1998/486

Rapport
Op 18 juni 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw B. te Amsterdam, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland. Nadat verzoekster erop was gewezen dat het in de rede lag om de behandeling van de klacht die zij bij het betrokken bestuursorgaan had ingediend, af te wachten, wendde zij zich op 20 oktober 1997 opnieuw tot de Nationale ombudsman. Vervolgens werd naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland (de burgemeester van Amsterdam), een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:         Verzoekster klaagt over het optreden van het regionale politiekorps AmsterdamAmstelland. Zij klaagt er met name over dat twee ambtenaren van dit politiekorps:         haar op 19 juni 1996 uit de woning van haar broer hebben gezet, zonder haar te hebben gehoord;          haar bij binnenkomst direct bij de voornaam aanspraken en haar tutoyeerden;          op het moment dat zij met haar in de politieauto zaten, op een laatdunkende manier over haar spraken;          haar op het politiebureau geen informatie over slachtofferhulp hebben gegeven.          Voorts klaagt verzoekster over de lange behandelingsduur van haar klacht over het genoemde politieoptreden die zij per brief van 28 februari 1997 indiende bij het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland.

Achtergrond

Zie BIJLAGE

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Twee van hen maakten van deze gelegenheid geen gebruik.

In verband met zijn verantwoordelijkheid voor jusitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie Amsterdam over de klacht ge nformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De genoemde hoofdofficier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werden twee betrokken politieambtenaren gehoord en werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op hun verklaringen te reageren. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De korpsbeheerder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van verzoekster gaf geen aanleiding het verslag aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. De feiten1. Verzoekster verbleef op 19 juni 1996 in de woning van haar broer om daar hun moeder te verzorgen, zoals zij gewoon was dit n twee dagen per week te doen. Nadat de broer van verzoekster op voormelde datum was thuisgekomen, verzocht hij zijn zuster zijn woning te verlaten. Verzoekster weigerde dit. Daarop verzocht de broer van verzoekster de politie om langs te komen.2. Om ongeveer 12.30 uur arriveerden de politieambtenaren W. en Z. bij de woning van de broer van verzoekster. Na een kort gesprek met de broer in de gang, liepen de politieambtenaren de woonkamer in. Daar waren verzoekster en haar moeder aanwezig.3. In de woonkamer stelden de politieambtenaren zich verder op de hoogte van de situatie. De broer van verzoekster gaf daarbij aan dat hij wenste dat zijn zuster de woning zou verlaten, omdat zij zich overal mee bemoeide. Daarop gaf verzoekster ge motioneerd te kennen dat zij de huisarts wilde spreken. Deze werd vervolgens gebeld, maar was niet bereikbaar. Daarnaast gaf verzoekster aan dat zij niet vrijwillig de woning zou verlaten omdat zij dan het gevoel zou hebben haar moeder in de steek te laten. Nadat verzoekster in het bijzijn van de politie had opgemerkt dat het huishoudelijk werk,

zoals overhemden strijken, ook zorgverlichting voor haar broer betekende, zei haar broer tegen de politie: "Er hangt nog n hemd ongestreken, zal ik u dat laten zien?", welk aanbod de politie had afgeslagen.4. Verzoekster voldeed niet aan het verzoek van haar broer om de woning te verlaten. Ook herhaalde sommaties van de politieambtenaren leidden er niet toe dat verzoekster de woning verliet. Daarop pakten de politieambtenaren verzoekster beet en geleidden zij haar, terwijl zij zich verzette, uit de woning. In de lifthal zakte zij in elkaar, waarna de politieambtenaren W. en Z. verzoekster de transportboeien omlegden en haar overbrachten naar het politiebureau Meer en Vaart.5. Nadat zij om ongeveer 13.00 uur op het politiebureau waren aangekomen, deelden de politieambtenaren verzoekster mee dat haar broer geen aangifte van huisvredebreuk wenste te doen, omdat zij nu zijn woning had verlaten. Vervolgens brachten de politieambtenaren verzoekster in verband met haar emotionele toestand naar de kantine, waar politieambtenaar Be. zich over haar ontfermde. Deze heeft verzoekster niet gewezen op de mogelijkheid van slachtofferhulp.6. Op 19 juni 1996 werd verzoekster na een gesprek en verblijf van enkele uren op het politiebureau, om ongeveer 17.00 uur opgehaald door haar echtgenoot, die door de politie om ongeveer 15.15 uur op de hoogte was gesteld van het voorval en was verzocht om langs te komen.7. Per brief van 28 februari 1997 diende verzoekster een klacht over het politieoptreden in bij de hoofdcommissaris van politie. Deze brief hield onder meer het volgende in:"Op woensdag 19 juni 1996 10.30 uur arriveer ik aan de C.singel (...). M'n moeder laat mij binnen. Zelf heb ik geen sleutels van de woning. Alles gaat zoals gewoonlijk. Ik bemerk niets bijzonders. 12.15 uur komt m'n broer, de heer K., thuis en verzoekt mij, zonder opgave van reden, direkt de woning te verlaten. Dit weiger ik. Ik vraag om uitleg, dat weigert m'n broer. Hij belt de politie. Om 12.30 uur arriveren twee agenten bij de woning aan de B.-singel (...). M'n broer heeft een kort gesprek met hen in de hal. De twee agenten komen de kamer binnen, noemen mij direkt bij m'n voornaam en tutoyeren mij. De agenten sommeren mij onmiddellijk het huis te verlaten. Ik wil de situatie aan de agenten uitleggen, maar krijg daartoe geen gelegenheid. Daarna wordt mij nog twee maal gesommeerd het huis te verlaten. Beide keren weiger ik vrijwillig te vertrekken omdat ik m'n moeder de verzorging niet wil onthouden.

De agenten grijpen mij beet. Hierbij verzet ik mij. Zij nemen mij in de arrestantengreep, waarna ik mij niet meer verzet. In de hal zak ik in elkaar, op dat moment doen zij mij de handboeien om. M'n broer wordt verzocht mee te gaan om aangifte te doen. Terwijl ik naar het buro van de politie wordt gebracht, ontstaat er een discussie tussen de twee agenten. "Waar moeten we met haar naar toe?" "Wordt het Lodelijk van Deyssel of wordt het Meer en Vaart". Het wordt Meer en Vaart. "Want anders zitten we op de Lodewijk van Deyssel met haar opgescheept". (...) M'n man wordt op z'n werk gebeld en haalt mij van het buro op. Bij het weggaan wordt mij verteld dat ik, als ik daar behoefte aan mocht hebben, terug mag komen. Daar ben ik, gezien het politieoptreden, nooit toe in staat geweest. De weg naar de hulpverlening heb ik zelf moeten vinden toen ik, door het gebeuren, in geestelijke nood raakte. De politie van Meer en Vaart heeft mij niet gewezen op de mogelijkheid van slachtofferhulp."8. Op 7 maart 1997 deelde de klachtenco rdinator aan verzoekster mee dat hij haar klachtbrief had ontvangen. Op 10 maart 1997 ontving de Commissie voor de politieklachten de klacht.9. Na een niet-geslaagde bemiddelingspoging ontving de Commissie op 1 april 1997 van verzoekster een schriftelijk verzoek om formele behandeling van haar klacht. Op 29 mei 1997 ontving de Commissie van de rapporteur een door haar gevraagde rapportage, gedateerd 28 april 1997.10. In haar brief van 2 juli 1997 deelde verzoekster in reactie op de klachtenrapportage van 28 april 1997 het volgende mee:"...AD1 het verwijderen uit de woning zonder wederhoor klaagster Bij dit punt staan de volgende zinnen: "De aanwezige moeder gaf ook aan dat zij goed verzorgd werd." "De collega's hebben enige tijd met beide partijen gesproken." Opnieuw wil ik aangeven dat er uitsluitend met de heer K. is gesproken en dat ik geen gelegenheid heb gekregen de situatie uit te leggen. Wel heb ik telkens pogingen gedaan om aan de agenten te vertellen dat:- M'n moeder niet enigszins hulpbehoevend is maar geheel hulpbehoevend. - M'n zus en ik haar op de dag verzorgen, ook als m'n broer in het weekend moet werken. - Dat er helemaal geen huishoudelijke hulp is. Dus ook geen Thuiszorg. Moeder werd op de dag goed verzorgd door haar dochters. - Dat het huishoudelijk werk, zoals eten klaarmaken, overhemden

