1998/393

Rapport
Op 24 juli 1995 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift, gedateerd 20 juli 1995, van de heer H. te Hoorn, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord. In reactie daarop gaf de Nationale ombudsman bij brief van 16 februari 1996 verzoeker te kennen, dat geen onderzoek naar deze gedraging zou worden ingesteld, omdat allereerst een uitspraak van de strafrechter inzake de strafrechtelijke vervolging van verzoekers zoon moest worden afgewacht. Vervolgens werd, na de brief van verzoeker van 15 december 1996, naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps NoordHolland Noord (de burgemeester van Alkmaar), alsnog een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps NoordHolland Noord:op 16 maart 1995 - geen arts of ambulance hebben gewaarschuwd in verband met de verwondingen die zijn zoon had opgelopen bij een bromfiets-ongeluk; - zijn zoon niet hebben geholpen de bromfiets veilig te stellen. op 9 april 1995 - zijn zoon met gebruik van geweld hebben meegenomen naar het politiebureau, nadat hij een verkeersovertreding had gepleegd met verzoekers bromfiets; - de naam van zijn zoon verkeerd hebben gespeld in het desbetreffende dagrapport; - de sleutels van zijn zoon hebben zoekgemaakt; op 21 maart 1996 - in een aanvullend procesverbaal de waarde van zijn ten onrechte vernietigde bromfiets hebben bepaald op minder dan ƒ 200,. ACHTERGROND 1. In de Richtlijn voor het opsporings- en vervolgingsbeleid ten aanzien van bepaalde door brom- en snorfietsers gepleegde overtredingen, vastgesteld in de vergadering van procureurs-generaal van 23 november 1994 en inwerking getreden op 1 januari 1995 (Staatscourant 1994, 250), wordt onder meer gesteld dat controle van bromfietsen in principe niet door een technisch onderzoek dient plaats te vinden, maar door het gebruiken van een rollentestbank voor vermogensmeting. Alleen indien het door de uiterlijke kenmerken van het voertuig duidelijk is dat het geen bromfiets kan zijn, zal

door middel van een technisch onderzoek naar de cylinder-inhoud worden nagegaan of de gele/oranje plaat ten onrechte werd gevoerd. Wanneer duidelijk is dat ten onrechte een gele of oranje plaat is aangebracht , wordt een administratieve sanctie opgelegd terzake van artikel 5.1.4. van het Voertuigreglement en proces-verbaal opgemaakt terzake van geconstateerde feiten zoals rijden zonder rijbewijs etc. Indien een bromfiets betrokken was bij een verkeersongeval kan niet worden volstaan met het bepalen van de cylinderinhoud. Er dan zal een technisch onderzoek naar het opvoeren van het vermogen moeten plaatsvinden.2. Artikel 8, eerste lid van de Politiewet 1993 (Wet van 9 december 1993, Stb. 724) luidt als volgt:         "1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf."3. Artikel 53, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) luidt als volgt:"Geschiedt de aanhouding door een anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene ten spoedigste voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps NoordHolland Noord verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar te geven op de klacht. Zij maakten van deze gelegenheid geen gebruik. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politie optreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Alkmaar over de klacht ge nformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De hoofdofficier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid om op de door ieder verstrekte inlichtingen te reageren.

Een betrokken ambtenaar is telefonisch gehoord door een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman. Tevens werden verzoeker en de korpsbeheerder enige specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Betrokken ambtenaar V. deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen. De reactie van de korpsbeheerder gaf wel aanleiding het verslag aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. De feiten1. Op 16 maart 1995 reed de zoon van verzoeker, H. junior, op een verzoeker toebehorende bromfiets over de V-Laan te Hoorn, toen plotseling een loslopende hond de rijbaan van de Vlaan te Hoorn overstak. H. junior kwam hierdoor ten val. Daarbij raakte een langs de rijbaan geparkeerde auto beschadigd. Korte tijd na het ongeval verschenen twee ambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord op de plaats van het ongeluk. Zij maakten rapport op van het ongeval. In het rapport vermeldden zij dat H. junior door het ongeval een gekneusde voet had opgelopen. H. junior is voor deze verwonding niet naar een ziekenhuis vervoerd. Hij heeft de plaats van het ongeval lopend kunnen verlaten, met medeneming van de bromfiets.2. Op 9 april 1995 reed H. junior tezamen met duopassagier O. op een bromfiets over een openbare weg te Hoorn toen politieambtenaren van het regionale politiekorps NoordHolland Noord – niet dezelfden als degenen met wie hij na het ongeval op 16 maart 1995 te maken had gehad - hem om ongeveer 19.00 uur staande hielden. De politieambtenaren hebben de bromfiets overgebracht naar het politiebureau te Hoorn voor een technisch onderzoek. Ook H. junior en O. werden meegenomen naar het politiebureau. De uitslag van het technisch onderzoek was voor het regionale politiekorps Noord-Holland Noord aanleiding de bromfiets niet aan H. junior terug te geven.. junior deed op 20 april 1995 schriftelijk afstand van de desbetreffende bromfiets.3. Bij brief van 28 mei 1995 diende verzoeker een klacht in bij het regionale politiekorps NoordHolland Noord. In deze brief stelde verzoeker onder meer het volgende:

         "Mijn zoon H. junior was op 16 maart 1995 (2 dagen nadat hij 16 jaar was geworden) betrokken bij een ongeval op de Vlaan te Hoorn. Als berijder van mijn bromfiets kwam hij te vallen door het plotseling oversteken van een loslopende hond. Bij dit ongeval werd hij gewond, raakte mijn bromfiets zwaar beschadigd en tijdens zijn val 'kopte' hij met zijn helm een grote deuk in een geparkeerde auto. Door dit ongeluk had hij verwondingen aan zijn handen, voeten, knie n en klaagde over enorme hoofdpijn. De wond aan zijn voet is nu nog niet genezen.          De bij dit ongeluk geroepen politieagenten hebben totaal geen aandacht besteed aan de verwondingen van H. junior, ook werd geen arts of ambulance gewaarschuwd. Wel hebben zij ter plaatse de bromfiets onderzocht of de bromfiets al dan niet was 'opgevoerd'. De bromfiets werd door deze politiemensen in orde bevonden en H. junior werd ter plaatse aan zijn lot overgelaten en kon gewond zelf op zoek naar de eigenaar van de hond. Bij dit ongeluk werd onder meer de remmen, uitlaat, motorblok, voorspatbord en sierbeplating beschadigd. Door het ongeluk was onder meer de achterrem geheel geblokkeerd (remstang was om de ankerplaat getrokken). Met behulp van een buurtbewoner is deze remstang geforceerd en kon H. junior gewond en wel zijn bromfiets naar ons huis (afstand ongeveer 1,5 km) duwen.          Naar mijn mening zijn deze agenten in hun taak te kort geschoten, hadden meer aandacht aan de verwondingen van H. junior moeten besteden en om de bromfiets veilig te stellen was er minstens een bestelauto nodig om de bromfiets te vervoeren. Een taak van de politie is ook 'Hulp verlenen aan hen die dat behoeven'.(...)          Door het ongeval ontstond er buiten de verwondingen aan H. junior, een schade aan de bromfiets van ongeveer 750 gulden en aan de kleding en helm ongeveer 900 gulden. (...)          Op zondag 9 april j.l. is H. junior op mijn bromfiets naar de wielerronde van Schagen (...) gaan kijken en op de terugreis is H. junior het beschadigde voorspatbord met daarop de gele bromfietsplaat verloren. H. junior reed over het fietspad langs de Gweg en het spatbord kwam in de sloot terecht. Tijdens deze terugreis kwam H. junior twee politieagenten tegen en kreeg een stopteken. De bromfiets werd onderzocht en vervolgens is H. junior aangehouden en in afwachting van zijn overbrenging en voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie in de politieauto gesmeten. Deze agenten hebben H. junior met zijn kin tegen de dakrand van de auto geduwd en nadat H. junior gedeeltelijk de politieauto was 'ingewerkt' werd de deur van de politieauto dichtgegooid waarbij H. junior zijn onderbeen tussen de deur en deurstijl ingeklemd werd. Door het toegepaste geweld van deze politiemensen werd H. junior gewond aan zijn kin en onderbeen.

