1999/107

Rapport
Op 22 mei 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van S. Groep te Nijkerk, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland (de burgemeester van Apeldoorn), werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoekster, een bedrijf, klaagt erover dat het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland geen serieus onderzoek heeft ingesteld naar een aantal inbraken, gepleegd in de periode tussen 12 november 1997 en 30 april 1998, bij haar vestiging in Harderwijk. ONDERZOEK In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. E n van hen maakte van deze gelegenheid gebruik. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Zutphen over de klacht ge nformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De hoofdofficier maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Zij maakte van die gelegenheid geen gebruik. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De korpsbeheerder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoekster berichtte dat het verslag haar geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. De betrokken ambtenaar gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. Feiten1. Bij een vestiging van verzoekster, het bedrijf S., in Harderwijk, werd in de periode tussen 11 november 1997 en 1 mei 1998 zes maal ingebroken, en eenmaal werd een poging tot inbraak gedaan.2. Op 19 januari 1998 richtte de heer G., algemeen directeur van verzoekster, zich tot de hoofdofficier van justitie te Zutphen, omdat hij ontevreden was over de wijze waarop de politie de (tot dat moment in totaal drie) inbraken had behandeld. De heer G. berichtte in zijn brief onder meer het volgende:"Naar aanleiding van een aantal recente door ons gedane aangiften van diefstallen van o.a. een nieuwe Mercedes d.d. 31 december 1997 gedaan bij de Regiopolitie Noordoost-Gelderland, basiseenheid Harderwijk, vragen wij uw dringende aandacht voor het navolgende: (...) Bedoeld voertuig was bij onze vestiging S. Harderwijk (...), medio 1997 besteld door de klant Aannemersbedrijf R. (...). Op 19 december 1997 bracht de klant R. het voertuig bij bedoelde vestiging terug. (...) Aansluitend zou S. het voertuig gereed maken voor definitieve aflevering. (...) Het bewuste voertuig werd afgesloten gestald op het afgeschermde bedrijfsterrein van S. Harderwijk. De sleutels van het voertuig werden afgegeven bij de receptionist van ons bedrijf. Toen personeel op 30 december 1997 het voertuig wilde voorzien van kentekenplaten, bleek de auto te zijn verdwenen. Aangezien er ruim 20 nieuwe soortgelijke voertuigen stonden, was de vermissing niet eerder opgemerkt. Op 31 december 1997 werd hiervan vervolgens aangifte gedaan. Bedoeld voertuig is derhalve ontvreemd in de periode gelegen tussen 19 december 1997 en 30 december 1997. Naar alle waarschijnlijkheid is het voertuig echter in het weekeinde van 1921 december 1997 ontvreemd. Nadien bleek, dat op 19 december 1997 voorts de kentekenplaten waren ontvreemd van het voertuig Mercedes type Vito, voorzien van het kenteken (...). Dit voertuig behoort in eigendom toe aan eerder genoemd Aannemersbedrijf R. Op vermelde datum stond het voertuig voor de woning van een medewerker, de heer H. te Harderwijk. Terzake van deze diefstal werd er door R. aangifte gedaan bij de politie. Gezien bovengenoemde feiten hebben wij het ernstige vermoeden, dat er een causaal verband bestaat tussen de autodiefstal en de diefstal van de kentekenplaten. Er zijn in ieder geval opsporingsindicaties en/of daderindicaties. Deze incidenten staan verder niet op zichzelf. In oktober 1997 vond er bij deze vestiging ook al een inbraak plaats waarbij men een auto en een partij accu's, autoradio's en alarminstallaties (alle bestemd voor vrachtauto's) wegnam. Tijdens deze diefstal zijn er, in onze garage, ook traangaspatronen uit een politie-auto ontvreemd. Tevens werd er in dezelfde periode een soortgelijke inbraak gepleegd bij (...), een Volvo Bedrijfswagen dealer, te Barneveld. Navraag bij de politie leerde ons dat er niet zou worden gerechercheerd naar deze zaken. Desgevraagd deelde de politieman de heer Bo. ons mede, dat de politie geen nader onderzoek instelt vanwege de interne prioriteitstelling. Gezien de opsporingsindicaties en de diverse incidenten kunnen wij dit als bedrijf niet accepteren! Als bedrijf hebben wij allerlei beveiligingsmaatregelen getroffen om onze eigendommen te beschermen. Meer kunnen wij niet doen. Als bedrijf zijn wij verder niet bij machte om politiewerk te verrichten. Wij zijn hierbij aangewezen op "de sterke arm en haar inzet". Gezien de modus operandi, de omvang van de schade, aantal incidenten en de opsporingsindicaties, dwingen deze zaken, zondermeer volgens ons een recherche-onderzoek af. Indien zelfs naar dit soort zaken geen onderzoek meer plaatsvindt heeft dit voor ons bedrijf grote gevolgen. De verzekeringsmaatschappij zal ons gaan weren danwel premies