dit op enige afstand gadegeslagen, in de hoop dat zij zich zouden verspreiden.

Ik stond op ongeveer 30 meter afstand en deze drie meiden begonnen met zeer luidkeels roepen naar de politie. Ze riepen onder andere: "doe je pet af en je broek naar beneden, lul; klootzak; en meer van dit soort verwensingen, die vele tientallen malen uitermate luid werden herhaald. Wie precies wat heeft geroepen is niet bekend.

Ik besloot op deze groep toe te stappen en ik heb hen in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk gemaakt dat het feest nu over was en dat zij zich diende te verwijderen. Er volgde een enorm geschreeuw en er werd duidelijk gemaakt dat zij niet van plan waren om op te houden.

Hierop heb ik op grond van het bepaalde van artikel 2.l lid 2 van de Algemene Politieverordening van de gemeente Lisse gevorderd zich te verwijderen omdat ze overlast voor de omwonende veroorzaakten. Ik werd in het gezicht gespuugd en met bier bespoten. Ze riepen dat zij niet van plan waren om weg te gaan.

Ik heb hierop een van deze meisjes (...) bij haar jas beetgepakt en trok haar van de trap van de muziektent af en duwde haar weg van deze muziektent en zei tegelijkertijd dat zij zich van deze plaats diende te verwijderen.

(...) Vm., die mij in het gezicht sloeg, onder luid roepend "klootzak". De klap kon ik net niet ontwijken en ik werd aan mijn neus licht geraakt. Toen zij wederom trachtte mij in het gezicht te slaan, heb ik haar van mij afgeduwd, waardoor zij op de grond kwam te vallen. Er ontstond een schermutseling, waarbij iedereen ter plaatse aanwezig zich ermee begon te bemoeien en waarbij verdachte O. mij eveneens in het gezicht sloeg. Zij was dermate dronken, dat deze klap niet echt "door kwam". Er dreigde een grotere ordeverstoring en ik heb per mobilofoon om assistentie verzocht.

Ik ben toen even teruggetreden en de eigenaar van de shoarmazaak ter plaatse heeft zich over deze twee meisjes ontfermd, omdat deze geheel buiten zichzelf waren. Nadat nog een aantal eenheden van de surveillance ter plaatse waren gekomen werden beide genoemde verdachten op mijn aanwijzingen door collega S. en Pe. aangehouden terzake vermoedelijke overtreding van artikel 184/180 van het Wetboek van Strafrecht.

Beide verdachten begonnen zich stevig te verzetten toen zij overgebracht werden naar de politieauto. Ik, J., heb hierbij geassisteerd.

Een derde meisje sprong een van de agenten op de nek in een poging te voorkomen dat haar vriendin werd meegenomen. Ook zij werd aangehouden terzake vermoedelijke overtreding van artikel 185 van het Wetboek van Strafrecht en overgebracht naar het bureau van politie te Noordwijk."

2.3. De processen-verbaal van aanhouding van Vm., O. en E., opgemaakt op 19 april 1998. Hieruit blijkt onder meer het volgende.

Op 19 april 1998 hielden verbalisanten Pe. en Wa. om 03.05 uur Vm. aan. Verbalisant S. hield O. op 19 april 1998 om 03.05 uur aan, en om 03.10 uur E.

Vm. werd aangehouden op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.), O. op grond van artikel 184 juncto 180 Sr. en E. op grond van 185 Sr. (zie achtergrond, onder 2.). In de processen-verbaal van aanhouding van O. en Vm. was aangegeven dat de aanhoudingen hadden plaatsgevonden op verzoek van de operationeel coördinator J. naar aanleiding van het niet voldoen aan bevel of vordering.

Ten aanzien van O. merkte verbalisant S. in het proces-verbaal van aanhouding op dat O. bij het plaatsen in het dienstvoertuig slaande bewegingen in zijn richting had gemaakt, waarop hij een corrigerende tik met zijn rechter, losse, hand had gegeven. In het proces-verbaal van aanhouding van E. was vermeld dat de aanhouding had plaatsgevonden gelet op het feit dat E. verbalisant S. - bij het overbrengen naar het dienstvoertuig van verdachte O. - had belemmerd die handeling uit te voeren. S. relateerde hierover het volgende in het proces-verbaal van aanhouding:

"...Verdachte E. pakte mij vast bij mijn rechter arm en begon hieraan te trekken. Hierbij gebruikte zij een zeer uitgebreide vocabulaire aan scheldwoorden. Hierbij heb ik verdachte E. met enige kracht weggeduwd. Na verdachte O. in het dienstvoertuig geplaatst te hebben heb ik verdachte E. eveneens aangehouden en met enige dwang in het dienstvoertuig plaats laten nemen..."

Voorts blijkt uit de processen-verbaal van aanhouding dat E., O. en Vm. na de aanhouding zijn overgebracht naar het politiebureau te Noordwijk, waar zij om respectievelijk om 03.20 en 03.25 uur zijn aangekomen en voorts om respectievelijk 03.27, 03.30 en 03.35 uur zijn voorgeleid aan hulpofficier van justitie Ra.

Blijkens de insluitingformulieren werden O. en Vm. op 19 april 1998 om 04.00 uur ingesloten, E. om 04.22 uur.

2.4.1. Processen-verbaal van verhoor van de verdachten. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van de verdachte O., dat op 19 april 1998 was opgemaakt, verklaarde O. tegenover politieambtenaar K. op 19 april 1998 om omstreeks 08.47 uur over het gebeurde in de voorafgaande nacht onder meer het volgende:

"Ik begrijp waarvan ik word verdacht en dat ik niet tot antwoorden verplicht ben. (...)

Ik weet nog dat terwijl wij, Vm. en ik daar water aan het gooien waren er regelmatig een opvallende politieauto voorbij kwam rijden. Ik ben door hun niet aangesproken. Ik heb ook niet gehoord of gezien dat anderen die daar ook stonden werden aangesproken. Terwijl ik daar stond heb ik een blikje bier gedronken.

Ongeveer na 20 minuten kwam er een politieauto naar ons toe rijden. Ze bleven bij onze groep staan die op het podium van de muziektent stond. Ik zag toen dat er een andere politieman naar hun toe kwam lopen. Ik zag dat die politieman een aantal van de groep aansprak. Ik hoorde hem zeggen dat ze weg moesten gaan. Een aantal van de groep verlieten hierna het podium en zijn naar huis gegaan.

Ik zag dat die politieauto hierna wegreed. Die politieman die lopend was ging hierna met de eigenaar van de shoarmazaak praten. Dit was denk ik op een afstand van ongeveer 30 meter bij ons vandaan. In totaal heeft hij denk een half uur bij ons in de buurt gestaan. Op gegeven moment ben ik samen met Vm. naar E. gelopen die zat op de trap naar het podium.

Met een man of vijf, zes begonnen wij toen te zingen: "Mag je pet af." Een van die jongens die bij ons stond hoorde ik zeggen "Mag je broek uit." Ik heb niet gehoord dat die politieman werd uitgescholden. Gelijk kwam deze politieman op ons aflopen.

Ik hoorde dat hij tegen ons riep dat wij weg moesten. Hij heeft dit volgens mij maar een keer gevraagd. Ik stond op dat moment achteraan in de groep. Ik heb toen niets gezegd, maar ik hoorde wel dat een aantal anderen "Nee" zeiden. Iedereen bleef vervolgens staan.

Ik zag dat die politieman hierna iemand uit de groep vanaf het podium naar zich toe trok. Ik weet niet wat de reden hiervan is geweest want ik heb niets gezien of gehoord. Ik denk dat het Vm. of E. was, die door die politieman van de trap werd getrokken. Ik denk dat het Vm. was want ik zag en hoorde later dat zij met die politieman ruzie kreeg.

Ik weet niet wie van de twee begon te slaan. Ik zag dat Vm. in haar gezicht werd geslagen door de politieman en de politieman in zijn gezicht werd geslagen door Vm. Volgens mij begon hierna iedereen te schelden. De politieman werd door mij en mijn vrienden uitgescholden voor "Klootzak, lul etc." Mijn vrienden trokken hierna Vm. uit de handen van die politieman.

Omdat ik zag dat Vm. hysterisch begon te schreeuwen en te huilen ben ik naar haar toegelopen om te kijken wat er aan de hand was. Ik zag toen dat haar lip bloedde. Ik was boos en wilde hierna verhaal gaan halen bij die politieman. Ik werd echter door een vriend van mij (...) tegengehouden voordat ik maar in de buurt van die politieman kon komen. Ik was op dat moment ook geheel over mijn toeren. Ik schreeuwde alleen maar en schold die politieman uit voor "Klootzak".

Door de eigenaar van de shoarmazaak zijn wij. E., Vm. en ik, samen met twee vrienden van ons zijn zaak ingestuurd. De politieman is daarna met mijn vrienden blijven kletsen. Kort hierna zag ik dat er nog meer politie aankwam. Die ene politieman kwam toen samen met zijn collega's naar binnen toe. Er werd mij verteld dat ik werd aangehouden en dat ik mee moest naar het politieburo. Toen ik dit hoorde moest ik huilen.

Ik wilde niet mee en probeerde me tegen te houden. Ik begreep niet waarom ik mee moest. Ik dacht dat wij alleen de shoarmazaak in waren gestuurd om te praten. Hierop pakte die politieman mij vast bij mijn kleding. Al tegenstribbelend ben ik met die politieman meelopen naar buiten toe, naar een politieauto die voor de shoarmazaak stond. Op de achtergrond hoorde ik E. schreeuwen dat ze mij niet mee moesten nemen omdat ik niets had gedaan.

Terwijl ik naar de auto liep heb ik tegen die politieman geschreeuwd dat hij mij los moest laten en dat ik niet mee wilde. Ik heb hem niet uitgescholden of zo. Bij de auto gekomen moest ik plaatsnemen op de achterbank. Omdat ik niet mee wilde haalde ik mijn rechterarm krachtig naar achteren omhoog. Ik sloeg hem omdat ik wilde dat hij mij los liet en ik niet mee wilde komen. Ik denk dat ik alleen zijn arm heb geraakt en die heb weggeslagen.

Ik werd op de achterbank geduwd. Ik zag en voelde gelijktijdig dat ik door die politieman met zijn hand in mijn gezicht werd geslagen. Erg veel pijn deed dit niet. Ik huilde op dat moment nog steeds en schreeuwde naar die politieman. Ik schold hem uit voor "Watje en Klootzak". Hierna werd het portier van de auto door die politieman dichtgegooid. Toen ik in de auto zat, zag ik dat E. op de grond werd geduwd. Wat daaraan voorafging heb ik niet gezien, omdat ik op dat moment zelf in de auto werd gezet. E. werd door een of twee politiemannen bij mij achterin de politieauto gezet. Hierna zijn wij beiden overgebracht naar het politieburo in Noordwijk."

2.4.2. Op 19 april 1998 werd om omstreeks 10.25 uur E. als verdachte gehoord. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van 19 april 1998 verklaarde zij daarin tegenover politieambtenaar H. onder meer het volgende:

"Ik weet waarvan ik verdacht word en dat ik niet tot antwoorden verplicht ben. (...)

Tijdens het drinken hebben we met de ter plaatse aanwezige fontein gespeeld. Hierbij werd door ons luidkeels geschreeuwd en gelachen. Ook werden we allemaal nat. Wij hebben ons niet met anderen bezig gehouden, dan wel lastig gevallen. Volgens mij werden er geen voorbijgangers nat gespetterd. Op een gegeven moment gingen we over tot luidkeels zingen. Ik had toen niet het idee, dat door ons gedrag overlast veroorzaakt werd. Ik stond er namelijk ook niet bij stil.

Op een gegeven moment kwam er een politieman naar ons toelopen. Deze politieman was geheel in uniform gekleed en als zodanig duidelijk herkenbaar. Hij deelde ons mede, dat wij geen bier mochten drinken op straat. Zouden we met bier drinken doorgaan, dan moesten wij daar weg. Zoals die politieman dit uitlegde, was dit voor mij duidelijk. Hij vroeg ons nog niet te stoppen met het veroorzaken van overlast. Ik ben toen direct met bier drinken gestopt. Of de anderen stopten, weet ik niet, omdat ik er niet op gelet heb.

Wij gingen door met het veroorzaken van overlast. Onder andere maakten wij opmerkingen in de richting van die politieman. Die was namelijk op een afstand van ongeveer 25 meter blijven staan. In verband met het optreden van deze politieman zijn we gaan zingen. Wij zongen luidkeels een liedje over de politie en daarin werden beledigende en kwetsende woorden gebruikt. Hierbij werden onder andere de woorden: "Lul, Klootzak en Eikel" gebruikt.

De kwetsende en beledigende woorden werden tijdens het zingen nog eens extra hard door ons benadrukt en in de richting van de aanwezige politie geroepen.

De politieman kwam op een gegeven moment weer naar ons terug en sprak direct Vm. aan. De politieman sprak haar aan over de beledigende teksten die wij gezongen hadden. Hij was hierover nogal kwaad. Dit zag en hoorde ik.

Uiteindelijk ontaarde het gesprek in een woordenwisseling. Wat de precieze inhoud van het gesprek was is mij ontgaan, omdat ik daar niet op gelet heb. Wel werd mij duidelijk dat wij in zijn ogen overlast bleven veroorzaken.

Ik kan mij niet meer herinneren of die politieman van ons gevorderd heeft om 't Vierkant te verlaten.

(...)

De politieman ging opnieuw weg en wij gingen gewoon door met schreeuwen. Wij riepen opnieuw beledigende en kwetsende teksten in de richting van die politieman. Hierbij werden de eerder genoemde woorden gebruikt.

Inmiddels waren er wel een aantal mensen die weggingen.

Wij met z'n drieën bleven samen met nog enkele anderen staan. Wij maakten geen enkele aanstalten om weg te gaan.

De politieman kwam opnieuw naar Vm. en sprak haar aan. Wat daarbij precies gezegd werd, kon ik niet horen. Ik hoorde Vm. en die politieman tegen elkaar schelden. De politieman hoorde ik toen tegen ons roepen, dat wij van 't Vierkant weg moesten gaan. Met welke woorden hij dit precies riep kan ik mij niet meer herinneren. Het was voor mij toen wel duidelijk, dat wij daar weg moesten.

Vm. en ik gaven daar geen gevolg aan. Ik bleef zitten en Vm. bleef bij de politieman staan.

Ik zag dat er inmiddels nog twee politiemannen bij kwamen staan. (...)

Vm. werd op een gegeven moment door de politieman, waar zij mee gepraat had, weggeduwd. Dit liet zij niet toe en sloeg terug. Ik zag haar met kracht, met haar rechtervuist in de richting van het gezicht van die politieman slaan. Zij was goed kwaad en haalde haar rechterarm eerst naar achteren, om vervolgens te slaan. Volgens mij raakte zij hem niet vol, maar schampte zijn gezicht.

Ik zag, dat de politieman terugsloeg. Volgens mij raakte hij haar gezicht. Ik zag Vm. achterover vallen op straat. Vm. kwam daarbij op haar billen terecht. Ik zag dat Vm. heel erg kwaad werd en ben naar haar toe gelopen. Vervolgens begon iedereen op straat er zich mee te bemoeien. Ik heb O. toen niet meer gezien.

Met Vm. ben ik toen naar shoarma (...) gelopen en daar zijn we naar binnengegaan. Binnen bleek dat Vm. geheel over de rooie was. Van de eigenaar konden wij binnen blijven. Ik ben echter naar buiten gegaan en daar op een bankje gaan zitten. (...)

Op een gegeven moment zag ik drie politiemensen, allen in uniform gekleed, de shoarma ingaan. Enkele ogenblikken laten zag ik, dat O. samen met twee van die politiemensen naar buitenkwam. De politiemensen hadden haar bij de armen beet en zij schreeuwde heel hard. Wat zij precies riep weet ik mij niet meer te herinneren. O. werd door die politiemensen in de richting van een gereedstaande opvallende politieauto gebracht.

Ik zag, dat O. zich op straat begon te verzetten. Zij probeerde door met haar armen te worstelen en met haar lichaam te spartelen zich te bevrijden. Ook zag ik, dat zij zich met beide benen probeerde schrap te zetten. De politiemensen konden daardoor niet verder. Omdat ik zag dat O. in de problemen zat, zij werd door de politie meegenomen, ben ik naar haar toe gerend.

Eenmaal bij haar aangekomen sprak ik de politiemensen aan en vroeg of ik mee kon. Een van de politiemannen, zei dat dit niet kon. Ik heb toen O. bij haar rechterarm gepakt om zodoende te voorkomen, dat zij door de politiemensen meegenomen werd. Ik heb toen aan haar arm getrokken, in ieder geval een andere richting uit dan de politie haar wilde brengen. Het kan ook zijn, dat ik een van de politiemannen bij zijn arm gepakt heb. Zeker weten doe ik dit niet. Wel weet ik dat ik erbij gescholden heb. Ook weet ik zeker, dat ik niet om de nek van een van die politiemannen gesprongen ben.

Het lukte mij niet om O. te bevrijden en ik werd door een van de politiemensen opzij geduwd. Ik viel daarbij op de grond. Ik stond gelijk weer op en gaf die politieman een harde duw.

Hierna werd ik door een derde politieman vastgepakt en in dezelfde politieauto geduwd waar O. in moest. Ik begreep dat ik nu ook mee naar het politiebureau moest. Dit wilde ik niet en probeerde uit de auto te komen. Ik stribbelde tegen, waarna het portier dichtgedaan werd. Dit lukte in 1e instantie niet, omdat mijn voet nog niet geheel in de auto was en omdat ik tegenwerkte. Uiteindelijk zat ik geheel in de auto en bleek O. er ook in te zitten. Nadat de portieren dicht waren gedaan reden we weg."

2.4.3. Verzoekster werd op 19 april 1998 om omstreeks 13.10 uur verhoord. Uit het proces-verbaal van verhoor dat op 19 april 1998 is opgemaakt, komt naar voren dat zij tegenover politieambtenaar K. onder meer het volgende verklaarde:

"Ik weet waarvan ik wordt verdacht en dat ik niet tot antwoorden verplicht ben. (...)

We gooiden iedereen die in de buurt kwam nat. Ook de brandweermannen die voorbij kwamen lopen werden door ons nat gegooid. Ik zag dat zij het helemaal niet leuk vonden. Ze sommeerden mij op te houden. Ik lag toen helemaal in een deuk. Ik kan me voorstellen dat wij heel veel geluidsoverlast veroorzaakten omdat er door ons ook veel werd geschreeuwd.

