1998/363

Rapport
Op 19 maart 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw W. te Leiden, ingediend door mevrouw mr. J. Mons te Leiden, met een klacht over een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden (de burgemeester van Leiden). De klacht werd op 10 april 1997 door een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch voorgelegd aan een stafmedewerkster van de korpsbeheerder met de vraag of in deze zaak een oplossing in het vooruitzicht kon worden gesteld. In reactie hierop deelde deze stafmedewerkster mee dat er problemen waren geweest op het gebied van de ambtelijke ondersteuning van de klachtencommissie, maar dat voor medio mei 1997 een uitspraak op verzoeksters klacht kon worden verwacht. Verzoeksters intermediair liet op 16 mei 1997 telefonisch aan een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman weten nog steeds geen inhoudelijke reactie van de korpsbeheerder te hebben ontvangen. Vervolgens werd naar deze gedraging een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht - aanvankelijk - als volgt geformuleerd:         Verzoekster klaagt erover dat de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden haar klacht van 15 april 1996 over het politieoptreden op 20 december 1995 tot op het moment dat zij zich op 17 maart 1997 tot de Nationale ombudsman wendde, nog niet had afgehandeld. In de loop van het onderzoek werd de klacht als volgt uitgebreid:Verzoekster klaagt er voorts over dat de beheerder van het regionale politiekorps Holland Midden haar klacht over genoemd politieoptreden overwegend ongegrond heeft verklaard.

Achtergrond

Zie BIJLAGE

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. In het kader van het onderzoek werd een getuige telefonisch gehoord.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De korpsbeheerder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoekster gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. De feiten1. Op 20 december 1995 vond een politieoptreden plaats in en bij de woning van verzoekster te Leiden. In samenwerking met medewerkers van de crisisdienst van de Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG) hielden politieambtenaren van het regionale politiekorps Hollands Midden verzoekster in haar woning aan. Daarna werd zij overgebracht naar het politiebureau.2. Naar aanleiding van het optreden van de bij de aanhouding betrokken politieambtenaren diende verzoekster, via haar intermediair, bij brief van 15 april 1996 een klacht in bij de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden. In deze brief deelde verzoeksters intermediair onder meer het volgende mee:"Mevrouw W. heeft op 20-12-1995 een medewerkster van het RIAGG in haar huis bedreigd en vastgehouden. Ze is gearresteerd en in verzekering gesteld. Het proces-verbaal is doorgezonden aan het OM.(...) Mevrouw is lichamelijk gehandicapt; tevens is sprake van psychische problematiek. Mevrouw W. heeft mij het volgende verteld. De medewerkster van het RIAGG waarschuwde vanuit de woning van mevrouw W. de crisisdienst. Twee mensen van deze dienst arriveerden vervolgens bij de woning in gezelschap van twee agenten. Mevrouw W. lag intussen op bed. De medewerkster van het RIAGG opende de voordeur. De voordeur bleef vervolgens al die tijd open staan, zodat de buren konden meegenieten. De crisisdienst stormde naar binnen. Toen even later de telefoon ging en mevrouw W., op dat moment gekalmeerd, wilde opstaan om de telefoon aan te nemen, sprongen de mensen van de crisisdienst bovenop haar. Ze werd geslagen, haar hoofd werd tegen de muur gestoten, haar polsen werden verdraaid. De agenten keken daarbij toe en grepen niet in. Ze was nog in nachtkleding, ze moest mee naar het bureau en moest zich aankleden. De vier mannen van crisisdienst en politie maakten geen aanstalten haar daarbij alleen te laten. Ze hadden zoiets wel eens meer gezien, werd gezegd.

Op dat moment arriveerde een medewerkster van de psychiatrische thuiszorg (bedoeld wordt mevrouw R.; N.o.), die kennelijk ook door het RIAGG was gewaarschuwd. Mevrouw W. heeft een goed contact met haar. Crisisdienst en politie verwijderden zich en de medewerkster hielp mevrouw W. met aankleden. De politie riep dat ze moesten opschieten, ze hadden maar twee minuten. Toen mevrouw W. haar jas wilde aandoen en haar handtas greep, kreeg ze van de politie een duw, werd de tas afgepakt en werden haar handboeien om gedaan. Vervolgens kreeg ze in de centrale hal opnieuw een duw. Op weg naar de politieauto kreeg ze nogmaals een flinke duw, die zo hard aankwam dat ze bijna haar evenwicht verloor. De medewerkster van de thuiszorg was woedend en riep: "ze is geen crimineel, nog zo'n gooi en je kunt meteen de EHBO bellen". De handboeien werden afgedaan. Ze werd bijna in de auto gesmeten. Bij het bureau gekomen kon ze niet meteen uitstappen. Ze zei dat haar benen weigerden. Een van de agenten (met lang haar) vond het toen nodig een "gehandicaptenmop" te vertellen (criminelen die zeggen dat ze gehandicapt zijn en vervolgens hard weglopen). In het bureau moest ze de trap op. Toen ze aangaf dat ze dat niet kon, zeiden de agenten dat ze haar wel wilden dragen. Ze is vervolgens toch zo goed en zo kwaad als dat ging de trap op gestrompeld, waarbij de agenten haar het laatste stuk naar boven sleurden. Ze mocht niet naar de w.c. Ze werd in een koude cel geplaatst. Nadat ze daar een tijdje had gezeten, werd de houding van politiezijde wel menselijk. Ze werd naar een cel met w.c. verplaatst en kreeg dekens. Alleen toen ze de medicijnen die ze via de GGD had gekregen weigerde in te nemen (omdat het een nachtdosering betrof terwijl het ongeveer 19 uur was), ging de arrestantenbewaker nog behoorlijk tegen haar tekeer. Ze kreeg ook pas voor het eerst om ongeveer 18 uur iets te drinken (kopje thee). Overigens werd ze nadien behoorlijk behandeld. Daarna bleek buitengewoon pijnlijk dat het incident in alle kranten en op de kabelkrant werd vermeld, allerminst zo dat geen herkenning mogelijk was: haar leeftijd werd genoemd en de straatnaam. Ze is ook niet adequaat ge nformeerd toen ze de volgende dag belde met de vraag wat er nu verder met de strafzaak tegen haar zou gebeuren. Ze kreeg niet te horen dat haar een advocaat was toegewezen en wie dat was. Ze wilde aangifte doen van het optreden van de crisisdienst. Ze heeft die gelegenheid niet gekregen. Een verklaring van de huisarts over de gevolgen van het optreden van de crisisdienst is bijgevoegd.

Samengevat zijn de klachten:- nodeloos ruw optreden van de politie (duwen, handboeien, omhoog sleuren de trap op, dwingen de trap te gebruiken); - ook overigens grove bejegening (gehandicaptenmop, niet naar de w.c. mogen, uitval bij weigering medicijnen); - werkeloos toekijken bij ruw optreden crisisdienst; - weigering opnemen aangifte tegen medewerkers crisisdienst; - schending privacy (aan pers bekend gemaakte gegevens; open houden van voordeur); - gebrekkige informatie over verder verloop strafzaak en toewijzing advocaat."3. Bij brief van 18 juni 1996 deelde de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden verzoekster mee, dat hij de klacht ongegrond achtte. In zijn brief motiveerde hij zijn beslissing als volgt:"Uit Uw schrijven blijkt mij, dat U namens Uw cli nte klaagt over het optreden van politieambtenaren op 20 december 1995. Met name wordt geklaagd over het:a. nodeloos ruw optreden van de politie (duwen, handboeien, omhoog sleuren de trap op, dwingen de trap te gebruiken); b. grove bejegening (gehandicaptenmop, niet naar de w.c. mogen, uitval bij weigering medicijnen) c. werkeloos toekijken bij ruw optreden crisisdienst; d. weigering opnemen aangifte tegen medewerkers crisisdienst; e. schending privacy (aan pers bekend gemaakte gegevens; open houden van voordeur); f. gebrekkige informatie over verder verloop strafzaak en toewijzing advocaat. Door de klachtenbehandelaar is een onderzoek ingesteld, waarbij het volgende is gebleken. Ad. a en c. Uit de afgelegde verklaringen van de betrokken politieambtenaren en de Riagg-medewerkster is gebleken, dat als eerste de crisis-medewerkers ter plaatse zijn gekomen op het adres T.straat. Bij de komst van de politieambtenaren troffen zij aangeefster, die hen haar verhaal deed. Hierna zagen zij, dat de toegangsdeur open was en zijn naar binnengegaan. Bij binnenkomst zagen zij Uw cli nte in nachtkleding op bed liggen. Toen zij mevrouw W. aanspraken en haar mededeelden, dat zij mee moest naar het bureau, omdat zij als verdachte was aangehouden ter zake vermoedelijke overtreding van artikel 282 (opzettelijke vrijheidsberoving; N.o.), 285 (bedreiging met bepaalde ernstige misdrijven; N.o.), 287 (doodslag; N.o.) in verband met

artikel 45 (poging tot; N.o.) van het Wetboek van strafrecht, begon zij zich verbaal te verweren. Zij weigerde iedere medewerking, bestaande uit het zich niet willen aankleden en het niet willen meegaan. De politieambtenaren hebben niet waargenomen, dat door de betrokken medewerkers van de crisisdienst ruw is opgetreden. Of er van ruw optreden door de medewerkers van de crisisdienst voor hun komst sprake is geweest weten zij niet. Toen Uw cli nte haar medewerking bleef weigeren is door de politieambtenaren haar te kennen gegeven, dat indien zij zich niet wenste aan te kleden, zij in nachtkleding zou worden meegenomen. Met ondersteuning van een medewerkster van de psychiatrische thuiszorg heeft zij zich toen aangekleed. Hierna wilde zij haar handtas pakken. Dit werd haar geweigerd. Nog steeds stelde zij zich weinig co peratief op. Dit leidde er toe, dat de politieambtenaren haar te kennen gaven, dat als zij haar medewerking bleef weigeren zij geboeid zou worden overgebracht naar het bureau. De politieambtenaren gaven te kennen, dat zij zich niet kunnen herinneren, dat er daadwerkelijk handboeien zijn gebruikt. Door een medewerker van het Riagg werd bevestigd, dat er geen handboeien zijn gebruikt. Ook uit documentenonderzoek is hier niet van gebleken. Bij het overbrengen naar de politieauto hebben de politieambtenaren Uw cli nte, die slecht ter been is, ondersteund. Ook tijdens dat overbrengen werkte Uw cli nte niet echt mee. De betrokken politieambtenaren hebben echter geen geweld gebruikt. Ad. a en b. Bij het politiebureau aangekomen, gaf Uw cli nte te kennen, dat zij niet direct uit de auto kon komen, omdat haar benen 'niet wilden'. Er is toen door een van de politieambtenaren een opmerking gemaakt over criminelen, die zeiden slecht te kunnen lopen en er vervolgens als een kievit vandoor gingen. Als verklaring voor deze opmerking gaf hij aan, dat het zijn reactie was op het weinig co peratieve gedrag van Uw cli nte. Het was geenszins zijn bedoeling Uw cli nte te kwetsen. Indien dit wel door Uw cli nte als zodanig is opgevat dan spijt hem dat. Bij het naar binnengaan van het bureau moest noodgedwongen een trap worden beklommen. Hierbij werd zij wederom geholpen door de betrokken politieambtenaren. Beiden verklaren, dat zij op geen enkele wijze de vrouw de trap hebben opgesleurd. In het bureau is zij ingesloten in een ophoudkamer. Ook daar bleef zij eisen stellen en wilde zij niets. Daar zij steeds bleef bellen is hier niet op gereageerd. Na ongeveer een half uur is zij overgebracht naar het cellencomplex en ingesloten.