verhogen en de kans om slachtoffer te worden van een soortgelijk delict wordt steeds groter. Wij verzoeken u derhalve te bevorderen, dat de basiseenheid Harderwijk alsnog een nader onderzoek instelt, temeer daar er in het afgelopen weekend van 17/18 januari wederom een voertuig is gestolen uit de garage! Wij verzoeken u op korte termijn ondergetekende schriftelijk hierover te berichten daar de pakkans van de dader(s) bij het verstrijken van elke dag, moeilijker wordt."3. De heer G. zond een afschrift van zijn brief van 19 januari 1998 aan de burgemeester van Harderwijk. De burgemeester beantwoordde deze brief op 20 april 1998 onder meer als volgt:"Zoals u in de brief (van 19 januari 1998; N.o.) heeft aangegeven is er tweemaal contact geweest met de politie in de betreffende periode en is er in beide gevallen aangifte opgenomen. Vervolgens is door de recherche nagegaan of de dader(s) te achterhalen waren, hetgeen helaas niet het geval bleek te zijn. Bij het telefonisch contact tussen uw bedrijf en de politie is meegedeeld dat de politie wel wil maar op dit moment niet verder komt in haar onderzoek. Door een minder gelukkige woordkeus is daarbij ten onrechte de indruk ontstaan dat er te weinig actie werd genomen. Ik betreur het dat dit gevoel bij u is ontstaan. De intentie van het terugbellen naar uw bedrijf en het gesprek was, dat de politie graag de dader(s) wil opsporen en wil arresteren, maar dat er geen enkele indicatie is naar een dader. Ik kan u verzekeren dat het de politie van Harderwijk zodanig ernst is dat wanneer er ook maar enige re le daderindicatie is, er de nodige ruimte gemaakt wordt om naar die dader(s) onderzoek te doen en in het vervolg daarvan de dader(s) te pakken."4. De heer G. rappelleerde de hoofdofficier van justitie te Zutphen op 4 mei 1998. In zijn brief deelde verzoeker onder meer het volgende mee:"Onder verwijzing naar ons schrijven van 19 januari jl., waarop wij overigens geen reactie mochten ontvangen, delen wij u mede dat vanaf die datum tot aan heden er nog vier inbraken hebben plaatsgevonden waarvan de laatste in de nacht van 30 april op 1 mei jl. Hierbij doen wij u een overzicht toekomen van de 7 inbraken welke, in een tijdsbestek van slechts 5 maanden, hebben plaatsgevonden op onze vestiging te Harderwijk. Van alle inbraken hebben wij aangifte gedaan bij de politie. Echter, tot onze stomme verbazing, is de technische recherche van mening dat dit nog steeds geen reden is om deze opeenvolging van inbraken te onderzoeken. U zult begrijpen dat de grens voor ons reeds bereikt is en derhalve verzoeken wij u wederom met klem alsnog een onderzoek in te stellen, temeer daar wij van mening zijn dat er een bepaald patroon te herkennen is bij alle inbraken."5. Bij zijn brief van 4 mei 1998 zond de heer G. het volgende overzicht van de gepleegde inbraken, dan wel pogingen daartoe:Overzicht gepleegde inbraken bij S. Harderwijk BV 1997/1998

ƒƒ ƒƒƒƒ ƒ Nr. Datum Schade Kosten excl BTW 1. 12-11-1997 Ruit ingeslagen. geld uit kassa ontvreemd, radio's en accu's meegenomen. Tevens auto meegenomen 21.000,00 2. 31-12-1997 Nieuwe Vito gestolen 45.000,00 3. 18-01-1998 Ruit ingeslagen, Sprinter gestolen (is later teruggevonden, schadekosten nog niet bekend) + acculader 800,00 4. 13-04-1998 Poging tot inbraak 0,00 5. 19-04-1998 Ruit ingetrapt 350,00 6. 23-04-1998 Ruit kapotgeslagen. HiFi-installatie ontvreemd 1600,00 7. 30-04-1998 Voordeurruit kapotgeslagen, kassa opengebroken. Circa 20 miniatuurvrachtauto's + zakmessen + jassen ontvreemd 9000,00B. Standpunt verzoeksterHet standpunt van verzoekster staat samengevat weergegeven onder

Klacht

.C. Standpunt korpsbeheerder1. Naar aanleiding van verzoeksters klacht bij de Nationale ombudsman behandelde de korpsbeheerder verzoeksters klacht volgens de interne klachtenregeling van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland, omdat dit nog niet eerder was gebeurd. Op 25 augustus 1998 berichtte de korpsbeheerder aan verzoekster dat hij de klacht niet ontvankelijk achtte. De beslissing van de korpsbeheerder luidde onder meer als volgt:"Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat de politie in Harderwijk wel de nodige aandacht aan de zaak heeft besteed. Het ontbreken van een daderindicatie heeft er echter toe geleid dat er geen verdere recherche-activiteiten hebben plaatsgevonden. In drie van de zeven door u genoemde zaken heeft de technische recherche een sporenonderzoek ingesteld, hetgeen echter niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. In de overige zaken waren er onvoldoende aanknopingspunten, geen bruikbare sporen of werd er afgezien van een technisch onderzoek vanwegen een prioriteitsstelling. De klachtencommissie heeft mij geadviseerd uw klacht v.w.b. de klachtenregeling Noord- en Oost-Gelderland niet ontvankelijk te verklaren i.v.m. het feit dat er geen sprake is van een concrete gedraging of handeling van n of meerdere