(...) Ik kan mij nog herinneren dat er meerdere malen politie is langsgelopen. Ik zag dat er een politieman, in uniform gekleed en met de pet op, stond (...). Ik heb toen samen met die anderen beledigende en kwetsende woorden en liedjes naar die politieman geschreeuwd. Ik heb onder andere tegen hem geschreeuwd: "Fuck the police, lul, eikel, klootzak of woorden van gelijke strekking."

Ik zag toen dat die politieman naar ons toe kwam lopen. Ik stond toen nog steeds bij de fontein. Ik pakte toen met beide handen water uit de fontein. Ik ben vervolgens naar die politieman toe gerend en heb het water in zijn richting gegooid. Ik weet niet of ik hem heb geraakt. Opeens stond hij voor mij. Ik hoorde hem zeggen dat wij op moesten houden en weg moesten gaan. Ik zag dat hij boos was. Ik weet dat ik toen nogmaals tegen hem heb gezegd: "Fuck the police." Ook heb ik hem uitgescholden. Ik weet zeker dat ik niet naar die politieman heb gespuugd. Ik spuug nooit.

Ik kan me alleen nog herinneren dat ik voor die politieman stond en hem uitschold. Hierna kreeg ik een klap voor mij kop. Ik kan mij niet meer herinneren dat ik die politieman heb geslagen, maar ik kan mij wel indenken dat als hij mij geduwd heeft ik hem op dezelfde wijze terugduw. Dat is mijn normale reactie namelijk. Ten gevolge van die klap, die terecht kwam midden op mijn gezicht, kwam ik ten val. Ik kwam op mijn rug terecht.

Er kwamen toen een vijftal personen bij mij staan. Ik ben toen overeind geklommen en was op dat moment super pissed off. Ik heb die politieman toen verschrikkelijk uitgescholden. Ik was helemaal door het lint. Ook de mensen om mij heen deden daaraan mee. Ik werd toen door die politieman voor de tweede maal op mij gezicht geslagen. Deze klappen kreeg ik met de vuist. Ze deden mij erg veel pijn. Ik had op twee plaatsen mijn tanden door de lip en mij neus en wang voelen nog steeds dik en beurs aan.

Ook door deze tweede klap kwam ik opnieuw op de grond terecht. Nadat ik op was gestaan waren een aantal anderen met die politieagent aan het praten. De eigenaar van de shoarmazaak (...) nodigde mij toen uit om mee te komen naar zijn zaak. O. en ik zijn toen samen met hem meegelopen. In de spiegel in de zaak zag ik dat mijn mond bloedde. Ik heb daar een peukie en een cola gekregen.

Ik had nog niet eens mijn sigaret op toen er een aantal politiemensen de zaak in kwamen lopen. O. en E. zijn samen meegegaan in een politieauto. Ik moest in een andere politie auto plaatsnemen. Er werd mij verteld dat ik was aangehouden.

Ik kan mij absoluut niet meer herinneren dat ik die politieman in het gezicht zou hebben geslagen. Ook kan ik mij niet herinneren dat die politieman mij meerdere malen heeft gevraagd weg te gaan. Ik kan mij ook niet herinneren of ik daar buiten bier heb gedronken. Ik erken dat ik mij schuldig heb gemaakt aan strafbare feiten. Ik denk dat het "feestje" uit de hand is gelopen, door de dronken bui waarin ik verkeerde in combinatie met de stickies die ik had gerookt. Ik begrijp absoluut niet waarom ik die politieman uit ben gaan schelden. Daarentegen begrijp ik ook niet waarom die politieman er zo op in is gegaan.

Ik begrijp dat hij kwaad was en wilde dat wij weggingen, maar dat hij mij vervolgens tot twee maal toe slaat snap ik niets van."

2.5. Uit de desbetreffende ontslagformulieren blijkt dat O. op 19 april 1998 om 12.40 uur in vrijheid is gesteld; E. om 12.43 uur en Vm. om 15.15 uur.

3.1 Bij brief van 16 juni 1998 dienden verzoeksters gemachtigden namens hun dochter Vm. en haar vriendinnen O. en E. bij de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden een klacht in over het optreden van politieambtenaar J. en zijn collega's tijdens en volgend op het incident van 18 op 19 april 1998.

3.2.1. Als bijlagen bij hun brief van 16 juni 1998 stuurden verzoeksters gemachtigden onder meer een schrijven met als aanhef "Aanklacht politieoptreden". Hierin is onder meer opgenomen:

"...1. Vm. is twee keer in het gezicht geslagen door een politie-agent zonder een rechtsgeldige reden.

2. Vm. heeft langer dan - de max. toegestane termijn van - 6 uur vastgezeten, namelijk van 0.300 uur tot 15.30 uur.

3. De ondervragingsmethode.

De drie vriendinnen zijn tegen elkaar uitgespeeld. Er werden aan Vm. zogenaamde bekentenissen voorgelezen van haar twee vriendinnen, zodat zij zou toegeven, dat zij als eerste was begonnen.

Voorts is er gedreigd dat zij - als zij de bekentenissen niet wilden ondertekenen - niet naar huis mochten en weer de isoleercel in zouden moeten.

4. E. en O. zijn op weg naar het politiebureau door de politie-agenten mishandeld. E. is zelfs bij het uitstappen voor het bureau op de grond gegooid en in haar buik getrapt.

5. Er is niet redelijk gehandeld door geen contact toe te staan met de ouders van de meisjes. De hr. J. had weliswaar aan de 'volgende wacht' gevraagd of hij de ouders op de hoogte had willen brengen, echter dat is deze vergeten. Dit lijkt ons - zeker gezien het voorgaande - niet een gepaste manier van handelen."

3.2.2. Voorts bevond zich als bijlage bij de brief van 16 juni 1998 onder meer nog een verslag van Vm. van 20 april 1998, waarin zij het volgende verklaarde:

"In totaal hebben we zo'n 15 bier, 1 tequilla en 2 wodka-jus gekregen, dus een beetje aangeschoten waren we wel en nog steeds in feeststemming.

Toen zijn we weer naar het Vierkant gegaan, waar het nog aardig druk was (20/25 jongens). Daar hebben wij het watergevecht weer voortgezet en iedereen proberen nat te spetteren, wat natuurlijk flink lachen was. Ik heb daar geen bier meer gedronken!!

(...) Er liepen de hele tijd al polities rond, wat dus later brandweermannen bleken te zijn. Wij kwamen op van die liedjes, die je wel eens op de radio hoort b.v.: tuut, tuut, it's the sound of the police, tuut, tuut, it's the sound of enemy's.

Ook stond er een agent (...). Dus wij riepen: " He, doe je pet af". Toen riep iemand anders: "He, doe je broek uit". Ondertussen ging het watergevecht nog steeds gewoon door. Het was dus niet zo dat wij het op die politieagent hadden voorzien. Toen wij even uitbliezen op het trapje van de feesttent, begon die politieagent zich ermee te bemoeien. Hij sommeerde ons te stoppen en te vertrekken. Dit was de eerste keer, dat hij er iets van zei!! Ik begreep niet dat het zo serieus was, dus ik lachte gewoon. Hierop greep hij O. en mij beet en trok ons van het trapje. Nadat ik mij wilde losmaken, gaf hij mij opeens een knal met volle vuist in mijn gezicht, zodat ik achterover viel op de grond.

Iedereen werd natuurlijk verschrikkelijk kwaad, stond om hem heen te schreeuwen hoe hij het in godsnaam in zijn hoofd haalde om mij zo neer te slaan. Ik stond ook weer op en begon ook mee te schreeuwen, omdat ik totaal niet snapte waarom ik was geslagen. Toen kwam hij door de groep heen en gaf mij weer een knal met volle vuist in mijn gezicht, zodat ik weer op de grond lag. Ik snapte er niets van.

E. zei: "He Vm., je bloedt".. Toen zei O., die mij van de grond hielp: "Kom op Vm., we gaan". Bij de (...) vond ik een spiegel en zag dat er allemaal bloed uit mijn mond kwam. (tanden door lip geslagen). Ik kreeg een sigaret en een cola. Mijn halve sigaret was nog niet op of er kwamen allemaal politieagenten de (...) ingestormd. Ze namen ons mee (in twee busjes) naar het buro in Noordwijk, waar we in de isoleercel werden geplaatst. Daar ben ik dus vanaf 3 uur 's nachts tot half vier de volgende dag vastgehouden.

Ik begrijp dat we aangeschoten waren en veel lol hadden, maar dus niet waarom ik tot 2 keer toe ben neergeslagen. Ik heb zeker niet gespuugd, dat ligt niet in mijn aard. En ik ga die agent dus ook echt niet voor de gein slaan!

Ik voel me zeer in elkaar geslagen, want ik zie er dus nu totaal niet uit, met een half blauw oog, een dikke neus en een dikke wang, 2 tanden door mijn lip en een neerhangende mond.

Toen ik om 9 uur mijn cel uit werd gehaald en meegenomen werd naar de ophoudkamer, zag ik eindelijk een asbak staan. Dus ik zei: "Jeh, een shaggie". De agent: "Helemaal niet, ga jij daar maar eens zitten, je snapt zeker wel waarom je hier zit". Nou ik snapte van dit hele gebeuren dus juist niet waarom ik daar zat, nadat ik in elkaar was geslagen. Wat ik dus ook tegen hem zei. Nou, de agent zei gelijk dat er met mij niet te praten viel en dat ik nog maar eens de cel in moest gaan om het te overdenken. Om 1 uur kreeg ik pas weer de kans om er uit te komen.

Toen kwam een agente mij halen. Deze zei mij, dat ik zat te liegen. Ze zei: "Je liegt, zeg maar, dat je liegt. Durf je het niet te vertellen. Je vriendinnen hebben al gezegd dat jij de agent hebt geslagen, zeg het nou maar. Als je niet tekent, mag je ook niet naar huis".

Ik zei: "Nee mevrouw, ik zit echt dus niet te liegen, ik vertel alleen wat er is gebeurd".

Zij zei in het gesprek onder het typen: Dus jullie hebben gezegd: lul, eikel, klootzak en zongen van die kwetsende liedjes. Ik zei: "Nee, wij zongen tuut, tuut, it's the sound of the police etc. en scheldwoorden werden pas gebruikt, nadat ik door die agent was neergeslagen".

Om half vier tekende ik die verklaring, want het enige wat ik wilde was: weg van die politiecel!!"

3.2.3. Ook werd bij de klacht aan de korpsbeheerder nog een aantal foto's van Vm. meegestuurd.

4.1. Twee getuigenverklaringen werden door verzoeksters gemachtigden nagezonden aan de politie. Een getuigenverklaring van 8 mei 1998, die was ondertekend door een achttal personen, luidde als volgt:

"...Hierbij verklaren wij, dat Vm. door politieagent J. in de nacht van zaterdag 18/4 op zondag 19/4 tot 2x toe tegen de grond is geslagen.

Volgens hr. J. werd er naar hem gespuugd en werd hij door haar geslagen, terwijl hij Vm. van het trapje van de feesttent trok.

Dit is echter niet gebeurd..."

4.2. In de getuigenverklaring van 9 mei 1998, waaronder de namen en adressen van vijf personen waren geschreven, was onder meer het volgende opgenomen:

"Hierbij verklaar ik dat het volgende heeft plaats gevonden zaterdag op zondagnacht, 18-19 april, op 't Vierkant te Lisse.

Een aantal jongeren, waaronder Vm., E. en O., stonden op de trap bij het muziekpodium op 't Vierkant. Politieman J. kwam op ze afgestormd en trok twee dames hardhandig van de trap af. Vm. zei tegen hem "doe even normaal" waarop hij haar in haar gezicht sloeg. Vm. heeft geprobeerd hem terug te slaan waarop hij haar met volle vuist nog een keer in haar gezicht sloeg. Hierbij viel zij achterover op de grond.

Toen twee dames van de trap werden getrokken heeft Vm. niet naar de politieman gespuugd en zij heeft niet als eerste geslagen, zoals politieman J. heeft verklaard."

5.1. In het kader van het onderzoek van de politie naar verzoeksters klacht maakte de klachtenbehandelaar van de regiopolitie Hollands Midden, de heer R., op 9 september 1998 een rapport op. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

"Overleg met het Openbaar Ministerie:

Op 4 augustus 1998 heb ik kontakt gehad met de Parketsecretaresse (...) over de inhoud van de klacht en het feit dat proces-verbaal was opgemaakt. Daar de afgelegde verklaring tijdens het politieverhoor afweek van de verklaring van de dochter van klaagster (...) adviseerde zij mij om de ouders (klagers) met schriftelijke toestemming van hun meerderjarige dochter haar verklaring te laten lezen voor hun beeldvorming.

Op woensdag, 12 augustus 1998 hebben de klagers V. na overhandiging van een schriftelijke verklaring van hun dochter Vm. haar verklaring, die zij na haar aanhouding bij de politie heeft afgelegd, gelezen.

Na het lezen van de verklaring is deze door mij weer ingenomen.

(...)

Korte omschrijving van de klacht:

De klagers mevrouw V. en de heer V. beklagen zich over het feit dat de politie zich laakbaar heeft gedragen; niet adequaat is opgetreden en daarna onrechtmatige handelingen heeft toegepast.

De grieven van klagers richten zich op:

1. Het niet adequaat optreden en het uit de hand laten lopen van feestelijkheden in de nacht van 18/4 op 19/4 te Lisse.

2. Vm. is twee keer in het gezicht geslagen door een politieagent zonder een rechtsgeldige reden.

3. Vm. heeft langer dan 6 uur vastgezeten voor verhoor.

4. Door de toegepaste verhoormethode zijn de 3 verdachten tegen elkaar uitgespeeld.

5. De vriendinnen van Vm., E. en O. zijn tijdens het overbrengen naar het politiebureau te Noordwijk mishandeld.

6. Er is door de politie niet redelijk gehandeld door kontakt tussen de verdachten en hun ouders te weigeren.

Verhoor klagers mevrouw V. en de heer V.:

Nadat ik klagers op woensdag, 12 augustus 1998 de inhoud van hun klacht had medegedeeld en zij de verklaring van hun dochter Vm., die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek was afgelegd, hadden gelezen verklaarden zij het volgende:

"Wij hebben de verklaring van onze dochter gelezen, maar dat heeft geen wijziging gebracht in ons standpunt met betrekking tot de ingediende klacht.

Wij zijn bijzonder teleurgesteld in het feit dat de politie te laat is opgetreden. (...) Na het cafe-bezoek zijn de meiden naar een plein gegaan, het 't Vierkant in het centrum van Lisse en hebben daar de feestelijkheden voortgezet. Dit ging onder andere gepaard met het gooien van water uit een fontein. Daarbij werd gelachen en gezongen. Het was gewoonweg een uitbundig feest. Het werd echter wel steeds heftiger en het ontaardde op een gegeven moment in wat ballorigheid, maar zeker niet in agressiviteit. Politieman J., die daar in de buurt was heeft het schouwspel te lang op zijn beloop gelaten, want toen hij er wat van zei keerden de feestvierders zich tegen hem en begonnen liedjes te zingen, waardoor hij zich kennelijk beledigd voelde. Deze man heeft de situatie niet goed ingeschat; hij heeft zich veel te lang laten frustreren en had zich daardoor niet meer in de hand.

Hij had veel eerder en adequater moeten optreden dan was het nooit zover gekomen.

Nu krijgen de meisjes de schuld, maar de oorzaak ligt aan het niet professioneel optreden van J. Achteraf denken wij dat het beter was geweest als hij op tijd om assistentie had gevraagd.

Toen de dames even op een trapje van een feesttent uitbliezen, kwam agent J. naar hen toe en sommeerde hen te stoppen en naar huis te gaan. Doch toen de meiden daar niet direct aan voldeden werd Vm. door J. bij haar arm gepakt en van het trapje getrokken. Hiertegen verzette zij zich en toen zij zich wilde losmaken kreeg zij van J. een volle vuistslag in het gezicht en later nog een keer.

Wij vinden dat hij daarmee volledig zijn boekje te buiten is gegaan. Een politieman hoort zich aan de geweldsbepalingen te houden en zeker niet een meisje in het gezicht te stompen.

(...)

Toen Vm. aan de beurt was om een verklaring af te leggen vroeg zij aan de agente waarom zij werd vastgehouden. Zij was namelijk in elkaar geslagen door politieman J. en dus slachtoffer en geen verdachte. Hierop werd direct gezegd dat zij maar weer terug moest in de cel omdat Vm. niet aanspreekbaar zou zijn.

Wij zijn er van overtuigd dat Vm. wel degelijk aanspreekbaar was; anders had zij niet uitdrukkelijk gevraagd waarom zij werd vastgehouden. Alleen was zij het niet eens met de gang van zaken.

Door deze inschattingsfout van de politie werd Vm. tot 15.30 uur vastgehouden, terwijl haar vriendinnen rond het middaguur al in vrijheid zijn gesteld.

Wij stellen dat de politie hiermee haar bevoegdheid heeft overschreden en onze dochter onrechtmatig lang heeft vastgehouden waardoor zij enige tijd van haar vrijheid werd beroofd.

Verder heeft zij haar verklaring niet in vrijheid afgelegd. Steeds werd zij geconfronteerd met de verklaringen van de andere meisjes waardoor zij onder druk werd gezet en maar moest toegeven dat zij als eerste met slaan was begonnen.

Deze verhoormethode achten wij onjuist en afkeurenswaardig.

Voorts is gedreigd dat zij de cel weer in moest indien zij haar verklaring niet zou ondertekenen. Dit gaat alle perken te buiten; de politie heeft hiermee haar bevoegdheden ruim overschreden. (...) Wij hebben de indruk dat de politie de ene fout na de andere heeft gemaakt.

Van E. en O. hoorden wij dat zij tijdens het overbrengen naar het politiebureau in Noordwijk door politieagenten zijn mishandeld. E. is bij het uit de auto stappen voor het politiebureau op de grond gegooid en in haar buik getrapt.

Verder beklagen wij ons erover dat wij als ouders niet door de politie op de hoogte zijn gebracht van wat er die nacht is gebeurd en waarvan onze dochter werd verdacht. Vm. is dan wel strafrechtelijk meerderjarig, maar daar zij nog thuis woont hebben wij er recht op om te weten was er is gepasseerd.

Wij zijn er van overtuigd dat de politie de zaak opvoedkundig volkomen verkeerd heeft aangepakt. Haar optreden heeft bij onze dochter en haar vriendinnen grote schade aangericht.

Enkele dagen na deze affaire is Vm. aan het politiebureau in Noordwijk geweest om een kopie van haar verklaring op te halen. Deze heeft zij niet meegekregen. Een kopie van haar eigen verklaring werd geweigerd.

Daarna hebben wij als ouders kontakt opgenomen met de Ombudsman en de Rechtswinkel. Van deze instanties hoorden wij dat men wel een kopie van de eigen verklaring of aangifte mag meekrijgen.(...)