strijken (door ons gedaan), ook zorgverlichting voor m'n broer betekent. Hierbij plaatst m'n broer de opmerking: "Er hangt nog n overhemd ongestreken, zal ik u dat laten zien." Dat hoeft niet van de agenten. Ook staat in AD1 de zin: "Klaagster werd volgens de betrokken collega's steeds verwarder en emotioneler." Mijns inziens een begrijpelijke reaktie in deze uitzonderlijke situatie, waarin ik niet in de gelegenheid gesteld wordt mijn verhaal te vertellen. (...) De zinsnede in AD1 "De broer gaf aan dat er meerdere problemen in de familie waren", bestrijd ik. De zinsnede "dat hij het vervelend vond dat zijn zus zich overal mee bemoeide", wil ik nader toelichten: Enkele dagen per week had ik op de dag de zorg voor moeder en dat geeft betrokkenheid. Dat is iets anders dan je overal mee willen bemoeien. Wel kwam er driemaal per week, een halfuur per dag, iemand van Thuiszorg om mijn moeder te wassen en aan te kleden. (...) Opnieuw wil ik aangeven dat, nadat ik in de arrestantengreep genomen ben, ik mij niet meer verzet heb en op dat moment ook niet dreigde met zelfmoord..." Per brief van 4 september 1997 verzocht de Commissie de politie om een aanvullende rapportage. Op 14 oktober en 12 november 1997 ontving de Commissie deze aanvullende rapportages telefonisch. Op 19 november 1997 bracht de Commissie schriftelijk advies uit aan de korpsbeheerder.11. Bij brief van 11 december 1997 berichtte de korpsbeheerder verzoekster dat hij de klacht gedeeltelijk ongegrond verklaarde.. Het standpunt van verzoekster Het standpunt van verzoekster staat hiervoor samengevat weergegeven onder

Klacht

.. Informatie van de korpsbeheerder1. De korpsbeheerder zond bij brief van 11 december 1997 ter kennisneming een afschrift van het advies van 19 november 1997 van de Commissie voor de politieklachten inzake de klacht van verzoekster. In dit advies staat onder meer het volgende vermeld:"De procedure" De klacht is op 28 februari 1997 door klaagster bij de politie

ingediend. De Commissie voor de Politieklachten ontving de klacht via de politie op 10 maart 1997. Inspecteur F. nodigde klaagster op 20 maart 1997 uit voor een gesprek, maar zij liet bij brief van 26 maart 1997 weten geen gebruik te willen maken voor de uit- nodiging. Op 1 april 1997 ontving de Commissie van klaagster een schriftelijk verzoek om formele behandeling. Op dezelfde datum heeft de Commissie de politie verzocht om onderzoek en rapportage. In het kader van het onderzoek heeft rapporteur F. een rapportage opgesteld. De Commissie heeft de rapportage op 29 mei 1997 ontvangen. Omdat klaagster niet met de politie wilde praten, heeft de Commissie haar op 24 juni 1997 in de gelegenheid gesteld om op de rapportage te reageren. De Commissie heeft op 4 juli 1997 een reactie van klaagster ontvangen. De Commissie heeft de rapportage op enige punten nog onduidelijk bevonden. Derhalve is per brief, d.d. 4 september 1997, aan de politie gevraagd een aanvulling op te stellen. Op 14 oktober 1997 heeft de Commissie de aanvullende rapportage telefonisch ontvangen van inspecteur F. Op 12 november is deze door F. telefonisch nader aangevuld. De feiten Op 19 juni 1996, omstreeks 12.30 uur werd klaagster door de politie uit de woning van haar broer, de heer K., aan de B.-singel gezet. Op die dag arriveerde klaagster om ongeveer 10.30 uur aan de B.-singel, alwaar haar moeder haar binnenliet. Zij wilde haar moeder verzorgen die bij haar broer woonde. De heer K. kwam om 12.15 uur in zijn huis en verzocht klaagster het huis te verlaten. Dit weigerde klaagster, omdat ze eerst wilde weten wat de reden was. K. ging daar niet op in en belde de politie. Om ongeveer 12.30 uur arriveerden agent W. en hoofdagent Z. van het wijkteam Lodewijk van Deysselstraat bij de woning. Het adres B.-singel valt onder het gebied Meer en Vaart, maar omdat er op het moment van assistentieaanvraag geen assistentieauto van dit wijkteam beschikbaar was, voorzag een assistentieauto van wijkteam L. van Deysselstraat in de aanvraag. Klaagster verklaart dat de politieambtenaren in de hal een kort gesprek met haar broer hebben gehad. Volgens W. en Z. troffen zij klaagster, klaagsters broer en hun moeder aan. Zij stelden zich op de hoogte van de problemen. Er was onenigheid ontstaan omtrent de verzorging van de moeder van klaagster en klaagsters broer. De broer gaf aan dat hij het vervelend vond dat zijn zus zich overal mee bemoeide en dat hij wilde dat ze de woning verliet. W. en Z. verklaren dat zij enige tijd met beide partijen hebben gesproken. Klaagster verklaart dat zij telkens pogingen heeft gedaan om de

politieambtenaren de situatie uit te leggen, maar dat er niet naar haar geluisterd werd. Volgens haar sommeerden de politieambtenaren haar het huis onmiddellijk te verlaten. Zij verklaart echter ook dat haar broer inging op haar opmerking over het huis-houdelijk werk dat zij voor haar broer deed, zoals het strijken van zijn overhemden. De agenten lieten haar weten dat zij in verband hiermee, zo verklaart zij, het nog ongestreken overhemd niet hoefden te zien. Hier leidt dat Commissie uit af dat er, alhoewel volgens klaagsters gevoel wellicht onvoldoende, wel ingegaan is op opmerkingen van klaagster zodat op dit punt de Commissie de lezing van de politie volgt en de klacht op dit punt feitelijk ongegrond acht. Toen de politie de kamer binnenkwam, noemde zij klaagster bij haar voornaam en tutoyeerden haar. De politieambtenaren W. en Z. verklaren dat zij hier niets van herinneren. De Commissie heeft niet kunnen vaststellen welke lezing juist en welke onjuist is. Ook na herhaalde verzoeken daartoe, gaf klaagster aan dat zij niet vrijwillig de woning zou verlaten, omdat zij dan het gevoel zou hebben haar moeder in de steek te laten. Volgens de politieambtenaren werd klaagster steeds verwarder en emotioneler. De broer van klaagster gaf op basis van huisvredebreuk (artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht) te kennen dat klaagster zijn woning diende te verlaten. Daarna bleef klaagster weigeren de woning vrijwillig te verlaten. Hierop hebben de agenten klaagster vastgepakt, om haar buiten de woning te begeleiden. Klaagster verzette zich hiertegen door wild om zich heen te slaan en te krabben. Daarop is klaagster in de arrestantengreep genomen en met drang uit de woning gezet. De agenten hebben verklaard dat, gezien het tengere postuur van klaagster en haar leeftijd, dit zeer gepast is gebeurd. Klaagster verklaart dat zij in de arrestantengreep is genomen en dat zij daarna niet meer heeft verzet. Buiten de woning, in de hal, zakte klaagster in elkaar en dreigde volgens W. en Z. met zelfmoord. Dit wordt door klaagster ontkend. Zij verklaart dat zij niet meer antwoordde op de vraag van Z. hoe het met haar ging. Zij zakte pas in elkaar toen haar aangezegd werd dat zij boeien om zou krijgen. Volgens klaagster heeft zij pas gezegd dat zij dood wilde toen zij in de surveillanceauto zat op weg naar een politiebureau. (...) Klaagster is naar de surveillanceauto gebracht om haar in het kader van de hulpverlenende taak van de politie op grond van de Politiewet over te brengen naar een politiebureau. In de auto spraken de politieambtenaren kort over naar welk politie klaagster vervoerd zou worden. Aangezien het ging om een