         Vervolgens is H. junior en mijn bromfiets naar het politiebureau te Hoorn overgebracht. (...)          Bij de inbeslagname van de bromfiets is ook de contactsleutel van de bromfiets met daaraan de huissleutel van H. junior, overgebracht naar het bureau. Na mijn bezoek aan dit bureau, waar ik niet veel wijzer van werd, heb ik H. junior diverse keren naar het bureau laten bellen en ook heeft H. junior enige keren het bureau bezocht om te informeren wie over deze 'onduidelijke zaak' ging. Na lang aandringen van H. junior kreeg hij eindelijk de namen van de agenten die hem hadden aangehouden en die de bromfiets in beslag hadden genomen. Vervolgens heeft H. junior een afspraak gemaakt met de collega's E. en J. Op 20 april bezocht H. junior het bureau om te informeren naar de stand van zaken betreffende het onderzoek aan de bromfiets en om zijn huissleutel terug te vragen.          Tijdens een gesprek met een van de politiemensen werd H. junior geprest om een afstandsverklaring te ondertekenen. Onder druk van deze diender heeft H. junior de afstandverklaring getekend en op zijn vraag naar zijn huissleutel heeft deze diender toegezegd nog eens naar de sleutels te zoeken. Hierna heeft H. junior diverse keren ge nformeerd bij de politie Hoorn waar zijn sleutels bleven. Tot op heden is H. junior zijn huissleutel nog niet door de politie Hoorn terug bezorgd."4. Bij brief van 25 januari 1996 gaf de beheerder van het regionale politiekorps NoordHolland Noord zijn oordeel over verzoekers klacht over gedragingen van politieambtenaren van dit korps. In deze brief stelde de korpsbeheerder onder meer het volgende:         "Geen arts of ambulance gewaarschuwd na het ongeval van H. junior          Er is mij niet gebleken dat de betreffende politiemensen verzuimd hebben handelend op te treden. Zij geven beide te kennen dat zij geen enkel letsel bij uw zoon hebben kunnen ontdekken en dat uw zoon dat ook niet heeft aangegeven.          Op dit punt acht ik uw klacht dan ook ongegrond.          Geen hulp geboden om de bromfiets na het ongeval veilig te stellen.          Mij is gebleken dat de verbalisanten herhaalde keren gevraagd hebben of uw zoon hulp nodig had bij het veiligstellen van de bromfiets. Hierop werd door hem ontkennend geantwoord.          Derhalve acht ik de klacht op dit punt ongegrond.

         Buitensporig geweld tijdens aanhouding          Uit de rapportage is mij niet gebleken van het gebruik van geweld bij de staandehouding van uw zoon. Wel is uw zoon door een van de verbalisanten vastgepakt. Uw zoon is dan ook niet aangehouden maar slechts staande gehouden. Het daaruit voortvloeiende transport van de bromfiets naar het bureau moet dan ook in het licht van serviceverlening gezien worden omdat beide verbalisanten er vanuit gingen dat uw zoon de bromfiets na het technisch onderzoek gewoon weer mee naar huis zou kunnen nemen.          Op dit punt acht ik uw klacht ongegrond.          (...)          Het ontbreken van een mutatie in het dagrapport          Bij de staandehouding, zo is mij gebleken, heeft uw zoon de naam H. gespeld als (Volgt dezelfde naam op een andere wijze gespeld, hier verder te noemen: Hx.; N.o.) Hx. Onder deze naam zijn de gegevens ingevoerd in de computer van de politie. Het ligt dan voor de hand dat er bij raadpleging op de naam H. de computer laat weten deze naam niet te kennen. Pas achteraf bleek dat uw zoon zijn achternaam verkeerd had opgegeven. Ook waren de personalia op dat moment nog niet geverifieerd. Uw zoon is niet aangehouden en derhalve ook niet voorgeleid aan een hulpofficier van justitie. Ik acht uw klacht op dit punt dan ook ongegrond. (...)          Het zoekraken van de sleutels          Er is mij gebleken dat de verbalisanten geen enkele bemoeienis met de sleutels van uw zoon hebben gehad. Uw vooronderstelling dat de sleutels in het bezit zouden zijn van de politie te Hoorn deel ik dan ook niet. Op dit punt acht ik uw klacht dan ook ongegrond. (...)          Teruggave van de bromfiets          Teruggave van uw bromfiets zal niet meer plaats kunnen vinden omdat de bromfiets reeds vernietigd is. Ik zal de verzekeringsmaatschappij van het korps opdragen contact met u op te nemen voor het afhandelen van de door u geleden schade."5. Bij brief van 30 januari 1996, gericht aan de Nationale ombudsman, reageerde verzoeker op de afdoening van de klacht door de beheerder van het regionale politiekorps NoordHolland Noord. In deze brief stelde verzoeker onder meer het volgende:

         "Ik ben het met de meeste punten vermeld in deze afdoening ONEENS.          1e. H. junior had duidelijk waarneembare verwondingen en deze dienders waren al van de plaats van het ongeluk vertrokken, voordat H. junior contact kreeg met getuigen, die hem vertelden wie de eigenaar was van de loslopende hond d.d. 16395.          2e. Er is door verbalisanten nimmer aan H. junior hulp aangeboden om zijn bromfiets veilig te stellen d.d. 16395.          3e. Er is door de verbalisanten op zondag 9 april 1995 wel geweld gebruikt om H. junior aan te houden. In de afdoening van de klacht wordt door de politie Hoorn gesuggereerd dat het 'service' was om H. junior naar het bureau te brengen. Ik vind dit wederrechtelijke vrijheidsbeneming. (...)          5e. Het ontbreken van een mutatie in het dagrapport. Bij de staandehouding heeft H. junior zijn (achternaam; N.o.) correct gespeld als H. Ik verwijs hiervoor naar de twee 'Kennisgevingen van beschikking' en de 'Kennisgeving van bekeuring' die door de verbalisanten zijn ingevuld nadat H. junior zijn naam had opgegeven. Indien H. junior zijn naam verkeerd had opgegeven dan had of zijn naam verkeerd geschreven op deze kennisgevingen moeten staan of in het vakje 'personalia conform' had moeten staan hoe zijn personalia door de politie was vastgesteld. (...) Bij mijn bezoek op dinsdag 11 april aan bureau Hoorn en waarbij ik mijn bromfiets terug vroeg is de computer met daarin het dagrapport geraadpleegd. Door zowel de receptioniste als door de later geroepen wachtcommandant is gezocht op de naam H. junior, plaats van overtreding, datum en tijdstip van overtreding, verzekeringsplaatje van de bromfiets, merk en kleur, type en framenummer van de bromfiets. Op al deze zoektochten in de computer kwam geen enkele informatie dat mijn bromfiets aan dit bureau stond. (...) Ik verwacht dat als er door een deskundige in dit computerprogramma wordt 'gekeken' dat er duidelijk zal worden wanneer en mogelijk door wie deze mutatie met de naam Hx. is gesteld. Volgens mij is deze mutatie met de naam Hx. gesteld door iemand die verwachtte dat ik mij zou beklagen over het politieoptreden. (...)          De zoekgeraakte huissleutels bevonden zich aan de bos sleutels waar ook de contactsleutel van de bromfiets aan zat en deze contactsleutel moest aan de bromfiets blijven ivm het technische onderzoek."

B. Het standpunt van verzoeker1. Het standpunt van verzoeker is weergegeven onder

Klacht

.2. In zijn aanvullend verzoekschrift van 15 december 1996 stelde verzoeker onder meer nog het volgende:         "Ik wens mij tevens te beklagen over de poging van de politie Hoorn om onder een redelijke schadevergoeding uit te komen.          Op 19296 omstreeks 13.55 werd ik gebeld door Hip Ho. en die vroeg mij wat onze schade was. Ik noemde een totaalbedrag van Fl. 4000. zijnde materi le en immateri le schade. Ho. vond dit overdreven en beschuldigde mij ervan 'er een slaatje uit te slaan'. Tevens zei hij dat er nog een 'schrijven' zou komen waaruit zou blijken dat wij in het geheel geen schadevergoeding zouden krijgen.          Dit schrijven kwam ook, n.l. een brief d.d. 25396 van districtschef L. met daaraan gehecht een nieuw PVB van techn. onderzoek aan mijn bromfiets. Dit pvb bevatte opeens een waardebepaling n.l. een sloopwaarde van minder dan Fl. 200. en dit pvb was opgemaakt op 21396 dus vier dagen voor het schrijven van L. en bijna een jaar nadat mijn bromfiets was verdwenen bij de politie. De politie gunt ons, na alle beledigingen die zij van mij hebben moeten slikken, natuurlijk geen enkele schadevergoeding en de politie Hoorn heeft ook een financieel belang bij het opmaken van dit valse Pvb. n.l. een eigen risico van Fl. 1000. per gebeurtenis die volgens de verzekeringsmaatschappij van de politie Hoorn voor vergoeding in aanmerking komen. Ik beklaag mij dan ook over Ho. en L., die als leidinggevenden de verbalisanten E. en W. aanzetten tot het opmaken van een valse pvb."3. Ter onderbouwing van zijn klacht voegde verzoeker een aantal bijlagen bij zijn brief van 15 december 1996.3.1. Een van de bijlagen was een procesverbaal van 8 mei 1995, waarin de verbalisanten W. en Es., werkzaam bij de sectie Technische Ondersteuning Verkeer, van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord, onder meer het volgende verklaarden:"In de staat waarin het voertuig nu verkeert zal het niet in Nederland op de openbare weg in gebruik kunnen worden genomen."3.2. Verder was bij de bijlagen gevoegd een aanvullend proces-verbaal van 21 maart 1996, opgemaakt door dezelfde verbalisanten. In dit aanvullend proces-verbaal verklaarden zij onder meer het volgende:

         "Op dinsdag 11 april 1995 omstreeks 13.00 uur, hebben wij in de garage van het politiebureau te Hoorn een voertuig onderzocht met het volgende signalement:         MOTORFIETS:         soort voertuig : tweewielige motorvoertuig          merk frame : <Honda>          framenummer : <AD018135927>          merk motor : <Honda type AD01E nummer: 5089183>          bestuurder : H. junior          adres : (...)          eigenaar : als boven          verz. plaatnummer : (...)          Dit voertuig was destijds als goedgekeurde bromfiets in gebruik genomen. Echter het voertuig had een aantal wijzigingen ondergaan waardoor het niet meer voldeed aan de keuringseisen. Het voertuig was niet meer voorzien van de in de keuringseisen genoemde bromfietsmotor. Het voertuig was eveneens niet voorzien van een gele plaat terwijl de cilinderinhoud van de aangetroffen motor ongeveer 65 cc bedroeg. Derhalve betrof het hier een normaal tweewielig motorvoertuig waarvoor het berijden daarvan een rijbewijs A benodigd was en het voertuig voorzien moest zijn van een kenteken.          ALGEHELE STAAT VAN HET VOERTUIG:         Bij onderzoek troffen wij aan:         Een voertuig wat veel gelijkenis vertoonde met een crossbromfiets/motorfiets. Het bestond namelijk alleen maar uit een frame met een stuur, voor en achterwiel alsmede een motorblok. Tevens was dit voertuig slechts voorzien van een voorrem. De bedieningsstang en het voetpedaal van de achterrem ontbraken, alsmede het voor en achterspatbord, verlichtingsunit voor en achterzijde alsmede een bel of hoorn.          WAARDE VOERTUIG:         In de toestand zoals het voertuig werd aangetroffen was de waarde gering. De sloopwaarde danwel onderdeelwaarde voor een liefhebber was minder dan 200 gulden. Om het voertuig weer in de oorspronkelijke staat terug te brengen zouden de herstelkosten ongeveer 2000 gulden bedragen."3.3. Een andere bijlage was een brief van 11 juli 1996 van de door het regionale politiekorps NoordHolland Noord ingeschakelde verzekeringsmaatschappij D. NV aan verzoeker. In deze brief stelde de verzekeringsmaatschappij onder meer het volgende:

         "Hiermee bevestigen wij ons telefoongesprek van 11 juli jl.          In dit gesprek kwamen wij overeen dat wij ter regeling van deze kwestie een bedrag betalen van f 1.500,= allin, en dat u daartegenover volledige en finale kwijting verleent aan onze verzekerde (de regiopolitie NoordHolland Noord) en degene(n) voor wie zij dient in te staan.          Wij hebben onze makelaar inmiddels verzocht de financi le regeling van deze kwestie in gang te zetten.". Nadere informatie door verzoeker1. In de brief waarmee de Nationale ombudsman op 5 februari 1997 dit onderzoek opende, was verzoeker verzocht informatie te verstrekken over de verwondingen die zijn zoon op 16 maart 1995 had opgelopen en de eventuele medische behandeling daarvan.2.1. Bij brief van 4 maart 1997 deelde verzoeker de Nationale ombudsman daarop het volgende mee:"Nav uw vraag of H. junior een arts heeft geraadpleegd, kan ik u mededelen dat H. junior dezelfde dag, na het ongeval, 16 maart 1995, zich heeft laten behandelen op de 1e hulpafdeling van het St Jans Gasthuis te Hoorn. Wij hebben nav uw brief contact gezocht met dit ziekenhuis en men deelde ons mede dat er geen gegevens over dit bezoek van H. junior, voorhanden waren. Mogelijk zouden er nog gegevens van H. junior zijn kwetsuren in het medisch archief aanwezig zijn. Het is ons niet gelukt dit ziekenhuis te bewegen te gaan zoeken in dit medisch archief. Enkele weken later zijn H. junior zijn verwondingen onderzocht door een dokter genaamd X, huisarts (...) te Hoorn, (...). Ook bij deze arts was geen informatie meer voorhanden. Deze arts was destijds werkzaam als verzekeringsarts voor D., zijnde de verzekeraar van de veroorzaker van dit ongeval. De schade van H. junior is destijds afgehandeld door D. Schadeverzekeringen (...), via Mevr. Di. (...) zie bijlage.(...). junior is te allen tijde bereid om nu een dokter te bezoeken en te laten vaststellen hoe ernstig zijn verwondingen toen waren."2.2. Bij verzoekers brief van 4 maart 1997 was gevoegd een brief van 13 april 1995 van mevrouw Di., medewerkster van D. te Amsterdam aan verzoeker. Hierin deelde zij onder meer het volgende mee:"Ten aanzien van het letsel van uw zoon wachten wij nog even af hoe dit zich herstelt. Over ongeveer een maand willen wij graag hierover contact met u opnemen."

D. Het standpunt van de beheerder van het regionale politiekorps NoordHolland Noord1. Bij brief van 21 maart 1997, deelde de beheerder van het regionale politiekorps NoordHolland Noord onder meer het volgende mee:         "Uit de (...) opgemaakte registratieset ter zake van (het ongeval; N.o.) op 16 maart 1995 blijkt dat H. junior bij de aanrijding zijn voet gekneusd had. Schrammen en builen zijn als zodanig niet op de registratieset verwerkt. Gezien de vermelde verwondingen en het feit dat ook H. junior niet heeft aangegeven nadere medische hulp nodig te hebben is geen arts of ambulance gewaarschuwd. Daaraan kan worden toegevoegd dat de melding betreffende de aanrijding de prioriteit '2' kreeg. Kennelijk heeft ook de melder van de aanrijding niet gesproken van een 'gewonde'. Ware dit wel zo geweest dan had de aanrijding de prioriteit '1' gekregen.          Na de aanrijding hebben de verbalisanten herhaalde keren gevraagd of H. junior hulp nodig had bij het veilig stellen van de bromfiets. Hierop werd door hem ontkennend geantwoord.          Uit de rapportage is mij niet gebleken dat op 9 april 1995 H. junior met geweld is overgebracht naar het politiebureau. Wel is H. junior door een van de verbalisanten vastgepakt en heeft hij hem doen plaatsnemen in het politiedienstvoertuig. H. junior is niet aangehouden. Het vervoer van hem en het transport van de bromfiets naar het bureau moet in het licht van een serviceverlening gezien worden daar beide verbalisanten er vanuit gingen dat hij de bromfiets na het technisch onderzoek weer mee naar huis kon nemen.          Uit de mutaties van 9 april 1995 blijkt thans niet meer duidelijk dat de naam H. verkeerd was gespeld. Bij een correctie van persoonsgegevens in een mutatie in Bps (Bedrijfsprocessensysteem; N.o.) worden de oorspronkelijke gegevens veranderd en niet bewaard. Uit het aanvraagformulier voor het in te stellen technische onderzoek blijkt dat de naam H. is geschreven als Hx. Een verificatie van persoonsgegevens had toen nog niet plaatsgevonden. Fonetisch is er geen verschil tussen H. en Hx., zodat een verschrijving licht is gemaakt.          Met betrekking tot de vermissing van de sleutels van de zoon van de heer H. is niet gebleken van enige betrokkenheid van de politie. De betrokken verbalisanten hebben geen bemoeienis gehad met deze sleutels.

         Op 25 maart 1996 is door W. en Es., respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, ingedeeld bij de sectie technische ondersteuning van de regionale afdeling verkeer, ten aanzien van de algemene staat en de waarde van het door hen op 11 april 1995 technisch onderzochte voertuig, de bromfiets van de heer H., een aanvullend procesverbaal opgemaakt. Op basis van hun ervaring en deskundigheid hebben zij geoordeeld dat de waarde van het voertuig gering was. De sloopwaarde danwel onderdeelwaarde voor een liefhebber was naar hun mening minder dan 200 gulden. Om het voertuig weer in de oorspronkelijke staat terug te brengen zouden de herstelkosten huns inziens ongeveer 2000 gulden bedragen. (...) Dit aanvullende proces-verbaal is opgemaakt op verzoek van de chef van het district Westfriesland West in verband met de afhandeling van de schade. Zoals vorenstaand reeds is aangegeven is afhandeling van de schade met de heer H. geregeld en wel op of omstreeks 23 juli 1996. Helaas maakt de heer H. daarvan geen melding aan u in zijn brief van 15 december 1996."2. De brief van de beheerder van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord van 21 maart 1997, was van een aantal bijlagen voorzien.2.1. Een van de bijlagen was een niet gedateerde en niet ondertekende verklaring van de politieambtenaren J. en E. Hierin verklaarden zij onder meer het volgende:         "Op 09 april 1995, omstreeks 19.00 uur, hebben wij op de openbare weg van de W. te Hoorn, staande gehouden een jongen welke genaamd is:         H. junior (...).          Aanleiding voor deze staande houding was dat wij hem zagen rijden met een duopassagier op een bromfiets op de voornoemde weg. Wij zagen dat beide personen geen helm droegen. Wij gaven de bestuurder van de bromfiets een stopteken. Wij zagen dat de bestuurder geen gevolg gaf aan het door ons gegeven stopteken.          Wij zagen dat de bestuurder weg wilde rijden met zijn bromfiets. Wij zagen dat de bestuurder tegen een paal van een verkeersbord aanreed, welke op het trottoir stond. Hierdoor kwam de bestuurder ten val met zijn bromfiets. Dit gebeurde stapvoets. Dit gaf ons de gelegenheid om de bestuurder staande te houden. Wij zagen dat de bromfiets niet voorzien was van een gele plaat en wij zagen dat de bromfiets geen standaard cilinder had.          Nadat wij H. junior voornoemd hadden medegedeeld dat zijn bromfiets zou worden overgebracht voor een technisch onderzoek,