Wij zijn zeer teleurgesteld in de politie en geschokt over haar optreden.

Ondanks het feit dat wij er niet bij zijn geweest zijn wij ervan overtuigd dat Vm. en haar vriendinnen tegenover ons de waarheid hebben gesproken. (...)

Verhoor klaagster Vm.:

Nadat ik klaagster op dinsdag, 18 augustus 1998 de inhoud van de klacht had medegedeeld verklaarde zij mij in het bureau van politie te Lisse in bijzijn van haar moeder het volgende:

"In de nacht van 18 op 19 april 1998 ben ik door de politie aangehouden omdat ik van een strafbaar feit werd verdacht. Ik kan mij zelf niet indenken dat ik mij toen schuldig heb gemaakt aan iets strafbaars. (...)

Toen ik mij met mijn vriendinnen na sluitingstijd van de horecabedrijven buiten op het feestterrein bevond heb ik daar gezongen en met water uit de fontein gespetterd. Ik heb toen beslist geen beledigende liedjes gezongen. (...) Toen ik op een gegeven moment met nog een aantal vrienden op het trapje van de feesttent zat om uit te blazen, kwam de agent naar ons toe en trok mij van de trap af. Ik begrijp nog niet waarom hij mij moest hebben. Omdat ik er niet van gediend was dat ik van de trap af moest heb ik tegengewerkt. Daarop kreeg ik een paar harde stompen in mijn gezicht, waarbij de tanden door mijn lip gingen. Naderhand was mijn gezicht ook een beetje opgezet.

Er is echter geen dokter bij geweest.

Ik heb de agent beslist niet gespuugd of geslagen. Verder verwijs ik naar mijn verklaring, die ik bij de klacht van mijn ouders heb gevoegd.

Toen ik de volgende morgen werd gewekt en vervolgens werd meegenomen naar een kamer vroeg ik aan de begeleider waarom ik hier zat. Hij zei zoiets van: "Jij begrijpt zelf toch wel waarvoor jij hier zit". Ik zei toen: "Wel nee, ik ben geslagen door een politieagent. Daarop zei hij: "Ga jij maar weer terug in je cel; met jou valt nog niet te praten", althans woorden van gelijke strekking.

Daarna bracht hij mij terug in de cel.

Op een gegeven moment hoorde ik dat mijn vriendinnen, die ook door de politie waren meegenomen, naar huis mochten. Ik moest toen nog geruime tijd wachten voordat er weer iemand bij mij kwam. Ik had geen idee hoe laat het toen was.

Door een vrouwelijke agent werd ik vervolgens verhoord. Het kan best zo zijn dat zij tegen mij gezegd heeft dat ik niet tot antwoorden verplicht was, maar de strekking hiervan begreep ik niet.

Ik dacht dat ik wel een verklaring moest afleggen maar niet op alle vragen een antwoord hoefde te geven.

Dit verhoor ging niet fijn. De agente probeerde mij steeds dingen te laten zeggen, die ik niet gedaan had. Zelfs werd door haar gezegd: "Jij komt niet eerder weg voordat ik precies weet wat je hebt gedaan". Ik heb toen onder druk bepaalde zaken verklaard om zo snel mogelijk uit het politiebureau te komen. Ook werd mij een paar keer gezegd dat mijn vriendinnen al bekentenissen hadden afgelegd. Later hoorde ik van mijn vriendinnen dat dat bepaald niet het geval was geweest.

Ik voel mij daardoor gemarchandeerd en onheus behandeld.

Toen mijn verklaring op papier stond werd deze mij voorgelezen en moest ik hem ondertekenen. Ondanks het feit dat ik het niet helemaal eens was met de inhoud heb ik mijn verklaring wel ondertekend omdat ik zo snel mogelijk naar huis wilde.

Naderhand heb ik met mijn vriendinnen besloten om een klacht in te dienen, want wij voelen ons onjuist behandeld door de politie. Toen wij onze klacht in de ogen van mijn ouders niet snel genoeg samenstelden, hebben mijn ouders mede namens ons de klacht ingediend. Ik heb wel op hun verzoek mijn ervaring met de politie op papier gezet. Deze verklaring is bij de klacht gevoegd en moet als juist worden gekwalificeerd, want het is gegaan zoals daar in staat.

Ik hoop dat deze klacht helderheid in de zaak brengt, maar ik ben bang dat de politie onder een hoedje speelt en ons niet serieus neemt".

Kopie van proces-verbaal van verhoor:

Op uitdrukkelijk verzoek van klaagster en haar moeder heeft Vm. een kopie van haar verklaring, die zij bij de politie heeft afgelegd meegekregen. Zij bleef er bij dat deze verklaring onder morele druk was afgelegd en geen juist beeld van het gebeurde weergaf.

Verduidelijking verklaring klagers V.:

Op woensdag, 26 augustus 1998 hebben klagers V. hun verklaring gelezen en daarop de volgende opmerkingen gemaakt:

"1. De politie heeft de aangehouden verdachten niet duidelijk gemaakt waarvoor zij werden aangehouden.

De politie wist nog niet welke feiten telastegelegd zouden worden.

Wij hebben als ouders van Vm. op zondag, 19 april 1998 bij de politie geïnformeerd waarvoor onze dochter was aangehouden.

Men kon ons daarop geen antwoord geven. Daarna hebben wij met politieman J. gesproken. Ook hij wist nog niet wat de telastelegging zou worden.

Dit bevreemdt ons ten zeerste. De politie moet toch weten waarvoor zij iemand aanhoudt.

2. Toen de meisjes (verdachten) op de trap van de feesttent zaten zijn zij niet van tevoren gewaarschuwd dat zij van de trap afmoesten en zich moesten verwijderen. Hiermee willen wij aangeven dat het optreden van de politie niet is aangekondigd.

(...)

4. Tijdens het verhoor van onze dochter door rechercheur K. is Vm. tot huilens toe verhoord. Volgens ons heeft zij haar verklaring niet in vrijheid afgelegd.

(...)

Wij hebben de stellige overtuiging dat de politie onjuist heeft gehandeld en haar bevoegdheden heeft overschreden".

(...)

Opmerking m.b.t. klaagster E.:

Klaagster E. is door mij medio augustus 1998 uitgenodigd om haar klacht toe te lichten.

(...) Op woensdag, 2 september 1998 verscheen zij alsnog aan het politiebureau in Noordwijk in bijzijn van klaagster O. en de heer V. Zij wilde toen een toelichting geven op de klacht en een kopie van haar verklaring hebben, die zij destijds als verdachte bij het politieonderzoek had afgelegd. Klaagster O. verzocht hetzelfde. Klaagsters wilden worden bijgestaan door de heer V. Ondanks het feit dat ik hen uit oogpunt van objectiviteit en zuiverheid graag alleen wenste te horen bleven zij bij hun wens/eis dat de heer V. bij het gesprek zou zijn. Hieraan is toen voldaan. Verderop wordt hierover gerapporteerd.

Verklaring verbalisant K.:

Nadat ik rechercheur K. op donderdag, 27 augustus 1998 confronteerde met de grieven van klagers de heer V. en mevrouw V. verklaarde zij mij het volgende:

"Ik kan mij niet meer in detail herinneren hoe het verhoor van verdachte Vm. is verlopen. Als uit het proces-verbaal blijkt dat ik rond 13.00 uur met het verhoor ben begonnen dan klopt dat. Vm. was toen goed aanspreekbaar. Het verhoor verliep volgens mij goed. (...) Wel hoorde ik van een collega dat zij 's morgens nog dermate onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde dat zij toen niet te horen was en ter ontnuchtering weer is ingesloten.

Volgens mij was het brigadier H. die 's morgens kontakt met haar heeft gehad.

Voordat ik met het verhoor begon heb ik voor mijn beeldvorming eerst gevraagd wat er alzo was gebeurd en de verklaringen van de andere verdachten gelezen.

Daarna heb ik Vm. eerst haar verhaal laten vertellen en vervolgens heb ik haar geconfronteerd met tegenstrijdigheden ten aanzien van de andere verklaringen.

Dit is zeker niet onder druk gebeurd. Ik heb wel getracht op grond van mijn verhoortechniek om een heldere en duidelijke verklaring op papier te krijgen.

Als gesteld wordt dat Vm. haar verklaring MOEST ondertekenen dan is dat niet juist. Je hoeft niet te tekenen maar het mag wel en als je naar eer en geweten een juiste verklaring hebt afgelegd kun je deze natuurlijk ook met een gerust hart ondertekenen. Ik zal daartoe niemand dwingen, want in principe maakt het mij niet uit of een verklaring wel of niet wordt ondertekend.

(...)

Daarna heb ik haar verklaring voorgelezen en vervolgens uitgeprint, opdat Vm. haar verklaring kon ondertekenen.

Ik kan mij niet herinneren of zij om een afschrift van haar verklaring heeft gevraagd. Ik dacht van niet.

Nogmaals wil ik erop wijzen dat Vm. haar verklaring in vrijheid heeft afgelegd en ondertekend. Wel kan ik mij voorstellen dat zij het niet prettig vond om geconfronteerd te worden met tegenstrijdige uitlatingen van de andere verdachten".

Vervolgens hoorde ik op 27 augustus 1998 brigadier van politie H.

Nadat ik hem in kennis had gesteld met de grieven van klagers, verklaarde hij mij het volgende:

Verklaring politie-ambtenaar H.:

"Ik kan mij nu weer herinneren dat ik op zondag, 19 april 1998 dienst had en 's morgens rond 10.00 uur arrestant Vm. uit de cel heb gehaald om haar te horen over een strafbaar feit, dat zij 's nachts had gepleegd. Ik weet niet precies meer hoe het gesprek is verlopen, maar ik had sterk de indruk dat zij nog onder invloed van alcoholhoudende drank en/of drugs verkeerde. Ik leidde dat af aan haar houding en haar manier van communiceren. Zij sprak onsamenhangend en begreep niet waarvoor zij was aangehouden. Ik heb haar toen direct weer ingesloten om haar roes verder uit te laten slapen.

Mijn bevindingen heb ik direct in een mutatie vastgelegd. Als zij meent dat zij niet op tijd in vrijheid is gesteld dan klopt dat niet omdat de zes uren voor verhoor zijn aangevangen toen zij was ontnuchterd. Zij is toen rond 13.00 uur door een andere collega gehoord".

Vervolgens hoorde ik op 27 augustus 1998 verbalisant Wa.

Nadat ik haar de grieven van de klagers had medegedeeld verklaarde zij het volgende:

Verklaring verbalisant Wa.:

"Ik kan mij nu weer herinneren dat ik in de nacht van 18 op 19 april 1998 samen met collega Pe. een meisje heb aangehouden en overgebracht naar het politiebureau in Noordwijk omdat zij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Als de verdachte Vm. heet kan dat wel kloppen. (...) Ik weet wel dat zij steeds schreeuwde dat zij door een politieman in elkaar was geslagen en dat bloed langs haar mond liep. (...) Ik heb geen bloed aan haar mond gezien en ook geen verwonding. Onderweg naar het politiebureau in Noordwijk en ook aan het bureau heeft zij vreselijk gescholden op collega J. Zij riep: "Die klootzak, lul", althans woorden van deze strekking.

Ik vond dat zij ladderzat was en volgens mij verkeerde zij ook onder invloed van verdovende middelen. Zij kon niet op haar benen staan en bleef maar schelden en tieren. Zij gedroeg zich erg ordinair en onopgevoed. Aan het bureau is zij netjes behandeld. (...)".

Op vrijdag, 28 augustus 1998 hoorde ik aan het politiebureau in Lisse als getuige brandweerman W. (...).

Verklaring getuige W.

Nadat ik hem had medegedeeld waarover ik hem wenste te horen verklaarde hij mij het volgende:

"In de nacht van 18 op 19 april 1998 heb ik samen met mijn collega Ru. als brandweerman, op vrijwillige basis, wacht gelopen bij een mozaïek op 't Vierkant te Lisse. (...)

Toen omstreeks 02.00 uur de horecabedrijven gingen sluiten kwamen veel bezoekers van 't Vierkant. Hierbij bevond zich ook een groepje meiden. (...)

Die meiden gingen nogal tekeer; zij waren de echte gangmakers. Volgens mij waren ze straal bezopen. Zij schreeuwden en zongen en begonnen met water te gooien uit de fontein. (...) Omdat wij daar waren ter bewaking van de mozaïek hebben wij er toen nog niet veel aandacht aan geschonken. Ik heb wel een keer gezegd: "Kap er mee, waar is dat allemaal voor nodig". Die meiden werden steeds luidruchtiger en hun gedragingen steeds heftiger. (...)

Op een gegeven moment zag ik politieman J. aankomen lopen. (...) Toen hij een rondje over 't Vierkant liep maakten die meiden vervelende opmerkingen tegen hem. Ik weet niet precies meer wat zij zeiden, maar het was niet veel fraais. Een jongen uit de groep maande de dames tot rust, maar dat hielp niets. Zij gingen hoe langer hoe meer tekeer. Ik zag dat zij tegen J. aan gingen staan. Uit de gebaren kon ik opmerken dat zij J. zaten te pesten en uit te dagen.

Vervolgens gingen twee of drie meiden en enkele jongens op de trap van de muziektent zitten.

Zij maakten toen opnieuw veel herrie door te schreeuwen en te tieren. Hier was echt sprake van geluidsoverlast en ontoelaatbaar gedrag. Toen is J. op hen afgelopen. Hij pakte een meisje bij de bovenarm beet. Dit was de grootste raddraaier. J. zei zoiets van: "Nou is het mooi genoeg geweest; naar huis jullie", althans woorden van deze strekking. Dat meisje wilde zich losrukken en begon wild om zich heen te slaan. Daarbij heeft zij een gerichte slag naar J. gemaakt. Ik weet niet of zij hem heeft geraakt, maar dat zou mij niets verbazen. Een ander meisje riep nagenoeg gelijktijdig: "Laat haar los; laat haar met rust". De anderen gingen zich er ook mee bemoeien en hebben diverse scheldwoorden naar J. geslingerd. Ik weet niet meer wat zij precies zeiden, maar het was verre van vriendelijk. Ik vind dat J. uiterst korrekt optrad en tot het laatst heeft hij getracht de rust te herstellen. Hij gaf, volgens mij, duidelijk blijk van een goed inlevingsvermogen, want hij bleef de groep tot rust manen.

Toen een griet aan J. ging hangen heeft hij haar van zich afgeduwd. Het is goed mogelijk dat hij daarbij iemand heeft geraakt. Ik ben ervan overtuigd dat hij niemand opzettelijk een tik heeft gegeven. Ik zag ook nog dat zijn pet afvloog. Hij werd behoorlijk belaagd. Ik sta er versteld van dat J. zich zo heeft ingehouden.

Hij is door de groep grof en schandalig behandeld; zij hebben het bloed onder zijn nagels vandaan gehaald. Zij moeten zich doodschamen.

Ik ben 35 jaar oud en kan best wat van de jeugd verdragen, maar wat daar op 't Vierkant gebeurde ging alle perken te buiten. De politie treft geen blaam. Zij heeft naar omstandigheden korrekt gehandeld.

Toen J. teveel in het nauw werd gedreven heeft hij op een gegeven moment om assistentie gevraagd. Even later kwam een surveillance-auto aanrijden en werden de meiden meegenomen. (...)".

Op dinsdag, 1 september 1998 hoorde ik een echtpaar, dat getuige was geweest.(...)

Verklaring getuigen M.:

Nadat ik hen had medegedeeld waarover ik hen wenste te horen, verklaarden zij het volgende:

"In de nacht van 18 op 19 april 1998 (...) liepen (wij; N.o.) (...) in de richting van 't Vierkant. Onderweg daar naar toe hoorden wij veel geschreeuw; (...)

Wat er geschreeuwd werd konden wij niet goed verstaan, maar het kwam niet erg vriendelijk over. Toen wij op 't Vierkant aankwamen zat een hele groep op de trap van de muziektent. Deze groep bestond uit jongens en meiden. Tevens zagen wij een paar brandweermannen en politieman J. (...)

De groep jongelui stond vreselijk te zuigen en te schelden naar J. (...) Wij hebben niet gezien dat de groep vernielingen pleegde, maar wij hebben wel gehoord dat zij voor enorme geluidsoverlast zorgde. Vooral stoorden wij ons aan de scheldkanonnades.

Op een gegeven moment is J. naar de groep toe gestapt. Wij hoorden toen dat hij zei: "Nu is 't wel genoeg geweest, naar huis jullie", althans woorden van gelijke sterking. De groep trok zich hier niets van aan en ging gewoon door met schreeuwen en tieren. J. heeft dat toen even aangezien en vervolgens een meisje dat op de trap zat bij de bovenarm beetgepakt. Dit meisje kennen wij niet, maar zij had wel een enorme grote bek. Toen J. haar vastpakte, gaf deze griet met haar vuist een harde lel in de richting van het gezicht van J. Wij denken dat zij J. behoorlijk heeft geraakt, want direct daarop gaf J. haar een klap terug. Dit ging zo snel dat het in een reflex moet zijn gebeurd. (...) Vanuit de groep werd toen geroepen: "Godverdomme, kijk uit klootzak", althans woorden van gelijke strekking. J. werd echt in het nauw gedreven, maar hij liet die griet niet los en duwde haar op de grond om haar onder controle te houden. Hij heeft toen beslist niet geslagen. (...) Wij hebben niet gezien dat die griet, die een klap van J. kreeg, uit haar mond bloedde. Volgens ons was zij niet gewond. (...)

Wij vinden dat de politie niets te verwijten valt en dat J., gezien de situatie, zijn boekje niet is te buiten gegaan"

Op dinsdag, 1 september 1998 meldde klaagster O. telefonisch dat zij van familie V. (eveneens klager) gehoord had dat ik haar wenste te spreken over haar klacht. Dit was juist. Ik was al geruime tijd bezig om met haar in kontakt te komen, maar dat lukte niet.

Nu maakten wij een afspraak voor woensdag, 2 september 1998 te 13.30 uur aan het politiebureau in Noordwijk. Die middag verscheen zij aan het bureau samen met de heer V. en E., die eerder had geweigerd om haar klacht toe te lichten.

Toen ik klaagster O. uitnodigde voor een toelichting op haar klacht wenste de heer V. daar als vertrouwenspersoon van O. bij aanwezig te zijn.

Ondanks het feit dat ik te kennen gaf dat ik haar graag alleen wenste te spreken moest V. er bij aanwezig zijn.

Dit is toen door mij ingewilligd, daarbij rekening houdend met de inhoud van artikel 17 van de Klachtenregeling.

Verhoor klaagster O.:

Nadat ik haar had medegedeeld waarover ik haar wenste te horen, verklaarde zij dat zij zich niet goed meer kon herinneren wat zij als verdachte bij de politie had verklaard.