assistentiemelding voor het wijkteam Meer en Vaart, stond het voor de politieambtenaren vast dat klaagster daarheen zou worden overgebracht. Klaagster verklaart dat zij de politieambtenaren heeft horen zeggen: "Waar moeten we met haar naar toe? Wordt het Lodewijk van Deyssel of wordt het Meer en Vaart?" De agenten kozen voor Meer en Vaart, volgens klaagster omdat er gezegd werd: "want anders zitten we op Lodewijk van Deyssel met haar opgescheept". De politieambtenaren kunnen zich niet herinneren dit gezegd te hebben. De Commissie volgt hier de lezing van klaagster nu deze de Commissie niet onaannemelijk voorkomt en de betrokken politieambtenaren haar lezing niet, althans onvoldoende, hebben weersproken. Omstreeks 13.00 uur kwam men aan op het politiebureau Meer en Vaart. Volgens klaagster heeft zij bij binnenkomst van het bureau direct haar excuses aangeboden voor het door haar gepleegde verzet in de woning. De Commissie heeft niet kunnen vaststellen dat er een verband is tussen het aanbieden van de excuses en het losmaken van de boeien. Op het bureau werd klaagster verteld dat haar broer nu zij zijn woning had verlaten, het niet nodig vond om aangifte wegens huisvredebreuk te doen. Klaagster werd in verband met haar ge motioneerde houding naar de kantine gebracht. Zij is daar opgevangen door brigadier Be. en een stagiaire. Volgens klaagster kreeg zij ondanks haar verzoek daartoe, geen nadere informatie over waar haar broer haar van beschuldigde. Volgens klaagster werd haar daar wel verteld dat zij er voor niets is uitgezet, en dat het niet had mogen gebeuren. Uit de verklaring van Be. in de mutatie die naar aanleiding van het voorval is opgemaakt, blijkt niets hieromtrent. Hij verklaart dat klaagster in de kantine van koffie is voorzien en getroost is door een stagiaire. De Commissie stelt vast dat het voor klaagster duidelijk moet zijn geweest dat haar broer (de bewoner), ondanks dat hij geen aangifte van huisvredebreuk heeft gedaan, wilde dat zij de woning verliet en dat zij, omdat zij dat weigerde, uit de woning is gezet. In zoverre is de klacht feitelijk ongegrond. Om 15.15 uur is klaagster opgehaald door haar man, die op de hoogte was gebracht van de situatie. Volgens klaagster werd haar door de politie gezegd, dat ze, als ze daar behoefte aan mocht hebben, terug mocht komen. De politie van het bureau Meer en Vaart heeft haar niet gewezen op de mogelijkheid van slachtofferhulp. De politie stelt dat het in deze situatie niet gebruikelijk is klaagster, in casu de overlastveroorzaakster, informatie te verstrekken omtrent slachtofferhulp.

Klaagster heeft de politie gevraagd om inzage in het rapport dat, naar aanleiding van de huisuitzetting, is opgemaakt aan bureau Meer en Vaart. Klaagster is schriftelijk uitgenodigd voor een bemiddelingsgesprek naar aanleiding van haar klacht. In deze uitnodigingsbrief is niet expliciet ingegaan op klaagsters verzoek tot inzage in het rapport. Omdat de klachtbehandelaar, inspecteur F., niet direct bereikbaar was, weigerde klaagster hierop in te gaan. F. verklaart dat zij van plan was om klaagster in het bemiddelingsgesprek te informeren over wat er in de mutatie, of zoals klaagster het noemt rapport, is vermeld. Nu klaagster niet is ingegaan op de uitnodiging tot een bemiddelingsgesprek is dit niet gebeurd. De behoorlijkheid De betrokken politieambtenaren konden in redelijkheid tot het oordeel komen dat klaagster zich schuldig maakte aan overtreding van artikel 138 Wetboek van Strafrecht (huisvredebreuk), omdat zij geen gevolg gaf aan het verzoek van haar broer om zich te verwijderen uit de woning. Ook herhaalde verzoeken van de politieambtenaren leidden niet tot het vrijwillig verlaten van de woning door klaagster. De Commissie acht het politieoptreden om klaagster uit de woning te geleiden derhalve rechtmatig en niet onbehoorlijk. Klaagster was door de uitzetting zeer ge motioneerd en verward. De Commissie is van oordeel, dat het niet onredelijk is dat de politie haar onder die omstandigheden niet op de stoep heeft achtergelaten. Het leverde naar het oordeel van de Commissie een noodtoestand op, op grond waarvan de politie gerechtigd was haar ter bescherming van haarzelf mee te nemen naar het bureau. De Commissie is van mening dat de bij de uitzetting toegepaste dwang in redelijke verhouding stond tot het daarmee beoogde doel: de verwijdering uit de woning. De Commissie acht de uitlatingen van de politieambtenaren in de auto niet tactvol, maar niet zodanig dat van niet behoorlijk politieoptreden sprake was. De Commissie meent dat de politie in redelijkheid klaagster niet als slachtoffer hoefde aan te merken, zodat zij niet verplicht was haar op de mogelijkheid van slachtofferhulp te wijzen. Klaagster heeft nadrukkelijk in haar klachtbrief inzage gevraagd in het rapport dat naar aanleiding van haar huisuitzetting gemaakt is. In het bemiddelingsgesprek had haar deze informatie gegeven kunnen worden. Klaagster is weliswaar uitgenodigd voor

het bemiddelingsgesprek, maar hierbij is niet vermeld dat zij dan tevens die inzage kon krijgen. De Commissie is van mening dat nu klaagster dit expliciet vroeg, de politie niet behoorlijk heeft gehandeld door in de uitnodigingsbrief dit niet duidelijk te maken. Het advies De Commissie adviseert u de klacht ongegrond te verklaren, behalve voor wat betreft het niet expliciet ingaan op klaagsters verzoek om informatie over de naar aanleiding van het incident opgemaakte rapportage."2. Voorts zond de korpsbeheerder bij zijn brief van 11 december 1997 een afschrift toe van de afdoeningbrief van dezelfde datum, gericht aan verzoekster. In deze brief deelde de korpsbeheerder mee dat hij conform het advies oordeelde.. Standpunt van de korpsbeheerder1. Bij brief van 28 januari 1998 verwees de korpsbeheerder voor zijn standpunt ten aanzien van de door verzoekster bij de Nationale ombudsman ingediende klacht naar zijn afdoening van de door verzoekster bij de politie ingediende klacht (zie hiervoor onder C.2.). Daarnaast deelde de korpsbeheerder mee dat hij niet in staat was een oordeel te geven over het tutoyeren, aangezien de verklaringen van betrokkenen hierover geen duidelijkheid gaven. Met betrekking tot de lange behandelingsduur deelde de korpsbeheerder mee dat de daarvoor gestelde termijn was overschreden, onder meer als gevolg van diverse verzoeken van de Commissie aan klaagster respectievelijk politie om een reactie c.q. aanvulling op de politierapportage. De korpsbeheerder achtte de overschrijding niet onbehoorlijk, gelet op de door de Commissie in haar advies onder de paragaaf 'De procedure' beschreven gang van zaken (zie hiervoor onder C.1.). De klacht achtte hij op dit punt ongegrond.2. Bij zijn brief van 28 januari 1998 voegde de korpsbeheerder een door de politieambtenaren W., Z. en Be. opgemaakt mutatierapport van 8 mei 1997. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:"MELDER Incident/voorval: TWIST Naam : K. (...) OVERLASTVEROORZAKER Incident/voorval: TWIST Naam : B. (verzoekster; N.o.)