politiefunctionarissen, maar veeleer over het hanteren van een beleidskeuze en/of prioriteitsstelling. Ik ben het op zich eens met dit advies, maar ik vind tegelijkertijd dat u wel recht heeft op een adequate uitleg over het beleid van de politie in dit soort aangelegenheden. De politie in onze regio is, door werkdruk en capaciteitsproblemen, genoodzaakt om voor de inzet van de technische recherche een prioriteitsstelling te hanteren. Dit betekent, dat de politie niet bij alle gevallen van een inbraak in een bedrijfspand of diefstallen vanaf een bedrijfsterrein, over zal gaan tot het inzetten van de technische recherche. Deze prioriteitsstelling is door de regionale korpsleiding vastgesteld. In het verlengde van dit beleid ligt de aanpak door de districtelijke afdeling criminaliteitsbeheersing. Zaken worden via de prioriteitsstelling afgehandeld. Door het ontbreken van daderindicaties, was er in casu onvoldoende grond om een verder onderzoek in te stellen. Op basis van de rapportage van de politie kom ik hierbij tot de conclusie, dat zij die inspanningen in het onderzoek naar de bedrijfsinbraken heeft verricht, die van haar mocht worden verwacht, dit in relatie tot de beleidskeuze en prioriteitsstelling technische onderzoeken. Ik ben van mening, dat de politie in redelijkheid heeft kunnen komen tot het niet inzetten van de technische recherche, op grond van deze prioriteitsstelling en geen verder recherche-onderzoek heeft kunnen verrichten, omdat een daderindicatie heeft ontbroken. Gezien het bovenstaande besluit ik hierbij strikt formeel om uw klacht overeenkomstig de klachtenregeling van de politieregio Noord- en Oost-Gelderland niet ontvankelijk te verklaren. Tegelijkertijd hoop ik dat de uitleg die ik gegeven heb over de uitvoering van het beleid en de daarmee onlosmakelijk verbonden prioriteitsstelling voor u duidelijk is. Teneinde 'scherp' te blijven op de beleidskeuzes en prioriteitsstelling qua inzet van bijvoorbeeld de Technische Recherche heb ik uw brief (met bijlage) overigens onder de aandacht gebracht van de korpschef, teneinde deze in het reguliere overleg met vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie te bespreken en al dan niet te herbevestigen."2.1. De korpsbeheerder reageerde vervolgens op 15 oktober 1998 op de klacht. De korpsbeheerder verwees in zijn reactie naar een rapport van de chef van het district Noord West Veluwe van 1 juli 1998.2.2. Dit rapport van de districtschef van 1 juli 1998 luidde onder meer als volgt:"Dezerzijds heeft de hoofdinspecteur B. een nader onderzoek ingesteld; het resultaat daarvan heeft hij vastgelegd in bijgevoegde rapportage, naar de inhoud waarvan ik u verwijs (zie hierna onder C.3.1.; N.o.). Tevens heb ik ter informatie bijgevoegd de leidraad (prioriteitstelling) die wordt gehanteerd bij het al dan niet ter assistentie roepen van de Technische Recherche; een toelichting van het Hoofd Criminaliteits Beheersing is daarbij gevoegd (zie hierna onder C.2.3.; N.o.). Duidelijk is geworden dat bij drie van de zeven door de heer G. genoemde gevallen de Technische Recherche een sporenonderzoek heeft verricht. In de overige gevallen waren er geen aanknopingspunten, geen bruikbare sporen of werd afgezien van een technisch onderzoek vanwege bovengenoemde noodzakelijke prioritering. Bij de Dienst Criminaliteits Beheersing wordt via een prioritering besloten tot het opstarten van opsporingsonderzoeken. Omdat er in de genoemde gevallen geen daderindicatie was, is afgezien van een verder onderzoek. Ik betreur dat genoemde prioriteringen in een aantal gevallen leiden tot de consequenties, zoals de heer G. die heeft ondervonden."2.3. De leidraad, c.q. prioriteitstelling, waarnaar de districtschef in zijn rapport van 1 juli 1998 verwees, hield onder meer het volgende in:"aanleiding: Bij de laatste reorganisatie is de sterkte van de technische recherche met 5 fte's teruggebracht. (...) uitgangspunt:1. de technische recherche is ondersteunend aan de districten.2. de HCB (het Hoofd Criminaliteits Beheersing; N.o.) is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het totale rechercheproces. kaders:(...) onderscheid wordt gemaakt tussen A, B en C zaken:A-zaken (= prioriteit 1) zijn:(...) * ernstig geweld tegen personen (...) (...) * brand/ontploffing/ongeval: dodelijk/zwaar letsel. Al deze zaken worden in principe op elk tijdstip van de dag/nacht meteen uitgevoerd B-zaken (= prioriteit 2) zijn:* woninginbraken * bedrijfsinbraken (sporenwaardig) (...) In principe komt de TR (technische recherche; N.o.) voor deze zaken, doch ze worden ingepast binnen de reguliere werktijden van de TR. C-zaken (= prioriteit 3) zijn:* poging tot inbraak en insluiping (minimale sporen) (...) Deze zaken worden in principe niet gehonoreerd met een sporenonderzoek. Aanvullende kaders district N.W. Veluwe(...) B-zaken:(...) * bedrijfsinbraken (...):in principe geen TR, tenzij:- specifieke werkwijze (...) - omvangrijke/kostbare