Zij wenste nadrukkelijk een afschrift van deze verklaring.

Nadat ik haar de verklaring had overhandigd heeft zij deze gelezen. Daarbij las de heer V. mee. Ik zag dat V. haar enkele keren aantikte en op bepaalde zinsneden in haar verklaarde wees. Ondertussen maakte de heer V. ook wat aantekeningen in een schrijfbloc.

Nadat klaagster O. haar verklaring had gelezen gaf zij in grote lijnen haar visie op het gebeurde; doch zij verzocht, mede op aandringen van de heer V., of zij schriftelijk mocht reageren op haar klacht.

Daar de sfeer aanvankelijk enigszins gespannen was en ik het onderzoek niet wilde frustreren heb ik hiermee ingestemd. Haar schriftelijke reactie op de klacht zal als bijlage bij dit rapport worden gevoegd.

Verhoor klaagster E.:

Vervolgens hoorde ik klaagster E. in bijzijn van de heer V.

E. wenste ook een kopie te ontvangen van haar verklaring, die zij als verdachte bij de

politie had afgelegd. Deze heeft zij evenals klaagster O. gekregen. Vervolgens wenste ook zij schriftelijk op de klacht te reageren. Ik heb hiermee ingestemd; echter met het verzoek om enige spoed te betrachten daar ik het onderzoek wenste af te ronden.

Mij werd door de heer V. toegezegd dat ik nog dezelfde week de schriftelijke reacties zou ontvangen.

Deze worden dan als bijlage bij dit rapport gevoegd.

Opmerking rapporteur:

Ik heb sterk de indruk dat de verklaringen van klagers min of meer op elkaar zijn afgestemd onder invloed van de heer en mevrouw V., ondanks hun regelmatige opmerking dat men volledige opening van zaken wenst. Ik zet daarom een vraagteken bij de zuiverheid en onbevangenheid van deze verklaringen. Naar mijn mening heeft V. een mobilisatie-tactiek toegepast.

Ik ben zo objectief mogelijk gebleven en heb zo veel mogelijk distantie bewaard, doch ik had het gevoel dat men mij enigszins wantrouwde omdat ik ook tot de politie behoor.

Op donderdag, 3 september 1998 hoorde ik verbalisant J.. Nadat ik hem de grieven, die op hem van toepassing waren, had medegedeeld verklaarde hij het volgende:

Verklaring verbalisant J.:

"(...) Toen ik daar rond 02.00 uur (...) lopend aankwam hoorde ik veel geschreeuw en herrie. Ik zag dat twee meisjes vreselijk te keer gingen en een enorme grote smoel hadden, zowel naar mij als naar andere aanwezigen. Volgens mij waren dat Vm. en E. Omdat ik wilde voorkomen dat andere mensen, waaronder zeker enige buitenlandse gasten, zich langer aan het impertinent gedrag en ordinaire geschreeuw van deze meiden zouden ergeren, ben ik naar hen toegelopen en heb deze dames uitdrukkelijk verzocht zich wat rustiger te gedragen. Hierop kreeg ik onmiddellijk een grote bek terug. Zij zeiden tegen mij: "Bemoei jij je met je eigen zaken; wij doen wat we willen, want wij wonen in een vrij land", althans woorden van gelijke strekking. Om de zaak niet op de spits te drijven ben ik op enige afstand gaan staan in de hoop dat zij alsnog aan mijn verzoek zouden voldoen. Dit deden zij echter niet. Zij gingen door met schreeuwen en begonnen met nog een paar anderen beledigende liedjes te zingen. Onder andere hoorde ik: "Agent doe je broek van je reet". Ik zag vlak bij mij een paar brandweermannen staan, die op dat moment niets deden. Aan hun gezichtsuitdrukking zag ik wel dat zij zich ook enorm ergerden aan het gedrag van de aanwezige jeugd.

Nadat ik de zaak een tijdje had aangezien ben ik opnieuw naar de groep toegegaan. Zij zaten toen op de trap van de muziektent. Opnieuw vroeg ik of het wat rustiger aan kon, maar toen daarop niet gereageerd werd, heb ik een meisje bij de bovenarm gepakt. Het is goed mogelijk dat dit Vm. was, maar dat weet ik niet. Ik kende haar niet. Omdat zij een enorme grote mond had, trok ik haar van de trap. Ik wilde met deze handeling trachten de groep naar huis te krijgen. "Tijdens mijn optreden riep ik luid en duidelijk: "Nu is het echt afgelopen; wegwezen, nu", althans woorden van deze strekking. Terwijl ik dat meisje van de trap aftrok, sloeg zij met haar vuist hard in de richting van mijn gezicht.

Ik kon mijn hoofd nog net afwenden, waardoor de vuistslag langs mijn gezicht schampte. Hierop haalde ik in een reflex uit en sloeg haar in het gezicht.

Voor zover ik mij kan herinneren gebeurde dat met mijn vlakke hand. Ik zal normaal nooit een vrouw slaan, tenzij ik zelf een dreun krijg. Ik kom eerlijk voor de waarheid uit; ik heb haar inderdaad een klap in het gezicht gegeven. Kort daarna zag ik een beetje bloed in haar mond toen zij opnieuw begon te schreeuwen en te vloeken. Op dat moment werd ik behoorlijk door de groep belaagd. Zij grepen mij vast op het moment dat ik dat meisje nog vast had en op de grond duwde om haar onder controle te houden. Hoe het verder is gegaan weet ik niet precies, want alles ging erg snel. Ik kan mij wel herinneren dat ik de eigenaar van de shoarmazaak (...), die in de buurt was, heb verzocht om die twee meiden mee te nemen, om te voorkomen dat de zaak verder uit de hand zou lopen. Daarop heb ik om assistentie gevraagd om tot aanhouding van de twee raddraaiers te kunnen over gegaan. Zij hadden namelijk niet aan mijn bevel of vordering voldaan; bovendien waren zij dronken en zij hadden mij beledigd. Naderhand is ook nog een derde meid aangehouden, omdat zij een vriendin wilde ontzetten en niet wilde weggaan. Zij is toen door een collega weggeduwd, waarbij zij op de grond viel. Zij is beslist niet geslagen.

Ik heb de ouders niet in kennis gesteld van de aanhouding en de strafbare feiten, die zijn gepleegd, omdat het al diep in de nacht was en omdat het hier meerderjarige verdachten betrof. (...)

Als mij verweten wordt dat ik de verdachten niet heb medegedeeld waarvoor zij zijn aangehouden dan is dat niet juist. Ik heb dit wel gedaan en dat later ook aan de heer V. vertelt, maar ik heb daarbij wel aangegeven dat ik op dat moment nog niet wist onder welke artikelen de strafbare feiten vielen.

(...)

Wederhoor klager mevrouw V.;

Op grond van artikel 22 van de Klachtenregeling heb ik op maandag, 7 september 1998 klaagster mevrouw V. telefonisch medegedeeld wat de afwijkende standpunten waren van de politie ten aanzien van haar grieven.

Zij deelde mij daarop mede dat haar dat niet verbaasde maar dat de klagers bij hun grieven bleven. (...) (zie ook hierna onder A.5.2.; N.o.)

Conclusie rapporteur:

Met betrekking tot de grieven van klagers merk ik op:

1. dat uit het onderzoek is gebleken dat Vm. inderdaad een klap in haar gezicht heeft gehad van een politieman. Zij heeft daarbij een bloedend wondje aan of in haar mond opgelopen. De slag werd echter niet gegeven om haar opzettelijk te mishandelen. Het gebeurde in een reflex, maar deze handeling was niet behoorlijk.

2. dat Vm. niet onrechtmatig van haar vrijheid is beroofd. Verbalisant H. heeft dit duidelijk aangegeven en zijn bevindingen direct in een mutatie vastgelegd.

3. dat uit het onderzoek niet is gebleken dat de verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd. Er zijn niet voldoende objectieve aanwijzingen waaruit is gebleken dat de verhoormethode onjuist is geweest. Het is overigens niet uitgesloten dat de verdachten/klagers hierbij een ander gevoel hadden.

4. dat uit het onderzoek niet is gebleken dat tijdens het overbrengen van de arrestanten ontoelaatbaar geweld tegen hen is gebruikt.

5. dat het inderdaad zo is dat de politie de ouders niet heeft geïnformeerd. Het was al diep in de nacht en bovendien waren de verdachten strafrechtelijk meerderjarig. Het was echter zorgvuldiger geweest om de ouders wel in kennis te stellen.

6. dat het juist is dat de verdachten/klagers geen kopie van hun verklaring hebben meegekregen (bij de klachtbehandeling hebben zij deze wel ontvangen van de klachtbehandelaar).

Bovendien was de informatieverstrekking aan het politiebureau omtrent het opmaken van een proces-verbaal etc. onjuist en te summier. Op dit vlak is niet behoorlijk gehandeld.

7. dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wel aan de verdachten is medegedeeld voor welk strafbaar feit zij zijn aangehouden, doch daarbij is niet het artikel van het strafbare feit genoemd. Hierbij wordt opgemerkt dat de verdachten bij een hulpofficier van justitie zijn voorgeleid. Bij deze voorgeleiding heeft de hulpofficier van justitie de verdachten medegedeeld waarvoor zij zijn aangehouden en dat zij niet tot antwoorden waren verplicht.

8. dat uit de verklaringen is gebleken dat de verdachten van tevoren duidelijk waren gewaarschuwd voor hun impertinent gedrag en dat zij zich van 't Vierkant moesten verwijderen.

(...)

11. dat de heer en mevrouw V. als klagers tijdens het gehele onderzoek bleven attenderen op het feit dat de politie haar boekje behoorlijk te buiten was gegaan en de ene fout na de andere had gemaakt. Tevens heb ik sterk de indruk dat zij de verdachten (klagers) en een aantal getuigen hebben gemobiliseerd om hun visie te ondersteunen.

Zij hebben mij niet in de gelegenheid gesteld om de andere klagers apart te horen. De heer V. wilde als vertrouwenspersoon van klagers (zelf ook klager) bij elk gesprek aanwezig zijn; echter wel met instemming van klagers zelf.

12. dat verbalisant J. de feestelijkheden niet heeft willen frustreren en getracht heeft de rust te herstellen, doch dat zijn optreden weinig effect had en dat hij daarna handelend is opgetreden."

5.2. Bij brief van 7 september 1998 brachten verzoeksters gemachtigden in het kader van "wederhoor" nog het volgende naar voren:

"Maandag 7 sept. 1998 werd ondergetekende telefonisch geïnformeerd over de "wederhoor" van de tegenpartij. (...)

Graag wil ik hierbij nog enkele kanttekeningen aan de korpschef meegeven.

De politie is mijns inziens voor, tijdens en na het proces-verbaal flink tekort geschoten c.q. zijn boekje te buiten gegaan.

1. Hr. J. laat zich frustreren en heeft zich zelf niet meer in de hand. Hierdoor gaat hij over tot onnodig geweld!

(...)

3. Geestelijke en lichamelijke mishandeling politie!

a. Arrestatie zonder opgeven van reden.

b. (...)

c. Psych. druk bij verhoor inzake proces-verbaal.

d. Terugzetten in cel Vm., 9.00-13.00 uur.

e. Te lang vasthouden Vm. (15.30 uur).

Volgens hr. R. was de juiste tijd waarop het verbaal werd afgesloten 15.25 uur.

f. 2x in gezicht gestompt Vm., waardoor zij ook nog tegen de grond sloeg.

(Tanden door lip, dik/opgezet gezicht, flinke blauwe plek rechterdij + gekneusde rechtervinger. Heeft hierdoor 20 april geen tentamen kunnen doen).

g. Tand door lip geslagen O.

h. Trap in buik E.

i. (...)

4. Geen afgifte kopie eigen verklaringen, ondanks herhaalde verzoeken.

(...)

6. Onderzoek inzake aanklacht politieoptreden.

In beginsel werd er zowel bij ondergetekende, als bij Vm. en O./E. een getuige/toehoorder geweigerd bij het verhoor, welke werd afgenomen door hr. R. Hr. R. is voor ons geen onafhankelijk onderzoeker gebleken.

Opmerking als: mw. K. is onafhankelijk, heeft niets met de zaak van doen, dus best te vertrouwen. Ik betwijfel drukuitoefening.

Het verslag van hr. R. werd ook tendentieus weergegeven.

Enkele aanvullingen/wijzigingen die in het verslag behoren te staan:

a. Zowel door ouders als Vm. werd aangeven, dat Vm. niet van te voren was gewaarschuwd. Tevens werd nadrukkelijk aangegeven dat er scheldwoorden zijn geuit, nadat Vm. was geslagen.

b. Vm. was niet bekend met hetgeen waarvan zij werd verdacht.

(Hr. J. kon ons zondagavond niet meer vertellen, dan dat zij teveel hadden gedronken, geluidsoverlast hadden veroorzaakt en schunnige taal (?) hadden geuit.

Hij wist dan ook niet wat de ten laste legging zou zijn.

c. Ondergetekende had ook duidelijk aangegeven dat Mw. K. de verklaring onder voortdurende pressie en verdraaiingen had afgenomen.

(...)

Ons is toegezegd door hr. R., dat hij de wijzigingen/aanvullingen, hem aangedragen, in een nieuw verslag zou opnemen."

5.3.1. In het kader van het klachtonderzoek deden verzoeksters gemachtigden de politie onder meer nog toekomen verklaringen van E. en O., die klachtenbehandelaar R. als bijlagen bij zijn rapport voegde. Blijkens een op 2 september 1998 geschreven verklaring bracht E. het volgende naar voren:

"...De verklaring die ik op 19 april 1998 heb afgelegd is voor het grootste gedeelte niet juist, omdat de inhoud van de verklaring mij door de brigadier van politie in de mond werd gelegd. De zin; 'Ik weet waarvan ik verdacht word en dat ik niet tot antwoorden verplicht ben.', slaat dan ook nergens op. Ik werd wel degelijk gedwongen om antwoord te geven, woorden werden letterlijk uit mijn mond getrokken om zo een mooi verhaal op papier te kunnen zetten.

De politieman ter plaatse heeft ons niet gewaarschuwd of we wilden weggaan. Hij was behoorlijk pissig over het feit dat wij voor hem waarschijnlijk beledigende teksten aan het zingen waren. In mijn verklaring blijkt dat wij wel degelijk zijn gewaarschuwd, dat is dus niet waar of moet je een klap in het gezicht een waarschuwing noemen. Dat lijkt me niet. Ook hierover een opmerking. Vm. ontving dus die klap. Vm. is 2 keer geslagen, na de eerste keer stond ze nog en sloeg om zich heen om maar van de politieman weg te komen. Dat lukte uiteindelijk ook. Niet omdat ze wegrende, nee, ze kreeg een tweede klap midden op haar lip. Hierdoor viel ze achterover.

Toen O. werd gearresteerd, heb ik me er mee bemoeid omdat ik zag dat dit niet geheel vlekkeloos verliep. Mensen werden gewoon geduwd en geslagen door de daar aanwezige politiemensen. Ik werd ook gearresteerd. Toen ik aankwam bij het politiebureau ben ik uit de auto gesleurd. Mijn voet zat achter de stoel vast dus ik lag half op de grond. De politieman schopte me in me buik omdat ik op moest schieten van hem. Waar slaat dit op?..."

5.3.2. O. liet bij schriftelijke verklaring van 3 september 1998 onder meer nog het volgende weten:

"De verklaring afgelegd op 19 april 1998 is afgelegd onder druk van de politie en er zijn tijdens het verhoor woorden in mijn mond gelegd. Daarom wil ik hierbij een aantal dingen rechtzetten en toevoegen, zodat naar mijn mening de ware toedracht naar voren komt. (...)

Op het moment de politieagent J. naar ons toeliep schreeuwde hij: "En nu gaan jullie weg". Voordat wij de kans kregen te reageren trok hij iemand van het podium af.

Ik heb gezien dat politieagent J. Vm. in haar gezicht sloeg, waarop Vm. probeerde terug te slaan.

Op het moment dat ik gearresteerd werd heb ik nooit geprobeerd weg te komen. Ik wou alleen dat de politieagent mij los liet omdat hij mij pijn deed toen hij me naar de politiewagen bracht. Op dat moment werd mij niet verteld waarom ik mee moest.

(...)

Tijdens een verhoor van ruim twee uur schreef politieagent K. mijn verhaal steeds net iets anders op. Ze verdraaide elke keer net iets mijn woorden. Elke keer moest ik haar verbeteren na twee uur was ik het spuugzat en heb ik ondertekend.

Ook omdat ik in de veronderstelling was dat ik moest tekenen al wilde ik naar huis. Dit kwam doordat Vm. weer in de cel werd gezet, en nog niet naar huis mocht.

Ik snap wel waarom het uit de hand liep. Het is uit de hand gelopen omdat politieagent J. Vm. in haar gezicht sloeg."

6. De korpschef van het regionale politiekorps Hollands Midden gaf bij brief van 29 oktober 1998 zijn oordeel over de klacht van verzoekster. In zijn brief deelde hij onder meer het volgende mee:

"De behandeling van Uw klacht heeft meer tijd gevergd dan ik U in mijn schrijven van 29 juni 1998 (...) aangaf. Ik bied U hiervoor mijn excuses aan.

Op 23 juni 1998 ontving ik Uw klacht in zake het politieoptreden in de nacht van 18 op 19 april 1998.

U klaagt in uw schrijven over het feit, dat:

a. Uw dochter twee keer in het gezicht is geslagen door een politieambtenaar;

b. Uw dochter langer haar vrijheid is ontnomen dan is toegestaan;

c. Een wijze van verhoor is toegepast waarbij de aangehoudenen tegen elkaar zijn

uitgespeeld en dat zij gedwongen werden hun

verklaringen te ondertekenen;

d. Twee vriendinnen van Uw dochter mishandeld zijn bij vervoer en

aankomst aan het bureau;

e. U niet op de hoogte bent gesteld van de aanhouding van Uw

dochter.

Door de aangewezen klachtonderzoeker is met diverse getuigen, de beklaagden en U gesproken. Om tot een goed oordeel te komen heb ik daarnaast het bedrijfprocessensysteem geraadpleegd. Het volgende is mij gebleken.

In het kader van festiviteiten te Lisse waren er in de nacht van 18 op 19 april j.l. bij het sluiten van de horeca-gelegenheden diverse personen op straat, waaronder Uw dochter en haar vriendinnen.

Een aanwezige brandweerman en een op dat moment voorbij komend echtpaar hebben verklaard, dat Uw dochter en haar vriendinnen deel uitmakend van een groep jongelui zich dusdanig gedroegen, dat zij overlast veroorzaakten, waarbij zij alcoholhoudende drank op de openbare weg nuttigden. De overlast bestond onder andere uit schreeuwen en brullen.