Er is vervolgens contact en overleg geweest met een GGD-arts. Deze heeft contact en overleg gepleegd met een psychiater van het Riagg. Dit resulteerde in het feit, dat er geen I.B.S.-verklaring (Inbewaringstelling; N.o.) werd afgegeven en dat het verantwoord was, dat Uw cli nte in een cel kon worden opgesloten, zodat de procedure strafrechtelijk kon worden afgehandeld. Uw cli nte gaf aan, dat zij medicijnen gebruikte. Deze medicijnen zijn vervolgens met toestemming van Uw cli nte opgehaald en gecontroleerd door de GGD-arts. Daarnaast schreef de GGD-arts nog medicijnen voor, waardoor Uw cli nte rustig de nacht kon in gaan. Uw cli nte weigerde echter de medicijnen in te nemen. Tevens ging zij verbaal te keer. Hierop is door een van de arrestantenverzorgers met stemverheffing gezegd, dat zij de medicijnen diende in te nemen. Toen zij bleef weigeren is Uw cli nte, terwijl zij nog steeds hevig te keer ging, in een observatiecel geplaatst. Hierna vond de GGD-arts gelet op de psychische toestand van Uw cli nte en haar gebruik van ettelijke medicijnen niet langer verantwoord om haar in te sluiten. Hierop is in overleg met de hulpofficier van justitie besloten het onderzoek van Uw inmiddels in verzekering gestelde cli nte versneld af te ronden en haar naar haar woning te brengen. Ad. d en f. Tijdens het verhoor door de rechercheurs gaf Uw cli nt te kennen aangifte te willen doen tegen de medewerkers van het Riagg, die te veel en onnodig geweld zouden hebben gebruikt, toen zij haar woning binnenkwamen. Hierop is haar te kennen gegeven, dat zij een klacht kon indienen tegen het Riagg bij het Pati ntenplatform om de gang van zaken medisch-tuchtrechtelijk te laten beoordelen. Ook is haar de strafrechtelijke procedure uiteengezet. Dit is door de betrokken rechercheur de volgende dag nogmaals herhaald, toen hij telefonisch contact met haar opnam. Door de klachtenbehandelaar wordt in dit kader opgemerkt, dat Uw cli nte zich half januari 1996 aan het bureau vervoegde. Zij gaf aan een klacht te willen indienen tegen de handelwijze van de politie en aangifte te willen doen tegen de betrokken Riagg-medewerkers. In dat gesprek heeft zij aangegeven, dat de politie in eerste instantie misschien wel wat ruw/onbehouwen tegen haar was opgetreden, maar dat zij daar, gelet op de handelingen, die zij tegenover de Riagg-medewerkster had gepleegd, wel begrip voor op kon brengen. Zij had die dag zeer emotioneel gereageerd. Over het optreden later op de dag was zij tevreden. Uw cli nte is toen gewezen op de mogelijkheid om de handelwijze van de Riagg-medewerkers tuchtrechtelijk te laten toetsen door een

klacht in te dienen bij de Inspecteur van de Volksgezondheid. Daarnaast is haar nogmaals de gang van zaken uitgelegd met betrekking tot het proces-verbaal, dat tegen Uw cli nte is opgemaakt. Zij is toen ook gewezen op de mogelijkheid zich door de raadsman te laten bijstaan, die haar in verband met haar inverzekeringstelling is toegewezen. De naam van de raadsvrouwe is haar een dag na dat gesprek telefonisch medegedeeld. Na afloop van het gesprek gaf Uw cli nte aan af te zien van een klacht tegen de politie en tuchtrechtelijke stappen tegen het Riagg te zullen overwegen. Ad. e. Met betrekking tot de voorlichting aan de pers zijn de gebruikelijke gegevens, zoals leeftijd, geslacht en straatnaam vrijgegeven. Gezien de omvang van de T.straat zijn de verstrekte gegevens niet terug te brengen tot de betrokken persoon. Gezien het klachtenonderzoek acht ik het optreden van de betrokken politieambtenaren correct. Ik ben wel van mening, dat de opmerking, die gemaakt is bij het uitstappen van het politievoertuig achterwege diende te blijven. Uw cli nte is voldoende ingelicht met betrekking tot de procedure, zowel de strafrechtelijke kant als de stappen, die zij kon ondernemen tegen het optreden van de Riagg-medewerkers. Gezien het feit, dat de handelingen van de Riagg-medewerkers werden gepleegd in het kader van de medische behandeling acht ik de advisering door de betrokken politieambtenaren om een klacht in te dienen bij de Inspecteur voor de Volksgezondheid juist, mede omdat strafrechtelijke termen (het opzettelijk pijn of letsel toebrengen) niet aanwezig waren. Daarnaast acht ik met (betrekking tot; N.o.) de berichtgeving aan de pers, dat deze, in het kader van de privacy op de juiste wijze is geschied. Gezien bovenstaande, gehoord de visie van de burgemeester van de gemeente Leiden en de chef van het district Leiden-Voorschoten, acht ik uw klacht op alle punten ongegrond."4. Bij brief van 5 juli 1996 diende verzoeksters intermediair bezwaar in bij de korpsbeheerder tegen diens beslissing. In deze brief deelde zij onder meer het volgende mee:"De afdoening geeft aanleiding tot de volgende reactie. Daarbij volg ik de volgorde van de brief van de korpsbeheerder van 18-6-1996 (verz. 19-6-1996).

Ad a en c. Mevrouw W. handhaaft de volgende stellingen:- De crisisdienst was amper binnen toen de politie volgde. - De politieambtenaren hebben wel waargenomen dat/hoe de crisisdienst ruw optrad; dat optreden gebeurde op het moment dat de telefoon ging en zij van bed wilde komen om die op te nemen. - Ze wilde zich niet aankleden terwijl vier mannen toekeken en zich niet wilden verwijderen. - Ze is wel degelijk geboeid. De boeien werden in de gang omgedaan. Haar armen werden op de rug gelegd. De jas kon amper dicht. De boeien werden afgedaan buiten halverwege het pad naar het trottoir. Onduidelijk is welke RIAGG-medewerker een andere verklaring heeft afgelegd. De medewerkster van de psychiatrische thuiszorg heeft alles gezien en zal anders kunnen verklaren. - Ze is voortdurend tot spoed gemaand, wat ongepast is omdat ze door haar slechte mobiliteit en psychische problematiek beslist niet in staat is haast te maken. - Ze kreeg op weg naar de politieauto driemaal een duw omdat ze niet opschoot. Ook daarvan was de medewerkster psychiatrische thuiszorg getuige. Eenmaal viel ze bijna om. Ze was toen nog geboeid. Ad a en b. Mevrouw W. reageert als volgt. - Waarom 'noodgedwongen' de trap op? Er is toch gewoon een lift in het bureau? Ze meent dat daarvan bij latere verplaatsing ook gebruik is gemaakt. - Opnieuw werd druk uitgeoefend, nl. om de trap sneller op te lopen. 'Anders dragen we je'. Ze werd wel naar boven getrokken toen ze niet opschoot. - Ze mocht ook in de "ophoudkamer", evenals eerder thuis, niet naar de w.c. - In deze ruimte heeft ze niet gebeld. Ze heeft er geen bel gezien. Ze heeft pas later gebeld, toen ze zich in de 'observatiecel' bevond. Ze belde toen voor haar medicijnen. - Ze had goede redenen zich te verzetten tegen de drang de medicijnen te nemen:De pillen waren bestemd voor de nacht, terwijl het ong. 19 uur was. De 'druppel' werd aangeboden in een klein medicijnbekertje met water. De dosering luistert in haar geval heel nauw. Het mag maar n enkele druppel zijn, in een vol glas water.