buit of - de inbraak deel uitmaakt van een serie waarop al taktisch ge nvesteerd wordt."3.1. Bij de reactie van de korpsbeheerder bevonden zich onder meer als bijlage het rapport van politieambtenaar B. van 24 juni 1998, waarnaar de districtschef in zijn rapport van 1 juli 1998 verwees. Dit rapport hield onder meer het volgende in:"Naar aanleiding van door de heer G. namens S. (verzoekster; N.o.), gevestigd (...) Nijkerk, ingediende klachten respectievelijk d.d. 19 januari 1998 en 4 mei 1998 (zie hiervoor onder A.2. en A.4.; N.o.), heb ik B., hoofdinspecteur van politie (...) in opdracht van de Chef van genoemd district een onderzoek ingesteld. De kern van bedoelde klachten betrof:"niet optreden/rechercheren door politie bij gepleegde misdrijven" Op maandag 15 juni 1998 werd in het politiebureau van Harderwijk gesproken met: D., hoofdinspecteur van politie bij de politie-regio Noord- en Oost-Gelderland, teamchef te Harderwijk. Afschriften van de klachten werden uitgereikt en toegelicht. Vervolgens gaf D. zijn weergave van het gebeurde, hetgeen op het volgende neerkomt:*** Omtrent beide klachten was door D. weinig meer te melden dan hij in zijn brief van 27 januari 1998 aan het Parket in Zutphen had geschreven. (zie hierna onder C.3.5.; N.o). Binnen het team Harderwijk bestaat geen prioriteitstelling omtrent de aanpak van misdrijven. Zodra na onderzoek voldoende feiten bekend zijn, wordt van elk misdrijf tot aanhouding overgegaan. Politie Harderwijk wil zoveel mogelijk zaken oplossen en daders aanhouden.                   Ondanks ondersteuning van de Districtelijke Criminaliteits Beheersing (D.C.B.) ontbrak een daderindicatie.                   In het overzicht van gepleegde inbraken bij S. werden 7 zaken genoemd. Door de Technische Recherche (T.R.) werd bij 3 zaken terplaatse sporenonderzoek verricht. In de overige gevallen werd hiervan afgezien vanwegen het gemis van aanknopingspunten, dan wel dat hiervoor geen bruikbare sporen werden aangetroffen.*** Opm. rapporteur:-- De weergave van D. kwam mij geloofwaardig over. Opm. rapporteur:-- Door klager werd op 19 januari 1998 schriftelijk een klacht ingediend bij de Hoofdofficier van Justitie te Zutphen. Vervolgens vroeg Justitie om inlichtingen aan de teamchef te Harderwijk. Bij schrijven van 27 januari 1998 verstrekte teamchef D. de gevraagde informatie.          Vervolgens diende klager op 4 mei 1998 andermaal schriftelijk een klacht in bij de Hoofdofficier.          Justitie Zutphen berichtte bij schrijven van 29 mei 1998 (4 maanden na de verkregen informatie) klager omtrent zijn klachten alsmede de genomen stappen. Als excuus werd vermeld:         "Ik had u dit moeten berichten maar heb dit tot mijn spijt tot dusverre verzuimd." Op woensdag 17 juni 1998 werd in het politiebureau van Harderwijk gesproken met: A., hoofdinspecteur van politie bij de regio-politie Noord- en Oost-Gelderland, Hoofd Criminaliteits Beheersing van het district Noord-West Veluwe, en Ba., inspecteur bij de regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, groepschef Districtelijke Criminaliteits Beheersing te Harderwijk. Bedoelde klachten werden inhoudelijk toegelicht. Vervolgens gaven A. en Ba. hun weergave hetgeen op het volgende neerkomt. *** De personele bezetting bij de Dienst Technische Ondersteuning (= Technische Recherche en Technische afdeling Verkeer) van de Divisie Operationele Ondersteuning werd bij de reorganisatie met 5 formatie-plaatsen teruggebracht. Op basis daarvan werd een leidraad opgesteld (...) (zie hiervoor onder C.2.3.; N.o.) waarin de prioriteitstelling werd verwoord.                   De Technische Recherche (T.R.) zal in 1998 ongeveer 950 zaken minder in behandeling kunnen nemen. De T.R. komt bijvoorbeeld in principe niet meer bij bedrijfsinbraken, tenzij daar bijzondere aanleiding voor is.                   Dit betekent het missen van n van de indicatoren naar daders.                   In het verlengde van dit beleid ligt de aanpak door de Districtelijke Criminaliteits Beheersing. Ten behoeve van alle medewerkers in de basispolitiezorg in het district werd een toelichting, een districtelijke uitleg/verfijning van het T.R.-beleid, gegeven (...).                   Ook bij de Districtelijke Criminaliteits Beheersing worden prioriteiten gesteld. Daardoor ontstaan er "plankzaken". De zaken worden i.v.m. personele bezetting via prioriteitstelling afgehandeld. Zaken waarbij geweld werd gebruikt (verkrachting, beroving en overvallen) gaan altijd voor!                   Een "plankzaak" is een onderzoek waarvan de aangifte is opgenomen, sporen zijn onderzocht, getuigen gehoord, daderindicatie aanwezig is, en aanhouding en inverzekeringstelling mogelijk is.                   Omtrent de feiten welke bij klager werden gepleegd, was geen daderindicatie. Bedoelde zaken liggen derhalve niet als "plankzaak" in afwachting van behandeling bij de Districtelijke Criminaliteits Beheersing.                   