(...) Omschrijving incident/voorval:Rapp's zijn gew genoemde lokatie alwaar Vo weigerde de woning van Md te verlaten. De oorzaak van de problemen lagen in het feit dat Vo het niet eens was met de verzorging van haar moeder, welke bij Md inwoont. Rapp's hebben getracht te bemiddelen, echter Vo wilde alleen met de huisarts praten over de verdere verzorging van haar moeder. De huisarts was echter niet bereikbaar. Na een half uur met Vo gepraat te hebben, was Md het zat en verzocht zijn zus tweemaal de woning te verlaten. Vo weigerde dit en deelde mede dat zij het op de spits wilde laten drijven. Vo maakt op Rapp's een erg verwarde en emotionele indruk en er viel niet normaal mee te praten. Na tweemaal gevorderd te hebben de woning te verlaten liepen wij naar Vo toe om haar vast te pakken teneinde haar uit de woning te verwijderen. Op dit moment begon Vo wild om zich heen te slaan en heeft eerste rapp een krab op zijn hand gegeven en getracht in de hand te bijten. Rapp's hebben beide armen van Vo achter de rug gebogen en met dwang de woning uitgezet. Op het trapportaal werd Vo wederom wild en dreigde met zelfmoord. Aangezien de zeer emotionele, verwarde en agressieve houding van Vo hebben Rapp's ter bescherming van Vo en onszelf gebruik gemaakt van de transportboeien en haar overgebracht naar de Meer en Vaart. Aldaar werd getracht met haar te praten en men zal kijken of het noodzakelijk is de psychiater in te schakelen. Md wilde achteraf geen aangifte doen en had geen bezwaar tegen bemiddelend optreden. Toevoeging (...); Met mevrouw gepraat tot 15.15 uur. Gedurende deze periode blies zij alle stoom af, die zij teveel had en kwam tot een relativerend gesprek. Rapp (...) besloot om niet de rijdende psych te bellen. Wel gebeld met haar man. Deze een en ander uitgelegd en verzocht zijn vrouw op te halen, hetgeen hij uiteraard ging doen. Ondertussen is mevrouw door C. (stagiaire) voorzien van koffie en een troostend woord. Dat ging C. overigens prima af. L. in zijn functie van Ip van Dienst voorzien van de nodige informatie en de besluiten in overleg met hem genomen. Overigens komt er geen aangifte en is te concluderen, dat zij op grond van de Politiewet is meegenomen en voorzien van de nodige hulp. (...) In het bureau werd zij NIET in een dagverblijf of cel geplaatst, maar in de kantine. Dit in verband met haar delicate geestesgesteldheid van het moment."

E. De reactie van verzoekster In haar brief van 24 februari 1998 deelde verzoekster als haar reactie op het standpunt van de korpsbeheerder het volgende mee:"...Hierbij verklaar ik dat m'n broer aan mij niet heeft laten blijken dat er problemen waren rond de verzorging van moeder. Dus was er wat mij betreft ook geen onenigheid rond de verzorging van moeder. Nogmaals wil ik benadrukken dat er tot de komst van de politie een stilte viel. M'n broer weigerde aan mij de reden te zeggen van de mogelijke ophanden zijnde huisuitzetting. In omschrijving incident/voorval staat: "Rapp's hebben getracht te bemiddelen, echter Vo wilde alleen met de huisarts praten over de verdere verzorging van haar moeder." Ik blijf bij mijn verklaring dat m'n broer met de twee agenten een kort gesprek heeft gehad in de hal van de woning. Zelf was ik in de huiskamer en zat daar op de bank. Als beide agenten met m'n broer de kamer binnenkomen, noemt agent Z. mij direkt bij mijn voornaam en tutoyeert mij. Hoewel beide agenten in de kamer waren, heeft uitsluitend agent Z. het woord gevoerd. M'n broer zegt tegen de agenten dat hij wil dat ik de woning verlaat omdat ik mij overal mee bemoeide. Hierop reageer ik met: "bel de huisarts, ik wil dat de huisarts gebeld wordt." Dit wordt gedaan. Zoals in de omschrijving incident/voorval staat: "De huisarts was echter niet bereikbaar." Hierbij wil ik opmerken dat vrijdag 14 juni 1996 de huisarts aan mijn moeder 1 2 dagen per week dagverzorging voorstelde, hierop reageert moeder positief. Bij dit gesprek, dat plaats had aan de B.-singel (...) was ik aanwezig. 's Avonds heb ik aan m'n broer gevraagd te informeren naar mogelijke dagverzorging. Voor mij blijft de vraag: Was dit mogelijk de reden van de huisuitzetting? Daarna doe ik telkens pogingen om te vertellen dat ... zie AD1 brief van 2 juli 1997 aan de Commissie voor de Politieklachten (zie hiervoor onder A.10.; N.o.). Agent Z. zegt tegen mij: "Je hebt alleen nog maar te luisteren." (...) Beide partijen spreken van dezelfde tijd: 12.30 uur-13.00 uur. Gelet op de toestand waarin ik terecht kwam tijdens de daadwerkelijke huisuitzetting, (...), wil ik opmerken dat deze huisuitzetting beduidend veel oponthoud heeft gegeven voordat ik in de surveillanceauto stapte. De agenten zijn hooguit een kwartier aan de B.-singel (...) binnen geweest en geen half uur zoals in incident/ voorval staat.

In incident/voorval staat: "Vo weigerde dit en deelde mede dat zij het op de spits wilde laten drijven." Hierbij wil ik benadrukken, dat ik het bovenstaande niet gezegd heb. E n ding stond voor mij centraal en dat was de zorg voor moeder en daarnaast voor die van mijn broer, daarom wilde ik het huis niet verlaten. Zie ook Klachtenrapportage van de politie AD1 "Klaagster gaf hierbij aan dat zij niet vrijwillig de woning zou verlaten omdat zij dan het gevoel zou hebben moeder vrijwillig in de steek te laten." Ook in het eindrapport van de Commissie voor de Politieklachten Amsterdam-Amstelland staat bij "De feiten": "Ook na herhaalde verzoeken daartoe, gaf klaagster aan dat zij niet vrijwillig de woning zou verlaten, omdat zij dan het gevoel zou hebben haar moeder in de steek te laten." In omschrijving voorval/incident staat: "Op het trapportaal werd Vo wederom wild en dreigde met zelfmoord. " Dit staat ook in de Klachtenrapportage AD11 "Buiten de woning, op het trapportaal werd klaagster wederom wild en dreigde volgens collega's met zelfmoord." Hierop heb ik gereageerd aan de Commissie voor de Politieklachten d.d. 2 juli 1997 (zie hiervoor, onder A.10.; N.o.). Ik blijf bij deze verklaring. Nogmaals wil ik hierbij vermelden dat het geen trapportaal betrof maar een lifthal. In omschrijving voorval/incident staat: "Met mevrouw gepraat tot 15.15 uur." Dit moet zijn tot 16.30 uur. In omschrijving voorval/incident staat: "Ondertussen is mevrouw door (stagiaire) voorzien van koffie en een troostend woord." Hierbij verklaar ik dat ik direkt na binnenkomst van het bureau Meer en Vaart ben opgevangen door Be., met deze naam stelde deze agent/brigadier zich aan mij voor. Ik heb tot einde werkdag van Be., alleen met hem gesproken. Uitsluitend door Be. werd mij koffie aangeboden. Met nadruk stel ik, dat ik niet met een stagiaire gesproken heb. Noch bij binnenkomst, noch de tijd dat ik in de kantine was. Door het vertellen van mijn verhaal aan Be. reageerde deze agent/ brigadier naar mij toe, zelf een vergelijkbare situatie te hebben meegemaakt, maar toch weer anders, zei hij tegen mij. Be. heeft om 15.15 uur mijn man gebeld, die op zijn werk was, en een kwartier met hem door de telefoon gesproken. Daarna heeft Be. nog een korte tijd met mij gepraat. Aan hem ook heb ik herhaaldelijk gevraagd welke beschuldigingen mijn broer tegen mij geuit heeft en waarom ik niet gehoord ben op de B.-singel (...). Toen de werkdag van Be. eindigde, zijn twee vrouwelijke agenten bij mij gekomen.