Ad d en f. Mevrouw W. reageert als volgt. - Ze wilde na het gesprek medio januari 1996 met de klachtambtenaar nadenken over haar verdere opstelling jegens politie en RIAGG. Ze heeft niet bedoeld te zeggen dat ze zou afzien van een klacht tegen de politie. - Ze heeft de inspecteur gezondheidszorg ingeschakeld. Diens klachtbehandeling eindigt binnenkort in een schriftelijk oordeel. Onbekend is nog of het ruwe optreden van de crisisdienst wordt meegenomen. De inspecteur heeft haar voor een eventuele strafklacht verwezen naar de politie. - Ze houdt vast aan haar wens aangifte te doen van mishandeling door de crisisdienst. Ad e. Mevrouw W. heeft ervaren dat de gepubliceerde persoonsgegevens wel op haar waren terug te voeren. Het mag gebruikelijk zijn dit soort gegevens te verstrekken, maar dat is dan een verwerpelijk gebruik. Waarom betracht de politie niet volstrekte anonimiteit? Is sprake van een richtlijn? Slot. Geoordeeld wordt dat de klacht "op alle punten" ongegrond is. Dat is in tegenspraak met de eerdere opmerking dat de "gehandicaptenmop" achterwege diende te blijven". Overigens is mevrouw W. van mening dat het oordeel over het gebruik daarvan te mild uitvalt. Het was een uiterst onbehoorlijke uiting en zo had dat oordeel moeten luiden."5. Bij brief van 1 november 1996, verzonden op 18 november 1996, bevestigde het regionale politiekorps Hollands Midden de ontvangst van verzoeksters brief van 5 juli 1996.6. In reactie op de haar toegestuurde ontvangstbevestiging deelde verzoeksters intermediair de korpsbeheerder bij brief van 28 november 1996 het volgende mee:"Op 29-10-1996 heeft onze secretaresse telefonisch gerappelleerd. Ze kreeg te horen dat vertraging was ontstaan door ziekte van de voorzitter van de commissie en dat een ontvangstbevestiging zou worden verzonden. Op 15-11-1996 heb ik zelf gebeld. Ik heb mevrouw L. (een medewerkster van de klachtencommissie; N.o.) mijn ongenoegen kenbaar gemaakt en aangegeven dat ik, behalve de toegezegde ontvangstbevestiging, nu ook een spoedige afhandeling wilde. Vervolgens

kreeg ik slechts een ontvangstbevestiging, gedateerd 18-11-1996. Ik verzoek u thans om afhandeling van de klacht binnen vier weken na heden. Als dat niet gebeurt wend ik me vervolgens tot de Nationale ombudsman."7. Bij brief van 5 december 1996 nodigde de secretaris van de Klachtencommissie van het regionale politiekorps Hollands Midden, verzoekster en haar intermediair uit voor een gesprek met de klachtencommissie op 13 december 1996.8. Op 13 december 1996 en op 27 januari 1997 vond de mondelinge behandeling plaats van verzoeksters klacht. Op het moment dat verzoeksters intermediair zich op 16 mei 1997 opnieuw tot de Nationale ombudsman wendde, was de behandeling van verzoeksters klacht nog niet afgerond.. Het standpunt van verzoekster1. Het standpunt van verzoekster is weergegeven onder

Klacht

.2. Verzoeksters intermediair bracht in het verzoekschrift aan de Nationale ombudsman het volgende aan de orde:         "Namens mevrouw W. beklaag ik mij over de wijze waarop haar klacht over het optreden van de politie jegens haar tot dusverre is behandeld.          De eerste fase van de klachtbehandeling is voorbij.          Op 571996 heb ik me tot de korpsbeheerder gewend, de tweede fase van deze procedure.          De korpsbeheerder heeft nog altijd niet geoordeeld.          De klacht betreft tot nu toe dus uitsluitend de procedure, namelijk:         Na rappel is pas d.d. 18111996 een ontvangstbevestiging          gezonden.          Op 28111996 heb ik opnieuw gerappelleerd.          Op 13121996 ben ik gehoord door de klachtencommissie.          Op 431997 en op 1131997 heb ik bij het secretariaat van          deze commissie telefonisch gerappelleerd. Men zegde toe dat          mevrouw S., secretaris van de commissie mij uiterlijk 143 zou          terugbellen. Dat is niet gebeurd.". Het standpunt van de korpsbeheerder In zijn reactie op verzoeksters – aanvankelijke - klacht liet de

korpsbeheerder bij brief van 27 juni 1997 weten dat de klachtencommissie van het regionale politiekorps Hollands Midden als gevolg van ziekte van de voorzitter en onvoldoende secretari le ondersteuning grote achterstand had opgelopen bij de afhandeling van bezwaarschriften. Onder leiding van een nieuwe voorzitter en met behulp van een interimsecretaris werd inmiddels een inhaalslag gemaakt. Voorts gaf de korpsbeheerder te kennen, dat hij betreurde dat in april 1997 de toezegging was gedaan dat de zaak op korte termijn zou worden afgerond (zie onder

Klacht

). Deze toezegging was om genoemde redenen in de praktijk niet haalbaar gebleken. Ten slotte deelde de korpsbeheerder mee, dat hij opdracht had gegeven het advies voor 1 augustus 1997 af te ronden, zodat hij snel daarna een beslissing kon nemen.. De reactie van verzoekster1. Bij brief van 5 augustus 1997 zond verzoekster de Nationale ombudsman haar reactie op het standpunt van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden.2. Bij deze brief had verzoekster als bijlage gevoegd de brief van 30 juli 1997 van de korpsbeheerder, waarmee hij verzoeksters bezwaar tegen zijn beslissing op haar klacht van 5 juli 1996 had afgehandeld. In deze brief deelde hij onder meer het volgende mee:"Allereerst bied ik mijn verontschuldiging aan voor de ernstige vertraging die is opgetreden bij de afhandeling van uw bezwaar, als ook voor het feit dat ten onrechte de indruk is gewekt dat deze in de maand mei jl. zou zijn afgerond. De klachtencommissie heeft uw bezwaar behandeld en daarover advies uitgebracht. Met de klachtencommissie ben ik van oordeel dat het bezwaar gegrond is, voorzover het zich richt tegen de misplaatste opmerking van politieambtenaar Be., toen mevrouw W. te kennen gaf dat zij niet in staat was direct uit de politieauto te stappen. Voor het maken van deze opmerking bied ik mijn excuses aan. Op de overige onderdelen, te weten: nodeloos ruw optreden van de politie, grove bejegening, werkeloos toekijken bij ruw optreden crisisdienst, weigering opnemen aangifte tegen medewerkers crisisdienst, schending privacy, gebrekkige informatie over verder verloop strafzaak en over toewijzing advocaat, acht ik het bezwaar ongegrond.

Voor de motivering van mijn beslissing, verwijs ik naar het advies van de klachtencommissie."3. Als bijlage bij de brief van verzoeksters intermediair van 5 augustus 1997 was verder gevoegd het advies van de klachtencommissie van het regionale politiekorps Hollands Midden aan de korpsbeheerder. Het voor dit onderzoek relevante gedeelte van de tekst van dit advies luidt als volgt:"De oorspronkelijke klachten5. Op 20 december 1995 heeft mevrouw W. in haar eigen woning (...) een RIAGG-medewerkster met een mes bedreigd en geruime tijd gegijzeld. Nadat deze medewerkster met toestemming van bezwaarde de RIAGG had gebeld met het verzoek de crisisdienst te waarschuwen, zijn achtereenvolgens twee mannelijke RIAGG-medewerkers en even daarna twee politiemensen binnengekomen. Deze politieambtenaren hebben bezwaarde in haar woning aangehouden en naar het politiebureau overgebracht om te worden verhoord.6. Samengevat verwijt bezwaarde de politie het volgende:- de politieambtenaren hebben werkeloos toegekeken, terwijl de beide mannelijke RIAGG-medewerkers bezwaarde naar haar oordeel ruw en gewelddadig te lijf gingen; - de politieambtenaren zelf zijn nodeloos ruw opgetreden, daarbij bestaande onder meer dat zij bezwaarde herhaald geduwd hebben, haar ruw de handboeien hebben aangelegd, haar ruw in de politieauto duwden en haar bij het politiebureau dwongen via een trap naar binnen te gaan, waarbij ze het laatste gedeelte van de trap haar naar boven hebben gesleurd; - een van deze politieambtenaren heeft haar gekwetst door, toen bezwaarde bij het uitstappen uit de politieauto er aandacht voor vroeg, dat haar benen dienst weigerden, te reageren met te zeggen dat hem dit deed herinneren aan criminelen die zeggen gehandicapt te zijn en vervolgens er hardlopend vandoor gaan; - ze mocht aanvankelijk niet naar de w.c. en toen ze weigerde haar medicijnen in te nemen, ging de arrestantenbewaker tegen haar tekeer; - de privacy van bezwaarde is nodeloos geschonden, doordat aan de pers inlichtingen zijn gegeven over het gebeurde onder vermelding van straatnaam en leeftijd; - de politie heeft geweigerd van bezwaarde aangifte op te nemen tegen het optreden van de crisisdienstmedewerkers van de RIAGG;

- bezwaarde is gebrekkig ge nformeerd over het verdere verloop van de strafzaak tegen haar en de toewijzing van een advocaat. Klachtonderzoek in eerste aanleg7. Bezwaarde, de politieambtenaren B., Be. en de arrestantenverzorger V. zijn door de klachtbehandelaar gehoord. De klachtbehandelaar heeft niet de betreffende RIAGG-medewerkers gehoord. Ook heeft hij geen hoor- en wederhoor toegepast. De klachtbehandelaar zelf heeft half januari 1996 bezwaarde ontvangen, toen zij op het politiebureau klacht wilde doen tegen het gewelddadig optreden van de politie en aangifte wilde doen tegen de RIAGG-medewerkers. Bij die gelegenheid heeft hij bezwaarde gewezen op de mogelijkheid om tegen het handelen van de RIAGG-medewerkers een klacht in te dienen bij de inspecteur voor de Volksgezondheid. Hij heeft haar toen ook uitgelegd welke de strafrechtelijke gang van zaken zou zijn ten vervolge op het tegen haar opgemaakte proces-verbaal en haar gewezen op de mogelijkheid zich door een raadsman te laten bijstaan. Hij verklaart dat bezwaarde hem aan het einde van dit langdurende gesprek heeft gezegd tuchtrechtelijke straffen tegen de RIAGG te overwegen. De districtschef heeft op grond van de rapportage van de klachtbehandelaar als zijn visie aan de korpsbeheerder kenbaar gemaakt, dat het optreden van de politie jegens bezwaarde correct is geweest. De korpsbeheerder heeft de klachten vervolgens ongegrond verklaard. De bezwaren8. Uit het bezwaarschrift en het verhandelde ter zitting blijkt dat de bezwaren inhoudelijk overeenstemmen met de klachten in eerste aanleg, te weten:- nodeloos ruw optreden van de politie (duwen, handboeien, omhoog sleuren de trap op, dwingen de trap te gebruiken, terwijl bezwaarde slecht ter been was); - grove bejegening ('gehandicapten mop', niet naar de w.c. mogen, dwang om medicijnen in te nemen); - werkeloos toekijken bij ruw optreden crisisdienst; - weigering opnemen aangifte tegen medewerkers crisisdienst;