Uw dochter en haar vriendinnen hebben verklaard, dat zij alcoholhoudende drank hadden genuttigd en drugs hadden gebruikt. Op een gegeven moment is door de aanwezige politieambtenaar tegen opgetreden tegen de geluidsoverlast en het nuttigen van alcoholhoudende drank op de openbare weg.

Dit optreden bestond eruit, dat hij de groep duidelijk maakte, dat het genoeg was geweest en hen naar huis stuurde. Toen hier geen gevolg aan werd gegeven heeft hij Uw dochter, die op dat moment de boventoon voerde, bij haar arm gepakt. Direct hierop heeft gaf Uw dochter de betrokken politieambtenaar een harde klap in de richting van zijn gezicht. Deze klap kon hij niet geheel ontwijken, waardoor hij in het gezicht werd geraakt. Direct hierop heeft hij Uw dochter een klap in haar gezicht gegeven, waardoor Uw dochter een kleine verwonding opliep. Vervolgens werd hij door de groep belaagd en heeft hij om assistentie verzocht.

Nadat de assistentie was gekomen werden Uw dochter en haar vriendinnen aangehouden ter zake het niet voldoen aan een ambtelijk bevel/wederspannigheid en het belemmeren van een ambtenaar in functie en overgebracht naar politiebureau te Noordwijk. Tijdens het transport verzette de vriendinnen van Uw dochter zich dermate, dat een van hen een corrigerende tik in het gezicht heeft gehad.

Na aankomst op genoemd bureau zijn zij na voorgeleiding in eerste instantie ter ontnuchtering ingesloten. (...)

Vervolgens werden op zondag, 19 april j.l. Uw dochter en haar vriendinnen gehoord.

Toen de dienstdoende politieambtenaar omstreeks 10.00 uur die dag een verklaring van Uw dochter wilde opnemen constateerde hij, dat Uw dochter nog niet nuchter was en werd het verhoor uitgesteld. De verklaringen van de drie verdachten werden opgenomen door politieambtenaren, die die nacht niet betrokken waren bij de aanhouding en overbrenging. Uit het klachtonderzoek blijkt mij, dat het verhoor op de gebruikelijke wijze heeft plaats gevonden. Nadat uw dochter een verklaring had afgelegd werd zij op 19 april 1998 te 15.15 uur in vrijheid gesteld.

Gezien bovenstaande kom ik tot de volgende conclusie. Ik acht het juist, dat de betrokken politieambtenaar eerst na waarschuwingen is opgetreden tegen de geluids- en andere overlast, die op dat moment werd veroorzaakt.

Met betrekking tot de onderdelen van Uw klacht kom ik tot de volgende conclusies.

Ad a.

Uw dochter is door de betrokken politieambtenaar eenmaal in het gezicht geslagen. Hoewel ik, onder de gegeven omstandigheden hiervoor begrip kan opbrengen, acht ik deze reactie niet juist. Ik bied U hiervoor mijn verontschuldigingen aan.

Ad b.

Uw dochter werd op heterdaad aangehouden ter zake gepleegde strafbare feiten. Daar zij op dat moment dronken en onder invloed van drugs was, is zij ter ontnuchtering ingesloten. Nadat was vastgesteld, dat zij nuchter was is het onderzoek voortgezet en is een verklaring van haar opgenomen. De door U gestelde termijn van zes uur ging in op het moment, dat Uw dochter nuchter was, in casu 13.10 uur. Ik stel dan ook vast, dat Uw dochter niet langer haar vrijheid is ontnomen dan noodzakelijk was en zij binnen de termijn van ophouden voor verhoor in vrijheid is gesteld. In deze is juist en correct gehandeld.

Ad c.

Daar de verklaringen over het afnemen van het verhoor van Uw dochter tegenstrijdig zijn onthoud ik mij op dit punt van een oordeel.

Ad d.

Mij is gebleken, dat een van de andere betrokken verdachten een klap in het gezicht heeft gehad. Dit werd gedaan naar aanleiding van haar verzet en gedrag tijdens het overbrengen naar het bureau. Ik acht deze wijze van geweldstoepassing niet disproportioneel.

Ad e.

Mij is gebleken, U niet in kennis bent gesteld van de aanhouding van Uw dochter.

Op grond van artikel 27 van de ambtsinstructie voor de politie heeft deze de plicht om een huisgenoot of familielid in kennis te stellen indien de aangehouden persoon minderjarig is. Bij de aanhouding van een meerderjarige worden slechts dan andere personen, zoals familie, gewaarschuwd als hij of zij daar om verzoekt. Uit het onderzoek is mij niet gebleken, dat Uw dochter daar om verzocht heeft. In deze is er door de betrokken politieambtenaren juist gehandeld."

B. Standpunt verzoekster

De klacht van verzoekster staat - samengevat - weergegeven onder klacht.

C. reacties betrokken ambtenaren

1. Bij brief van 3 maart 1999 reageerde betrokken ambtenaar K. op de klacht van verzoekster. In haar brief bracht zij onder meer het volgende naar voren:

"In het betreffende weekend van zaterdag op zondag 18 op 19 april 1998 was ik werkzaam op de afdeling recherche en als zodanig belast met de verhoren van de aangehouden verdachten. Nadat ik mij had ingelezen in de zaak heb ik verdachte O. als éérste, van de drie aangehouden verdachten, op zondag 19 april 1998, omstreeks 08.47 uur gehoord.

Voor de aanvang van het verhoor heb ik O. medegedeeld dat zij niet tot antwoorden verplicht was. Op mijn vraag of O. wilde vertellen wat er volgens haar was gebeurd gaf zij mij antwoord en vertelde mij haar versie van het verhaal. Hierna is haar verklaring op papier gezet, aan haar voorgelezen en door ons beiden ondertekend. Het afleggen van de verklaring en de ondertekening door O. zijn geheel in vrijheid en met haar toestemming gebeurd. O. is door mij nergens toe gedwongen.

Op zondag 19 april 1998, omstreeks 13.10 uur heb ik verdachte Vm. gehoord. Aan haar heb ik, voor de aanvang van het verhoor, medegedeeld dat zij niet tot antwoorden verplicht was. Op mijn vraag of zij bereid was een verklaring af te leggen over hetgeen er volgens haar was gebeurd, gaf zij een bevestigend antwoord. Hierna is haar versie van het gebeuren, zoals zij het heeft beleefd, op papier gezet. Tijdens het verhoor van Vm. heb ik haar geconfronteerd met tegenstrijdigheden ten aanzien van de andere verklaringen. Dit is zeker niet onder druk gebeurd. Uiteraard heb ik wel getracht op grond van mijn verhoortechnieken om een heldere en duidelijk verklaring op papier te krijgen. Ik kan me daarbij voorstellen dat Vm. het niet prettig vond om geconfronteerd te worden met tegenstrijdige uitlatingen van de andere verdachten. Nadat ik de verklaring van Vm. had opgenomen heb ik deze aan haar voorgelezen. Vm. verklaarde daarbij akkoord te gaan met de door mij opgenomen verklaring waarna zij deze, samen met mij heeft ondertekend.

(...) Het afleggen van haar verklaring en haar ondertekening zijn geheel in vrijheid gebeurd. Vm. is door mij nergens toe gedwongen. Voor zover ik mij kan herinneren is door Vm. niet gevraagd om een afschrift van haar verklaring."

2. Betrokken ambtenaar J. gaf zijn reactie op verzoeksters klacht bij brief van 4 maart 1999. In zijn brief deelde hij onder meer het volgende mee:

"Voor bijzonderheden m.b.t. dit voorval verwijs ik (...) gemakshalve naar dit proces-verbaal. (...)

Door de Inspecteur van politie R. is hiertoe een uitgebreid klachtenonderzoek ingesteld, waarbij ik terzake ben gehoord. Hiervan is een verslag gemaakt, waarnaar ik verwijs. (...)

Voorts kan ik opmerken, dat wat er op de bewuste dag is gebeurd geen initiatief-aktie van de politie is geweest, maar slechts een reaktie op verbaal en fysiek geweld dat door de betrokkenen in kwestie is gebruikt."

D. Standpunt beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden

1. De beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden reageerde bij brief van 13 april 1999 op de klacht van verzoekster. Hij bracht in zijn brief onder meer het volgende naar voren:

"Kennisneming van alle verklaringen uit het proces-verbaal en het uitvoerige klachtenonderzoek, heeft de korpschef destijds en thans ook mij tot de conclusie geleid dat optreden van de politie onvermijdelijk was na de ernstige overlast die een groep jongeren veroorzaakte. Van deze groep maakten deel uit de dochter van klaagster en haar vriendinnen die zich onder invloed van alcohol en softdrugs ernstig misdroegen.

Ook de beledigende wijze waarop de betrokken politieambtenaar, de heer J., die bepaald niet uit was op een escalatie, publiekelijk door deze jongeren waaronder klaagsters dochter is bejegend, heeft de grenzen van het aanvaardbare verre overschreden.

Ik deel niet het oordeel van klagers dat de heer J. te laat en niet adequaat zou zijn opgetreden; hij heeft de jongeren aangesproken op hun gedrag, heeft zich niet door de ongepaste reactie daarop laten provoceren en even aangezien of de groep zou inbinden. Dat gebeurde helaas niet en daarop heeft hij andermaal de jongeren aangesproken en toen daarop niet gereageerd werd heeft hij ze weggestuurd, waarbij hij de dochter van klaagster bij de arm heeft gepakt om haar daadwerkelijk te verwijderen. Zij verzette zich daartegen echter met geweld, waarna verdere escalatie volgde.

De heer J. hoefde er niet van uit te gaan dat zijn optreden dit gevolg zou krijgen. In situaties als deze is het met enige drang optreden tegen vervelende, overlast veroorzakende jongelui door een ervaren politieman doorgaans voldoende. Een reactie als van klaagsters dochter is nog steeds uitzondering.

Inzake mijn standpunt tot de meer specifieke klachten over optreden van de betrokken politieambtenaren verwijs ik U voor wat betreft het vermelde achter de eerste vijf aandachtsstreepjes naar het rapport van de klachtenbehandelaar en mijn schrijven d.d. 29 oktober 1998 (bedoeld wordt de brief, weergegeven onder A.6.; N.o.) (...).

Voor wat betreft het zesde aandachtsstreepje merk ik op dat de dochter van klaagster inderdaad geen kopie heeft ontvangen. Zij heeft daar ook niet om gevraagd en het is haar dus ook niet geweigerd. Tijdens de klachtenbehandeling is een kopie van deze verklaring desgevraagd versterkt. (zie (...) de rapportage van de klachtbehandelaar)

Voor wat betreft de bezwaren tegen de behandeling van de klacht, deel ik U het volgende mede.

Allereerst wordt gesteld dat de klachtenbehandelaar zich niet onafhankelijk zou hebben opgesteld. Ik deel dat oordeel niet. De klachtenbehandelaar, de heer R., heeft daar de contacten met de heer en mevrouw V. niet al te soepel verliepen, tijdens het onderzoek een aantal malen contact opgenomen met de klachtencoördinator in het korps. Hierbij toetste hij de door hem te zetten stappen in het onderzoek aan het oordeel van laatstgenoemde. Ook door deze contacten staat vast dat de heer R. bij de behandeling van deze klacht steeds heeft getracht om iedere schijn van partijdigheid te vermijden. Op basis van de ervaring met de vele door de heer R. verrichte klachtenonderzoeken, kan ik U verzekeren dat hij zich daarbij steeds onafhankelijk opstelt ten opzichte van klagers en de betrokken politieambtenaren. Ik acht dit onderdeel van de bij U ingediende klacht dan ook niet gegrond.

Vervolgens wordt geklaagd dat zij het - nieuw opgemaakte - verslag van de verklaringen van klagers niet ter inzage hebben gekregen; ik tref deze verklaringen evenwel aan in het bij Uw schrijven gevoegde dossier dat U door klaagster ter beschikking is gesteld.

Ten aanzien van bedenkingen over de wijze waarop de klacht door de korpschef bij eerdergenoemde brief is afgedaan, wil ik het volgende opmerken.

In Uw samenvatting daarvan heeft U niet opgenomen het ongenoegen van klagers over het feit dat de korpschef er begrip voor op kan brengen dat de heer J. dochter Vm. heeft geslagen. Toch wil ik ook daarop ingaan waarbij ik allereerst onder Uw aandacht breng dat hij óók heeft aangegeven dat hij deze reactie op de eerdere klap in het gezicht van de heer J. niet goedkeurt en dat hij klagers daarvoor zijn verontschuldigingen heeft aangeboden.

Ik voeg daaraan toe dat ik van oordeel ben dat bij de beoordeling achteraf of optreden behoorlijk is geweest niet alleen gekeken moet worden naar de ideale standaard van handelen maar ook of dit blijft binnen grenzen van wat onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze van politiemensen verwacht mag worden. Gelet op alle verklaringen uit het proces-verbaal en het klachtenonderzoek, ben ik van oordeel dat de heer J. die grenzen niet overschreden heeft en ook dat diende in het oordeel van de korpschef over de klacht niet onvermeld te blijven.

Voorts wordt er bezwaar gemaakt dat de korpschef zich onthouden heeft van een oordeel over de wijze van verhoor.

Ten aanzien hiervan zij het volgende opgemerkt. Noch de verklaringen van verdachten in het proces-verbaal, noch de verklaringen van de rechercheur over de wijze van verhoor, geven enige aanleiding om te veronderstellen dat er bij het verhoor van klaagster en haar vriendinnen druk zou zijn uitgeoefend. Het is de korpschef niet ontgaan dat daarentegen de verklaringen achteraf van de drie vriendinnen grotendeels met elkaar overeenkomen, zoals mevrouw V. thans terecht stelt.

Het onderzoeksrapport beschrijft evenwel ook de wijze waarop de verklaringen van de vriendinnen in de klachtenprocedure tot stand zijn gekomen (...) en de indruk die de klachtenbehandelaar daaraan wel moest overhouden. Hoewel de korpschef de overtuiging had dat er géén druk bij het verhoor is uitgeoefend heeft hij gemeend zich van een oordeel te moeten onthouden en daarbij te volstaan met de overweging dat de verklaringen tegenstrijdig zijn.

Tenslotte wil ik het volgende onder Uw aandacht brengen.

De korpschef heeft zich in de klachtenprocedure onthouden van een reactie op de wijze waarop de ouders van Vm., mevrouw V. en de heer V., het gedrag van dochter Vm. en haar vriendinnen hebben benaderd. Ik heb er begrip voor dat zij voor hun dochter opkomen en hun recht als ouders om te klagen over het optreden van de politie tegen hun dochter, staat niet ter discussie. Wat mij evenwel opvalt, is de onbalans. Uit de verklaringen van ouders tijdens de klachtenbehandeling klinkt geen enkele afkeuring door van het gedrag van Vm. en haar vriendinnen. Daarvoor heb ik geen begrip. Handhaving van normen en waarden kan niet alleen van de overheid i.c. de politie komen; ook ouders hebben daarbij een rol te vervullen; de wijze waarop Vm.'s gedrag, ook tegenover de heer J., wordt gebagatelliseerd en goedgepraat, getuigt daar niet van.

Ik hoop dat U - daargelaten uw oordeel over de behoorlijkheid van het handelen van de politie - ook aan dit aspect van deze klacht in Uw eindoordeel aandacht wilt besteden."

2.1. Bij zijn reactie deed de korpsbeheerder als bijlagen toekomen enkele afschriften van desbetreffende mutaties, een afschrift van het proces-verbaal (zie hiervoor, onder A.2.) en van het klachtdossier (zie hiervoor, onder A.5.).

2.2. Een mutatie van 19 april 1998, gerapporteerd door politieambtenaren K. en H. luidt als volgt:

"...VE O. in vrijheid gesteld om 12.40 uur

VE E. in vrijheid gesteld om 12.43 uur

VE Vm. bleek omstreeks 10.00 uur nog niet te horen. Was op dat moment nog dermate onder invloed van alcohol dat verhoor niet mogelijk was. Verhoor vervolgens uitgesteld tot 13.10 uur en in vrijheid gesteld om 15.15 uur!

(Uit verhoor bleek VE een grote hoeveelheid alcohol in combinatie met softdrugs gebruikt te hebben)

(...)

OPM:

-------

Belde om 14.50 uur de moeder van VE Vm. VE overweegt een klacht in te dienen nav het politie-optreden van de afgelopen nacht - haar doorverwezen!..."

2.3. In het klachtdossier bevond zich onder meer nog een ambtsbericht van 29 september 1998, waarin de chef van het district Duin en Bollenstreek Noord van de regiopolitie Hollands Midden onder meer het volgende meedeelde aan de korpschef van de regiopolitie Hollands Midden:

"De klaagsters Vm., E. en O. hebben zich onbehoorlijk gedragen. Zij hebben zich schuldig gemaakt aan het verstoren van de openbare orde, het niet voldoen aan een bevel of vordering, het beledigen van een ambtenaar in functie en het nuttigen van alcoholhoudende drank op de openbare weg, terwijl dit volgens de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente Lisse verboden is.

Medewerker J. heeft een klap in het gezicht gegeven van klaagster Vm. Zij heeft hierbij gering letsel aan haar mond opgelopen. Getuigen verklaren dat zij zich tegen J. verzette en hem een klap gaf.

Geplaatst in het kader van de gebeurtenissen en het impertinente gedrag van klaagster ben ik van mening dat het geweld achterwege had moeten blijven, maar dat dit niet disproportioneel of onrechtmatig van aard is geweest.

De ouders zijn niet ingelicht over de insluiting van hun dochters en de strafbare feiten gepleegd door hun meerderjarige dochters. Bij meerderjarige verdachten geldt geen meldingsplicht.

J. heeft in deze gemeend om de ouders toch te moeten informeren, maar het is helaas niet gebeurd. Ik betreur het dat deze positieve intentie uiteindelijk niet is uitgevoerd.

De verdachten hadden na het afleggen van hun verklaringen, op hun verzoek, een kopie van deze verklaringen moeten krijgen. Dit is helaas niet gebeurd.

Tevens ware het beter geweest dat expliciet was aangegeven voor welke strafbare feiten de verdachten waren aangehouden; dit ondanks de voorgeleiding bij een hulpofficier van justitie, die de bevoegdheden en de strafbare feiten heeft getoetst en de verdachten daarover heeft aangesproken.

Gezien de feestelijkheden in Lisse is medewerker J. op grond van zijn inlevingsvermogen niet te laat handelend opgetreden.

Hij heeft duidelijk getracht de rust te herstellen, maar toen dat niet lukte is hij tot actie overgegaan.