De ene agente was tussen de 30 en 40 jaar oud. Zij had blond haar. De andere agente was tussen de 40 en 50 jaar oud. Zij had grijs haar. De agente met het grijze haar stelt aan mij de vraag: "Is uw broer wel normaal?" Zij ook zegt tegen mij: "Uw broer had met u en uw zuster horen te praten over de toestand van uw moeder". (...) M'n man, die ik Katwijk werkt, arriveert om 16.30 uur aan het buro Meer en Vaart. Om 17.00 uur hebben m'n man en ik het buro verlaten. Beide agenten zijn met ons meegelopen naar de hal van het buro. Daar werd tegen mij gezegd: dat ik, als ik daar behoefte aan mocht hebben, terug mag komen. Al eerder heb ik in de brief van 28 februari 1997 geschreven, dat ik, gezien het politieoptreden, daar nooit toe in staat geweest ben. Hierbij verklaar ik dat alles door mij naar waarheid is opgeschreven...". De verklaring van betrokken ambtenaar Be. In zijn brief van 26 februari 1998 deelde betrokken ambtenaar Be. het volgende mee:"...Ondergetekende heeft zich pas in deze zaak gemengd vanaf het moment, dat mevrouw B. (verzoekster; N.o.) in het politiebureau werd gebracht. Ik was daar met bureaudienst belast en ontfermde mij over de kennelijk zwaar ge motioneerde mevrouw, die door anderen werd binnengebracht. Over wat zich in en bij de woning B.-singel heeft afgespeeld, kan ik helaas niets zinnigs zeggen. Ik was daar niet bij en kan me niets herinneren, van wat de collegae mij vertelden bij binnenkomst. Wel weet ik nog, dat het mij lukte om goed kontakt te krijgen met de hevig gespannen mevrouw B. In een gemoedelijk gesprek lukte het mij om haar volledig te bedaren en de problemen met haar te bespreken. Zij klonk weer volledig rationeel. Op grond van mijn inmiddels jarenlange ervaring in dit soort zaken, besloot ik in overleg met de inspecteur van dienst, geen acute psychiatrische hulp in te roepen voor mevrouw in de veronderstelling, dat dit meer schade dan goed zou kunnen doen. Ik ging ervan uit, dat zij even daarvoor vanwege haar eerdere woede niet aanspreekbaar was en niet vanwege een psychische kwestie.

Het leek mij op dat moment de beste keus de echtgenoot van mevrouw erbij te halen. Voorzover ik mij kan herinneren, verklaarde de echtgenoot aan mij deze keus te respecteren en dat hij de situatie verder zelf met zijn vrouw samen aankon. Daar beide mensen op mij de indruk maakten boven gemiddeld intelligent te zijn, ging ik er zonder meer vanuit, dat zij op eigen kracht hulp zouden zoeken bij huisarts of andere instantie als dat nodig mocht blijken. Aan "slachtofferhulp" heb ik niet gedacht, daar mevrouw geen slachtoffer van een misdrijf was. Het was ook niet mijn indruk, dat wij als politie haar zodanig hadden behandeld, dat zij als "slachtoffer" van ns moest worden gezien. Ik heb in deze zaak volledig naar eer en geweten gehandeld, daarbij gebruikmakend van mijn sociale vaardigheden en ervaring in dit soort zaken. Ook pleegde ik vanwege de kennelijk precaire situatie steeds overleg met een meerdere. Indien mevrouw meent en voelt, dat ik haar vanuit mijn professionaliteit tekort heb gedaan voor wat betreft het verlenen van "slachtofferhulp", bied ik haar daarvoor namens de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland bij deze mijn oprechte excuses aan. Zeker was het niet mijn opzet deze gevoelens bij mevrouw te veroorzaken. Integendeel zelfs...". De verklaring van de betrokken ambtenaar Z. In het kader van het onderzoek verklaarde de heer Z., voormalig ambtenaar van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland, op 28 april 1998 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, het volgende:"Op 19 juni 1996 kregen mijn collega W. en ik van de centrale meldkamer een melding van een twist. Wij werden verzocht naar het betreffende adres te gaan en bemiddelend op te treden. Daar aangekomen, werden we binnengelaten door een man. Hij stelde zich voor als de heer K. en deelde ons mee dat zijn zus binnen zat en dat zij ruzie hadden gehad over de verzorging van hun moeder, die bij hem in huis verbleef. Hij deelde ons direct mee dat hij wilde dat wij zijn zus het huis uit zouden zetten. Ik heb hem gezegd dat het zo niet werkte. We hebben kort, n twee minuten, in de gang staan praten. Terwijl mijn collega nog met de heer K. in de gang stond, ben ik alvast de woonkamer ingegaan. Daar trof ik de zus en moeder aan. Ik heb de zus aangesproken. Ik kan mij niet meer herinneren of ik haar met haar voornaam heb

aangesproken. Ik kan het mij ook niet voorstellen, want de situatie was er geheel niet naar. Evenmin kan ik mij herinneren of, en me voorstellen dat, ik haar heb getutoyeerd. De zus vertelde mij dat ze het niet eens was met de verzorging van haar moeder en dat ze vond dat de moeder bij haar broer thuis verwaarloosd werd. Terwijl de zus mij dit vertelde - overigens gaven de woonsituatie en de moeder, mij geen verwaarloosde indruk -, was de broer niet daarbij aanwezig. Deze bevond zich nog met mijn collega in de gang. Zij kwamen de woonkamer binnen kort nadat ik de zus even had gesproken. De zus herhaalde toen dat zij vond dat haar broer hun moeder verwaarloosde, waarop hierover een discussie ontstond. De moeder, die volgens de broer aan het dementeren was, mengde zich af en toe in het gesprek door hen tot rust te manen. De gemoederen liepen hoog op, het was een principekwestie, waarbij de broer zijn zus verweet waarom zij, als ze het allemaal zo goed wist, niet zelf hun moeder in huis nam. De zus keek strak voor zich uit en had haar armen over elkaar. Op een gegeven moment gaf de broer aan dat hij wilde dat zijn zus n het huis verliet. Er viel niet meer te onderhandelen. Ik heb de zus uitgelegd dat haar broer haar aanwezigheid niet op prijs stelde, en heb haar aangegeven dat zij vrijwillig het huis kon verlaten. Zij weigerde dit, omdat ze anders haar moeder in de steek zou laten. Ik heb haar toen twee keer gevorderd de woning te verlaten en haar uitgelegd dat dat offici le verzoeken inhielden. De zus weigerde dit en bleef strak voor zich uitkijken. Daarop heeft de broer haar twee keer in onze aanwezigheid gevorderd de woning te verlaten. Ook daar reageerde zij niet op. Mijn collega heeft haar toen bij een arm gepakt waarop de zus wild om zich heen begon te slaan en heeft geprobeerd te bijten. Terwijl zij fysiek tegenstand bleef bieden, hebben wij haar toen het huis uitgezet. Haar verzet brak niet, ze dreigde met zelfmoord en liet zich in de hal in elkaar zakken. Ze was er compleet doorheen. (...) Nadat we op het politiebureau waren aangekomen, en nadat ook de broer daar op ons verzoek was aangekomen, hebben we tegen hem gezegd dat de zus was aangehouden. Op onze vraag of hij vervolgens aangifte wilde doen, antwoordde hij dat hij daar niet voor voelde, en dat het hem erom was gegaan dat zij zijn huis verliet. Van het doen van een aangifte zag hij de meerwaarde niet in. Om die reden hebben we geen proces-verbaal meer opgemaakt, maar hebben we het afgedaan met een mutatie.

Onderweg naar het politiebureau hebben mijn collega en ik het in de auto erover gehad waar we de zus naar toe zouden brengen. Uiteindelijk hebben we gekozen voor politiebureau Meer en Vaart. Of we hebben gezegd dat we in het geval we haar naar politiebureau Lodewijk van Deyssel zouden brengen, we daar met haar zouden zitten opgescheept, kan ik mij niet herinneren.". De verklaring van de berokken ambtenaar W. In het kader van het onderzoek naar de klacht, verklaarde de heer W., ambtenaar van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland, op 4 mei 1998 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, het volgende:"Op 19 juni 1996 kregen mijn collega Z. en ik een melding van een twist over een familieaangelegenheid. Ik kan me niet herinneren of ons is verzocht bemiddelend te gaan optreden. Het is echter wel gebruikelijk op een dergelijke manier op te treden in die situaties. Nadat we op het betreffende adres waren aangekomen, werden we binnengelaten door een persoon, die aangaf dat hij de melder was geweest. We liepen met z'n drie n direct door naar de kamer, waar de broer de situatie uitlegde. Hij gaf aan, in aanwezigheid van zijn zus en moeder, dat zijn zus hem betuttelde over de verzorging van zijn moeder, dat zij te pas en te onpas zijn woning inkwam en dat hij zich in zijn privacy voelde aangetast. Zij reageerde hierop zeer kalm en sprong er niet verbaal tussen. Vervolgens hebben wij de zus gevraagd wat haar kant van het verhaal was. Zij antwoordde dat zij het niet eerlijk vond dat haar broer haar zo de deur uit wilde zetten, dat hij ook profiteerde van haar aanwezigheid en dat zij het als haar taak zag haar moeder te verzorgen. Wij hebben de broer en zus in aanwezigheid van elkaar hun verhaal laten vertellen. Ook de moeder hebben we even aangesproken, maar zij was moeilijk aanspreekbaar. Tijdens deze discussie, die ongeveer een kwartier duurde, hebben mijn collega en ik niet onderling overlegd wat we zouden gaan doen. We hebben de broer en zus geen andere vragen gesteld en geen andere opmerkingen gemaakt dan degene die erop waren gericht hen hun verhaal te laten doen. Op een gegeven moment, in de loop van de discussie, zei de broer dat hij wilde dat ze n wegging en dat de maat vol was. Zijn zus reageerde daar vrij heftig op. Ze bleef wel op de bank zitten. We hebben ge nformeerd of er een andere zus of broer was die de verzorging van de moeder op zich kon nemen. We kregen er geen antwoord op en hebben er ook niet verder op aangedrongen. Vervolgens hebben we geprobeerd de vrouw te overreden om te vertrekken. We hebben haar gevraagd of het niet beter was dat ze zou