- schending privacy (aan pers bekend gemaakte gegevens, openhouden van voordeur); - gebrekkige informatie over verder verloop strafzaak en over toewijzing advocaat. Bevindingen van de commissie9. Op 20 december 1995 heeft bezwaarde in haar woning een haar bezoekende medewerkster van de RIAGG opgesloten gehouden en meermalen met een broodmes bedreigd. Na geruime tijd heeft bezwaarde de RIAGG-medewerkster toegestaan het crisisteam te bellen. Twee leden van het crisisteam zijn daarop naar bezwaarde's woning gekomen.10. Uit het samenstel van verklaringen van de politieambtenaren B. en Be., en van de bedreigde RIAGG-medewerkster valt niet anders af te leiden dan dat de politieambtenaren er niet bij aanwezig waren toen de leden van het crisisteam de woning van bezwaarde betraden en zich daadwerkelijk met bezwaarde bemoeiden. Het bezwaar dat deze politieambtenaren werkeloos zouden hebben toegekeken bij het ruw optreden van de leden van het crisisteam moet dus worden afgewezen. Dat bezwaarde door de crisisdienst-medewerkers ruw bejegend, zelfs mishandeld volgens bezwaarde, zou zijn valt uit de in het dossier voorhanden gegevens niet af te leiden. Het zich in het dossier bevindende attest van de huisarts X. geeft voor deze bewering al evenmin steun. De op verzoek van bezwaarde gehoorde getuige, mevrouw R. (medewerkster bij het project psychiatrische thuiszorg van GGZ-partners Zuid-Holland Noord te Leiden; N.o.) verklaart dat zij op verzoek van de politie bezwaarde buiten tegenwoordigheid van de politie heeft geholpen met aankleden. Zij verklaart niets gezien te hebben van ruw of grof optreden door de agenten tegen bezwaarde. De beide politieambtenaren relateren wel dat bezwaarde zich aanvankelijk tegen aanhouding en overbrenging naar het bureau verzette, maar ontkennen handboeien gebruikt te hebben. Zij hebben naar hun verklaring er wel mee gedreigd, indien bezwaarde zich bleef verzetten, maar gebruik was niet nodig. Zij verklaren verder bezwaarde te hebben ondersteund op weg naar de auto, omdat bezwaarde slecht ter been was. Ruw optreden bestaande in duwen of andere vormen van geweld ontkennen zij. Het bezwaar op dit punt vindt geen steun in hetgeen uit het dossier blijkt en moet dus worden afgewezen.11. Tegenover de verklaring van bezwaarde dat zij bij het overbrengen naar het bureau nodeloos ruw zou zijn bejegend, doordat zij gedwongen werd de trap te gebruiken en daarbij de trap is opgesleurd, staan de verklaringen van de politieambtenaren, dat zij, juist omdat bezwaarde een trap op moest, haar daarbij hebben geholpen gegeven haar lichamelijke gesteldheid. De klachtbehandelaar heeft er tegenover de commissie op gewezen dat het politiebureau alleen aan de voorkant een lift heeft. De agenten hebben bewust de achterkant willen gebruiken om redenen van privacy-bescherming. Er zijn geen andere getuigen van het gebeurde en dus moet de conclusie zijn, dat van onvoldoende feiten is gebleken, die het bezwaar op dit punt ondersteunen. Ook op dit punt moet het bezwaar daarom worden afgewezen.12. Aangekomen bij het politiebureau en uitgenodigd om uit te stappen, heeft bezwaarde er aandacht voor gevraagd dat zij niet direct kon uitstappen, omdat haar benen weigerden. De politieambtenaar Be. heeft in reactie daarop gememoreerd dat hem dit deed denken aan criminelen, die zeggen slecht te kunnen lopen en er vervolgens als een kievit vandoor gaan. Bezwaarde voelde zich hierdoor gekwetst. De betreffende politieambtenaar heeft verklaard dat dit niet zijn bedoeling was en dat het hem speet. Op dit onderdeel acht de commissie het bezwaar gegrond. Bezwaarde was kenbaar slecht ter been en een dergelijke reactie zoals hiervoor vermeld is dan misplaatst.13. Behalve de verklaring van bezwaarde zelf is er geen gegeven gebleken dat uitwijst dat bezwaarde in de "ophoudkamer" van het politiebureau niet naar de w.c. mocht. Voor wat betreft de medicijnen moet worden vastgesteld dat de politie met machtiging van bezwaarde de medicijnen, die zij regelmatig gebruikte, uit haar woning heeft opgehaald, dat een GGD-arts is gewaarschuwd, die haar naast deze medicijnen een rustgevend middel heeft voorgeschreven na overleg met een RIAGG- psychiater die eveneens met bezwaarde op het bureau heeft gesproken. Toen bezwaarde bleef weigeren medicijnen in te nemen, heeft de arrestantenverzorger haar krachtig toegesproken. Daarop is opnieuw de GGD-arts geconsulteerd en gehoord. Op zijn advies is bezwaarde in de avonduren per politieauto naar huis teruggebracht.

Dat er op het politiebureau onheus of onjuist tegen bezwaarde zou zijn opgetreden moet in het licht van dit alles onaannemelijk heten. Het bezwaar tegen het optreden van de politie nadat bezwaarde op het politiebureau was aangekomen, acht de commissie ongegrond.14. Voor wat betreft de weigering om aangifte op te nemen tegen de medewerkers van de crisisdienst merkt de commissie het volgende op. De klachtbehandelaar in eerste aanleg heeft ook tegenover de commissie verklaard dat hij in het gesprek met bezwaarde half januari haar geargumenteerd heeft geadviseerd geen aangifte te doen maar een klacht in te dienen bij de inspecteur voor de Volksgezondheid. Bezwaarde zou gezegd hebben dit advies te volgen en af te zien van het doen van aangifte. De commissie stelt vast, dat de verklaringen van bezwaarde en de klachtbehandelaar op dit punt tegenstrijdig zijn. Omdat aanvullende informatie ontbreekt, moet de conclusie zijn, dat het bezwaar geen steun vindt in de feiten en daarom afgewezen moet worden.15. Ditzelfde geldt voor het verwijt van gebrekkige informatie over wat strafrechtelijk het te verwachten vervolg zou zijn op het tegen bezwaarde opgemaakte proces-verbaal en de toewijzing van een advocaat. De gedetailleerde verklaringen van de klachtbehandelaar zijn tegengesteld aan die van bezwaarde en er zijn geen getuigen.16. Blijft over het bezwaar dat de privacy van bezwaarde onnodig zou zijn geschonden. Allereerst verdient hierbij aandacht bezwaarde's stelling dat de voordeur van haar woning zou zijn blijven openstaan tijdens het handelen van crisisdienst en politie. De getuige mevrouw R. verklaart dat de deur van de woning openstond toen zij aankwam. Ze werd direct aangesproken door een in de hal staande psychiater. De politieambtenaren verklaren dat, toen zij bij de woning kwamen, de voordeur op een kier stond. Er blijkt uit niets dat derden buiten de deur aanwezig waren. Het vermelden van initialen, leeftijd, woonplaats en straat van een inverzekeringgestelde in het register dat ter inzage ligt voor de pers is een gebruikelijke procedure. Indien dit tot herkenning leidt is dat voor betrokkene onaangenaam.

Zolang dit algemeen beleid blijft, kan niet gezegd worden dat het tegenover bezwaarde een onnodig schenden van de privacy betekent, in elk geval niet in die zin dat daarvan de betreffende uitvoerende politiefunctionaris een verwijt kan worden gemaakt. Ook op dit punt acht de commissie de klacht ongegrond. Advies aan de korpsbeheerder17. Geadviseerd wordt het bezwaar tegen de uitlating van de politieambtenaar Be. gegrond en de overige bezwaren ongegrond te verklaren.18. Voorts wordt geadviseerd te doen overwegen of de gebruikelijke procedure van vermelden van initialen, leeftijd, woonplaats en straatnaam de toets van de (privacy) kritiek afdoende kan doorstaan."4. In reactie op het standpunt van de korpsbeheerder en het advies van de klachtencommissie aan de korpsbeheerder deelde verzoeksters intermediair onder meer het volgende mee:"U zond mij d.d. 30-7-1997 een kopie-brief d.d. 27-6-1997 namens de korpsbeheerder aan u met een uitleg waarom vertraging was ontstaan. U vroeg mij binnen drie weken te reageren. Intussen heb ik het oordeel van de korpsbeheerder en het advies van de klachtencommissie met brief d.d. 30-7-1997 ontvangen en besproken met mevrouw W. Namens mevrouw W. verzoek ik u in de eerste plaats om beoordeling van de klacht over de lange behandelingsduur. Natuurlijk bestaat begrip voor capaciteitsproblemen. Maar begrip kan pas ontstaan als de klager deze problemen kent. In de fase v r de hoorzitting van de klachtencommissie heb ik al diverse malen moeten rappelleren, zelfs om alleen maar een ontvangstbevestiging te krijgen. Ik ben nooit op enig moment spontaan over vertraging en reden daarvan ingelicht. De klachtencommissie zag op de hoorzitting terecht aanleiding excuus te maken voor de vertraging en ik had dan ook niet anders verwacht dan dat het oordeel nadien vlot zou volgen. De commissie heeft wel gewag gemaakt van capaciteitsproblemen, maar er niet bij gezegd dat die kennelijk nog lang niet waren opgelost. Opnieuw volgde een lange periode van stilzwijgen en moest ik degene zijn die maar eens ging informeren naar de afhandeling. Vervolgens werden beloften van het secretariaat van de commissie dat ik zou worden teruggebeld, niet nagekomen. Toen heb ik me dus tot u gewend.

Daarna worden dan nog eens toezeggingen die mij via u bereikten niet nagekomen. Mijn oordeel mag duidelijk zijn: ik vind het schandelijk dat elementaire fatsoensregels zo aan de laars worden gelapt, wat des te schrijnender is nu het hier een klachtprocedure betreft. In de tweede plaats verzoek ik u namens mevrouw W. om beoordeling van de volgende klachten over het oordeel van korpsbeheerder en commissie:1. Handboeien en duwen tussen huis en straat. Ik waardeer dat mevrouw R. is gehoord. Helaas is haar verklaring slechts in een enkele, algemeen geformuleerde, zinsnede in het advies van de commissie weergegeven. Mevrouw W. houdt stellig vol dat haar handboeien zijn omgedaan. Dat is gebeurd in de gang van haar huis en de boeien werden op straat, bij de politieauto weer afgedaan. Haar handen werden achterop de rug geboeid. Terwijl ze geboeid was, kreeg ze onderweg naar de auto nog tweemaal een duw. Ze loopt zeer moeilijk en verloor bij dat duwen bijna haar evenwicht. Dat duwen heeft volgens haar een verontwaardigde reactie van mevrouw R. uitgelokt, die boos naar de politie riep dat ze geen crimineel was en dat ze bij nog zo'n duw wel meteen de EHBO konden bellen. Ik vind in het advies van de commissie niet terug dat mevrouw R. heeft ontkend dat de handboeien zijn gebruikt en dat is geduwd of het moest zijn de algemene zinsnede 'zij verklaart niets gezien te hebben van ruw of grof optreden door de agenten tegen bezwaarde.' Mevrouw W. hoopt dat via u alsnog duidelijk wordt dat wel handboeien zijn gebruikt en is geduwd en verzoekt u voor dat geval om uw oordeel.2. Privacy-persinfo. De commissie stelt vast dat gehandeld is conform het beleid, zodat een individuele functionaris geen verwijt treft. De commissie adviseert te doen overwegen of de gebruikelijke procedure de kritiek afdoende kan doorstaan. Ik vind daarover niets terug in het oordeel van de korpsbeheerder. De klacht op dit punt is dat het blijkbaar beleid is initialen, leeftijd, woonplaats en straat te publiceren en dat er geen aanwijzing is dat dit beleid wordt heroverwogen. (...) Voor de overige klachten geldt niet dat ze zijn ingetrokken, maar wel dat mevrouw W. inziet dat bij gebrek aan getuigen u zich toch van een oordeel zou moeten onthouden.

