1998/297

Rapport
Op 29 april 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw M. te Rosmalen, met een klacht over een gedraging van het arrondissementsparket te 's-Hertogenbosch. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:         Verzoekster klaagt erover dat het arrondissementsparket te 'sHertogenbosch op 9 oktober 1996 een aantal voorwerpen, die onder haar echtgenoot (met wie zij op huwelijkse voorwaarden is gehuwd) in beslag waren genomen, heeft teruggegeven aan de curator in het faillissement van haar echtgenoot, zonder de nodige naspeuringen te doen naar de civielrechtelijk rechthebbende op die voorwerpen. ACHTERGROND1. Artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) bepaalt – voor zover hier van belang - dat voorwerpen inbeslaggenomen kunnen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een op te leggen geldboete.2. Artikel 116, eerste lid Sv. bepaalt dat een inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggegeven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen, zodra het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave. In de volgende leden van genoemd artikel zijn enige uitzonderingen opgenomen. Zo kan het openbaar ministerie – onder bepaalde voorwaarden – het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen over en weer de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd de Minister een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van verzoekster gaf geen aanleiding het verslag aan te vullen. De Minister van Justitie gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. De feiten 1. Op 3 september 1996 gaf de rechter-commissaris bij de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch een machtiging af tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen de echtgenoot van verzoekster. Op 10 september 1996 gaf de officier van justitie bevel tot inbeslagneming ex artikel 94a Sv. Diezelfde dag vond een huiszoeking plaats op het adres van verzoekster en haar echtgenoot, waarbij een groot aantal goederen werd inbeslaggenomen.2. Op 3 maart 1997 ontving verzoekster uit handen van de politie Brabant Noord twee colliers, een horloge en een ring, die tijdens de huiszoeking waren inbeslaggenomen.3.1. Op 4 maart 1997 wendde de advocaat van verzoeksters echtgenoot zich tot de officier van justitie met het volgende:"...Door u zijn de navolgende zaken aan de curator van mijn cli nt afgegeven: Cartier horloge, alle papieren van de echtgenote van mijn cli nt, een TV-toestel met ge ntegreerde video merk Samsung, een auto, merk Alfa Romeo (...), de trouwfilm van mijn cli nt, zijn paspoort alsmede een bedrag van Bfr 600.000 welke aangetroffen zijn in een kluisje bij de VSB-bank. Ik stel mij op het standpunt dat u deze zaken, welke in eigendom toebehoren aan de echtgenote van mijn cli nt, ten onrechte aan zijn curator (...) heeft "teruggegeven". Nu de curator niet wenst over te gaan tot het ter hand stellen van de eerder genoemde roerende zaken aan de echtgenote van mijn cli nt, verzoek ik u er bij de curator op aan te dringen dat hij overgaat tot afgifte van deze zaken..."3.2. Op 12 maart 1997 vulde de advocaat deze brief nog aan met een aantal zaken die volgens zijn cli nt eveneens op onjuiste gronden aan de curator waren afgegeven.4. Bij brief van 17 april 1997 antwoordde de officier van justitie dat de genoemde goederen onder verdachte T. (verzoeksters echtgenoot) waren inbeslaggenomen. Uit diens verklaringen terzake het beslag bleek niet dat de goederen aan een ander dan aan hem toebehoorden. Derhalve achtte hij teruggave aan de beslagene (in casu de curator van T.) een juiste beslissing.