weggaan, en haar gezegd dat ze dan haar emoties kon laten bekoelen. Later zouden ze er dan nog eens over kunnen praten. Zij weigerde echter en haar broer wilde dat ze n wegging. Daarop hebben mijn collega en ik de zus uitgelegd dat ze nu weg kon gaan en dat als ze dat niet deed, ze dan een strafbaar feit zou plegen. Dit zeiden we om de druk op een vrijwillig vertrek wat op te voeren. Ze antwoordde dat we haar dan maar moesten meenemen. Daarop hebben we de man uitgelegd, met in het achterhoofd de overtreding door de zus van artikel 138 van het Wetboek van strafrecht, dat hij twee keer moest vorderen dat zij wegging. Dit deed hij, maar zij gaf er geen gehoor aan. Ook op onze vorderingen daarna, reageerde de zus niet. Ze bleef, behoorlijk emotioneel, met stemverheffing pratend en met trillende armen, op de bank zitten. We hebben haar toen overeind geholpen, ieder aan een kant. Ze was een tengere vrouw. Daarop wilde ze in mijn hand, waarmee ik haar vastpakte, bijten en de andere rukte ze los van de collega. Vervolgens krabde ze me over de bovenkant van mijn hand. Op dat moment heb ik haar losgelaten, bij de arm gepakt en wederom overeind gebracht, met haar arm op haar rug. Ze werd razend, ze zwaaide met haar hoofd en trappelde met haar benen en ging af en toe slap hangen. De broer deed vervolgens de deur open en wij geleidden haar naar buiten. In de lifthal werd verzoekster weer wild en liet zich vallen. Ze was ook naar ons toe agressief. We konden haar moeilijk rechtop houden aan de armen. (...) Op het politiebureau zouden we wel kijken wat we zouden doen. Op het politiebureau aangekomen, hebben we haar direct voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Ik kan me niet meer herinneren wie het was. Na onze bevindingen aan de hulpofficier te hebben verteld, concludeerde hij dat 'we het hierbij zouden laten' en dat hij, of iemand anders, wel met haar zou gaan praten. Deze voorgeleiding duurde ongeveer n twee minuten. Het is heel goed mogelijk dat mijn collega en ik, of alleen hij, of de hulpofficier van justitie de broer hebben/heeft verzocht om naar het politiebureau te komen en meegedeeld dat zijn zus was aangehouden. Ik kan me niet herinneren dat mijn collega en ik in de auto hebben gezegd dat we met haar opgescheept gezeten zouden hebben als we haar naar ons politiebureau zouden brengen. Het lijkt me ook sterk, want het is niet eens een punt waar iemand naar toe moet, als die persoon zich heeft bevonden in het gebied van een bepaald wijkbureau. De persoon wordt dan gewoon naar dat bureau gebracht, en niet naar het politiebureau waaraan de optredende politieambtenaren zijn verbonden.

Wat betreft de wijze waarop mijn collega de zus bij binnenkomst heeft aangesproken, kan ik mij niets herinneren.". De reactie van verzoekster In haar brief van 10 juli 1998 deelde verzoekster als reactie op de verklaringen van de betrokken politieambtenaren Z. en W. het volgende mee:"...Ik blijf bij mijn verklaring dat beide heren eerst met mijn broer een kort gesprek in de hal van de woning hebben gehad, alvorens zij met z'n drie n de kamer binnenstapten. De heer Z. noemt mij dan direct bij mijn voornaam en tutoyeert mij. In de (...) volgende zin verklaart de heer Z. dat: "De zus vertelde mij dat ze het niet eens was met de verzorging van haar moeder en dat ze vond dat moeder bij haar broer thuis verwaarloosd werd." De heer W. verklaart dat : "Hij gaf aan, in aanwezigheid van zijn zus, en moeder, dat zijn zus hem betuttelde over de verzorging van zijn moeder, dat zij te pas en te onpas zijn woning in kwam en dat hij zich in zijn privacy voelde aangetast." Al eerder heb ik, in de brief van 28 februari 1997 aan de hoofdcommissaris van politie te Amsterdam, aangegeven dat ik geen sleutels van de woning aan de B.-singel (...) in mijn bezit had. Door mijn zus en mij werd per week op de kalender aangegeven welke dag wij aanwezig zouden zijn. Als regel kwamen wij 10.00 uur – 10.30 uur en vertrokken wij weer 16.30 uur – 17.00 uur. Hiermee dachten wij voldoende rekening te hebben gehouden met de privacy van onze broer. Wel hadden wij telefonisch overleg met onze broer. Nadrukkelijk stel ik dat ik niet gezegd heb dat mijn broer, moeder verwaarloosde. Ook heb ik niet gezegd dat ik het niet eens was met de verzorging van moeder. Alle drie droegen wij zorg voor moeder, ieder van ons naar eigen kunnen. Enkele regels verder verklaart de heer Z. dat : "De moeder, die volgens de broer aan het dementeren was, mengde zich af en toe in het gesprek door hen tot rust te manen." De heer W. verklaart dat: "Ook de moeder hebben wij even aangesproken, maar zij was moeilijk aanspreekbaar." Hierbij verklaar ik dat moeder zwijgend voor zich uitkeek, zij heeft niets gezegd wat in de richting van de woorden van de heer Z. wees." De heer Z. verklaart dat: "de gemoederen liepen hoog op,". De heer W. verklaart dat: "in de loop van de discussie,". De heer W. is met zijn verklaring, "in de loop van de discussie", dichter bij de waarheid.

"Het was een principekwestie,", zo verklaart de heer Z. Al eerder heb ik aangegeven dat daar geen sprake van was. De zorg voor moeder stond centraal en daarnaast was er ook de zorg voor mijn broer. Aansluitend verklaart de heer Z. dat de broer zijn zus verweet dat: "als ze het allemaal zo goed wist, niet zelf hun moeder in huis nam." Mijn broer heeft dit laatste beslist niet gezegd en ook niet gewild. Mijn ouders en mijn broer hebben altijd bij elkaar gewoond. Zij hadden een zeer hechte band. Na het overlijden van vader, 21 december 1991, was het vanzelfsprekend dat moeder en zoon bij elkaar bleven wonen en dat wij kwamen helpen. Menigmaal heb ik mijn broer aangeboden om moeder een paar weken in huis te nemen, zodat hij b.v. op vakantie zou kunnen gaan. De heer Z. en de heer W. verklaren beiden dat haar broer wilde dat zijn zus n het huis zou verlaten. Dit is juist. Mijn broer kijkt op zijn horloge en zegt tegen beide agenten dat zijn lunchpauze bijna voorbij is en verzoekt de agenten haast te maken. De heer Z. knikt en vraagt aan mijn broer voor de tweede maal te kennen te geven dat ik moet vertrekken. Hieraan voldoet mijn broer. Dan doe ik een emotionele oproep aan mijn moeder. "Moeder ik heb u altijd geholpen." "Waarom!" Daarna doe ik een emotionele oproep naar mijn broer. "Mijn hulp hier in huis was toch ook jou bedoeld!" De agenten zeggen dat mijn broer wil dat ik weg ga. Ik weiger. Ge motioneerd blijf ik op de bank zitten. Voor de derde maal geeft mijn broer te kennen dat ik weg moet gaan. Weer weiger ik. De agenten komen naar mij toe en pakken mij beet. Ik verzet mij. De heer W. verklaart dat: "De broer deed vervolgens de deur open". Hiervan was geen sprake. Mijn broer bleef in de kamer toen ik naar buiten geleid werd. Pijnlijk trof het mij dat de heer Z. en de heer W. wederom verklaard hebben dat ik mij opnieuw verzette, nadat zij mij hadden vastgepakt. Nogmaals wil ik benadrukken dat ik mijn verzet direkt opgaf nadat ik in de arrestantengreep genomen werd. Daarbij verwijs ik naar de brief van 2 juli 1997, AD11. Daarin heb ik verklaard dat de heer Z. in de hal van de woning aan mij vraagt: "Loes gaat het?" Hierop reageer ik niet. Als ik in de hal van de lift in elkaar zak, zegt n van de agenten: "Loes wat doe je nou?" Later zal de hulpverlening aan mij vragen: "Was u zich er op dat moment van bewust dat het voor u onmogelijk was geworden uw moeder nog te verzorgen?" "Ja, volledig," antwoord ik dan. De hulpverlening gebruikt dan de woorden: "In onmacht vallen."