De korpsbeheerder is met de commissie van mening dat de klacht over de "gehandicaptenmop" van de heer Be. gegrond is. Ik verzoek u ten aanzien van de gegrondheid van deze klacht en bij gegrondverklaring van de hierboven aan uw oordeel onderworpen klachten zich tevens uit te laten over de vraag of u vindt dat een vergoeding van immateri le schade aan de orde is.". Uitbreiding van het onderzoek1. Naar aanleiding van de reactie van verzoeksters intermediair bij brief van 5 augustus 1997 besloot de Nationale ombudsman bij brief van 14 november 1997 het onderzoek uit te breiden met het onder

Klacht

aangegeven tweede klachtonderdeel.2. Tevens stelde de Nationale ombudsman de korpsbeheerder de volgende vragen:"Ik verzoek u om in uw reactie in te gaan op punt 11 van het advies van 25 juli 1997 van de klachtencommissie Politie Hollands Midden. Hierin werd gesteld dat uit privacyoverwegingen werd besloten verzoekster het politiebureau door een achteringang te laten betreden. Kunt u aangeven waarom uit privacyoverwegingen hiertoe werd besloten, terwijl anderzijds gegevens over verzoekster ter beschikking van de media werden gesteld. Ook vraag ik u in te gaan op punt 18 van het advies.". De reactie van de korpsbeheerder Bij brief van 19 november 1997 reageerde de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden op verzoeksters reactie en op de uitbreiding van het onderzoek en de gestelde vragen.1. In zijn brief deelde de korpsbeheerder onder meer het volgende mee:"Het politiebureau te Leiden heeft een hoofdingang en een achteringang. Bij beide ingangen bevindt zich een trap van enige treden. De achteringang geeft direct toegang tot het voor het publiek gesloten deel. De hoofdingang geeft toegang voor het publiek. Hier wordt het bezoekende publiek, dat informatie wil, aangifte komt doen en de vreemdelingendienst wil bezoeken ontvangen. Bij deze ingang bevindt zich in de regel een hoeveelheid publiek. Bij het binnenbrengen van een arrestant door deze ingang moet men of tussen of kort langs het publiek. Om problemen te voorkomen en ter afscherming van de arrestant wordt gekozen voor het binnenbrengen van een arrestant aan de achterzijde.

Ik acht het derhalve juist, dat de betrokken politieambtenaren mevrouw W. aan de achterzijde hebben binnengebracht. Binnen het korps is de Persregeling Politie Hollands Midden van kracht. Conform deze regeling werd op 21 december 1995 een persbericht door de afdeling voorlichting van het district Leiden-Voorschoten uitgebracht. Uitgangspunt is steeds bij het uitbrengen van een dergelijk persbericht, dat dit niet te herleiden is tot personen. Ook in dit geval is dat gebeurd. De initialen van klaagster zijn niet vermeld en het noemen van de T.straat geeft een indicatie waar klaagster woont, doch is dermate groot, dat het bericht niet tot klaagster is te herleiden (zie pagina 4, ad e van mijn schrijven van 15 april 1996, (...). Van het advies van de klachtencommissie heb ik kennisgenomen. Het heeft er niet toe geleid, dat ik de reeds bestaande persregeling Politie Hollands Midden heb gewijzigd. Ik acht de klacht van klaagster op alle punten ongegrond met uitzondering van de door de betrokken ambtenaar Be. gemaakte opmerking bij het uit de dienstauto stappen van klaagster. Op dit punt acht ik de klacht gegrond."2. Bij de brief van de korpsbeheerder waren 29 bijlagen gevoegd.2.1. Bijlage 4 is een rapportage van 5 juni 1996 van de districtschef Leiden-Voorschoten aan de korpschef. Deze rapportage vond plaats in het kader van de eerste fase van de behandeling van verzoeksters klacht door het regiokorps Hollands Midden. In deze rapportage werd de visie van de betrokken ambtenaren B., Be., en V., als volgt weergegeven:"B. en Be. werden omstreeks 13.00 uur door de meldkamer naar perceel T.straat gestuurd, waar een vrouw een Riagg-medewerkster onder bedreiging van een mes gegijzeld hield. Ter plaatse aangekomen troffen zij buiten het pand een vrouw aan, die kort tevoren gegijzeld was gehouden maar inmiddels door twee van haar collega's was bevrijd. Haar collega's waren nog bij de vrouw binnen. Toen de collega's door de toegangsdeur, die open stond, het pand binnen gingen, zagen zij een vrouw in nachtkleding op een bed liggen. Toen zij deze vrouw aanspraken en haar vertelden, dat ze mee moest naar het politiebureau begon de vrouw zich verbaal te verweren. Zij weigerde alle medewerking. Zij wilde zich niet aankleden, wilde niet mee, kortom, zij wilde niets. Van ruw optreden door mensen van het Riagg was op dat moment absoluut geen sprake. Hiertoe was ook geen enkele aanleiding. Of er voordien door de Riagg-medewerkers ruw was

opgetreden, weten de agenten niet. Dit hebben zij in ieder geval niet gezien. Intussen was ook een medewerkster van de psychiatrische thuiszorg ter plaatse gekomen. Toen de vrouw medewerking bleef weigeren, werd door de agenten gedreigd haar dan zo, dus in nachtkleding, mee te nemen naar het bureau, waarna zij zich uiteindelijk aankleedde. Vervolgens wilde zij weer eerst een handtas pakken. Dit werd haar geweigerd. Ook toen stelde zij zich zo weinig co peratief op, dat de agenten dreigden haar in de handboeien mee te nemen, als zij niet rustig mee zou gaan. Voor zover zij zich dat nog kunnen herinneren, hebben zij echter geen gebruik gemaakt van de handboeien. In het aanhoudingsproces-verbaal wordt ook niets van handboeiengebruik vermeld. Ook de Riagg-verpleger, de heer Vl. kan zich niets herinneren van eventueel gebruik van handboeien. Bij het overbrengen naar de politieauto hebben de agenten de vrouw, die ook lichamelijk gehandicapt is en slecht loopt, ondersteund. Ook tijdens het overbrengen werkte de vrouw niet echt mee, maar gelet op het postuur van de vrouw en haar lichamelijke gesteldheid, was het niet nodig echt geweld toe te passen. Bij het politiebureau aangekomen, gaf de vrouw te kennen, dat zij niet direct uit de auto kon komen, omdat haar benen "niet wilden". Er is toen door de agent Be. inderdaad een opmerking gemaakt over criminelen, die zeiden slecht te kunnen lopen en er vervolgens als een kievit vandoor gingen. Deze opmerking maakte hij als reactie op het weinig co peratieve gedrag van de vrouw en niet met de bedoeling haar te kwetsen. Indien dit wel als zodanig door haar is opgevat, zegt hij dit te betreuren. Bij het naar binnen gaan moest de vrouw noodgedwongen een trap beklimmen. Hierbij hebben de agenten haar in verband met haar handicap geholpen. Van de trap op sleuren is volgens de betrokken agenten absoluut geen sprake geweest. In het bureau is zij in een ophoudkamer geplaatst. Hier eiste zij van alles en moest zij van alles en wilde niets. Er is toen uiteindelijk een tijd lang niet gereageerd op het bellen van haar. Na ongeveer een half uur is zij geplaatst in het cellencomplex. De politie heeft vervolgens getracht de zaak via een psychiater af te handelen en de vrouw eventueel met een I.B.S. op te laten nemen. De in verband met de psychische toestand, waarin de vrouw verkeerde, gewaarschuwde G.G.D.-arts heeft het Riagg geraadpleegd. De door deze dienst gestuurde arts achtte het afgeven van een I.B.S.-verklaring niet noodzakelijk. Deze arts achtte het verantwoord de vrouw in een cel op te sluiten, zodat de zaak justitieel afgedaan kon worden. De vrouw gaf aan, dat zij medicijnen gebruikte, die door het Riagg waren voorgeschreven. Deze medicijnen zijn vervolgens door

de politie vanuit haar woning opgehaald en door de G.G.D.-arts gecontroleerd. Tevens schreef deze arts haar nog medicijnen voor, waardoor ze rustig de nacht in kon gaan. De vrouw echter weigerde de door het Riagg en de G.G.D.-arts voorgeschreven medicijnen in te nemen. Ook ging de vrouw verbaal zeer te keer. Er is toen door een van de arrestantenverzorgers inderdaad met enige stemverheffing tegen haar gezegd, de medicijnen in te nemen. Toen zij dit weigerde, werd zij, terwijl zij hevig te keer ging, in een observatiecel geplaatst. De G.G.D.-arts vond, gelet op de psychische toestand van de vrouw, haar lichamelijke handicap en haar gebruik van ettelijke medicijnen, het echter onverantwoord de vrouw voor de nacht in een politiecel in te sluiten. In overleg met de dienstdoend hulpofficier van Justitie en de G.G.D.-arts is uiteindelijk besloten de vrouw, die inmiddels in verband met het verstrijken van de tijd in verzekering was gesteld, af te horen en naar haar woning over te brengen. Dit vond uiteindelijk plaats om 21.05 uur. Tijdens het verhoor door de rechercheurs gaf zij steeds te kennen, dat zij aangifte wilde doen tegen de medewerkers van het Riagg, die veel te veel en onnodig geweld zouden hebben gebruikt, toen zij haar woning binnenkwamen. Door de behandelend rechercheur is toen op de mogelijkheid gewezen een klacht tegen het Riagg in te dienen bij het Pati ntenplatform om deze gang van zaken medisch-tuchtrechtelijk te laten beoordelen. Dit heeft de betrokken rechercheur de volgende dag, toen zij telefonisch weer contact met hem opnam, herhaald. Tevens heeft hij haar toen (nogmaals) de strafrechtelijke procedure uitgelegd."2.2. Bijlage 12 is een op 21 december 1995 door het regiokorps Hollands Midden uitgegeven persbericht. Hierin werd onder meer het volgende meegedeeld:"GEWELD Een 43-jarige, psychisch in de war zijnde vrouw, heeft op woensdag 20 december 1995 een haar bezoekende 34-jarige medewerkster van het RIAGG gegijzeld. Dat vond plaats in de woning van de vrouw aan de T.straat (In het persbericht werd deze naam voluit geschreven; N.o.). De RIAGG-medewerkster bezocht omstreeks 12.00 uur, ingevolge een gemaakte afspraak, de cli nt in haar woning. Daar bedreigde de 43-jarige pati nte haar hulpverleenster met een groot broodmes en wist haar op deze manier gedurende een uur wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven. Op een gegeven moment wist ze collega's van het RIAGG telefonisch in te lichten en werd de politie gealarmeerd.