gedroeg H. junior zich recalcitrant. Wij hoorden namelijk dat H. junior ons diverse verwensingen naar het hoofd slingerde (...).          Vervolgens hebben wij H. junior uitgelegd dat hij mee kon naar het bureau om het technische resultaat van de bromfiets af te wachten. Mocht dit gunstig voor hem uitvallen, dan kon hij namelijk de bromfiets meteen weer mee krijgen.          H. junior was echter voor geen rede vatbaar en weigerde zijn bromfiets aan ons af te staan voor een technische controle. Vervolgens hebben wij H. junior in ons dienstvoertuig doen laten plaatsnemen en is de bromfiets met een politiebus naar het politiebureau te Hoorn overgebracht voor een technische controle.          Ik, E., heb hierbij H. junior vast gepakt en hem in het dienstvoertuig doen laten plaatsnemen. H. junior bleef zeer recalcitrant en onbeschoft tegen ons. (...)          Aan het bureau bleek dat de bromfiets dusdanig was opgevoerd dat deze door de verkeersgroep nader onderzocht moest worden. (...)          - (Verzoeker; N.o.) stelt dat er op het bureau niets in de computer was terug te vinden. Deze oorzaak is mogelijk te wijten aan het feit dat H. junior in eerste instantie is ingevoerd onder de naam Hx. Junior. (...)          - Tijdens het verhoor, d.d. 20 april 1995, is door H. junior niet over zijn huissleutels gesproken. H. junior is op een later tijdstip aan het bureau geweest om naar zijn sleutels te vragen. Deze sleutels waren niet op de bromfiets aanwezig.". Reactie van verzoeker Bij brief van 26 april 1997 reageerde verzoeker op het door de beheerder van het regionale politiekorps NoordHolland Noord gestelde. In zijn brief stelde verzoeker onder meer het volgende:         "Over de aanrijding en het hulpeloos achterlaten van H. junior kan ik ook kort zijn: Ik heb mijn zoon met mijn bromfiets voor zich uitduwend zien thuis komen. (...) De verwonding van H. junior en de schade aan mijn bromfiets vroegen om meer actie van de politie Hoorn dan dat er toen is ondernomen. Zie ook de lege vermelding van getuigen op de aanrijdingstaat van deze aanrijding. H. junior heeft gewond en wel zelf deze getuigen moeten opsporen, want de politie Hoorn ging op weg naar de volgende spannende opdracht.          SERVICEVERLENING OF AANHOUDING TER VOORGELEIDING HOVJ?          In de brief van (de korpsbeheerder; N.o.) aan de Nationale

ombudsman staat letterlijk 'Uit de rapportage is mij niet gebleken dat op 9 april 1995 H. junior met geweld is overgebracht naar het politiebureau.' Uit de volgende zin van (de korpsbeheerder; N.o.) blijkt duidelijk dat er dwangmiddelen door de politie zijn toegepast (heb ik in principe geen bezwaar tegen) en H. junior is overgebracht naar het politiebureau om daar te wachten op het technisch onderzoek aan mijn bromfiets dat twee dagen later zou plaatsvinden. (...) De politie heeft dwangmiddelen toegepast en H. junior is met geweld naar het politiebureau overgebracht. Er is geen aanhoudings PVB opgemaakt en H. junior is niet voorgeleid aan een Hovj. Volgens mij pleegt de politie dan een misdrijf.          (De korpsbeheerder; N.o.) stelt vervolgens dat er in de mutatie van 9 april een verschrijving had plaatsgevonden. Dit is gelul. Zie ook de ter plaatse uitgeschreven bekeuringen, waarin H. correct staat geschreven. (...)          De huissleutels bevonden zich met de contactsleutel aan de bromfiets en zijn gelijk met deze bromfiets verdwenen.          Het aanvullend proces-verbaal, opgemaakt door W. en Es., ongeveer een jaar na de verdwijning van mijn bromfiets heeft voor mij de waarde van gebruikt WC papier. Dit pvb is op aandrang van Ho. en L. opgemaakt uitsluitend met het doel om mij een zeer geringe schadevergoeding toe te kennen, waarbij er rekening moet worden gehouden met het feit dat de eerste duizend gulden niet door de verzekeringsmij. maar door de politie Hoorn moet worden betaald. De politie Hoorn had financieel belang bij dit valselijk op maken van dit pvb.          De opmerking van (de korpsbeheerder; N.o.) dat ik u niet op de hoogte heb gebracht van de schikking tussen mij en de verzekering is wederom het gevolg van zijn onzindelijk denken. Ik beklaag mij niet over de hoogte van de schikking, maar over een aantal andere zaken die mis zijn in dit korps.". Verklaring van de betrokken politieambtenaar V. Op 2 september 1997 legde politieambtenaar V. telefonisch tegenover een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman de volgende verklaring af:         "Ik herinner mij nog wel iets van deze zaak. Mijn collega en ik werden naar een aanrijding gestuurd; een bromfietser was door een loslopende hond tegen een geparkeerde auto aangereden. Toen wij ter plaatse kwamen, kwamen de bestuurder van de bromfiets en de eigenaar van de auto naar buiten gelopen. Ze hadden in een gebouw

vlakbij de plaats van het ongeluk op ons zitten wachten. Ik herinner me niet meer of de bromfietser moeilijk liep. We hebben wel gevraagd of hij hulp nodig had, dat vragen we altijd. Hij had geen hulp nodig. Hij heeft er gewoon bijgestaan toen we met de eigenaar van de auto en met hem praatten. Hij heeft zijn verklaring afgelegd. Ik weet niet meer hoe de bromfiets er precies uit zag. Als een bromfiets echt zichtbaar behoorlijk beschadigd is of total loss, dan zorgen we natuurlijk dat zo'n ding wordt afgevoerd. Dat was nu kennelijk niet het geval en volgens mij kon die jongen gewoon zelf met zijn brommer weg komen.". Nadere informatie van de korpsbeheerder1. Bij brief van 18 november 1997 stelde de Nationale ombudsman de korpsbeheerder de volgende vragen:1. Uit de ongedateerde verklaring van de verbalisanten J. en E. die u mij bij brief van 21 maart 1997 deed toekomen, volgt dat zij verzoekers zoon hebben uitgelegd dat hij mee kon naar het bureau om het resultaat van het technisch onderzoek af te wachten en dat verbalisant E. hem vervolgens heeft vastgepakt en hem, kennelijk tegen zijn zin in, in het dienstvoertuig heeft "doen laten plaatsnemen". In uw brief van 21 maart 1997 gaf u te kennen dat het meenemen naar het politiebureau van de zoon van verzoeker uit serviceoverwegingen gebeurde. Als sprake was van serviceverlening, had het dan niet voor de hand gelegen verzoekers zoon ter plaatse achter te laten toen bleek dat deze geen prijs stelde op deze service?2. Uit het aanvullend procesverbaal van de verbalisanten W. en Es. van 21 maart 1996, volgt dat aan het onderzochte voertuig op 11 april 1995 een groot aantal onderdelen ontbrak, namelijk voor en achterspatbord, achterreminstallatie, voor en achterverlichting en het gele bromfietsplaatje. Waarop was, gezien het aanvullend procesverbaal, de verwachting van de verbalisanten J. en Es. gebaseerd, dat het technisch onderzoek mogelijk gunstig kon uitvallen en dat verzoekers zoon wellicht terstond na het onderzoek weer de beschikking zou krijgen over de bromfiets?2. Ter beantwoording van de hem gestelde vragen zond de korpsbeheerder bij brief van 19 december 1997 een rapportage van hoofdinspecteur van politie Ho. van 15 december 1997. Hierin deelde deze onder meer het volgende mee:

"Vraag 1. Door de staandehouding en het feit dat de bromfiets voor onderzoek naar het bureau overgebracht moest worden, was de verdachte kwaad op de politie. Ter plaatse was het niet goed mogelijk om met de verdachte te communiceren. De betrokken verbalisanten besloten de verdachte een lift naar het bureau aan te bieden, omdat daar de zaak beter uitgepraat kon worden. Het vastpakken van de verdachte en hem doen laten plaatsnemen in de dienstauto, werd gedaan om de verdachte een goedbedoelde 'zet' in de goede richting te geven. Door zijn kwaadheid was hij kennelijk tegen de politie en tegen zichzelf. Vraag 2. Met het technisch onderzoek werd bedoeld het onderzoek naar het vermogen van de motor van de bromfiets, Indien bij het technisch onderzoek een vermogen zou worden vastgesteld beneden de waarde van 1,44 kilowatt, dan zou de bromfiets weer aan de verdachte zijn teruggegeven. Om deze reden werd de verdachte de gelegenheid geboden om een technisch onderzoek af te wachten. De overige technische gebreken vormden op zich geen aanleiding om de bromfiets naar een plaats van onderzoek over te brengen en/of in beslag te nemen. Deze overtredingen konden ter plaatse worden vastgesteld en afgedaan.". Nadere informatie van verzoeker1. Bij brief van 18 november 1997 verzocht de Nationale ombudsman verzoeker om gegevens betreffende een mogelijke, door verzoeker in zijn brief van 28 mei 1995 genoemde, getuige van het voorval van 16 maart 1995.2. Bij ongedateerde brief – bij het Bureau Nationale ombudsman ontvangen op 4 februari 1998 – verstrekte verzoeker de gevraagde gegevens. Daarnaast deelde verzoeker in deze brief onder meer het volgende mee:"Bij de staandehouding werd H. junior boos op de politie vanwege het wangedrag van deze agenten. Bij de staandehouding heeft H. junior zijn gegevens correct opgegeven echter de politie schreef dat verkeerd op. (...) De opmerking dat H. junior 'kennelijk' tegen de politie was en tegen zichzelf zei mij genoeg over het niveau van deze twee leuteraars vermomd in politieuniform. De staandehouding, de aanhouding en het meenemen van de bromfiets geschiedde op zondagavond. Een avond waarop er geen bromfietsonderzoek aan het bureau mogelijk is. De techneuten die deze bromfiets onderzoeken doen dat voornamelijk tijdens de dagdienst van maandag tot en met vrijdag.

Dus H. junior hoefde op zondagavond niet mee om zijn bromfiets eventueel weer in ontvangst te nemen, het technisch onderzoek werd pas na 24 uur ingesteld. De politie schreef al eerder dat H. junior als serviceverlening naar het bureau werd gebracht en nu schrijven zij dat H. junior mee moest omdat hij niet kon communiceren met de politie. Dit is een lulverhaal van de politie. H. junior is gewoon aangehouden en ter voorgeleiding naar een politiebureau overgebracht. Dat er geen aanhouding PVB is opgemaakt beschouw ik als een ernstig feit, n.l. wederrechtelijke vrijheidsbeneming. M.i. een misdrijf."3. Meerdere pogingen van de Nationale ombudsman om met de door verzoeker genoemde getuige in contact te komen, twee maal rechtstreeks en n maal via verzoeker, hadden geen resultaat, zodat de betreffende getuige uiteindelijk niet is gehoord.. Reacties op het verslag van bevindingen In reactie op het hem bij brief van 20 juli 1998 toegezonden verslag van bevindingen deelde de beheerder van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord bij brief van 7 augustus 1998 het volgende mee:"...deel ik u mede dat ik instem met de weergave van de in het verslag van bevindingen vermelde feiten, voorzover het de regiopolitie Noord-Holland Noord betreft. Mijn daarin vermelde zienswijze wil ik echter op een onderdeel aanpassen. In mijn brief van 21 maart 1997 (zie onder D.1.; N.o.) heb ik aangegeven dat mij uit de rapportages niet was gebleken dat op 9 april 1995 H. junior met geweld is overgebracht naar het politiebureau. Wel was H. junior door een van de verbalisanten vastgepakt en hadden zij hem doen plaatsnemen in het politiedienstvoertuig. Voorts heb ik aangegeven dat H. junior niet was aangehouden, maar dat het vervoer van hem en het transport van de bromfiets naar het bureau in het licht van een serviceverlening gezien moest worden. Na bestudering van het verslag van bevindingen en de onderliggende stukken blijkt evenwel dat het meenemen van de zoon van de heer H. op 9 april 1995 naar het politiebureau als een aanhouding gezien moet worden. Deze aanhouding heeft mijn inziens niet conform de daarvoor geldende bepalingen plaatsgevonden. H. junior had bij aankomst aan het bureau van politie te Hoorn moeten worden voorgeleid voor een hulpofficier van justitie. Voor dit deel acht ik de klacht dan ook gegrond."

Beoordeling

. Inleiding1. Verzoekers zoon H. junior kwam op 16 maart 1995 te Hoorn met een door hem bestuurde bromfiets ten val doordat een loslopende hond plotseling de rijbaan overstak. Hierbij raakte een langs de rijbaan geparkeerde auto beschadigd. Korte tijd na het ongeval verschenen twee politieambtenaren van het regionale politiekorps NoordHolland Noord ter plaatse. In het door hen opgemaakte rapport vermeldden zij dat H. junior een gekneusde voet aan het ongeval had overgehouden, maar dat hij daarvoor niet naar een ziekenhuis was overgebracht. Verzoekers zoon heeft de plaats van het ongeval zelfstandig kunnen verlaten, met medeneming van de bromfiets.2. Op 9 april 1995 reed verzoekers zoon H. junior op dezelfde bromfiets met een duopassagier over een openbare weg te Hoorn toen politieambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord hem om ongeveer 19.00 uur staande hielden. De politieambtenaren – anderen dan degenen die betrokken waren geweest bij de afhandeling van het ongeval op 16 maart 1995 - hebben de bromfiets uit het verkeer genomen en overgebracht naar het politiebureau te Hoorn voor een technisch onderzoek (zie