De heer W. verklaart aan u dat: "op het politiebureau aangekomen, hebben wij haar direct voorgeleid aan de hulpofficier van justitie." Na twee jaar is het mij eindelijk duidelijk waarom de hulpofficier van justitie mij een hand gaf en zich aan mij voorstelde. We hebben zeer kort, zwijgend tegenover elkaar gestaan. Ik blijf bij mijn verklaring dat de woorden: "Meer en Vaart, want anders zitten wij op de Lodewijk van Deyssel met haar opgescheept", in de surveillanceauto gezegd zijn. De verklaring van de heer Z. en de heer W., zijn hieromtrent niet gelijkluidend en geven niet juist weer wat er werkelijk door hen in de surveillanceauto is gezegd..." BEOORDELINGI. . Ten aanzien van het uitzetten van verzoekster uit de woning van haar broer, zonder haar te hebben gehoord.1. Verzoekster verbleef n twee dagen per week in de woning van haar broer, om daar hun moeder te verzorgen. Dit deed zij ook op 19 juni 1996. Nadat verzoeksters broer op deze dag was thuisgekomen, verzocht hij zijn zuster zijn woning te verlaten, hetgeen verzoekster weigerde. Daarop belde verzoeksters broer de politie. Verzoekster klaagt er in de eerste plaats over dat twee ambtenaren van het regionale politiekorps AmsterdamAmstelland haar vervolgens uit de woning van haar broer hebben gezet, zonder haar te hebben gehoord.2. De betrokken ambtenaren deelden mee dat zij in de woning van verzoeksters broer enige tijd met beide partijen hebben gesproken.3. Vast staat dat de broer van verzoekster heeft aangegeven dat hij wenste dat zijn zuster de woning zou verlaten, omdat zij zich overal mee bemoeide en dat verzoekster daarop heeft aangegeven dat zij de huisarts wilde spreken en dat deze moest worden gebeld. De huisarts werd vervolgens gebeld, maar was niet bereikbaar. Daarnaast heeft verzoekster aangegeven dat zij niet vrijwillig de woning zou verlaten, omdat zij dan het gevoel zou hebben haar moeder in de steek te laten. Voorts staat vast dat de broer van verzoekster is ingegaan op haar opmerking in het bijzijn van de politie, dat het huishoudelijk werk, zoals overhemden strijken, ook zorgverlichting voor hem betekende. Hij heeft daarop tegen de politie gezegd: "Er hangt nog n hemd ongestreken, zal ik u dat laten zien?", welk aanbod de politie had afgeslagen.4. Gelet op deze verklaringen staat voldoende vast dat de betrokken politieambtenaren, terwijl zij zich op de hoogte stelden van de pro-

blematiek rond verzoeksters aanwezigheid in de woning en de verzorging van de moeder, naar verzoekster hebben geluisterd. Het is denkbaar dat verzoekster, die zeer ge motioneerd was, dit heeft ervaren als onvoldoende. Er is echter geen reden om haar op dit punt te volgen. De politieambtenaren konden er immers, gelet op hetgeen hiervoor onder 3. is overwogen, van uitgaan dat er in enige mate onenigheid was over de verzorging van de moeder. Wat er ook zij van de juistheid van het motief voor de broer van verzoekster om haar zijn huis uit te laten gaan, verzoekster heeft geen gevolg gegeven aan het verzoek van haar broer, in aanwezigheid van de politieambtenaren, om zich te verwijderen uit zijn woning. Evenmin leidden herhaalde sommaties van de politieambtenaren tot het vrijwillig verlaten van de woning door verzoekster. Dit betekent dat verzoekster in ieder geval na de eerste vordering om weg te gaan tegen de wil van haar broer in diens woning verbleef. Na de daarop volgende vorderingen heeft zij zich evenmin verwijderd. Vanaf dat moment konden de betrokken ambtenaren in redelijkheid tot het oordeel komen dat verzoekster zich schuldig maakte aan overtreding van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (huisvredebreuk, zie

Achtergrond

, onder 1.). Om die reden konden de politieambtenaren verzoekster uit de woning geleiden, zonder haar nader te horen. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.II. . Ten aanzien van de wijze van aanspreken en het gestelde tutoyeren1. Verzoekster klaagt er in de tweede plaats over dat de politieambtenaren haar bij binnenkomst direct bij de voornaam aanspraken en haar tutoyeerden. In haar brieven van 24 februari 1998 en 10 juli 1998 deelde verzoekster mee dat dit alleen de heer Z. betrof.2. De korpsbeheerder heeft zich op dit punt van een oordeel onthouden, aangezien de verklaringen van de betrokkenen hierover geen duidelijkheid gaven.3. De betrokken ambtenaar Z. gaf te kennen dat hij zich niet kon herinneren of hij na zijn binnenkomst in de woning verzoekster bij haar voornaam had aangesproken en haar had getutoyeerd. Hij kon het zich ook niet voorstellen, aangezien de situatie er geheel niet naar was. Politieambtenaar W. kon zich evenmin herinneren of zijn collega Z. verzoekster op die wijze had aangesproken.4. Uit het onderzoek van de Nationale ombudsman zijn geen nadere feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan de ene lezing meer aannemelijk is dan de andere. Op grond hiervan dient de Nationale ombudsman zich op dit punt van een oordeel te onthouden.

III. Ten aanzien van de gestelde laatdunkende manier waarop in de politieauto over verzoekster is gesproken.1. Voorts klaagt verzoekster erover dat de politieambtenaren op het moment dat zij met haar in de politieauto zaten, op een laatdunkende manier over haar spraken.2. Verzoekster gaf aan dat zij de politieambtenaren heeft horen zeggen: "Waar moeten we met haar naar toe? Wordt het Lodewijk van Deyssel of wordt het Meer en Vaart". De agenten kozen voor Meer en Vaart, volgens verzoekster omdat er gezegd werd: "want anders zitten we op Lodewijk van Deyssel met haar opgescheept". 3. De betrokken ambtenaren konden zich niet herinneren dat zij dit hadden gezegd. Betrokken ambtenaar W. achtte het niet aannemelijk, aangezien het wijkbureau Lodewijk van Deyssel niet een locatie is waarnaar iemand dient te worden overgebracht die zich in het gebied van een bepaald wijkbureau, in dit geval Meer en Vaart, heeft bevonden. De Nationale ombudsman acht, evenals de korpsbeheerder deed op advies van de klachtencommissie, de verklaring van verzoekster echter voldoende aannemelijk, aangezien de betrokken ambtenaren de lezing van verzoekster niet of niet voldoende hebben weersproken. De verklaring waarin politieambtenaar W. aangaf om welke reden hij het onaannemelijk achtte dat hij en zijn collega de gewraakte uitlatingen hadden gedaan, sluit niet uit dat op het moment waarop de gedraging heeft plaatsgevonden er tussen de betrokken ambtenaren onduidelijkheid bestond over het te bereiken wijkbureau. Dit wordt ondersteund door de verklaring van betrokken ambtenaar Z., die aangaf dat hij en zijn collega het in de auto erover hadden gehad waar zij verzoekster heen zouden brengen.4. Het is begrijpelijk dat de opmerking zoals die hiervoor onder 2. is opgenomen grievend overkwam op verzoekster. Het was niet juist om op een dergelijke wijze over verzoekster te spreken. In dit opzicht getuigt het politieoptreden niet van de professionaliteit die van politieambtenaren jegens een burger mag worden verwacht.De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.I. V. Ten aanzien van de verstrekte informatie over slachtofferhulp1. Verzoekster klaagt er ook over dat de politie haar op het politiebureau geen informatie over slachtofferhulp heeft gegeven.2. Politieambtenaar Be., aan wiens zorg de betrokken politieambtenaren verzoekster op het politiebureau hadden toevertrouwd, deelde in zijn reactie op de klacht mee dat hij goed contact had kunnen