De 43-jarige vrouw is daarop aangehouden. In overleg met een arts en de officier van justitie is de vrouw in verband met haar geestelijke toestand na verhoor vrijgelaten.". De telefonisch afgelegde verklaring van getuige R. Op donderdag 4 december 1997 legde mevrouw R., medewerkster van het project psychiatrische thuiszorg van GGZ-partners ZuidHolland Noord te Leiden, telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, de volgende verklaring af:         "Ik was op 20 december 1995 werkzaam op het kantoor van de RIAGG te Leiden. Dit bevindt zich op zo'n 500 meter van de woning van mevrouw W. Op een gegeven moment kregen wij een signaal dat een van de medewerkers van de RIAGG in die woning in de problemen was geraakt. Omdat op dat moment niet duidelijk was of zich al andere medewerkers van de Riagg ter assistentie ter plaatse hadden vervoegd, ben ik direct naar de woning gegaan.          Ik trof daar mevrouw W. aan en de politie. Mevrouw W. liep op dat moment nog in nachtkleding. Ik heb toen voorgesteld haar te helpen bij het aankleden. Mevrouw ging daarmee akkoord. Ook de ter plaatse aanwezige politiemedewerkers gingen daarmee akkoord.          De politiemedewerkers hebben ons daarop alleen gelaten in de slaapkamer. Zij hebben niet van een afstand staan toekijken. Ik herinner me dat, omdat ik de opstelling van de politiemedewerkers toen, in die al met al toch hectische situatie, als bijzonder correct ervoer. Ik vond de handelwijze van de politie op dat moment heel netjes.          Toen mevrouw even later door de politie uit de woning werd gevoerd, zijn haar volgens mij geen handboeien aangedaan. Ik heb wat betreft het politieoptreden in het geheel geen verontrustende dingen waargenomen.                   Ik ben een hele tijd later op het politiebureau in Leiderdorp geweest. Ik ben toen gehoord in het kader van een klachtprocedure.". Nadere reactie van verzoekster Via haar intermediair reageerde verzoekster bij brief van 5 februari 1998, op de haar toegestuurde verklaring van getuige R. en de reactie van de korpsbeheerder. Hierin deelde zij onder meer het volgende mee:•         Σπιτιγισδατδεμεδεωερκστερϖανδεπσψχηιατρισχηετηυισζοργζιχηβλικβααρνιετσηεριννερτϖανρυωεβεεγενινγενγεβρυικηανδβοειεν •        

ΔευιτπριϖαχψοϖερωεγινγενγεβρυικτεαχητερινγανγϖανηετπολιτιεβυρεαυβιεδτκεννελικγεεντοεγανγτοτδελιφτΑλσαανμεϖρουωΩωασγεϖρααγδωααραανζιδεϖοορκευργαφδανηαδζεγεκοζενϖοοργεβρυικϖανδεϖοορινγανγμεττοεγανγτοτδελιφτ •         Volgens de regeling voor het verstrekken van informatie aan de pers wordt de plaatsnaam vermeld, niet de straatnaam zoals is gebeurd. Juist door vermelding van de straatnaam heeft menigeen mevrouw W. uit de krantenberichten herkend, namelijk haar huishoudelijke hulp, haar toenmalige maatschappelijk werkster van het Academisch Ziekenhuis en verder, aldus mevrouw W., 'de halve straat'. Intussen weten dus veel mensen door de wijze van berichtgeving van de politie, die in strijd is met eigen beleidslijn, geheel onnodig wat is gebeurd, een ernstige aantasting van haar privacy. •         In de brief van de korpsbeheerder aan u d.d. 21-11-1997 wordt m.i. ten onrechte niet gereageerd op de kwestie van de lange behandelingsduur.". Nadere reactie van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands MiddenEen medewerker van de korpsbeheerder deelde een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman op 19 februari 1998 telefonisch mee, dat de korpsbeheerder niet op de brief van verzoekster van 5 februari 1998 wenste te reageren.

Beoordeling

. Ten aanzien van de behandelingsduur1. Verzoekster diende op 15 april 1996 bij het regionale politiekorps Hollands Midden een klacht in over politieoptreden jegens haar op 20 december 1995.2. Bij brief van 18 juni 1996 verklaarde de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden verzoeksters klacht ongegrond, op n punt na.3. Verzoekster diende bij brief van 5 juli 1996 bezwaar in tegen de (manier van) afdoening van haar klacht door de korpsbeheerder (zie

Achtergrond

onder 1). Bij brief van 1 november 1996, verzonden op 18 november 1996, bevestigde de ambtelijk secretaris van de klachtencommissie van het regionale politiekorps Hollands Midden de ontvangst van verzoeksters brief van 5 juli 1996.

4. Bij brief van 17 maart 1997 heeft verzoekster er bij de Nationale ombudsman over geklaagd dat de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden haar klacht op dat moment nog niet had afgehandeld.5. In reactie op de klacht deelde de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden mee, dat de afhandeling van verzoeksters klacht enerzijds vertraging had opgelopen door langdurige ziekte van de voorzitter van de klachtencommissie, en anderzijds door onvoldoende secretari le ondersteuning van de klachtencommissie.6. Artikel 33, tweede lid, van de klachtenregeling politieregio Hollands Midden biedt de politie een termijn van maximaal tien weken voor de behandeling van een bezwaarschrift tegen de afdoening van een klacht (zie

Achtergrond

onder 2). Uitgaande van de indiening van het bezwaarschrift op 5 juli 1996 liep de behandelingstermijn van verzoeksters bezwaarschrift af op 13 september 1996. Gebleken is dat de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden op 30 juli 1997 zijn beslissing op het bezwaarschrift heeft gegeven. Dat is ruim tien maanden te laat. De door de korpsbeheerder genoemde redenen voor de ontstane vertraging – langdurige ziekte van de voorzitter van de klachtencommissie en onvoldoende secretari le ondersteuning van de klachtencommissie - kunnen overschrijding van de voorgeschreven termijn verklaren, maar een zo ruime overschrijding niet rechtvaardigen. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk. II. Ten aanzien van de beslissing van de korpsbeheerder1. Verzoekster klaagt er verder over dat de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden haar klacht over het politieoptreden van 20 december 1995 overwegend ongegrond heeft verklaard.2. De korpsbeheerder heeft zijn beslissing ter zake gebaseerd op het advies van de klachtencommissie van 25 juli 1997.3. In zijn algemeenheid is er voor een beheerder van een regionaal politiekorps geen reden om in zijn beslissing op een klacht nader te motiveren waarom hij het advies van een Commissie voor Politieklachten volgt, indien hij zich kan verenigen met een aan hem gericht advies van de commissie, het onderzoek volledig is geweest en de aan het advies ten grondslag liggende motivering duidelijk en

volledig is (zie

Achtergrond

onder 3). Dit ligt anders als er sprake is van een onduidelijke of onvolledige motivering van het advies, of indien de aan het advies ten grondslag liggende motivering de beslissing niet kan dragen. Als de korpsbeheerder in dat geval het advies overneemt, dient hij in zijn conclusie het advies te verduidelijken of aan te vullen (zie in dit verband ook artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht [Awb];

Achtergrond

onder 4).4. De klachtencommissie heeft het onderzoek naar aanleiding van verzoeksters klacht op zes punten toegespitst, te weten:•         νοδελοοσρυωοπτρεδενϖανδεπολιτιεδυωενηανδβοειενομηοογσλευρενδετραποπδωινγενδετραπτεγεβρυικεντερωιλϖερζοεκστερσλεχηττερβεενωασ •         γροϖεβεεγενινγγεηανδιχαπτενμοπνιετνααρδεωχμογενδωανγομμεδιχινενιντενεμεν •         ωερκελοοστοεκικενβιρυωοπτρεδενχρισισδιενστ •         ωειγερινγοπνεμεναανγιφτετεγενμεδεωερκερσχρισισδιενστ •         σχηενδινγπριϖαχψαανπερσβεκενδγεμαακτεγεγεϖενσοπενηουδενϖανδεϖοορδευρ •         γεβρεκκιγεινφορματιεοϖερϖερδερϖερλοοπστραφζαακενοϖερτοεωιζινγαδϖοχαατ ΔεκλαχητενχομμισσιεηαδδεκορπσβεηεερδεργεαδϖισεερδδεκλαχητοϖερδεοπμερκινγϖανεενϖανδεβετροκκενπολιτιεαμβτεναρενοϖερϖερζοεκστεραλσγεηανδιχαπτεγεγρονδτεϖερκλαρενενδεοϖεριγεκλαχητενονγεγρονδτεϖερκλαρενΔεκορπσβεηεερδερηεεφτχονφορμδιταδϖιεσβεσλιστ Τεναανζιενϖανηετοπτρεδεν Δεκλαχητενχομμισσιεηεεφτγεχονχλυδεερδδατνιετισκομενϖασττεσταανδατϖερζοεκστερδοορδεβετροκενπολιτιεαμβτεναρενισγεδυωδ ΔεκλαχητενχομμισσιεηεεφτοπϖερζοεκϖανϖερζοεκστερμεϖρουωΡαλσγετυιγεγεηοορδΜεϖρουωΡωασβετροκκενβιδεαφηανδελινγϖανηετϖοορϖαλινϖερζοεκστερσωονινγ ΜεϖρουωΡηεεφττεγενοϖερδεχομμισσιεϖερκλααρδνιετστεηεββενγεζιενϖανρυωοφγροφοπτρεδενϖανδεπολιτιετεγενϖερζοεκστερΤεγενοϖερδεμεδεωερκερϖανηετΒυρεαυΝατιοναλεομβυδσμανηεεφτζιδεζελεζινγβεϖεστιγδΓελετοπδεϖερκλαρινγϖανμεϖρουωΡωασεργεενρεδενϖοορδεκορπσβεηεερδερομδεχομμισσιεοπδιτπυντνιετινηααραδϖιεστεϖολγεν ΔεκλαχητενχομμισσιεηεεφτγεχονχλυδεερδδατϖερζοεκστερβιηετυιτηααρωονινγϖοερεννιετισγεβοειδΓετυιγεΡηεεφτοπδιτ