Achtergrond

onder 1.). Ook H. junior werd meegenomen naar het politiebureau. Het technisch onderzoek – dat pas op 11 april 1995 plaatsvond – was aanleiding voor het regionale politiekorps NoordHolland Noord om de bromfiets niet aan H. junior terug te geven.. junior deed op 20 april 1995 schriftelijk afstand van de desbetreffende bromfiets. Enige tijd later is de bromfiets vernietigd.3. Nadat gebleken was dat niet verzoekers zoon, maar verzoeker eigenaar was van de bewuste bromfiets, kwam in januari 1996 een briefwisseling op gang tussen verzoeker en de regiopolitie Noord-Holland Noord respectievelijk de verzekeringsmaatschappij van dit politiekorps over de vergoeding van de schade die verzoeker had geleden door de vernietiging van zijn bromfiets. In het kader van de afhandeling van verzoekers schadeclaim hebben medewerkers van de sectie technische Ondersteuning verkeer van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord in een op 21 maart 1996 opgemaakt aanvullend proces-verbaal de waarde van verzoekers bromfiets bepaald op minder dan ƒ 200,-. II. Ten aanzien van de dienstverlening op 16 maart 19951.1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord na het ongeval van

zijn zoon op 16 maart 1995, ondanks de verwondingen die zijn zoon bij dat ongeval had opgelopen, geen arts of ambulance hebben gewaarschuwd.1.2. Tegenover verzoekers stelling dat zijn zoon bij het ongeval gewond was geraakt aan zijn handen, voeten en knie n en dat hij daarnaast had geklaagd over hoofdpijn, voerde de korpsbeheerder aan dat de ter plaatse verschenen politieambtenaren weliswaar hadden geconstateerd dat verzoekers zoon een voet had gekneusd, maar dat hij, daarnaar gevraagd, te kennen had gegeven dat hij geen behoefte had aan nadere medische hulp. De korpsbeheerder voegde daar aan toe dat, nu de meldkamer prioriteit '2' aan de ongevalmelding had gegeven, ook degene die het ongeval bij de politie had gemeld kennelijk geen verwondingen had waargenomen.1.3. De Nationale ombudsman acht het aannemelijk dat de verwonding van verzoekers zoon niet zodanig was dat ter plaatse hulp door een arts of ambulancepersoneel was geboden. Verzoeker heeft zijn stelling dat zijn zoon gewond was aan handen, voeten en knie n niet met behulp van medische verklaringen onderbouwd. Hij heeft slechts een brief overgelegd waaruit blijkt dat hij de verwonding van zijn zoon onder de aandacht heeft gebracht van een schadeverzekeraar (zie

Bevindingen

onder C.2.1.). Verzoeker heeft echter geen informatie verstrekt over de verdere afhandeling van die letselschademelding bij de desbetreffende verzekeringsmaatschappij. Bij brief van 4 maart 1997 deed verzoeker het aanbod om alsnog een arts de ernst van de verwondingen van zijn zoon op 16 maart 1995 te laten vaststellen. De Nationale ombudsman heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt, omdat het niet mogelijk moet worden geacht dat een arts twee jaar na dato kan vaststellen dat eventuele verwondingen uitsluitend en alleen het gevolg kunnen zijn geweest van een op een bepaalde datum voorgevallen ongeval. Op dit punt is de onderzochte gedraging behoorlijk.2.1. Verzoeker klaagt er verder over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord zijn zoon niet hebben geholpen om de bij het ongeval beschadigde bromfiets veilig te stellen. Naar de mening van verzoeker was de bromfiets na het ongeval zo zwaar beschadigd dat zijn zoon de bromfiets uitsluitend dankzij hulp van een buurtbewoner terug naar huis heeft kunnen duwen. Verzoeker heeft voorgesteld dat de Nationale ombudsman deze buurtbewoner op dit punt zou horen.2.2. Ook op dit punt heeft de beheerder van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord te kennen gegeven dat de ter plaatse verschenen politieambtenaren wel degelijk zich hebben bekommerd om

verzoekers zoon. Zij hadden verzoekers zoon diverse malen gevraagd of hij hulp nodig had bij het veiligstellen van de bromfiets, maar verzoekers zoon had toen te kennen gegeven deze hulp niet nodig te hebben. De bij de afhandeling van het ongeval betrokken politieambtenaar V. gaf te kennen, dat bij een ongeval betrokken personen standaard gevraagd wordt of nadere hulp nodig is, maar dat verzoekers zoon uitdrukkelijk had aangegeven geen hulp nodig te hebben. V. voegde daar aan toe dat indien de bromfiets zichtbaar behoorlijk beschadigd was geweest, de politie het afvoeren van de bromfiets had verzorgd.2.3. De Nationale ombudsman heeft twee vergeefse pogingen ondernomen om met de door verzoeker genoemde buurtbewoner in contact te komen. Daarna heeft de Nationale ombudsman verzoeker verzocht zelf dit contact tot stand te brengen, maar ook dat heeft niet tot enig resultaat geleid. Gezien dit laatste, moet de Nationale ombudsman het ervoor houden dat verzoeker uiteindelijk geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid zijn stellingen op dit punt nader te – doen – onderbouwen.2.4. De Nationale ombudsman acht het, gezien het voorgaande, aannemelijk dat de na het ongeval ter plaatse verschenen politieambtenaren verzoekers zoon hebben gevraagd of zij hem moesten helpen met het veiligstellen van de bromfiets. Ook acht de Nationale ombudsman het aannemelijk dat de beschadiging van de bromfiets na het ongeval van dien aard was dat ambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord in redelijkheid konden besluiten dat, nadat verzoekers zoon zelf al te kennen had gegeven geen behoefte te hebben aan verdere hulp, verdere assistentie niet nodig was. Ook op dit punt is de onderzochte gedraging behoorlijk. III. Ten aanzien van het voorval op 9 april 19951.1. Verzoeker klaagt er verder over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord op 9 april 1995 zijn zoon, nadat hij een verkeersovertreding had begaan, met geweld hebben meegenomen naar het politiebureau.1.2. Vast staat dat de verbalisanten verzoekers zoon hebben staande gehouden omdat zij hadden gezien dat hij een bromfiets bestuurde terwijl hij, evenals zijn duopassagier, op dat moment niet een valhelm droeg. Nadat de verbalisanten hem, niet zonder enige moeite, tot stilstand hadden gedwongen, hebben zij geconstateerd dat aan de bromfiets enige onderdelen ontbraken, en vonden zij aanleiding voor een technisch onderzoek aan het politiebureau (zie