In het overzicht van klager was sporenonderzoek bij het voorval d.d. 19 april 1998 genoemd onder 5 nuttig geweest. Op basis van hun prioritering werd dit onderzoek niet verricht.*** opm. rapporteur:-- De weergave van A. en Ba. kwam overeen met hetgeen in de aangeboden bijlagen (hiervoor onder meer vermeld onder C.2.3.; N.o.) stond vermeld. (...) Op dinsdag 23 juni 1998 werd in het politiebureau van Harderwijk gesproken met klager G. Bedoelde klachten werden aan G. getoond en door hem nader toegelicht. Zijn weergave komt op het volgende neer. *** Van de burgemeester van Harderwijk had klager noch een brief ontvangen dat zijn ingediende klachten waren ontvangen, noch enig bericht tot welke actie dit zou leiden. Klager vond dat bijzonder teleurstellend. (...).*** (...) *** Van de Hoofdofficier van justitie te Zutphen ontving klager 4 maanden na zijn 1e klacht een reactie met "verontschuldiging". Ook dit werd ervaren als bijzonder teleurstellend.                   Klager wenste zijn klachten te handhaven. Hoewel er naar zijn mening verbanden bestaan tussen de diverse misdrijven, werd er geen enkel recherche-onderzoek gestart.                   In het bedrijf van klager vond een verbouwing plaats en werd nieuw meubilair geplaatst. Daardoor kwamen geruime tijd veel "vreemde mensen" over de vloer. Ook een onderzoek onder de "eigen medewerkers" werd niet gedaan.                   De heer Bo. van politie Harderwijk deelde mede dat prioriteitstelling de reden was dat geen onderzoek werd verricht. De heer Bo. was hiermee duidelijk en eerlijk. Klager vond het een slechte zaak dat de politiek onvoldoende middelen beschikbaar stelt voor een goede politie-organisatie en voor voldoende mankracht bij de Technische Recherche.                   Justitie Zutphen, verantwoordelijk voor een goede opsporing van strafbare feiten, kan deze verantwoordelijkheid naar zijn mening niet waarmaken.                   De ondernemers op het bedrijventerrein in Harderwijk hebben individueel preventieve maatregelen genomen en hebben vervolgens het particuliere beveiligingsbedrijf Randon ingeschakeld. Het plaatsen van borden, waarop van deze beveiliging melding wordt gemaakt, wordt door de gemeente Harderwijk geweigerd.*** Opm. rapporteur:-- Voor zover relevant voor de behandeling van deze klachten, werden tijdens het gesprek met klager de weergave van D., A. en Ba. besproken. Op dinsdag 23 juni 1998 werd in het politiebureau van Harderwijk gesproken met: Bo., brigadier bij de politie-regio Noord- en Oost-Gelderland, ingedeeld bij het team Harderwijk. Afschriften van de klachten werden uitgereikt en toegelicht. Vervolgens gaf Bo. zijn weergave van het gebeurde, hetgeen op het volgende neerkomt. *** Het voorval op 31 december 1997 had geen aanknopingspunten voor een onderzoek door de Technische Recherche. De T.R. kwam derhalve niet ter plaatse. Met de Districtelijke Criminaliteits Beheersing (D.C.B.) werd overleg gevoerd. I.v.m. prioriteitstelling werd geen onderzoek gedaan.                   Bo. informeerde vervolgens telefonisch klager G., waarbij tevens de motivatie van het niet instellen van een onderzoek werd medegedeeld. Zijn chef stelde deze openheid niet op prijs.*** Opm. rapporteur:-- De weergave van Bo. kwam mij geloofwaardig over. -- Op dinsdag 23 juni 1998 werd de burgemeester van Harderwijk in kennis gesteld van de zienswijze van klager G. Samenvatting:1. Van opzettelijk onnauwkeurig en/of onbehoorlijk politiegedrag is mij niet gebleken.2. Van de burgemeester van Harderwijk ontving klager na 3 maanden enige reactie op de door hem ingediende klachten.          Van Justitie Zutphen ontving klager na 4 maanden informatie.3. Vanwege prioriteitstelling bij de Technische Recherche en als gevolg daarvan bij de Districtelijke Criminaliteitsbeheersing werd in de zaken van klager niet of nauwelijks gerechercheerd.4. Klager was tevreden omtrent de behandeling en de aandacht welke aan de klachten werd besteed."3.2. Ook bevond zich als bijlage bij de reactie de korpsbeheerder een rapport van politieambtenaar B. van 7 oktober 1998, waarin werd ingegaan op nadere vragen van de Nationale ombudsman. Dit rapport hield onder meer het volgende in:"- gevonden sporen bij drie inbraken en reden waarom prioriteitstelling geen beletsel vormde:12-11-97                  B.P.S.-mutatie 97(...) schoenspoor, 2 x werktuigspoor, 1 x handschoenspoor en 1 x sorteermateriaal (...) 18-01-98                  B.P.S.-mutatie 98(...)                                     1 x dacty (onbetrouwbaar) en 1 x handschoen (...) 23-04-98                  B.P.S.-mutatie 98(...)                                     