B. Het standpunt van verzoekster Het standpunt van verzoekster staat samengevat weergegeven onder

Klacht

. In haar verzoekschrift deelde zij onder meer het volgende mee. Op 22 juli 1993 was zij op huwelijkse voorwaarden gehuwd met T. Op 13 oktober 1993 was het faillissement van haar man uitgesproken. In april 1994 was het faillissement van verzoekster uitgesproken, dat in juni 1995 werd opgeheven. Als inbeslaggenomen en aan de curator van haar man teruggegeven goederen die aan haar toebehoorden, noemde verzoekster een dames horloge Cartier, een paspoort, een doos met papieren en rekeningen op haar naam, een personenauto merk Alfa Romeo, een Samsung televisie, sleutels en een trouwfilm.. Het standpunt van de Minister 1. De Minister reageerde bij brief van 29 september 1997 op de klacht. Zij deelde onder meer het volgende mee:"Voor de feitelijke toedracht verwijs ik naar bijgevoegde kopie van het ambtsbericht van de wnd. fgd. hoofdofficier te 'sHertogenbosch d.d. 20 augustus 1997. Ter aanvulling op dit ambtsbericht bericht ik u nog het volgende. Het Wetboek van Strafvordering dwingt de officier van justitie niet tot een diepgaand onderzoek naar de eigendomsrechtelijke verhoudingen rond een inbeslaggenomen voorwerp. De reden waarom geen naspeuringen naar de civielrechtelijk rechthebbende is verricht, is de volgende. Omdat mevrouw M. (verzoekster) noch haar echtgenoot gemeld heeft dat zij op huwelijkse voorwaarden gehuwd zijn (in tegenstelling tot een andere verdachte in dezelfde zaak) was de officier van justitie in de veronderstelling dat zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren en dat het derhalve niet van belang was of mevrouw M. of haar echtgenoot civielrechtelijke rechthebbende was, aangezien in beide gevallen de inbeslaggenomen goederen in de boedel zouden vallen. Het College (van procureurs-generaal; N.o.) acht de klacht over het arrondissementsparket ongegrond. In Nederland is het gangbaar dat personen in gemeenschap van goederen huwen. De officier van justitie had geen indicatie dat betrokkenen in casu niet gehuwd waren in gemeenschap van goederen. Ook al omdat een andere verdachte uitdrukkelijk kenbaar had gemaakt niet in gemeenschap van goederen maar op huwelijkse voorwaarden te zijn gehuwd. Voor de officier van justitie bestond naar het oordeel van het College dan ook niet de verplichting uit eigen beweging te onderzoeken of een verdachte op huwelijkse voorwaarden is getrouwd. Met dit standpunt kan ik mij verenigen."

2. Het ambtsbericht van de (waarnemend) hoofdofficier van justitie, waarnaar de Minister verwees, houdt onder meer in:"Uit het dossier (...) blijkt dat op vordering van de officier van justitie van 22 juli 1996 door de rechter-commissaris een gerechtelijk vooronderzoek is geopend tegen T. Op 3 september 1996 heeft rechter-commissaris S. een machtiging afgegeven tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen T. Officier van justitie mr W. heeft op 10 september 1996 mondeling bevel gegeven tot inbeslagneming ex artikel 94a Wetboek van Strafvordering ten laste van T. tot een maximum van 500.000 gulden. Dezelfde dag is door bovengenomede rechter-commissaris ter inbeslagneming huiszoeking verricht in de woning van T. In opdracht van de officier van justitie is tijdens de huiszoeking conservatoir beslag gelegd op een personenauto merk Alfa Romeo (...) en de bij deze auto behorende contactsleutels en kentekenbewijs, audioapparatuur waaronder een televisie merk Samsung (...), contant geld en sieraden. Bij de huiszoeking zijn ook kluissleutels aangetroffen, die volgens de verklaring van de echtgenote van T., mevrouw M., aan haar moeder toebehoorden. Deze stelde de kluissleutels vrijwillig ter beschikking. Uit de verklaring van de moeder bleek dat zij sinds ongeveer drie maanden een kluis had bij de Nutsspaarbank te 's-Hertogenbosch en dat haar dochter hiervoor ook gemachtigd was. Er zou momenteel niets in de kluis liggen. In de kluis werd echter een bedrag van Bfr. 600.000 aangetroffen waarop eveneens conservatoir beslag is gelegd. De officier van justitie heeft beslist dat een aantal van voornoemde voorwerpen dienden te worden teruggegeven aan de verdachte T., in deze vertegenwoordigd door zijn curator mr H. Op 9 oktober 1996 heeft mr H. onder meer een personenauto merk Alfa Romeo (...), een televisie merk Samsung (...) en een geldbedrag van 600.000 Belgische franks in ontvangst genomen. De curator heeft echter (...) geen dameshorloge van het merk Cartier, een paspoort, een doos met papieren en rekeningen, sleutels en een trouwfilm ontvangen (de woorden paspoort en sleutels zijn handmatig onderstreept en in de marge staat "wel" bijgeschreven; N.o.). Op het dameshorloge van het merk Cartier is op 10 september 1996 conservatoir beslag gelegd. Het horloge wordt in afwachting van een nadere beslissing van de officier van justitie bewaard in het bureau van politie (...). Op de overige goederen, met uitzondering van de door mevrouw M. genoemde trouwfilm, rust nog beslag. Van elke inbeslagneming is

een kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt(...) Voor zover bekend is er geen trouwfilm in beslag genomen. Uit het ten tijde van de beslissing van de officier van justitie tot teruggave van voornoemde goederen beschikbare proces-verbaal blijkt niet dat de auto, het televisietoestel of het geld aan een ander dan T. zouden toebehoren. Ik acht de beslissing tot teruggave aan beslagene T., in deze vertegenwoordigd door zijn curator, dan ook correct.". De reactie van verzoekster1. Verzoekster reageerde bij brief van 9 oktober 1997 op de verstrekte inlichtingen. Volgens haar was justitie wel op de hoogte van het feit dat zij en haar echtgenoot op huwelijkse voorwaarden waren gehuwd. In geval van een huwelijk in gemeenschap van goederen zouden volgens verzoekster immers alle juwelen aan de curator zijn afgegeven. Zij deelde in dit verband mee dat tijdens de huiszoeking de kluis, waarin zich afschriften bevonden van de akte van huwelijkse voorwaarden helemaal was leeggehaald. De originele akte was teruggelegd samen met het testament. Zowel verzoekster als haar man hadden gemeld dat bepaalde zaken niet aan haar man toebehoorden; over de auto was door verzoekster en haar man gemeld dat deze betaald was met geld dat door verzoekster was ontvangen.2.1. In een aanvullende nadere reactie van 13 oktober 1997 gaf verzoekster aan dat het er haar vooral om ging dat de spullen uit huis waren meegenomen toen zij thuis was, dat dan ook alles in de oude staat had moeten worden teruggebracht en dat zij dan alles in ontvangst had kunnen nemen.2.2. Uit een bijgevoegd stuk bleek dat de curator in het faillissement van de echtgenoot van verzoekster inmiddels het paspoort van verzoekster aan haar had toegestuurd.2.3. Bij deze nadere reactie was voorts onder meer een proces-verbaal van verhoor van verzoeksters echtgenoot gevoegd, dat was opgemaakt door ambtenaren van de regiopolitie Brabant-Noord en door hen was gesloten op 10 september 1996. Daarin was de volgend passage aangestreept, naar verzoekster in de marge had geschreven: door justitie. "Mijn vrouw heeft tot 01 augustus 1996 ook een uitkering gehad. Deze uitkering kwam van de DETAM. Als nabetaling heeft mijn vrouw ruim fl.20.000,-- ontvangen van de DETAM. Hiervan is de auto gekocht, merk ALFA (...). Deze auto staat op naam van mijn zwager (...). Deze auto heb ik gekocht bij de firma (...), en contant betaald. Deze auto staat op naam van mijn zwager omdat ik geen auto mag hebben als ik een uitkering krijg. De auto is dus betaald van het geld wat mijn vrouw van de DETAM heeft ontvangen."

3. Bij brief van 30 oktober 1997 deelde verzoekster onder meer nog mee dat inmiddels was gebleken dat de akte van huwelijkse voorwaarden niet meer in de kluis lag en dat deze dus toch tussen de papieren moest zitten die ze (lees: het arrondissementsparket) allemaal hadden.. Nadere inlichtingen van de Minister De Nationale ombudsman vroeg de Minister bij brief van 3 november 1997 om nadere inlichtingen. Zij antwoordde bij brief van 17 december 1997, waarin zij verwees naar de bijgevoegde kopie van het ambtsbericht van 18 november 1997 van de hoofdofficier van justitie te 'sHertogenbosch. Dat ambtsbericht houdt onder meer het volgende in:"De sieraden zijn op verzoek van (...) de raadsman van de heer T. aan mevrouw M. afgegeven. De raadsman heeft overigens in zijn briefwisseling met de officier van justitie over de teruggave van de sieraden niet aangegeven dat zijn cli nt op huwelijkse voorwaarden was gehuwd. (...) Het paspoort (van verzoekster; N.o.) is met ongeveer dertig andere inbeslaggenomen goederen (waaronder ook sleutels en een trouwfilm) teruggeven aan degene bij wie de goederen waren inbeslaggenomen, in casu de heer T. Gezien het zeer grote aantal inbeslaggenomen goederen is ervoor gekozen om de goederen terug te geven aan degene bij wie ze zijn inbeslaggenomen. De officier van justitie is hierbij van uitgegaan dat de heer T. en mevrouw M. in gemeenschap van goederen gehuwd waren en dat de goederen in dezelfde boedel zouden vallen. (...) Voor zover is na te gaan zijn er geen kopie n van de akte van huwelijkse voorwaarden in beslag genomen. Zoals reeds eerder is aangegeven was de officier van justitie in de veronderstelling dat de heer T. en mevrouw M. in gemeenschap van goederen gehuwd waren en dat derhalve niet van belang was of mevrouw M. of haar echtgenoot civielrechtelijk rechthebbende was, aangezien in beide gevallen de inbeslaggenomen goederen in de boedel zouden vallen."2. Bij het antwoord van de Minister waren onder meer kopie n van de beslissingen van de officier van justitie tot teruggave van een aantal sieraden en een horloge aan verzoekster, respectievelijk teruggave van een aantal inbeslaggenomen zaken, waaronder verzoeksters paspoort en een videoband aan de verdachte T., "in deze vertegenwoordigd door de curator Mr. H." gevoegd. Uit de – eveneens bijgevoegde - ontvangstbevestiging van de videoband blijkt dat het ging om een video van de bruiloft van de heer T.