Achtergrond

onder 1).1.3. In reactie op verzoekers klacht heeft de beheerder van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord aanvankelijk gesteld dat verzoekers zoon niet was aangehouden, maar slechts was staande gehouden. Naderhand, in reactie op het verslag van bevindingen, heeft hij echter laten weten dat verzoekers zoon wel was aangehouden, maar dat was verzuimd hem na aankomst aan het politiebureau voor een hulpofficier van justitie te geleiden. De korpsbeheerder achtte bij nader inzien de klacht op dit punt dan ook gegrond.1.4. Het regionale politiekorps Noord-Holland Noord heeft op dit punt niet juist gehandeld. De latere reactie van de korpsbeheerder doet er niet aan af dat de bij die aanhouding betrokken politieambtenaren kennelijk niet de bedoeling hebben gehad H. junior aan te houden, en dat zij verzoekers zoon uitsluitend uit service-overwegingen naar het politiebureau hadden willen overbrengen. Gelet op dat motief was het niet juist dat zij hem met geweld, in hoe geringe mate wellicht ook, in het politievoertuig hebben doen plaatsnemen, op het moment dat hij ervan blijk gaf geen prijs te stellen op de bewuste service (zie

Achtergrond

onder 2.). Nu niet is gebleken van een andere reden om verzoekers zoon naar het bureau over te brengen – verbalisanten hadden immers op dat moment niet de bedoeling H. junior aan te houden - hadden de verbalisanten hem op dat moment moeten duidelijk maken dat hij later bij het politiebureau kon informeren naar de mogelijke teruggave van de bromfiets, na afloop van het technisch onderzoek, en hem verder ongemoeid moeten laten. Op dit punt is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.1.5. Ten overvloede wordt opgemerkt dat uit het van het technisch onderzoek op 11 april 1995 opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de bromfiets slechts bestond uit een frame, een stuur, een voor- en een achterwiel, een motorblok en een voorrem. Aangenomen mag worden dat de bromfiets op het moment van inbeslagname niet meer onderdelen bevatte dan op het moment van het technisch onderzoek. Het moet de verbalisanten dan ook direct zijn opgevallen dat de bromfiets op nogal wat punten niet voldeed aan de wettelijk gestelde eisen. Gelet daarop is het niet duidelijk waarop hun verwachting was gebaseerd dat de bromfiets wellicht nog dezelfde avond aan verzoekers zoon zou kunnen worden teruggegeven.1.6. Eveneens ten overvloede wordt opgemerkt dat voorzover zou moeten worden aangenomen dat de verbalisanten H. junior wel hebben willen aanhouden, zij, zoals ook de korpsbeheerder in zijn meest recente reactie heeft meegedeeld, ten onrechte de na een aanhouding van een verdachte te volgen procedure niet in acht hebben genomen (zie

Achtergrond

onder 3.).

2.1. Verzoeker klaagt er verder over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord de naam van zijn zoon verkeerd hebben gespeld in het dagrapport.2.2. In reactie op dit klachtonderdeel heeft de beheerder van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord meegedeeld dat verzoekers zoon zelf verantwoordelijk moet worden gehouden voor het feit dat de politie hem aanvankelijk onder de naam Hx had geregistreerd, en niet onder de naam H.2.3. Vast staat dat de verbalisanten op de op 9 april 1995 uitgeschreven kennisgevingen van beschikking, respectievelijk van bekeuring, de achternaam van verzoekers zoon correct hebben geschreven. Kennelijk is er naderhand bij de administratieve verwerking van de kennisgevingen in het dagrapport een spelfout gemaakt, waarbij in plaats van de naam H., de fonetisch identieke naam Hx. werd geregistreerd. Toen verzoeker zich op 11 april 1995 naar het politiebureau begaf, bleek de naam H. onvindbaar in het dagrapport.2.4. Het is een vereiste van administratieve nauwkeurigheid dat een overheidsinstantie bij het invoeren van persoonsgegevens in een computerbestand steeds met de nodige zorgvuldigheid te werk gaat. Hierin is de regiopolitie Noord-Holland Noord te kort geschoten. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.3.1. Verzoeker klaagt er voorts over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord de, samen met de bromfiets inbeslaggenomen, sleutels van zijn zoon hebben zoekgemaakt.3.2. De korpsbeheerder heeft te kennen gegeven dat ambtenaren van zijn regiokorps geen enkele bemoeienis hebben gehad met de sleutels van verzoekers zoon.3.3. Op dit punt staan de lezingen van verzoeker en van de korpsbeheerder lijnrecht tegenover elkaar. Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan een van de verklaringen meer betekenis moet worden toegekend dan aan de andere. De Nationale ombudsman dient zich om die reden op dit punt van een oordeel te onthouden. IV. Ten aanzien van het aanvullend proces-verbaal van 21 maart 19961. Verzoeker klaagt er ten slotte over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord in een aanvullend proces-verbaal de waarde van zijn – ten onrechte – vernietigde bromfiets hadden bepaald op minder dan ƒ 200,-. Verzoeker heeft daaraan

toegevoegd dat deze lage taxatie uitsluitend te maken had met het feit dat (de schadeverzekeraar van) het regionale politiekorps Noord-Holland Noord de schade als gevolg van het ten onrechte vernietigen van de bromfiets moest vergoeden en dat de regiopolitie door middel van deze opzettelijk veel te lage taxatie de eigen bijdrage wilde minimaliseren.2. In reactie op dit klachtonderdeel heeft de beheerder van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord meegedeeld, dat het technisch onderzoek aan de bromfiets van verzoeker had uitgewezen dat aan deze bromfiets een groot aantal relevante onderdelen ontbrak. Op grond van hun ervaring en deskundigheid waren de met het technisch onderzoek van de bromfiets belaste verbalisanten tot de slotsom gekomen dat de sloopwaarde, respectievelijk onderdeelwaarde voor een liefhebber nog geen ƒ 200,- bedroeg, en dat de kosten om de bromfiets in de oorspronkelijke staat te herstellen het tienvoudige daarvan zouden bedragen.3. Verzoeker heeft erkend dat op het moment van de staandehouding op 9 april 1995 een aantal onderdelen aan de bromfiets ontbrak. Hij heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor enige twijfel aan de nauwkeurigheid van de waarneming van de politieambtenaren die op 11 april 1995 het technisch onderzoek van de bromfiets hebben verricht. Verzoeker heeft daarmee zijn suggestie dat het regionale politiekorps Noord-Holland Noord slechts uit eigen belang de waarde van de bromfiets heeft bepaald op het veel te lage bedrag van ƒ 200,-, op geen enkele manier onderbouwd. In die situatie komt aan de lezing van de politie meer gewicht toe dan aan die van verzoeker. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedragingen van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord, die worden aangemerkt als gedragingen van de beheerder van dit korps (de burgemeester van Alkmaar), is niet gegrond, behalve ten aanzien van het op 9 april 1995 tegen verzoekers zoon gebruikte geweld en ten aanzien van het onjuist spellen van de naam van verzoekers zoon in het dagrapport; op die punten is de klacht gegrond. Op het punt van de sleutels van verzoekers zoon wordt geen oordeel gegeven.                                    

Instantie: Regiopolitie Noord-Holland Noord

Klacht:

Handelwijze bij ongeluk zoon verzoeker met bromfiets (geen arts of ambulance gewaarschuwd; niet geholpen bromfiets veilig te stellen; geweld gebruikt; naam zoon verkeerd gespeld; sleutels zoekgemaakt; waarde vernietigde bromfiets te laag bepaald.

Oordeel:

Geen oordeel