1 x schoen (...) Binnen de regio bestaat een prioriteitsregeling m.b.t. inzet T.R. (zie hiervoor onder C.2.3.; N.o.). Deze regeling zegt dat er bij bedrijfsinbraken geen T.R. komt, tenzij... Dit "tenzij" wordt in ons district zo ingevuld, dat de collega ter plaatse beoordeelt of inzet van T.R. zinvol is. Zaken die worden overwogen zijn o.a.: modus operandi, de waarschijnlijkheid dat het feit sporen heeft achtergelaten, de aard en de waarde van het ontvreemde, de onrust die het feit te weeg brengt. Indien de verbalisant op grond van deze afweging onderzoek door T.R. vraagt, komt de T.R., tenzij het werkaanbod dermate groot is dat andere keuzes moeten worden gemaakt. Het oordeel van de dagcoordinator van de districtelijke criminaliteits beheersing (D.C.B.) is dan beslissend. - de reden waarom bij de overige vier inbraken geen sporenonderzoek werd ingesteld: Dit is terug te voeren op de inschatting van betrokken verbalisant (zie vorige vraag/-antwoord). Het is mogelijk dat een andere collega op basis van kennis en ervaring tot een ander besluit zou kunnen komen, bijv. bij de inbraak op 19 april 1998. - welke reden(en) van prioriteitstelling golden voor welke inbraak:Deze vraag is gelet op vorige beantwoording niet expliciet te beantwoorden. - betroffen de inbraken een serie waarin tactisch onderzoek was ingesteld:De vraag is: "wanneer is iets een serie"?. zal de inbraken in zijn bedrijf als een serie ervaren. Voor de politie moet er sprake zijn van: eenzelfde modus operandi, soortgelijke buit, zelfde tijdstippen, meerdere bedrijven in die buurt / in die plaats / in die omgeving. Een dergelijk seriematig beeld werd t.a.v. G. niet ontdekt. Bij diefstallen in juni 1998 werd een dader aangehouden, die echter niet bij voorgaande zaken kon worden geplaatst. Dat wil overigens niet zeggen dat er niet tactisch ge nvesteerd kan worden als niet van een serie bedrijfsinbraken kan worden gesproken. N.a.v. de inbraak van 11 op 12 november 1997 werd tactisch onderzoek ingesteld, zonder dat dit tot aanhouding leidde. - weergave van D. versus de weergave van Bo.:Bij deze vraag moet duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen prioriteitstelling op tactisch gebied (bij het team Harderwijk en bij de D.C.B.) en op technisch gebied (bij de T.R.). Hetgeen Bo. vermeldt spoort met wat D. zegt. Binnen het team bestaan geen afspraken m.b.t. de prioritering bij inbraken. Het gemis aan aanknopingspunten (technisch qua sporen wel te verstaan) en het op het eerste oog ontbreken van sporen leidde tot niet inschakeling van de T.R. op basis van de bij de T.R. geldende prioriteitsregeling. Bij de D.C.B. wordt op tactisch gebied wel prioritering toegepast. De vraag daarbij is niet of een zaak met opsporingsindicatie wordt opgepakt, maar wanneer. Geweld tegen personen, jeugdcriminaliteit en woninginbraken gaan v r bedrijfsinbraken."3.3. Voorts bevond zich als bijlage bij de reactie van de korpsbeheerder een aantal mutaties en processen-verbaal van aangifte van verzoekster betreffende inbraken, dan wel een poging tot inbraak in haar vestiging in Harderwijk. Deze mutaties en processen-verbaal waren van de volgende data:- een mutatie en proces-verbaal van 12 november 1997, betreffende een inbraak gepleegd tussen 11 en 12 november 1997, waarbij een bestelauto, een groot aantal goederen en geld was verdwenen. Naar deze inbraak had de technische recherche een onderzoek ingesteld; - een mutatie en proces-verbaal van 31 december 1997, betreffende diefstal van een bestelauto uit het bedrijfspand, gepleegd tussen 19 en 30 december 1997. Niet was bekend hoe en wanneer deze bestelauto was verdwenen. Er was geen sporenonderzoek ingesteld; - een mutatie en proces-verbaal van 18 januari 1998, betreffende een inbraak gepleegd op 18 januari 1998, waarbij een bestelauto was verdwenen. In het pand was met een speurhond gezocht. Het in het pand gevonden glas was veiliggesteld. Er was een sporenonderzoek ingesteld; - een mutatie en proces-verbaal van 15 april 1998, betreffende een poging tot inbraak, gepleegd op 13 april 1998. Getracht was de ruiten in te gooien. Er waren krassen op de ruiten waargenomen. Er was geen sporenonderzoek ingesteld; - een mutatie van 19 april 1998 en een proces-verbaal van 22 april 1998, betreffende een inbraak, gepleegd tussen 18 en 19 april 1998, waarbij twee radio-CD-spelers en een CD-wisselaar waren verdwenen. Een plastic ruit was uit het rolluik gesneden en aan de binnenzijde tegen het rolluik gezet. Er was geen sporenonderzoek ingesteld; - een mutatie en proces-verbaal van 23 april 1998, betreffende een inbraak, gepleegd op 23 april 1998, waarbij niets was weggenomen. Op een aantal dozen waren een paar redelijk duidelijke schoenafdrukken aangetroffen. Er was een sporenonderzoek ingesteld; - een mutatie en proces-verbaal van 1 mei 1998, betreffende een inbraak, gepleegd op 1 mei 1998, waarbij een jas en een aantal modelauto's waren verdwenen. Er waren geen sporen waargenomen. Er was geen sporenonderzoek ingesteld.3.4. Eveneens bevonden zich bij de reactie van de korpsbeheerder drie verslagen van sporenonderzoeken, ingesteld op 12 november 1997, 18 januari 1998 en 24 april 1998.3.5. Verder bevond zich bij de reactie van de