πυντϖερκλααρδδατϖολγενσηααρϖερζοεκστεργεενηανδβοειενζιναανγελεγδΔααρμεεωασερνεταλστεναανζιενϖανηετπυντονδεροοκοπδιτπυντγεενρεδενϖοορδεκορπσβεηεερδερομδεχομμισσιενιεττεϖολγεν ΜετβετρεκκινγτοτδεμανιερωααροπϖερζοεκστερηετπολιτιεβυρεαυωερδβιννενγεϖοερδηεεφτδεκλαχητενχομμισσιεοπγεμερκτδατδεϖερκλαρινγϖανϖερζοεκστερτεγενοϖερδεϖερκλαρινγενϖανδεβετροκκενπολιτιεαμβτεναρενσταατΔεκλαχητενχομμισσιεηεεφτοοκοπγεμερκτδατεργεενγετυιγενϖανηετγεβευρδεωαρενΖιηεεφτϖερϖολγενσγεχονχλυδεερδδατϖανονϖολδοενδεφειτενισγεβλεκενδιεηετβεζωααροπδιτπυντονδερστευνενζοδατζιηετβεζωααραφωεεσΔεκορπσβεηεερδερηεεφτδααροποοκδιτγεδεελτεϖανϖερζοεκστερσκλαχητονγεγρονδϖερκλααρδ ΔεκορπσβεηεερδερκανηιεριννιετωορδενγεϖολγδΥιτηετονδερζοεκϖανδεχομμισσιεωαρενγεενφειτενοφομστανδιγηεδεννααρϖορενγεκομενοπγρονδωααρϖανδεϖερκλαρινγϖανϖερζοεκστερμινδερααννεμελικμοεστωορδενγεαχητδανδιεϖανδεβετροκκενπολιτιεαμβτεναρενΔεκορπσβεηεερδερηαδζιχηοπδιτπυντδανοοκϖανεενοορδεελμοετενοντηουδεν Ινζοϖερρεισδεονδερζοχητεγεδραγινγϖανδεκορπσβεηεερδερνιετβεηοορλικ Τεναανζιενϖανδεβεεγενινγ ΔεκορπσβεηεερδερηεεφτινναϖολγινγϖανηεταδϖιεσϖανδεχομμισσιεϖερζοεκστερσκλαχητοϖερδεδοορπολιτιεαμβτενααρΒεγεμαακτεοπμερκινγτερεχητγεγρονδϖερκλααρδςαστσταατδατϖερζοεκστερσλεχηττερβεενωασΗετμακενϖανεενκεννελικαλσγραπβεδοελδεοπμερκινγωασινδατϖερβανδκωετσενδϖοορϖερζοεκστερεννιετινοϖερεενστεμμινγμετδεπροφεσσιοναλιτειτδιεϖανεενπολιτιεαμβτενααρμοχητωορδενϖερωαχητ ΜετβετρεκκινγτοτϖερζοεκστερσκλαχητδατπολιτιεαμβτεναρενηααρνιετηαδδεντοεγεσταανγεβρυικτεμακενϖανεεντοιλετηεεφτϖερζοεκστερζελφαανγεϖοερδδατζιαανϖανκελικινεενχελωασγεπλαατστωααρινγεεντοιλεταανωεζιγωασμααρδατζιναενιγετιδωερδοϖεργεπλαατστνααρεενανδερεχελωααρινζιχηωελεεντοιλετβεϖονδΔεκλαχητισοπδιτπυντδανοοκτερεχητνιετγεγρονδϖερκλααρδ Μετβετρεκκινγτοτϖερζοεκστερσκλαχητδατεενπολιτιεαμβτενααρτεγενηααρισυιτγεϖαλλεντοενζιωειγερδεομμεδιχινενιντενεμενηεεφτδεκλαχητενχομμισσιεγεχονστατεερδδατπολιτιεαμβτεναρενμεττοεστεμμινγϖανϖερζοεκστερβεπααλδεοπδατμομεντδοορηααρβενοδιγδεμεδιχινενβιηααρτηυισηεββενοπγεηααλδ

ΟμδατζιδεηααρϖερϖολγενσϖερστρεκτεδοσιστεγροοταχηττεωειγερδεϖερζοεκστερηετμεδιχινιντενεμενΔατ⌈⌈νϖανδεβετροκκενπολιτιεαμβτεναρενδααροπγε|ρριτεερδηεεφτγερεαγεερδϖαλτωελλιχηττεβετρευρενμααρισγεζιενδεμοειτεδιεδεπολιτιεηαδγεδαανομδεμεδιχινεντεκυννενϖερστρεκκεννιετζοδανιγονυιστδατδεγεδραγινγοπδιτπυνταλσνιετβεηοορλικδιενττεωορδενγεκωαλιφιχεερδ Δατδευιτϖαλϖανδεβετροκκενπολιτιεαμβτενααρδεγρενζενϖανηετβεταμελικεοϖερσχηρεεδισνιετγεστελδνοχηανδερσζινσγεβλεκεν Μετβετρεκκινγτοτδεβεεγενινγϖανϖερζοεκστερωορδτγεοορδεελδδατδεκορπσβεηεερδερινρεδελικηειδτοτζινβεσλισσινγηεεφτκυννενκομεν Δεονδερζοχητεγεδραγινγισινζοϖερρεβεηοορλικ Τεναανζιενϖανηετωερκελοοστοεκικεν ΔεκλαχητενχομμισσιεηεεφτϖαστγεστελδδατδεβετροκκενπολιτιεαμβτεναρενβιδεωονινγϖανϖερζοεκστερζινϖερσχηενεντοενδεμεδεωερκερσϖανδεΡΙΑΓΓχρισισδιενστδααραλωαρενΔεκλαχητενχομμισσιεηεεφττεϖενσϖαστγεστελδδατδεβετροκκενπολιτιεαμβτεναρενγεενρυωοπτρεδενϖανδεΡΙΑΓΓμεδεωερκερσηεββενωααργενομεν ςερζοεκστερηεεφτγεενφειτενοφομστανδιγηεδεναανγεϖοερδδιεαανλειδινγζουδενκυννενγεϖενϖοορτωιφελαανδευιστηειδϖανδε χονστατερινγϖανδεκλαχητενχομμισσιεΙνδατϖερβανδωορδτνογοπγεμερκτδατγετυιγεΡινηααρϖερκλαρινγνιετσηεεφτγεζεγδοϖερηετοπτρεδενϖανδεμεδεωερκερσϖανδεΡΙΑΓΓχρισισδιενστενδατζιμετβετρεκκινγτοτηετοπτρεδενϖανδεβετροκκενπολιτιεαμβτεναρενστελτδατζιγεενϖεροντρυστενδεδινγενηεεφτωααργενομεν Οοκμετβετρεκκινγτοτδιτασπεχτϖανϖερζοεκστερσκλαχητμοετωορδενγεοορδεελδδατδεκορπσβεηεερδερινρεδελικηειδτοτζινβεσλισσινγηεεφτκυννενκομεν Ινζοϖερρεισδεονδερζοχητεγεδραγινγεϖενεενσβεηοορλικ Τεναανζιενϖανηετνιετοπνεμενϖανδεαανγιφτε ΔεκλαχητενχομμισσιεηεεφτϖαστγεστελδδατδεκλαχητβεηανδελααρινεερστεαανλεγμεδιοανυαριεενγεσπρεκηεεφτγεηαδμετϖερζοεκστερενδατηιηααρτοενηεεφταανγεραδενγεεναανγιφτετεδοεντεγενδεμεδεωερκερσϖανδεΡΙΑΓΓχρισισδιενστμααρινπλαατσδααρϖανεενκλαχηττεγενηενιντεδιενενβιδεινσπεχτευρϖοορδεςολκσγεζονδηειδςερζοεκστερζουδιταδϖιεσηεββενγεαχχεπτεερδ Δεκλαχητενχομμισσιεηεεφτϖαστγεστελδδατδεϖερκλαρινγϖανϖερζοεκστερενδεϖερκλαρινγϖανδεκλαχητβεηανδελααροπδιτπυντ

τεγενοϖερελκααρστααντερωιλαανϖυλλενδεινφορματιεοντβρεεκτΙνδιεσιτυατιεηαδδεκορπσβεηεερδερζιχηοπδιτκλαχητονδερδεελϖανεενοορδεελμοετενοντηουδεν Οπδιτπυντισδεονδερζοχητεγεδραγινγνιετβεηοορλικ Τεναανζιενϖανδεσχηενδινγϖανϖερζοεκστερσπριϖαχψ Οπηετπυντϖανδεπερσϖερκλαρινγηεεφτδεκλαχητενχομμισσιεγεχονστατεερδδατηετϖερμελδενινηετϖοορδεπερστοεγανκελικερεγιστερϖανινιτιαλενλεεφτιδωοονπλαατσενστραατϖανεενινϖερζεκερινγγεστελδεεενγεβρυικελικεπροχεδυρεισ ΙνρεαχτιεοπδιτονδερδεελϖανδεδοορϖερζοεκστερβιδεΝατιο ναλεομβυδσμανινγεδιενδεκλαχητηεεφτδεβεηεερδερϖανηετρεγιοναλεπολιτιεκορπσΗολλανδσΜιδδεναανγεϖοερδδατβιννενηετκορπσδεΠερσρεγελινγΠολιτιεΗολλανδσΜιδδενϖανκραχητισενδατδεινηουδϖανηετπερσβεριχητινοϖερεενστεμμινγωασμετδεϖοορσχηριφτενϖανδιερεγελινγΗετπερσβεριχητβεϖαττεγεενινιτιαλεντερωιληετνοεμενϖανδεστραατωααρϖερζοεκστερωοοντσλεχητσεενινδιχατιεγαφωααρζιωοοντΟμδατδεβετρεφφενδεστραατλανγισωασδεινφορματιενααρηετοορδεελϖανδεκορπσβεηεερδερνιεττοτϖερζοεκστερτεηερλειδενγεωεεστ In reactie hierop heeft verzoekster gesteld dat de verstrekte informatie wel degelijk tot haar was te herleiden en dat diverse personen in haar omgeving haar uit de krantenberichten hadden herkend. Vast staat dat het op 21 december 1995 door de het regionale politiekorps Hollands Midden, afdeling voorlichting van het district Leiden-Voorschoten, uitgegeven persbericht informatie bevat over de leeftijd van verzoekster en over de straat waar zij woont. Artikel 4B van de Persregeling politie Hollands Midden bepaalt onder meer dat van een verdachte alleen het geslacht, de leeftijd en de woonplaats mogen worden vermeld (zie