De groep, doch in ieder geval de klaagsters waren niet aanspreekbaar en voor rede vatbaar. Wellicht heeft het overmatige alcoholgebruik en drugsgebruik hier een rol in gespeeld.

(...)

Ten aanzien van klaagster Vm. is de beslissing genomen dat zij ter verdere ontnuchtering langer dan 6 uur is ingesloten.

Met betrekking tot de overige grieven van klagers meen ik te mogen stellen dat de politie niet verwijtbaar heeft gehandeld.

Overigens heb ik er behoefte aan om te melden dat de verdachten zich zeer impertinent hebben gedragen zowel in de richting van de politie als naar andere aanwezigen op het plein in Lisse. Voorts zijn de ouders van Vm. - tevens klagers - niet bij de orderverstoring geweest, maar hebben hun grieven kenbaar gemaakt op grond van wat zij hebben gehoord."

E. Reactie verzoekster

Verzoeksters gemachtigden brachten bij brief van 4 juni 1999 hun commentaar op de door de korpsbeheerder en de betrokken ambtenaren verstrekte informatie naar voren. In hun brief deelden zij onder meer het volgende mee:

"Allereerst zullen wij ingaan op de punten waarmee we het niet eens zijn uit de reactie van de korpsbeheerder, d.d. 13 april j.l. Hiernaast zijn er nog een aantal feiten die uit de (...) toegezonden stukken naar voren kwamen, die door de politie onbesproken blijven, terwijl wij van mening zijn dat hieraan zeker niet voorbij mag worden gegaan.

1. "Zij verzette zich daartegen echter met geweld"

Uit de getuigenverklaringen van 8 en 9 mei 1998 blijkt het tegendeel. (...) (In; N.o.) het klachtrapport zegt de heer J. dat zijn gezicht slechts geschampt werd en dat hij in een reflex Vm., een 19-jarig meisje, een klap in het gezicht gaf. Het feit dat de heer J. zich niet meer herinnert of dit met de vlakke hand gebeurde of niet en bovendien spreekt van een reflex vinden wij afkeurenswaardig gezien de taak van een ervaren politieambtenaar. Bovendien gaat het niet om een, maar om twee vuistslagen wat zijn verklaring van de reflex nog ongeloofwaardiger maakt.

2. De korpsbeheerder (...) verwijst voor een groot deel van onze klacht naar het klachtrapport en de bijbehorende conclusie. Dit rapport was voor ons juist aanleiding om een klacht bij u aanhangig te maken. Het moge duidelijk zijn dat onze meningen op die punten verschillen.

3. "Zij heeft daar ook niet om gevraagd (om een kopie van haar verklaring) en het is haar dus ook niet geweigerd".

(...) (In; N.o.) het klachtrapport staat onder punt 6 dat op dit vlak niet behoorlijk is gehandeld door de politie. De korpsbeheerder komt hier dus van terug. Ook verbalisante K. verklaart echter zowel in het klachtrapport als in haar brief van 3 maart j.l. dat zij er niet zeker van is of door Vm. om een afschrift is gevraagd, zij dacht van niet. Naar onze mening dient een verbalisant niet al te lichtvaardig aan een vraag van een dergelijk belang voorbij te gaan. Vm., als ook haar vriendinnen en ouders hebben wel degelijk meerdere malen, zowel persoonlijk als telefonisch om een kopie gevraagd.

4. M.b.t. de klachtenbehandelaar: "...kan ik u verzekeren dat hij zich daarbij steeds onafhankelijk opstelt ten opzichte van klagers...".

Zoals wij reeds eerder stelden, heeft de klachtenbehandelaar een verslag gemaakt van het klachtgesprek, dat niet geheel strookte met wat er tijdens dat gesprek gezegd is. De visie van de politie kwam in dit verslag naar voren, in plaats van onze visie.

Bovendien verbaast het ons ten zeerste dat de drie meisjes van ernstige feiten verdacht werden toen de politie duidelijk werd dat wij een klacht wilden indienen. Hieraan voorafgaande waren wij reeds tweemaal bij de politie geweest om te informeren naar een eventuele verdenking van de drie meisjes. (...) Na indiening van de klacht was onder de drie namen een verdenking van ernstige feiten te vinden, art. 180, 184 en 185 WvStr.

Voorts betreuren wij het feit dat de persoonlijke brief aan de korpschef d.d. 7 sept. 1998 aan de heer R., de klachtenbehandelaar, ter hand is gesteld, terwijl op de envelop duidelijk "Persoonlijk" stond en met deze mededeling door ons ook op het bureau in Noordwijk overhandigd is. Deze had nu de gelegenheid in het rapport zijnerzijds een en ander aan te passen.

5. In tegenstelling tot wat beweerd wordt door de korpsbeheerder, hebben wij geen -nieuw opgemaakt- verslag van de verklaringen van klagers ter inzage gekregen.

6. Naar onze mening blijkt uit de woorden "zonder reden" voldoende ons ongenoegen over de twee vuistslagen in het gezicht van Vm.

7. Wij accepteren wellicht de verontschuldigingen van de korpschef voor "de klap" van de heer J. Het betreft echter twee vuistslagen. Gezien het bovenstaande zult u misschien begrijpen dat wij met deze verontschuldigingen geen genoegen meer kunnen nemen. Het had niet op deze manier gehoeven als beide partijen elkaar meteen de volgende ochtend de handen hadden geschud en de meisjes niet bedreigd waren geweest met de mededeling dat zij voor deze zaak voor de rechter worden gedaagd.

8. "Gelet op alle verklaringen van het proces-verbaal en het klachtenonderzoek ben ik van oordeel dat J. die grenzen niet overschreden heeft".

Er zijn negen getuigenverklaringen die de visie van Vm. ondersteunen en slechts twee voor de visie van de heer J. Refererend aan punt 4 van deze brief vinden wij het twijfelachtig dat alleen deze twee getuigen door de klachtenbehandelaar gehoord zijn.

9. De korpsbeheerder ziet geen aanleiding te veronderstellen dat er tijdens de verhoren druk is uitgeoefend op de meisjes. Het lijkt ons echter zeer onwaarschijnlijk dat (...) op haar eigen verzoek de eerste (reeds getekende) verklaring werd vernietigd. (...)

9. Gezien de aard van onze klacht lijkt het ons niet onbegrijpelijk dat wij zelf zeer betrokken waren bij de klachtenprocedure bij de politie. De verslaglegging van ons eerste gesprek met de klachtenbehandelaar geeft ook aan dat dit geen overbodige luxe was. Bovendien zouden de meisjes op 5 september voor een jaar vertrekken naar Australië. Wellicht ten overvloede: de meisjes hebben ieder afzonderlijk, op hun eigen wijze, hun tweede verklaring opgesteld. Van "mobilisatie-technieken" van onze kant is dus geen sprake.

10. "Uit de verklaringen van de ouders tijdens de klachtbehandeling klinkt geen enkele afkeuring door van het gedrag van Vm. en haar vriendinnen".

In het gesprek met de heer R. hebben wij aangegeven dat wij Vm. wel degelijk op haar gedrag hebben aangesproken. We hebben hem zelfs gezegd dat wij een nachtje cel in dit geval wel zouden hebben kunnen begrijpen, mits de aanhouding terecht is en correct geschiedt. Deze opmerking van onze kant heeft hij niet in het verslag weergegeven.

De overige punten waar de politie geen aandacht aan besteedt, zijn de volgende:

(...)

- Het viel ons op dat de trap in E.'s buik nog steeds niet genoemd wordt door de politie.

- In de processen-verbaal van Vm. verschillen de tijden waarop zij is vrijgelaten."

F. Reactie beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden

1. Bij brief van 21 juni 1999 verzocht de substituut-ombudsman de korpsbeheerder van de regiopolitie Hollands Midden zijn reactie kenbaar te maken op het commentaar dat verzoeksters gemachtigden in hun brief van 4 juni 1999 naar voren hadden gebracht. De korpsbeheerder werd met name verzocht in te gaan op hetgeen verzoeksters gemachtigden onder 1., 4., 5., 7., 8., 9. (eerstvermelde 9.), en de laatste twee gedachtestreepjes naar voren hadden gebracht. Voorts werd de korpsbeheerder verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

"(...) Op welke momenten is er door wie tegen wie geweld gebruikt? Verzoekers blijven bij hun standpunt dat hun dochter tweemaal zou zijn geslagen door de heer J., en dat tegenover mevrouw O. en mevrouw E. geweld zou zijn gebruikt tijdens de aanhouding en overbrenging; blijkens processen-verbaal van de heer S. zou tijdens de overbrenging van mevrouw O. een corrigerende tik zijn uitgedeeld en zou mevrouw E. eerst met enige kracht zijn weggeduwd en voorts met enige dwang in het dienstvoertuig zijn gezet. Volgens de conclusie van de klachtenrapporteur zou mevrouw Vm. één klap in haar gezicht hebben gehad, en zou verder van ontoelaatbaar geweld tijdens de overbrenging geen sprake zijn geweest. Op basis waarvan is hij tot die conclusies gekomen? Graag ontvang ik een afschrift van (de) opgemaakte geweldrapportage(s).

- Uit het ambtsbericht van de chef van het district Duin en Bollenstreek Noord aan de korpschef van de regiopolitie Hollands Midden van 29 september 1998 blijkt dat ten aanzien van mevrouw Vm. de beslissing was genomen dat zij ter verdere ontnuchtering langer dan zes uur was ingesloten. Wie heeft daartoe besloten en op basis van welke regeling?"

2.1. De korpschef van de regiopolitie Hollands Midden reageerde bij brief van 29 juli 1999. In zijn brief deelde hij mee dat hij namens de korpsbeheerder de brief van de districtschef deed toekomen waarin de gestelde vragen werden beantwoord.

2.2. De brief van de chef van het district Duin en Bollenstreek Noord van de regiopolitie Hollands Midden van 6 juli 1999 luidt als volgt:

"...- Uit het onderzoek en de processen-verbaal blijkt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat mevrouw Vm. als eerste een klap in het gezicht van de heer J. heeft gegeven toen hij haar van de trap van de muziektent trok.

J. trachtte de slag te ontwijken, maar werd aan de neus geraakt. Direct daarop heeft hij haar in een reflex in het gezicht geslagen.

Ondanks het feit dat mevrouw Vm. verklaart dat zij door J. voor de tweede keer in het gezicht is geslagen wordt dit niet expliciet door het onderzoek en de processen-verbaal onderbouwd. Op grond hiervan stel ik dat J. niet twee keer heeft geslagen. Verder blijkt uit het proces-verbaal van aanhouding, betreffende de aanhouding van mevrouw O. dat bij het plaatsen van haar in een dienstvoertuig ter overbrenging naar het districtsbureau van politie te Noordwijk zij slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van brigadier S. Hij heeft haar toen een corrigerende tik gegeven met de vlakke rechter hand om de overbrenging te kunnen bewerkstelligen. Deze tik is naar mijn mening terecht niet gekwalificeerd als het aanwenden van geweld in de zin van de ambtsinstructie voor de politie.

Om mevrouw O. ter overbrenging in het dienstvoertuig te kunnen plaatsen is mevrouw E. met enige kracht weggeduwd om de uitvoering mogelijk te maken. Vervolgens is zij eveneens in het voertuig geplaatst. Dat hierbij enige dwang is uitgeoefend acht ik in het licht van de situatie en de houding van beide dames begrijpelijk; doch van het aanwenden van enig geweld in de zin van de ambtsinstructie was geen sprake. Daarom is geen geweldsrapportage opgemaakt.

- Operationeel coördinator H. heeft op grond van de circulaires van 29-12-1928 en 30-12-1929, betrekking hebbend op artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering (zie achtergrond, onder 5.1.; N.o.) beslist dat mevrouw Vm. ter ontnuchtering langer dan zes uur werd opgehouden voor verhoor.

(1) M.b.t. het gestelde onder punt 1 merk ik op dat niet duidelijk is geworden of de heer J. in een reflex met de vlakke hand heeft geslagen of een stomp heeft gegeven. Ondanks het feit dat mevrouw Vm. aangeeft dat zij twee keer is geslagen c.q. gestompt is dit uit het onderzoek niet gebleken. Zie mijn eerdere opmerking hierover. Het ware echter beter geweest dat J. niet had geslagen, maar daar dit gebeurde in een reflex was er geen sprake van doelbewust handelen.

(4) M.b.t. punt 4 deel ik U mede dat de heer R. als beleidsfunctionaris rechtstreeks onder de districtsleiding valt en geen directe betrokkenheid of relatie heeft met de betrokken politieambtenaren. Vanuit deze rol kan hij onafhankelijk klachten onderzoeken. Ik heb geen enkele reden om te twijfelen aan zijn objectiviteit en/of integriteit.

In het schrijven van (...) (de korpsbeheerder; N.o.) d.d. 13 april 1999 is dit ook aangegeven.

De heer R. heeft zich een beeld gevormd a.d.h. van de klacht, de processen-verbaal en de opgemaakte mutaties en daarop het onderzoek afgestemd en alle terzake dienende items in zijn rapport vastgelegd.

De suggestie dat de politie de meisjes pas van ernstige feiten ging verdenken op het moment dat een klacht werd ingediend is niet juist en suggestief. Dit geldt tevens voor wat betreft de gelegenheid om het rapport aan te passen.

Er zijn direct processen-verbaal van aanhouding gemaakt met vermelding van de gepleegde strafbare feiten en een proces-verbaal van bevindingen. (...)

De klagers mevrouw V. en de heer V. hebben van hem alle ruimte gekregen om hun klacht aan te vullen, te verduidelijken, te onderbouwen en in te zien.

Verder verwijs ik naar mijn schriftelijke conclusie op de inhoud van zijn rapportage.

(5) M.b.t. punt 5 verwijst ik naar mijn opmerking bij punt 4.

(7) M.b.t. punt 7 merk ik op dat mevrouw Vm., O. en E. zijn aangehouden als verdachten van strafbare feiten. Deze feiten zijn bij proces-verbaal vastgelegd en conform de gebruikelijke wijze afgehandeld.

Dergelijke zaken worden niet met een handdruk worden afgedaan.

(8) M.b.t. punt 8 merk ik het volgende op:

Ik veronderstel dat klagers met de 9 getuigenverklaringen de 2 opgestelde en ondertekende verklaringen van 8 mei en 9 mei 1998 bedoelen.

De inhoud van deze verklaringen staat in schril contrast tot de verklaringen, die de verdachten destijds hebben afgelegd.

Ik hecht geen of nauwelijks waarde aan dergelijke verklaringen en acht het juist dat de klachtbehandelaar deze verklaringen niet in zijn onderzoek heeft betrokken.

Klagers hebben met deze verklaringen bij hem de indruk gewekt dat zij met dit groepsgedrag een mobilisatietactiek toepasten.

(9) M.b.t. het eerste gedeelte van punt 9 verwijs ik naar de inhoud van de rapportage van de klachtbehandelaar en mijn conclusie daarop.

(-) M.b.t. de opmerking bij het een na laatste gedachtenstreepje verwijs ik naar het procesverbaal van aanhouding, betreffende de aanhouding van mevrouw E. en naar de verklaring, die zij als verdachte heeft afgelegd.

Hierin wordt niet over een trap in de buik gesproken. Pas in haar schriftelijke reaktie op 02-09-1998 wordt dit vermeld. Gezien het feit dat zij alle gelegenheid heeft gehad hierover te klagen, zowel tijdens het verhoor als bij de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie, alsmede tijdens het gesprek met de klachtbehandelaar in bijzijn van haar vertrouwenspersoon, zijnde klager V. kan ik de juistheid niet inschatten en niet anders concluderen dan dat deze bijkomende omstandigheid niet van belang is voor het onderzoek.

(-) M.b.t. de opmerking bij het laatste gedachtenstreepje stel ik dat uit het proces-verbaal blijkt dat mevrouw Vm. om 15.15 uur formeel in vrijheid is gesteld, doch na de administratieve afhandeling is zij om 15.25 uur daadwerkelijk ontslagen, aldus het ontslagformulier. Dit formulier is geen proces-verbaal, maar een intern document die door de afdeling arrestantenverzorging wordt gebezigd."

G. Nadere reactie verzoekster

Verzoeksters gemachtigden reageerden bij brief van 6 september 1999 op de namens de korpsbeheerder verstrekte informatie. In hun brief brachten zij onder meer het volgende naar voren:

"2. Het antwoord op het derde door u aangehaalde punt:

Naar onze kennis is op grond van de circulaires van 29-12-1928 en 30-12-1929 slechts dan langer ophouden voor verhoor mogelijk: of wanneer er tijdens het verhoor het vermoeden rijst dat verdachte zich aan meer dan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of wanneer tijdens het verhoor blijkt dat een andere justitiële autoriteit de verdachte wenst te horen in verband met een eerder gerezen verdenking, waarvoor een zelfstandige aanhouding wenselijk en toelaatbaar is (* C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, Strafvordering Tekst en Commentaar 1997, p. 160) (zie ook achtergrond, onder 5.1.; N.o.). Op grond van deze informatie zou de reden van ontnuchtering hierop niet kunnen worden gegrond.

3. Onder punt (l):"...daar dit gebeurde in een reflex was er geen sprake van doelbewust handelen:

Het doet er niet toe of de eerste vuistslag in een reflex of doelbewust is gegeven, feit blijft dat hier sprake is van onprofessioneel, onrechtmatig optreden. Bovendien kan bij de tweede vuistslag al helemaal niet van een handeling uit reflex worden gesproken.

4. Onder punt (4):

4.1 Er zijn weliswaar direct processen-verbaal van aanhouding en van bevindingen opgemaakt, wij doelen echter op de informatie die in computerbestanden opgeslagen was, waaruit zou blijken of er werk van de processen-verbaal zou worden gemaakt Nogmaals: in eerste instantie stond er niets onder de drie namen van de meisjes, vervolgens een enkele overtreding onder de naam O. en pas na het indienen van de klacht stond er onder alle drie de namen een verdenking van meerdere strafbare feiten. (...)

5. Onder punt (8):

De klachtbehandelaar hoefde volgens de districtschef geen waarde te hechten aan de negen getuigenverklaringen van 8 en 9 mei 1998 met stellige inhoud.

Was de getuigenis van een op afstand toekijkend echtpaar wel betrouwbaar?

Wij citeren daaruit: "Wij denken dat zij J. behoorlijk heeft geraakt".

Voor de onpartijdigheid in de zaak zou de klachtbehandelaar er goed aan hebben gedaan ofwel ook de negen getuigen op te roepen voor verhoor, ofwel aan noch de negen verklaringen van 8 en 9 mei, noch aan de twee verklaringen van het echtpaar waarde te hechten.