korpsbeheerder een brief van politieambtenaar D. van 27 januari 1998 aan de hoofdofficier van justitie te Zutphen, waarnaar politieambtenaar B. in zijn rapport van 24 juni 1998 verwees. Deze brief hield onder meer het volgende in:"Zoals dhr. G. schrijft (in de brief van 19 januari 1998, zie hiervoor onder A.2.; N.o.) is er tweemaal contact geweest met de politie in de onderhavige periode. In beide gevallen is aangifte opgenomen, zowel van de diefstal van de kentekenplaten als van de inbraak in de garage. Na het opnemen van de aangiften is er contact geweest met de Dienst Criminaliteits Beheersing van het district, de recherche. Gekeken is of er een dader of dadergroep voor deze diefstallen in aanmerking kwam en of er enige daderindicatie was. Dit bleek helaas niet het geval. Daarna is er met een van mijn medewerkers telefonisch contact geweest door iemand van de S.groep (verzoekster; N.o.). Indringend is toen gevraagd vooral op deze feiten te rechercheren en uit te leggen waarom dat dan niet zou gebeuren. De telefonist heeft opnieuw contact opgenomen met de recherche en gevraagd of en welke onderzoeksmaatregelen er genomen waren of konden worden genomen. Hierna heeft hij iemand van de S.groep teruggebeld en zo goed mogelijk verteld dat de politie wel wil maar op dit moment niet verder komt in haar onderzoek. Over de woordkeus kunnen we met elkaar van mening verschillen. De intentie van het terugbellen en het gesprek was dat de politie graag de daders op wil sporen en wil "Pakken" maar dat er geen enkele indicatie is naar een dader. Ik betreur het dat dit gevoel bij de S.groep is achtergebleven. Ik verzeker u dat het de politie van Harderwijk ernst is dat wanneer er ook maar enige re le daderindicatie is zij ruimte zal maken naar die dader onderzoek te plegen. Maar dan moet het wel kunnen."3.6. Voorts bevond zich als bijlage bij de reactie van de korpsbeheerder een rapport van betrokken ambtenaar Ba. van 1 oktober 1998. Dit rapport hield onder meer het volgende in:"Het is juist dat Dhr. G. telefonisch contact met mij heeft gehad m.b.t. de inbraken binnen zijn bedrijf en dat hij daarbij heeft aangegeven dat hij "dader indicatie" had. Of dit gesprek heeft plaatsgevonden op 10 juli jl. weet ik niet meer, maar dit zal ongetwijfeld juist zijn. De stelling, dat ik tijdens dit gesprek heb aangegeven dat, ondanks zijn informatie, het onderzoek geen prioriteit zou krijgen en er geen actie zou worden ondernomen, wens ik te bestrijden. Dit is een onjuiste weergave van de feiten. In bedoeld gesprek heb ik Dhr. G. uitgelegd dat er nog werd gewerkt aan de afronding van het onderzoek naar brandstichting in de Y te Harderwijk waarbij drie dodelijke slachtoffers waren te betreuren en dat dit onderzoek inzet van veel personeel vergde ten gevolge waarvan bij de Dienst Criminaliteitsbeheersing een enorme achterstand was ontstaan in de afhandeling van zaken, w.o. zaken met een zeer hoge prioriteit zoals verkrachtingen, incest, overval en beroving. Dhr. G. is uitgelegd dat er bij het inlopen van deze achterstand noodgedwongen gewerkt moest worden via een prioriteitstelling en dat hij er van uit moest gaan dat zijn zaak, gelet op de aard daarvan in verhouding tot een aantal andere zaken, wel prioriteit maar niet de hoogste prioriteit zou krijgen doch dat er zeker actie zou worden ondernomen. Hem werd verder mede gedeeld dat hij, gelet op de omstandigheden van dat moment, echter niet mocht verwachten dat dit op zeer korte termijn al het geval zou kunnen zijn. Door eerder aangehaalde prioriteitstelling, gecombineerd met de vakantieperiode, kon pas begin september jl. een aanvang worden gemaakt met het onderzoek waarbij de aangereikte informatie wordt onderzocht op bruikbaarheid en wordt bekeken of er in juridische zin tot een verdachte indicatie kan worden gekomen."D. Standpunt betrokken ambtenaar Ba.Betrokken ambtenaar Ba. reageerde op 5 oktober 1998 op de klacht. Deze reactie luidde onder meer als volgt:"Op of omstreeks 10 juli werd door Dhr. G. telefonisch contact opgenomen met ondergetekende van de Dienst Criminaliteitsbeheersing van het politiedistrict Noord-West Veluwe. In dit gesprek deelde G. mee dat hij mogelijk daderindicatie had ivm de inbraken die in zijn bedrijf waren gepleegd. Ik heb G. aangegeven dat mijn dienst op grond van zijn informatie actie zou ondernemen, maar dat er helaas gewerkt moest worden via prioritering, reden waarom hij, gelet op de aard van zijn zaak, in verhouding tot andere zaken die speelden, niet mocht verwachten dat het onderzoek op korte termijn zou plaatsvinden. Als argument hiervoor heb ik aangegeven dat de dienst nog werkte aan de afronding van het onderzoek naar de brandstichting in Harderwijk waarbij drie dodelijke slachtoffers waren te betreuren. Dit onderzoek vergde, gelet op de ernst van deze zaak, veel inzet van personeel waardoor er bij de dienst een achterstand was ontstaan in de afhandeling van zaken. Hierbij