Achtergrond

onder 5.). Anders dan de korpsbeheerder is de Nationale ombudsman van oordeel dat voor het begrip woonplaats aansluiting moet worden gezocht bij Van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal, waarin het begrip woonplaats wordt omschreven als: stad of dorp waarin men woont (zie

Achtergrond

onder 6.). Door in het persbericht ook te vermelden in welke straat verzoekster woont, heeft het regionale politiekorps Hollands Midden onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid dat verzoekster zou worden herkend door derden in haar directe woon- en/of werkomgeving, en heeft zij de op dit punt toepasselijke richtlijn (zie

Achtergrond

onder 7) alsmede de eigen Persregeling niet correct gehanteerd. Dat de korpsbeheerder verzoeksters klacht op dit punt ongegrond heeft verklaard is dan ook niet juist. Op dit punt is de onderzochte gedraging eveneens niet behoorlijk. 4.5.2. Ten aanzien van het geopend houden van verzoeksters voordeur op het moment dat politieambtenaren en medewerkers van de RIAGG-crisisdienst in de woning waren, heeft de klachtencommissie geconstateerd dat zowel getuige R. als ook de betrokken politieambtenaren bij aankomst bij de woning van verzoekster een openstaande voordeur hebben aangetroffen. Nu verzoekster de stelling van de korpsbeheerder dat de deur slechts op een kier stond, niet heeft weersproken, wordt ervan uitgegaan dat verzoekster door de openstaande deur niet in haar privacy is geschaad. Gelet daarop heeft de korpsbeheerder op dit punt in redelijkheid de klacht niet gegrond kunnen verklaren. Op dit punt is de onderzochte gedraging behoorlijk.4.6. Ten aanzien van de gebrekkige voorlichting Ook op dit punt heeft de klachtencommissie geconstateerd dat de verklaring van verzoekster lijnrecht staat tegenover de – gedetailleerde - verklaring van de klachtbehandelaar, terwijl geen aanvullende informatie voor handen was. Ook op dit punt had de korpsbeheerder zich daarom van een oordeel moeten onthouden. In zoverre is de onderzochte gedraging eveneens niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden (de burgemeester van Leiden), is gegrond, behalve ten aanzien van de beslissing over de klacht over het ruw optreden door de betrokken politieambtenaren, het aanbrengen van handboeien, het geen gebruik laten maken van de wc, het werkeloos toekijken, het geopend houden van de voordeur en de uitval naar verzoekster; op die punten is de klacht niet gegrond.                                    

BIJLAGE

Achtergrond

1. De tekst van artikel 29 van de Klachtenregeling Politie Hollands Midden luidt, voor zover in dit verband relevant:         "1. De klager kan bij de korpsbeheerder schriftelijk, geargumenteerd, bezwaar maken tegen de beslissing over de gegrondheid van de klacht, dan wel bezwaar maken over de wijze van klachtbehandeling.          (...)          3. De korpsbeheerder laat zich adviseren door de klachten          commissie."2. De tekst van artikel 33 van de Klachtenregeling Politie Hollands Midden luidt, voor zover in dit verband relevant:         "1. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de klager, de burgemeester en de hoofdofficier van justitie van het advies van de klachtencommissie en de daarop door de korpsbeheerder genomen beslissing op de hoogte wordt gebracht.          2. De totale procedure vanaf het moment van binnenkomen van het bezwaar tot afronding duurt niet langer dan tien weken."3. In rapport 90/258 van 27 april 1990 overwoog de Nationale ombudsman onder meer dat er voor de burgemeester geen reden is in zijn beslissing op de klacht nader te motiveren waarom hij het advies van de Commissie voor de politieklachten volgt, indien hij zich kan verenigen met een aan hem gericht advies van de Commissie, het onderzoek volledig is geweest en de aan het advies ten grondslag liggende motivering duidelijk en volledig is geweest. Dit ligt anders als er sprake is van een onduidelijke of onvolledige motivering van het advies of indien de aan het advies ten grondslag liggende motivering de beslissing niet kan dragen. Als de burgemeester in dat geval het advies overneemt, dient hij in zijn conclusie het advies te verduidelijken of aan te vullen. In het geval dat hij het advies van de Commissie niet opvolgt, dient hij zijn eigen oordeel te motiveren en aan te geven waarom hij het advies niet opvolgt.4. De tekst van artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht luidt als volgt:"Ter motivering van een beschikking of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en

het advies ter kennis van de belanghebbenden is of wordt gebracht."5. De tekst van artikel 4B van de Persregeling politie Hollands Midden luidt – voor zover hier relevant – als volgt:                  "De politie dient zeer terughoudend te zijn met het verstrekken van personalia van personen die bij een onderzoek betrokken zijn. Aan het begrip 'verdachte' dient bijzondere betekenis te worden geschonken. Bij mededelingen over de aard van een tegen een verdachte gerezen verdenking zal steeds tot uitdrukking moeten komen dat het gaat om verdenkingen en/of vermoedens. De indruk dat het om een definitief oordeel zou gaan dient altijd te worden vermeden. In Hollands Midden hanteren wij hierbij de volgende werkwijze:•         Ζοωελϖανϖερδαχητεναλσγετυιγεναλλεενϖερμελδεν γεσλαχητλεεφτιδενωοονπλαατσ •         Γεενναμενοφινιτιαλενϖερμελδεν ςανΔαλεγροοτωοορδενβοεκδερΝεδερλανδσετααλτωααλφδεδρυκπαγιναβεσχηριφτηετβεγριπωοονπλαατσαλσϖολγτ δορποφσταδωααρινμενωοοντ7. Op 16 augustus 1990 werden door de procureursgeneraal bij de gerechtshoven "Richtlijnen informatieverstrekking en voorlichting door politie en openbaar ministerie aan de media in en over strafzaken" vastgelegd. Deze richtlijnen (gepubliceerd in de Staatscourant van 21 augustus 1990, nummer 161; - voorzover in dit verband aan de orde - laatstelijk gewijzigd op 6 mei 1992, gepubliceerd in de Staatscourant van 6 mei 1992, nummer 86) komen nagenoeg volledig tegemoet aan de ter zake door de Nationale ombudsman gedane aanbevelingen (zie in dit verband ook Jaarverslag Nationale ombudsman 1990, blz. 177179). In de richtlijnen staan onder meer de volgende criteria genoemd waarmee rekening dient te worden gehouden bij de wijze waarop de informatie wordt verstrekt. In het algemeen behoren overheidsorganen bij de informatieverschaffing aan de media een zo groot mogelijke openheid te betrachten. De informatieverschaffing door met name politie en justitie is evenwel aan een aantal beperkingen gebonden:"...Bij de verstrekking van informatie door politie en openbaar ministerie over opsporing en vervolging van strafbare feiten in

individuele zaken spelen echter ook andere, tegengestelde, belangen een rol. Hierbij dient vooral gedacht te worden aan het belang van de richtige opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de bij de zaak betrokken personen. Daarbij gaat het niet alleen om de privacybescherming van de verdachte, maar ook en zeker niet in de laatste plaats om de privacybescherming van slachtoffers, nabestaanden, getuigen en aangevers. Dit betekent dat telkens voorafgaande aan de informatieverstrekking een belangenafweging behoort plaats te vinden of en in hoeverre in een bepaalde zaak al dan niet uit eigen beweging informatie aan de media kan worden verstrekt en op welke wijze dit dient te geschieden." Met het oog op deze belangenafweging worden in richtlijn onder meer de volgende algemene gedragslijnen geformuleerd:         " In het belang van een richtige opsporing en vervolging van strafbare feiten, wordt aan de media geen informatie verstrekt over voorgenomen opsporingshandelingen in individuele strafzaken.          Bij informatieverstrekking en voorlichting aan de media door de politie en het openbaar ministerie dient de vereiste objectiviteit van de berichtgeving steeds te worden gehandhaafd, en dient deze gekenmerkt te worden door een zakelijke toonzetting.         De mededelingen dienen te berusten op de uit het desbetreffende strafrechtelijk onderzoek gebleken feiten en hieraan mogen geen op enigerlei wijze als (strafrechtelijk) kwalificerend te beschouwen conclusies worden verbonden.          Informatie ten aanzien van de bij een strafzaak betrokken personen dient geen kwalificaties in te houden inzake persoonlijke of functionele omstandigheden, tenzij is gebleken dat er een duidelijke relatie is tussen die omstandigheden en het gepleegde feit. (...)          Met betrekking tot het verstrekken van persoonsgegevens van de verdachte dient het belang van openbaarheid te worden afgewogen tegen de omstandigheid of het verstrekken van de personalia ertoe kan leiden dat de verdachte door vermelding van initialen, en/of leeftijd, en/of beroep, en/of woonomgeving, gemakkelijk herkenbaar wordt in de woon/werkomgeving. Houdt de informatieverstrekking dit risico in, dan wordt dit achterwege gelaten, tenzij sprake is van een (reeds) zo bekende verdachte dat bescherming van de persoonlijke levenssfeer in redelijkheid niet te verzekeren valt.          (...)          Aan de media dient geen informatie te worden verstrekt over strafprocessuele beslissingen waarmee de verdachte zelf nog niet bekend is."

Instantie: Regiopolitie Hollands Midden

Klacht:

Trage behandeling van klacht; klacht overwegend ongegrond verklaard door politie.

Oordeel:

Niet gegrond