6. Het op een na laatste gedachtestreepje met betrekking tot de trap in de buik van E.:

Ondanks het feit dat E. reeds op 19 april om 14.50 uur haar ongenoegen over deze trap telefonisch kenbaar had gemaakt en het feit dat deze trap ook genoemd is in onze klacht d.d. l6 juni 1998 wordt dit door de districtschef als bijkomende omstandigheid aangemerkt."

H. Nadere reactie van de korpsbeheerder

Bij brief van 11 oktober 1999 werd de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden in de gelegenheid gesteld op de nadere reactie van verzoekster te reageren. De korpsbeheerder liet op 13 oktober 1999 weten geen gebruik te zullen maken van die gelegenheid.

I. nadere verklaringen van betrokken ambtenaren

1. Naar aanleiding van hetgeen te dier zake door de gemachtigden van verzoekster naar voren is gebracht zijn nadere vragen gesteld aan enkele betrokken ambtenaren betreffende de klacht over de trap in de buik, die volgens E. haar was gegeven toen zij uit de politieauto werd gehaald om naar het politiebureau te worden gebracht.

2. Op 19 oktober 1999 verklaarde de heer S. terzake telefonisch onder meer het volgende:

"Ik kan me niet herinneren of ík op dat moment nog met de overbrenging van E. was betrokken of een collega van mij.

Ik weet alleen zeker dat ik E. niet - op geen enkel moment - een trap in haar buik heb gegeven. Gelet op mijn kracht en omvang heb ik dergelijk geweld ook niet nodig om de overbrenging te bewerkstelligen.

Ik heb ook niet gezien dat een collega E. een trap in de buik heeft gegeven."

3. Op 21 oktober 1999 verklaarde de heer J. telefonisch als volgt:

"...Ik ben niet betrokken geweest bij de overbrenging van de verdachten. Ik was daar te voet; ik heb mijn collega's aangewezen wie de verdachten waren. Zij hebben vervolgens de aanhoudingen verricht en hebben de verdachten overgebracht.

Ik ben niet bij hun aankomst op het politiebureau aanwezig geweest. Ik ben later naar het politiebureau gegaan en heb de verdachten daar niet gezien. Ik heb ze wel kabaal horen maken..."

4. Tenslotte verklaarde de heer Pe. op 21 oktober 1999 telefonisch nog het volgende:

"...Ik weet dat ik die nacht dienst had en ik kan me het voorval herinneren. Ik weet verder dat ik daar ben geweest en dat ik één of twee meiden heb aangehouden.

Ik weet ook nog dat de meiden bij de aanhouding en overbrenging niet meewerkend waren. Ik kan me niet iets opmerkelijks herinneren over het moment van aankomst op het politiebureau. Ik weet alleen dat ik - op geen enkel moment - één van de dames in de buik heb getrapt. Ik heb ook niet gezien dat één van mijn collega's dat heeft gedaan. Ik kan me dat ook niet voorstellen.

Met betrekking tot het vermelden van de reden van aanhouding kan ik zeggen dat ik echt niet meer weet of wij dat hebben gedaan of dat collega J. dat al had gedaan. Daarvoor is het te lang geleden. In negen van de tien gevallen deel ik bij aanhouding de reden daarvan mee. Dat is een automatisme..."

Beoordeling

A. Inleiding

1. In 1998 bestond de gemeente Lisse 800 jaar. In dat kader vonden rond 18 april 1998 festiviteiten plaats in Lisse. In het centrum van de gemeente was een muziektent geplaatst, en een bloemenmozaïek, dat de Nachtwacht van Rembrandt voorstelde.

Voor extra bewaking tegen vandalisme waren in de nachtelijke uren brandweerlieden aanwezig en was de politie verzocht extra toezicht uit te oefenen.

2. In de nacht van 18 op 19 april 1998 bevonden verzoekster en haar vriendinnen O. en E. zich na sluitingstijd van de plaatselijke horeca met een groep jongeren bij een fontein bij de muziektent in het centrum van Lisse. Zij hadden die avond een ruime hoeveelheid alcoholhoudende dranken genuttigd. Bij de fontein hielden zij een watergevecht, waarbij zij ook omstanders nat spetterden. Zij maakten daarbij lawaai. In verband met de aanwezigheid van politie en/of brandweer zongen zij liederen met voor de politie beledigende teksten. Ook riepen zij de toezichthoudende politieambtenaar J. woorden toe over zijn (politie)kleding.

3. Toen de groep zich in de muziektent bevond kwam politieambtenaar J. op de groep toegelopen en sommeerde hij de groep op te houden en te vertrekken. Een deel van de groep verwijderde zich. Verzoekster en haar vriendinnen bleven echter. Hierop is een en ander geëscaleerd.

Dit heeft geresulteerd in de aanhouding van verzoekster en haar vriendin O. wegens het niet voldoen aan een bevel of vordering, en van vriendin E. wegens het belemmeren van een ambtshandeling.

Verzoekster en haar vriendinnen zijn overgebracht naar het politiebureau te Noordwijk, waar zij na voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie zijn ingesloten voor de nacht. De volgende dag, op 19 april 1998, zijn zij verhoord en zijn zij na het verhoor heengezonden.

B. De klacht

I. Ten aanzien van het politieoptreden in het algemeen

1. Verzoekster klaagt er in de eerste plaats over dat het regionale politiekorps Hollands Midden in de nacht van 19 april 1998 te Lisse niet adequaat is opgetreden, waardoor feestelijkheden uit de hand zijn gelopen.

Verzoeksters gemachtigden brachten naar voren dat politieambtenaar J. de situatie niet goed had ingeschat. Zij zijn van mening dat het een uitbundig feest was, dat steeds heftiger werd en ontaardde in balorigheid, maar zeker niet in agressiviteit.

Politieambtenaar J. had dit te lang op zijn beloop gelaten, had zich te lang laten frustreren en had zich daardoor niet meer in de hand; hij had eerder moeten optreden en op tijd om assistentie moeten vragen, aldus verzoeksters gemachtigden.

2. De korpsbeheerder van de regiopolitie Hollands Midden gaf in reactie op de klacht aan dat hij het standpunt van verzoeksters gemachtigden niet deelde. De korpsbeheerder bracht naar voren dat politieambtenaar J. de jongeren had aangesproken op hun gedrag, dat hij zich niet door de ongepaste reactie daarop had laten provoceren en even had aangezien of de groep zou inbinden. Toen dat niet gebeurde had J. de jongeren nogmaals aangesproken en toen daarop niet was gereageerd had hij ze weggestuurd, waarbij hij verzoekster bij de arm had gepakt om haar daadwerkelijk te verwijderen. Zij had zich daartegen echter met geweld verzet, waarna verdere escalatie was gevolgd. Volgens de korpsbeheerder hoefde de heer J. er niet van uit te gaan dat zijn optreden dit gevolg zou krijgen. De korpsbeheerder deelde mee dat in situaties als deze het met enige drang optreden tegen vervelende, overlast veroorzakende jongelui door een ervaren politieman doorgaans voldoende is. Een reactie als van verzoekster was nog steeds uitzondering, aldus de korpsbeheerder.

3. De taak van de politie is onder andere de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde; handhaving van de openbare orde is daarvan onderdeel (zie achtergrond, onder 1.). Wanneer een groep op straat de rust verstoort, is het passend om die groep eerst een waarschuwing te geven, en te verzoeken op te houden met het veroorzaken van overlast. Pas indien dat niet helpt, kan worden overgegaan tot actiever politieoptreden.

4. In dit geval is het aannemelijk dat politieambtenaar J. eerst de groep jongeren heeft verzocht op te houden met het veroorzaken van overlast en later heeft gevorderd zich te verwijderen. Pas toen een en ander escaleerde heeft hij zich teruggetrokken en om assistentie gevraagd voor het verrichten van de aanhoudingen. Assistentie was niet nodig geweest, wanneer de groep aan het verzoek of de vordering van de heer J. had voldaan door zich rustig te houden of door weg te gaan. De aanvankelijk terughoudende opstelling van de heer J. is dan ook juist geweest. Voor het doen van de vordering, was het - gelet op de omstandigheden van het geval - niet nodig dat J. assistentie van collega's had.

Toen bleek dat een aantal jongeren niet wilde voldoen aan de vordering, was het op dat moment ook juist dat de heer J. zijn woorden kracht probeerde bij te zetten door één van hen - in dit geval verzoekster - bij de arm beet te pakken en mee te trekken. De heer J. mocht verwachten dat door dit optreden ook de anderen aanstalten hadden gemaakt om weg te gaan. De heer J. had er niet van uit hoeven gaan dat zijn optreden zo zou escaleren, en dat fysiek verzet zou volgen.

Op dit punt is de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Hollands Midden dan ook behoorlijk.

II. Ten aanzien van het (overige) politieoptreden jegens verzoekster en haar vriendinnen

Voorts klaagt verzoekster over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Hollands Midden op 19 april 1998 jegens haar en haar vriendinnen zijn opgetreden.

1. Met betrekking tot het slaan

1.1. Verzoekster klaagt erover dat politieambtenaar J. haar tweemaal zonder reden heeft geslagen. Volgens verzoekster had zij in reactie op J.'s bevel om zich te verwijderen gelachen, waarna hij haar had meegetrokken van de trap van de muziektent. J. zou haar nadat zij zich wilde losmaken opeens een vuistslag in haar gezicht hebben gegeven, waarop zij op de grond was gevallen. Verzoekster had aangegeven dat zij en de groep daarop kwaad werden en begonnen te schreeuwen, en dat J. haar toen weer een slag met volle vuist in het gezicht had gegeven, zodat zij achterover was gevallen op de grond.

1.2.1. Blijkens het terzake opgemaakte proces-verbaal was politieambtenaar J. toen hij zich voor de tweede keer tot de groep had gewend met het verzoek op te houden en weg te gaan, in zijn gezicht gespuugd en met bier bespoten. De groep had hem te verstaan gegeven niet van plan te zijn weg te gaan. J. zou vervolgens verzoekster hebben beetgepakt en haar van het trapje van de tent hebben meegetrokken en van de tent hebben weggeduwd. Volgens J. had zij hem hierop in zijn gezicht geslagen en daarbij was zijn neus licht geraakt. J. had haar toen van zich afgeduwd waardoor zij op de grond was gevallen, aldus het proces-verbaal van bevindingen.

1.2.2. In het kader van de klachtbehandeling bij de politie had J. tegenover de klachtenbehandelaar R. aangegeven dat hij voor de tweede keer de groep had gevraagd of het wat rustiger kon; toen daarop niet was gereageerd, had hij verzoekster - omdat zij een enorm grote mond had - bij de bovenarm gepakt en van de trap getrokken. Hij had met die handeling getracht de groep naar huis te krijgen. Terwijl hij verzoekster van de trap aftrok, had zij met haar vuist in de richting van zijn gezicht geslagen, aldus J. Hierop had J. in een reflex uitgehaald en haar met de vlakke hand in het gezicht geslagen. J. gaf aan behoorlijk door de groep te zijn belaagd. De groep had hem vastgegrepen toen hij vervolgens verzoekster op de grond had geduwd om haar onder controle te houden.

Om te voorkomen dat de zaak verder uit de hand zou lopen had politieambtenaar J. zich teruggetrokken en had hij om assistentie verzocht om tot aanhouding van verzoekster en haar vriendin O. over te gaan wegens het niet voldoen aan zijn bevel of vordering.

1.3. De korpschef en de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden hebben vastgesteld dat verzoekster één keer in het gezicht was geslagen, en hebben - hoewel zij onder de gegeven omstandigheden begrip konden opbrengen voor de politieambtenaar - de reactie van J. niet juist geacht.

Gelet op de verklaringen van betrokkenen - die elkaar op dit punt tegenspreken - en van getuigen kan niet worden vastgesteld dat J. verzoekster twee keer heeft geslagen. Wat hier ook van zij, vast staat dat hij haar in elk geval eenmaal heeft geslagen en ook heeft weggeduwd.

1.4. Een politieambtenaar is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dat rechtvaardigt en niet op een andere wijze kan worden bereikt (zie achtergrond, onder 3.1.).

Politieambtenaar J. - ter plaatse met het houden van toezicht belast - vorderde de jongeren zich te verwijderen om de orde te handhaven en de rust te herstellen in het centrum van Lisse. Nu hierbij verzet werd geboden, was de politieambtenaar bevoegd om geweld toe te passen om het beoogde doel te bereiken. De geweldstoepassing diende echter wel proportioneel en adequaat te zijn. Een bij wijze van reflex in het gezicht gegeven klap kan in dit geval niet als zodanig worden aangemerkt. Hoewel de reactie van politieambtenaar J. begrijpelijk is, mag van een politieambtenaar de professionaliteit worden verwacht dat hij zich in een dergelijke situatie weet te beheersen. De wijze waarop en de mate waarin J. geweld heeft toegepast is niet juist.

Bovendien had J. van dit geweld - nu er was geslagen - schriftelijk melding moeten maken aan zijn meerdere (zie achtergrond, onder 3.2.). Niet is gebleken dat hij dat heeft gedaan.

De onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Hollands Midden is op dit punt niet behoorlijk.

2. Met betrekking tot het vermelden van de reden van aanhouding

2.1. Voorts klaagt verzoekster erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Hollands Midden haar hebben aangehouden en overgebracht naar het politiebureau te Noordwijk zonder haar de reden van aanhouding mee te delen.

2.2. Iedereen die wordt gearresteerd moet op grond van bepalingen van internationaal recht onverwijld worden meegedeeld wat de reden is van zijn aanhouding, in een taal die hij verstaat (zie achtergrond, onder 4.2.).

2.3. Tijdens de behandeling van de klacht bij de politie heeft de betrokken ambtenaar J. aangegeven om assistentie te hebben gevraagd om verzoekster en haar vriendin O. aan te houden, nu die niet aan zijn bevel of vordering hadden voldaan, dronken waren en hem hadden beledigd; verzoeksters vriendin E. was aangehouden omdat zij een vriendin wilde ontzetten. J. bracht verder naar voren dat aan de meisjes wel was meegedeeld voor welk strafbaar feit zij waren aangehouden, en dat hij dat later ook aan de vader van verzoekster, de heer V., had meegedeeld. J. zou daarbij hebben aangegeven dat hij echter nog niet wist onder welke artikelen de strafbare feiten vielen.

Ook tijdens de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie zou aan de meisjes zijn meegedeeld waarvoor zij waren aangehouden.

De betrokken ambtenaar Pe. die verzoekster had aangehouden heeft tijdens het onderzoek verklaard dat waarschijnlijk J. de reden van de aanhouding had meegedeeld.

2.4. Gelet op de omstandigheden waaronder de aanhoudingen hebben plaatsgevonden - de meisjes waren onder invloed van alcohol en bovendien door het voorafgaande geweldgebruik emotioneel -, en gelet op het feit dat de politieambtenaar in feitelijke bewoordingen heeft aangegeven waarvoor de meisjes werden aangehouden en zich bovendien nog wist te herinneren dat hij daarbij niet de desbetreffende artikelen had genoemd, is het aannemelijk dat bij de aanhouding wel de reden daarvan is meegedeeld. Dat de meisjes de reden niet meer wisten of niet konden begrijpen, nu zij zich juist slachtoffer van de situatie hadden gevoeld, doet hieraan niet af.

De onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Hollands Midden is op dit punt dan ook behoorlijk.

3. Met betrekking tot het geweldgebruik tijdens de overbrenging

3.1. Verzoekster klaagt er verder over dat een of meer politieambtenaren van het regionale politiekorps Hollands Midden bij de overbrenging naar het politiebureau één van haar vriendinnen - O. - hebben geslagen en de andere vriendin - E. - in haar buik hebben getrapt.

3.2. Volgens de chef van het district Duin en Bollenstreek Noord bleek uit het proces-verbaal van aanhouding van O. dat zij bij haar plaatsing in een dienstvoertuig van de politie slaande bewegingen had gemaakt in de richting van politieambtenaar S. De heer S. had haar hierop een corrigerende tik gegeven met de vlakke rechterhand om de overbrenging te kunnen bewerkstelligen.

Om O. in de dienstauto te kunnen plaatsen was E. met enige kracht weggeduwd om de uitvoering mogelijk te maken. Vervolgens was E. eveneens in het voertuig geplaatst. De districtschef achtte in het licht van de situatie en de houding van de dames begrijpelijk dat daarbij enige dwang was uitgeoefend. Van aanwenden van enig geweld in de zin van de ambtsinstructie voor de politie (zie achtergrond, onder 3.2.) was volgens hem echter geen sprake. Daarom was ook geen geweldsrapportage gemaakt.

3.3. Vaststaat dat er is geduwd om de meisjes in de auto te krijgen teneinde ze over te brengen naar het politiebureau. Vast staat ook dat de meisjes zich niet zomaar zonder verweer of verzet in de auto lieten plaatsen. Dit geduw kan - zoals de districtschef naar voren heeft gebracht - inderdaad niet worden aangemerkt als geweld in de zin van de ambtsinstructie, waarbij sprake moet zijn van een dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis (zie achtergrond, onder 3.2.).

Een corrigerende tik met de vlakke hand is echter wel van meer dan geringe betekenis. Gelet op het feit dat er drie politieambtenaren aanwezig waren om de meisjes over te brengen en de betrokken ambtenaar S. sterker en omvangrijker was dan O., is het niet aannemelijk dat die tik nodig was om het doel, te weten de overbrenging, te kunnen bereiken. De corrigerende tik had dan ook achterwege moeten blijven. Bovendien had de desbetreffende politieambtenaar van de tik melding moeten maken in een geweldsrapportage, en niet alleen in het proces-verbaal van aanhouding.

In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

3.4. Met betrekking tot de trap in de buik, heeft de politie alleen aangegeven dat die niet is gegeven. Wel staat vast dat er geduwd is om E. in de politieauto te krijgen. E. heeft echter in een schriftelijke verklaring bij het klachtenonderzoek van de politie naar voren gebracht dat zij bij de overbrenging van de politieauto naar het politiebureau in de buik is getrapt.

Daarnaar gevraagd liet de chef van het district Duin en Bollenstreek namens de korpsbeheerder weten dat hij - gezien het feit dat E. alle gelegenheid had gehad over dit punt te klagen, zowel tijdens het verhoor als bij de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie, alsmede tijdens het gesprek met de klachtbehandelaar in bijzijn van verzoeksters gemachtigde - de juistheid niet kon inschatten en niet anders kon concluderen dan dat deze bijkomende omstandigheid niet van belang was voor het onderzoek.

3.5. Daarnaar gevraagd hebben de betrokken ambtenaren tegenover een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman verklaard dat zij E. op geen enkel moment - ook niet op het moment van de overbrenging van de politieauto naar het politiebureau - een trap in de buik hebben gegeven.