moet worden gedacht aan zaken met een zeer hoge prioriteit zoals verkrachtingen, incest, overval en beroving. Door aangehaalde omstandigheden, gecombineerd met de vakantieperiode, kon pas begin september jl een aanvang worden gemaakt met het onderzoek waarbij de door G. aangereikte informatie wordt onderzocht op bruikbaarheid en wordt bekeken of er in juridische zin tot een verdachte indicatie kan worden gekomen."E. Nadere reactie korpsbeheerderDe korpsbeheerder reageerde op 18 november 1998 op nadere vragen van de Nationale ombudsman over het onderzoek naar een brandstichting in Harderwijk, waarnaar betrokken ambtenaar Ba. in zijn rapport van 1 oktober 1998 had verwezen. De korpsbeheerder verwees in zijn reactie naar een rapport van betrokken ambtenaar Ba. van 4 november 1998. Dit rapport hield onder meer het volgende in:"Het onderzoek met betrekking tot de brand in de Y te Harderwijk is aangevangen op 27 januari 1998. Gelet op de ernst van het gebeuren werden in eerste instantie gemiddeld 6 medewerkers van de Dienst Criminaliteitsbeheersing Unit Harderwijk, ingezet. Uitgaande van de sterkte van deze dienst op dat moment, kwam dit overeen met een inzet van ongeveer 55% van de beschikbare capaciteit over de perioden 2 en 3. In de perioden 4 en 5 werd het team voortgezet met gemiddeld 6 medewerkers hetgeen gelet op de sterkte van de afdeling op dat moment, in die periode neer kwam op een inzet van ongeveer 60% van de beschikbare capaciteit. In de perioden 6 en 7 werd het team afgebouwd naar gemiddeld 4 medewerkers hetgeen, gelet op de totale sterkte van de afdeling in die periode, neerkwam op een inzet van ongeveer 50% van de beschikbare capaciteit. Het onderzoek werd afgesloten op 26 juni 1998. Zoals bekend is de sterktebezetting van de Dienst Criminaliteitsbeheersing Unit Harderwijk, per periode verschillend, reden waarom er in de berekeningen m.b.t. beschikbare capaciteit afwijkende verschillen zijn. In de sterktebepaling per periode zijn de medewerkers van de afdeling zeden niet meegerekend. Wel is rekening gehouden met langdurig zieken en vakantieverlof."

Beoordeling

1. Verzoekster, een bedrijf, klaagt erover dat het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland geen serieus onderzoek heeft ingesteld naar een aantal inbraken, gepleegd in de periode tussen 11 november 1997 en 1 mei 1998, bij haar vestiging in Harderwijk. Verzoekster is onder meer van mening dat de politie ten onrechte geen sporenonderzoek heeft ingesteld na elke inbraak.2. Bij de vestiging van verzoekster in Harderwijk is in de periode tussen 11 november 1997 en 1 mei 1998 zesmaal ingebroken, waarvan drie keer in april 1998, en nmaal was sprake van een poging tot inbraak. Naar aanleiding van drie inbraken heeft de technische recherche van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland een sporenonderzoek ingesteld. Bij twee inbraken waren geen sporen gevonden naar aanleiding waarvan een sporenonderzoek kon worden ingesteld.3. Een van de taken van de politie betreft het instellen van een opsporingsonderzoek naar aanleiding van een aangifte van een strafbaar feit. De mogelijkheden van de politie om deze taak uit te voeren zijn echter niet onbeperkt. De politie dient bij haar optreden dan ook prioriteiten te stellen. Zij dient daartoe een aantal factoren tegen elkaar af te wegen, zoals de ernst en de spoedeisendheid van de aangifte, de capaciteit van de politie op dat moment en de overige werkzaamheden.4. Het regiokorps Noord- en Oost-Gelderland heeft een beleidsmatige prioriteitstelling opgesteld (zie

Bevindingen

onder C.2.3.). Het politieoptreden is hiermee voor wat betreft het instellen van een sporenonderzoek door de technische recherche grotendeels in overeenstemming geweest. Slechts in n geval, bij de inbraak van 19 april 1998, was het denkbaar geweest dat een sporenonderzoek zou zijn ingesteld, omdat hier sporen waren gevonden die hadden kunnen worden onderzocht. Op grond van informatie van de korpsbeheerder is het echter aannemelijk dat dit niet is gebeurd omdat de politie in de periode tussen 27 januari 1998 en 26 juni 1998 een groot deel van de beschikbare politiecapaciteit heeft ingezet voor een onderzoek dat een hogere prioriteit had, te weten een brand in Harderwijk waarbij dodelijke slachtoffers waren gevallen. Nadat het onderzoek naar de brand in Harderwijk was afgerond, heeft de politie in september 1998 alsnog onderzoek naar verzoeksters aangiftes ingesteld. Al met al is er geen reden om te oordelen dat de politie, gelet op de grenzen aan de mogelijkheden die zij heeft, en de prioriteiten die zij heeft moeten stellen, in haar optreden te kort is geschoten. De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland (de burgemeester van Apeldoorn), is niet gegrond.

Instantie: Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland

Klacht:

Geen serieus onderzoek ingesteld naar inbraken bij bedrijf.

Oordeel:

Niet gegrond