Beoordeling

1. Op 10 september 1996 vond een huiszoeking plaats in het huis van verzoekster en haar echtgenoot, in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen de echtgenoot. Daarbij werd een groot aantal goederen in beslag genomen, waaronder een auto, een Samsung-televisie en sieraden. De officier van justitie besliste dat een aantal goederen diende te worden teruggegeven aan de echtgenoot van verzoekster, in dezen vertegenwoordigd door de in zijn faillissement benoemde curator. Op 9 oktober 1996 nam de curator de genoemde goederen in ontvangst.2. Verzoekster klaagt erover dat de goederen zijn teruggegeven aan de curator, zonder dat de nodige naspeuringen waren gedaan naar de civielrechtelijk rechthebbende op die voorwerpen. Volgens verzoekster, die op huwelijkse voorwaarden is gehuwd, behoorden bedoelde goederen haar toe.3. Hoofdregel is dat inbeslaggenomen goederen worden teruggeven aan degene onder wie ze in beslag genomen zijn. In uitzonderingsgevallen kan het openbaar ministerie voorwerpen – onder bepaalde voorwaarden - doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, namelijk aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De bepalingen in het Wetboek van Strafvordering dwingen de officier van justitie echter niet tot een diepgaand onderzoek naar eigendomsrechtelijke verhoudingen rond een in beslag genomen voorwerp.4. De Minister van Justitie heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Omdat verzoekster noch haar echtgenoot had gemeld dat zij op huwelijkse voorwaarden waren gehuwd, was de officier van justitie in de veronderstelling geweest dat zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd, zodat de goederen in de boedel zouden vallen. De Minister voegde hier nog aan toe dat het in Nederland gangbaar is dat personen in gemeenschap van goederen huwen. 5. Daargelaten de vraag of het in Nederland bij personen met een eigen bedrijf gangbaar is dat zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, is in het kader van de onderhavige beslissing tot teruggave van een aantal inbeslaggenomen goederen aan de curator van verzoeker het volgende van belang. Gesteld noch gebleken is dat de officier van justitie er tijdens het beslag door of namens verzoekster of haar echtgenoot op is gewezen dat er sprake was van huwelijkse voorwaarden en dat volgens de bepalingen van die voorwaarden een aantal inbeslaggenomen goederen tot het priv -vermogen van verzoekster behoorde. Verzoekster heeft in dit verband gewezen op de verklaring over de auto die haar echtgenoot blijkens het proces-verbaal van 10 september 1994 heeft afgelegd. Die verklaring wijst er echter

niet zozeer op dat de auto tot het priv -vermogen van verzoekster behoorde, maar is veeleer te beschouwen als een verklaring voor de beschikbaarheid van financi le middelen om de auto aan te schaffen en voor het op naam van een ander staan van de auto. Verder zijn volgens verzoekster (kopie n) van de akte van huwelijkse voorwaarden in beslag genomen. Daarnaar gevraagd, is van de zijde van het arrondissementsparket te 's-Hertogenbosch echter te kennen gegeven dat hiervan niet blijkt uit de lijst van inbeslaggenomen goederen. Derhalve moet worden aangenomen dat - zo bedoelde stukken in beslag zijn genomen - dit niet kenbaar was aan de officier van justitie.6. Uitgaande van deze gegevens is de Nationale ombudsman van oordeel dat de officier van justitie, op grond van artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering, kon beslissen om de goederen terug te geven aan de beslagene, die in dezen werd vertegenwoordigd door zijn curator. De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket te 's-Hertogenbosch, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is niet gegrond.                            De Nationale ombudsman,

Instantie: arrondissementsparket 's-Hertogenbosch

Klacht:

Van echtgenoot in beslag genomen voorwerpen teruggegeven aan curator faillissement echtgenoot zonder voldoende uitgezocht te hebben wie de rechthebbende is.

Oordeel:

Niet gegrond