Voorts hebben ook verzoekster en O. in hun verklaring niet naar voren gebracht dat zij hebben gezien dat E. in haar buik zou zijn getrapt.

Nu de verklaring van E. op dit punt geen steun vindt in de overige afgelegde verklaringen is onvoldoende aannemelijk geworden dat E. in haar buik is getrapt.

De onderzochte gedraging is op dit punt dan ook behoorlijk.

4. Met betrekking tot de duur van het ophouden

4.1. Gelet op het in artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalde (zie achtergrond, onder 5.1.) mag een verdachte zes uur worden opgehouden voor verhoor, waarbij de tijd tussen twaalf uur 's nachts en negen uur 's morgens niet wordt meegerekend. Wanneer het nodig is om een verdachte langer vast te houden, dan dient hij in verzekering te worden gesteld of voor de rechter-commissaris te worden geleid.

De termijn van zes uren begint te lopen op het moment van aankomst van de verdachte op de plaats van verhoor. Is de verdachte op het tijdstip waarop hij werd aangehouden dronken of bewusteloos, dan begint de termijn van zes uren pas te lopen op het moment dat de verdachte in staat is om te worden verhoord.

4.2. Verzoekster klaagt er in dit verband over dat zij te lang - langer dan de zes uur voor verhoor - is vastgehouden. Verzoekster werd op 19 april 1999 om 03.05 uur aangehouden, is om 15.15 uur formeel in vrijheid gesteld en na administratieve afhandeling om 15.25 uur daadwerkelijk ontslagen.

Gelet op de wetgeving zoals hiervoor geschetst, zou verzoekster zonder in verzekering te zijn gesteld niet langer voor verhoor mogen worden opgehouden dan tot 15.00 uur 's middags. Die termijn was derhalve overschreden, aldus verzoekster.

4.3. De korpschef had bij de afdoening van de klacht aangegeven dat verzoekster op het moment dat zij, omstreeks 10.00 uur, werd gehaald om te worden verhoord nog dronken was en dat zij toen weer is ingesloten om na verdere ontnuchtering te kunnen worden verhoord. Nadat was vastgesteld dat zij nuchter was, is om 13.10 uur een aanvang gemaakt met het verhoor. De korpschef oordeelde dat gelet op het gegeven dat de termijn van zes uur inging op het moment dat verzoekster nuchter was, zij niet te lang was opgehouden, nu zij om 15.25 uur weer was heengezonden.

4.4. Verzoekster ontkent in de ochtend (nog) dronken te zijn geweest. Zij had aangegeven de avond tevoren in totaal (in elk geval) vijftien bier, één tequilla en twee wodka-jus te hebben gedronken, maar niet dronken te zijn geweest. Verder bracht zij naar voren dat zij - toen zij die bewuste ochtend was opgehaald - desgevraagd had gezegd niet te begrijpen waarom zij daar zat, nadat zij zelf in elkaar was geslagen. Daarop had de desbetreffende politieambtenaar volgens verzoekster gezegd dat zij nog maar eens de cel in moest gaan om het te overdenken. Vervolgens had zij om omstreeks 13.00 uur pas weer de kans gekregen om uit de cel te komen.

4.5. Een politieambtenaar moet in staat worden geacht te kunnen beoordelen of iemand voldoende nuchter is om een gesprek te kunnen voeren, dan wel te kunnen worden verhoord.

Gelet op de hoeveelheid genuttigde alcohol, mag worden aangenomen dat verzoekster die nacht dronken is geweest. Het is niet onbegrijpelijk dat de opmerking die verzoekster om 10.00 uur zou hebben gemaakt in het licht van de dronkenschap van de nacht daarvoor als een gevolg van de werking van de alcohol is gezien. Politieambtenaar H. had aangegeven dat zij onsamenhangend sprak. Aldus kon volgens politieambtenaar H. niet worden begonnen met het verhoor, en is verzoekster opnieuw ingesloten om - na verdere ontnuchtering - te kunnen worden verhoord.

Nadat de politie had vastgesteld dat verzoekster rond 13.00 uur in staat was te worden verhoord, is het verhoor gestart. De termijn van zes uren is ingegaan vanaf het tijdstip dat verzoekster kón worden gehoord. Gelet op het vorenstaande is het aannemelijk dat dit om 10.00 uur nog niet het geval was, maar wel na 13.00 uur. Dat betekent dat de termijn van zes uur op enig tijdstip gelegen in die tijdspanne is gaan lopen. Verzoekster mocht dan ook worden opgehouden voor een periode van zes uren vanaf dat moment, dat wil zeggen tot enig tijdstip gelegen tussen 16.00 uur en 19.00 uur. Nu verzoekster om 15.25 uur is heengezonden, staat vast dat de termijn van zes uren niet is overschreden.

De onderzochte gedraging is op dit punt dan ook behoorlijk.

Ten overvloede wordt het volgende overwogen.

Om de termijn van oponthoud zoveel mogelijk te beperken had van de politie mogen worden verwacht dat zij na tien uur 's morgens ieder uur zou controleren hoe het met de staat van dronkenschap zou zijn. Niet is gebleken dat dit is gebeurd. Dat is niet juist.

Voorts is de formulering "ter ontnuchtering insluiten" ongelukkig. Insluiten en vasthouden met als enig doel iemand zijn roes te laten uitslapen vindt geen basis in enige wettelijke bepaling.

5. Met betrekking tot (de methode van) het verhoor

5.1. Verzoekster klaagt er tevens over dat de politieambtenaren door de bij haar toegepaste verhoormethode de drie vriendinnen tegen elkaar hebben uitgespeeld, en haar onder druk hebben gezet de verklaring te ondertekenen. Ook klaagt zij erover dat de politieambtenaren hebben geweigerd haar een kopie van haar verklaring te geven.

5.2.1. Bij het verhoor van een verdachte is altijd een zekere psychische druk op de verdachte aanwezig. Vaak is ook sprake van tegenstrijdige belangen. De ambtenaren die het verhoor afnemen, confronteren de verdachte met bepaald belastend materiaal - bijvoorbeeld verklaringen van mede-verdachten of getuigen - en proberen bij dat verhoor de waarheid boven tafel te krijgen. Hierbij kan, door de wijze van confrontatie, een bepaalde druk worden uitgeoefend op de verdachte om de waarheid te vertellen.

Ingevolge artikel 29 Sv (zie achtergrond, onder 5.2.) mag de politie een verdachte bij het verhoor niet onder een zodanige druk zetten dat niet meer kan worden gezegd dat hij zijn verklaring in vrijheid heeft afgelegd.

Wanneer een politieambtenaar in een verhoorsituatie mededelingen doet over bevoegdheden die hij ten opzichte van de verdachte heeft, kan dat dreigend overkomen. Politieambtenaren dienen zich daarvan ook terdege bewust te zijn.

Dit alles onderstreept het belang dat de politie bij het verhoor te allen tijde recht doet aan eisen van professionaliteit.

5.2.2. De betrokken ambtenaar die verzoekster had gehoord, mevrouw K., heeft tijdens de klachtbehandeling bij de politie aangegeven dat zij verzoekster eerst haar verhaal had laten vertellen en haar vervolgens had geconfronteerd met tegenstrijdigheden ten aanzien van de andere verklaringen. Dit zou niet onder druk zijn gebeurd. Mevrouw K. heeft voorts laten weten dat zij wel had getracht op grond van haar verhoortechniek om een heldere verklaring op papier te krijgen, maar dat het niet zo was dat verzoekster haar verklaring zou hebben moeten ondertekenen. Zij zou daartoe niemand dwingen, omdat het haar in principe niet zou uitmaken of een verklaring werd ondertekend of niet.

5.2.3. Wat tijdens het verhoor van verzoekster precies is gezegd en hoe of met welke intonatie politieambtenaar K. verzoekster als verdachte heeft toegesproken, is niet meer vast te stellen. Een en ander is ook niet uit het proces-verbaal op te maken. Los van hoe een en ander ook precies is gezegd, duidelijk is dat het verhoor door de betrokkenen verschillend is ervaren. Voor de politieambtenaar behoorde het verhoren tot haar dagelijkse taak, terwijl het voor verzoekster een nieuwe en schokkende ervaring was. In dit licht bezien, is het mogelijk dat verzoekster zich bij het verhoor onder druk gezet heeft gevoeld.

Gelet op het vorenstaande kan de Nationale ombudsman op dit punt geen oordeel geven.

5.3.1. Een verdachte heeft op grond van artikel 30 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (zie achtergrond, onder 6.) recht op inzage in het proces-verbaal van zijn verhoor en kan desgevraagd een kopie krijgen.

5.3.2. Vast staat dat verzoekster geen afschrift van het proces-verbaal van haar verhoor heeft gekregen op de dag van het verhoor. De betrokken ambtenaar K. had tegenover de klachtenbehandelaar van de politie aangegeven dat zij zich niet kon herinneren of verzoekster om een afschrift van haar verklaring had gevraagd; ze dacht van niet.

Wel heeft de klachtbehandelaar van de politie haar bij de klachtbehandeling in het bezit gesteld van een kopie.

Niet kan worden vastgesteld dat verzoekster op 19 april 1999 - of in de dagen erna verzoeksters gemachtigden - om een afschrift van haar verklaring heeft gevraagd, en dat de politie haar dat zou hebben geweigerd. Betrokkenen spreken elkaar op dit punt tegen. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan aan de ene lezing meer betekenis moet worden toegekend dan aan de andere.

Gelet hierop moet de Nationale ombudsman zich op dit punt van een oordeel onthouden.

6. Met betrekking tot het in kennisstellen van haar ouders

6.1. Ook klaagt verzoekster erover dat de regiopolitie Hollands Midden haar ouders niet op de hoogte heeft gebracht van de aanhouding.

6.2. Vast staat dat de ouders inderdaad niet in kennis waren gesteld van de aanhouding van hun - meerderjarige, maar thuiswonende - dochter. Zoals de korpsbeheerder en de korpschef al aangaven, is de politie gelet op artikel 27 van de Ambtsinstructie (zie achtergrond, onder 7.) niet verplicht om een huisgenoot of familielid van een meerderjarige van diens aanhouding in kennis te stellen, behalve indien de aangehoudene daarom verzoekt. In deze zaak is niet gebleken dat verzoekster de politie heeft verzocht haar ouders in kennis te stellen.

In zoverre is de onderzochte gedraging dan ook behoorlijk.

Het zou echter - gelet op de leeftijd van verzoekster, en het gegeven dat zij bij haar ouders woonde en onder de invloed van alcohol verkeerde - in dit geval juister zijn geweest indien de politie de ouders bij wijze van dienstbetoon in kennis zou hebben gesteld.

III. Met betrekking tot de klachtbehandeling

1. Verder klaagt verzoekster over de wijze waarop het regionale politiekorps Hollands Midden haar klacht over het politieoptreden heeft behandeld. Zij klaagt er met name over

dat de ambtenaar die de verklaringen van haar en haar ouders over de klacht opnam zich bij het onderzoek niet onafhankelijk opstelde, en over het gegeven dat zij het - nieuw opgemaakte - verslag van die verklaringen niet ter inzage hebben gekregen.

2.1. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid dient de behandeling van een klacht aan een aantal voorwaarden te voldoen. Deze voorwaarden zijn onder meer van belang voor het na te streven vertrouwen in de onbevooroordeeldheid van de klachtbehandelende instantie. Zo moet het beginsel van hoor en wederhoor worden toegepast. Dit beginsel houdt in dat er een evenwicht behoort te zijn in de mate waarin beide partijen in de gelegenheid worden gesteld hun visie kenbaar te maken op datgene waarover wordt geklaagd, en dat vervolgens elke partij de mogelijkheid wordt geboden om te reageren op hetgeen de andere partij over de klacht naar voren heeft gebracht.

2.2. De korpsbeheerder heeft in dit verband aangegeven dat klachtbehandelaar R. - daar de contacten met verzoeksters gemachtigden niet al te soepel verliepen - tijdens het onderzoek een aantal malen met de klachtencoördinator van het korps contact had opgenomen en daarbij de door hem te zetten stappen in het onderzoek had getoetst aan het oordeel van die klachtencoördinator. Ook door deze contacten stond het volgens de korpsbeheerder vast dat R. steeds heeft getracht om iedere schijn van partijdigheid te vermijden.

Voorts heeft de chef van het district Duin en Bollenstreek namens de korpsbeheerder op dit punt nog naar voren gebracht dat de klachtbehandelaar R. rechtstreeks onder de districtsleiding viel en geen directe betrokkenheid of relatie had met de betrokken politieambtenaren. Vanuit deze rol achtte de districtschef R. in staat onafhankelijk klachten te onderzoeken. De districtschef had dan ook geen reden te twijfelen aan de objectiviteit en/of integriteit van de heer R.

2.3. Gelet op het vorenstaande alsmede gezien het uitgebreide klachtrapport van de heer R. kan worden aangenomen dat - hoewel de contacten met verzoeksters gemachtigden niet soepel verliepen en R. ook bedenkingen had ten aanzien van hetgeen verzoeksters gemachtigden en haar vriendinnen naar voren brachten en ten aanzien van de houding van de gemachtigden - R. desalniettemin zowel verzoekster, als haar gemachtigden en haar vriendinnen ruim in de gelegenheid heeft gesteld om hun versie van het gebeurde te geven. Voorts heeft hij verzoeksters gemachtigden telefonisch op de hoogte gebracht van de afwijkende punten die in de verklaringen van de politieambtenaren en enkele getuigen naar voren waren gekomen. Hierop hebben verzoeksters gemachtigden aangegeven bij hun standpunt te blijven en voorts hebben zij nog schriftelijk gereageerd.

Hoewel verzoeksters gemachtigden het gevoel hebben gehad dat R. zich niet voldoende onafhankelijk heeft opgesteld in het onderzoek naar de klacht, hebben zij dat - gelet op het vorenstaande - niet aannemelijk kunnen maken.

Op dit punt is de onderzochte gedraging dan ook behoorlijk.

3. Met betrekking tot de inzage in het nieuw opgemaakte verslag wordt het volgende overwogen. Blijkens het klachtrapport hebben verzoeksters gemachtigden op 26 augustus 1998 het verslag van hun eerder afgelegde verklaring kunnen inzien en hebben zij daarop opmerkingen gemaakt. Verzoeksters gemachtigden hebben aangegeven dat de heer R. had toegezegd dat hij de wijzigingen en aanvullingen in een nieuw verslag zou verwerken.

Blijkens het klachtrapport is er niet een nieuw verslag van de verklaring opgemaakt, maar heeft de klachtbehandelaar in die zin hun opmerkingen verwerkt dat hij alle punten die verzoeksters gemachtigden nog op het verslag naar voren hadden gebracht in het klachtrapport heeft opgenomen. Niet is gebleken dat was afgesproken dat zij een nieuw verslag ter inzage zouden ontvangen. Gelet op het feit dat de heer R. de opmerkingen van verzoeksters gemachtigden ten aanzien van de verklaring heeft opgenomen in het klachtrapport, is hij in die zin zijn toezegging nagekomen.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

IV. Met betrekking tot de afdoening van de klacht

1. Ten slotte klaagt verzoekster over de wijze waarop de korpschef van de regiopolitie Hollands Midden haar klacht bij brief van 29 oktober 1998 heeft afgedaan. Zij is het niet eens met het oordeel en klaagt er met name over dat de korpschef zich onthoudt van een oordeel omtrent de wijze van verhoor, en dat hij niet is ingegaan op het feit dat een van haar vriendinnen in de buik is getrapt.

2.1. De korpschef heeft zich in zijn brief van 29 oktober 1998 over vijf klachtonderdelen uitgesproken. Ten aanzien van de klacht over het slaan van verzoekster, over de tijdsduur van het ophouden voor verhoor, de wijze van verhoor en het niet in kennisstellen van de ouders komt het oordeel van de korpschef overeen met het oordeel van de Nationale ombudsman op die punten (zie hiervoor onder II.1., II.4., II.5. en II.6.).

De korpschef heeft de klacht van verzoekster op die punten juist afgedaan.

Op dit punt is de onderzochte gedraging dan ook behoorlijk.

2.2.1. Met betrekking tot de klacht over het geweldgebruik jegens de vriendinnen van verzoekster heeft de korpschef geoordeeld dat de klap in het gezicht van O. niet disproportioneel was. De korpschef is niet ingegaan op de klacht die E. tijdens het klachtonderzoek bij de politie schriftelijk naar voren had gebracht met betrekking tot het krijgen van een trap in haar buik op het moment dat zij van de politieauto naar het politiebureau werd overgebracht.

Daarnaar gevraagd liet de chef van het district Duin en Bollenstreek namens de korpsbeheerder en de korpschef weten dat hij - gezien het feit dat E. alle gelegenheid had gehad over dit punt te klagen, zowel tijdens het verhoor als bij de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie, alsmede tijdens het gesprek met de klachtbehandelaar in bijzijn van verzoeksters gemachtigde - de juistheid niet kon inschatten en niet anders kon concluderen dan dat deze bijkomende omstandigheid niet van belang was voor het onderzoek.

2.2.2. Anders dan de districtschef heeft aangegeven hadden ook verzoeksters gemachtigden de klacht over de trap in de buik van E. al naar voren gebracht in hun klachtschrijven en later ook nog in het gesprek met de klachtbehandelaar. Gelet op de aard en ernst van de klacht had zeker verwacht mogen worden dat op dit punt onderzoek werd gedaan en ook een oordeel werd gegeven. In zijn brief is de korpschef echter alleen op het punt van de klap in het gezicht van O. ingegaan. Dit is niet juist.

Overigens deelt de Nationale ombudsman het standpunt van de korpschef ten aanzien van de klap in het gezicht van O. niet, gelet op hetgeen daarover hiervoor onder II.3.3. is overwogen.

Op dit punt is de onderzochte gedraging dan ook niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Hollands Midden, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden (de burgemeester van Leiden), is niet gegrond, behalve ten aanzien van het (in een reflex) slaan in het gezicht van verzoekster, het geven van een corrigerende tik in het gezicht van haar vriendin O. en het oordeel van de korpschef op dat punt, alsmede met betrekking tot het feit dat de korpschef niet is ingegaan op de klacht over de trap in de buik van E.; op deze punten is de klacht gegrond terwijl de Nationale ombudsman zich met betrekking tot de klacht over de wijze van verhoor en het weigeren van een kopie van het proces-verbaal van verhoor onthoudt van een oordeel.

Instantie: Regiopolitie Hollands Midden

Klacht:

Optreden politiekorps niet adequaat waardoor feestelijkheden uit de hand liepen; optreden politieambtenaren jegens verzoekster (slaan; aanhouding; lang vasthouden; weigering kopie verklaring); behandeling klacht hierover.

Oordeel:

Geen oordeel