krijgen met verzoekster, die aanvankelijk hevig gespannen was geweest. Vervolgens was hij er zonder meer van uitgegaan dat verzoekster en haar echtgenoot, die politieambtenaar Be. naar het politiebureau had laten komen, op eigen kracht en indien nodig, hulp hadden kunnen zoeken bij een huisarts of andere instanties, aangezien zij hem de indruk gaven dat zij bovengemiddeld intelligent waren. Aan slachtofferhulp had politieambtenaar Be. niet gedacht, omdat verzoekster geen slachtoffer was van een misdrijf. Hij gaf aan niet de indruk te hebben gehad dat de politie haar zodanig had behandeld, dat zij als slachtoffer van de politie moest worden gezien.3. Vast staat dat verzoekster op het politiebureau niet is gewezen op de mogelijkheid van slachtofferhulp. Gelet op hetgeen hiervoor onder I.4. is overwogen, hoefde de politie verzoekster, zoals eveneens de korpsbeheerder in zijn - overeenkomstig het advies van de klachtencommissie gegeven - reactie op de klacht te kennen gaf, in redelijkheid niet als slachtoffer van enig strafbaar feit aan te merken. Daarmee was zij niet gehouden haar te wijzen op de mogelijkheid van slachtofferhulp (zie ook

Achtergrond

, onder 2.). Gelet op de duur en de aard van het gesprek van politieambtenaar Be. met verzoekster (dat op initiatief van de politie plaatsvond), heeft de politie voorts naar redelijkheid kunnen oordelen dat zij verzoekster geen informatie hoefde te geven op andere gronden dan die welke zijn opgenomen in de wettelijke regelingen (zie

Achtergrond

, onder 2.) De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.V. Ten aanzien van de behandelingduur van de klacht1. Voorts klaagt verzoekster over de lange behandelingduur van haar klacht over het genoemde politieoptreden die zij per brief van 28 februari 1997 had ingediend bij het regionale politiekorps AmsterdamAmstelland.2. Op 7 maart 1997 deelde de klachtenco rdinator aan verzoekster mee dat hij haar klachtbrief had ontvangen; op die datum ging de afdoeningtermijn in. De klachtenco rdinator stuurde de klacht door naar de Commissie voor de politieklachten, die de klacht op 10 maart 1997 ontving. Na een niet geslaagde bemiddelingspoging ontving de Commissie op 1 april 1997 van verzoekster een schriftelijk verzoek om formele behandeling van haar klacht. Op 29 mei 1997 ontving de Commissie van de rapporteur een door haar gevraagde rapportage. Per brief van 4 september 1997 verzocht de Commissie de politie om een aanvullende rapportage (zie

Achtergrond

, onder 3.2.). Op 14 oktober en 12 november 1997 ontving de Commissie een telefonische aanvullende rapportage. Op 19 november 1997 bracht de Commissie schriftelijk advies uit aan de korpsbeheerder. Op 11 december 1997 heeft de

korpsbeheerder verzoekster bericht dat hij de klacht gedeeltelijk ongegrond verklaarde.3. Ingevolge de Klachtenregeling politiekorps Amsterdam-Amstelland geldt voor de behandeling van een klacht waarbij geen sprake is van bemiddeling een afdoeningtermijn van tien weken (zie

Achtergrond

, onder 3.1.). De afdoeningtermijn van tien weken eindigde op 16 mei 1997. De korpsbeheerder heeft verzoeksters klacht na ruim 40 weken afgedaan. Dit is niet juist. De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland (de burgemeester van Amsterdam), is gegrond ten aanzien van de wijze waarop de betrokken politieambtenaren in de politieauto over verzoekster spraken alsmede ten aanzien van de duur van de klachtbehandeling, en niet gegrond ten aanzien van de uitzetting van verzoekster uit de woning van haar broer zonder haar te hebben gehoord en de informatievoorziening over slachtofferhulp. Ten aanzien van de klacht van verzoekster dat de betrokken politieambtenaren haar hebben getutoyeerd en bij de voornaam hebben aangesproken, wordt geen oordeel gegeven. BIJLAGE

Achtergrond

1. Artikel 138, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt als volgt:"Hij die in de woning (...), bij een ander in gebruik (...) wederrechtelijk aldaar verblijft, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie."2. Slachtofferbeleid2.1. Algemeen 2.1.1. Op 1 april 1995 is de Wet Terwee landelijk in werking getreden. In het kader van de inwerkingtreding van deze wet is op 22 maart 1995 de "Richtlijn slachtofferzorg bij het landelijk in werking treden van de Wet Terwee" vastgesteld. Deze circulaire is gepubliceerd in de Staatscourant 1995, 65, en is in werking getreden op 1 april 1995. De richtlijn heeft betrekking op de drie onderdelen van slachtofferzorg: correcte bejegening, informatieverstrekking en schadebemiddeling. In deze richtlijn staat ten aanzien van de taken voor de politie op het terrein van de slachtofferzorg onder meer het volgende vermeld:"2. De politie geeft aan het slachtoffer algemene informatie over de gang van zaken volgend op de aangifte en over de mogelijkheden tot schadevergoeding, geeft hem een voorlichtingsfolder slachtofferhulp en vraagt hem uitdrukkelijk of hij schadevergoeding wenst en of hij van de gang van zaken volgend op de aangifte op de hoogte wenst te worden gehouden. De politie neemt in het proces-verbaal dan wel in een bijlage bij het proces-verbaal relevante informatie op over het slachtoffer met name of deze van de gang van zaken op de hoogte gehouden wenst te worden en of deze (materi le en/of immateri le) schade heeft geleden, (...). Voorts geeft de politie in het proces-verbaal dan wel in een bijlage bij het proces-verbaal de bemoeiingen weer die zij met het slachtoffer heeft gehad (...)."3.1. Artikel 9 van de Klachtenregeling politiekorps Amsterdam-Amstelland bepaalt het volgende:

"Termijnen1. De bemiddeling vindt plaats binnen vier weken na ontvangst van de klacht. In uitzonderlijke gevallen kan deze termijn met twee weken worden verlengd. De klachtbemiddelaar brengt klager tijdig en gemotiveerd op de hoogte van de vertraging. De klachtenco rdinator ontvangt een afschrift van dit bericht.2. Indien de klacht door de korpsbeheerder wordt afgedaan, gebeurt dat binnen tien weken na ontvangst van de klacht. De commissie brengt haar advies uit binnen vier weken na ontvangst van het rapport (...). Als toepassing wordt gegeven aan artikel 34, eerste lid, kan deze termijn worden verlengd met ten hoogste vier weken. Als de termijn wordt verlengd, ontvangt klager daarvan bericht."3.2. Artikel 34, eerste lid van voormelde Klachtenregeling luidt als volgt:"Verzoek om aanvullende informatie en eigen onderzoek1. Indien de commissie tot het oordeel komt dat zij op grond van de verstrekte gegevens geen redelijk gefundeerd advies kan geven, kan zij de politie of klager om aanvullende informatie verzoeken. Zonodig kan zij een eigen onderzoek instellen."

Instantie: Regiopolitie Amsterdam-Amstelland

Klacht:

Zonder verzoekster te horen haar uit woning broer gezet; wijze van aanspreken; verstrekking informatie over slachtofferhulp; lange behandelingsduur klacht.

Oordeel:

Geen oordeel