1998/206

Rapport
Op 14 januari 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer B. te Kerkrade met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Limburg-Noord. Naar een deel van deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Limburg-Noord (de burgemeester van Venlo), werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt over het optreden van ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg-Noord bij en na zijn aanhouding op 23 februari 1996. Met name klaagt hij erover dat de ambtenaren:         disproportioneel geweld tegen hem hebben gebruikt bij de aanhouding;          hem geboeid in de politiecel hebben laten verblijven. Daarnaast klaagt hij erover dat de politie in het kader van de behandeling van zijn klacht van 27 september 1996 over het politieoptreden geen getuigen, onder wie zijn zoon, heeft gehoord. Daarnaast werd verzoeker erop gewezen dat hij een deel van de klacht, waarnaar de Nationale ombudsman toen nog geen onderzoek instelde, eerst diende voor te leggen aan de beheerder van het regionale politiekorps Limburg-Noord. Bij brief van 16 juni 1997 liet verzoeker weten dat hij bij brief van 4 juni 1997 een reactie van de korpsbeheerder had ontvangen op zijn brief van 18 april 1997 aan de korpsbeheerder en dat hij het met deze reactie niet eens was. De klacht over het optreden van ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg-Noord werd vervolgens met de volgende passage uitgebreid:toen hij, geboeid in de cel, 'onrustig gedrag' vertoonde, niet voor een tweede maal een arts hebben gewaarschuwd.

Achtergrond

Zie BIJLAGE.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Limburg-Noord verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Twee van hen maakten van deze gelegenheid geen gebruik. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Roermond over de klacht ge nformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De genoemde hoofdofficier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werden telefonisch twee getuigen gehoord. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker en een betrokken ambtenaar deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De korpsbeheerder berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. Drie van de betrokken ambtenaren gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. De feiten1. Op 22 februari 1996 ontving de meldkamer van het regionale politiekorps Limburg-Noord een verzoek om politieassistentie op bungalowpark X te Y in verband met problemen in de bar van dat park.2. Op 23 februari 1996, vlak na middernacht, arriveerden vier politieambtenaren, P., M., D. en Do., bij de barbowling van bungalowpark X. 3. In het proces-verbaal van 27 februari 1996, opgemaakt door de vier politieambtenaren, staat onder meer het volgende vermeld over hetgeen zich vervolgens in de bar afspeelde:

"Aan het bargedeelte zagen wij een man zitten. Wij zagen dat bij deze man een vrouwelijke beveiligings-beambte van X stond. Ik, P., sprak de man aan en vroeg hem of er problemen waren. Wij, verbalisanten, hoorden dat de man agressief op onze aanwezigheid reageerde. Wij hoorden dat deze man allerlei treiterende en denigrerende opmerkingen in onze richting maakte. Wij, verbalisanten, zagen, roken en hoorden dat deze man in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde. De ogen van deze man waren bloeddoorlopen, zijn adem rook naar inwendig gebruik van alcoholhoudende drank en hij sprak met dubbele tong. De beveiligingsbeambte stelde de man, in ons bijzijn, voor hem naar zijn bungalow te brengen. Om escalatie te voorkomen stelde ook ik, P., dit aan de man voor. De man wilde zich echter niet uit de bar verwijderen. Door zijn opstandig en luidruchtig gedrag verstoorde deze man de orde in de bar-bowling. Nadat ik, P., de man nogmaals had verzocht rustig naar zijn bungalow te gaan, hoorde ik, P., dat deze man zei dat hij zou doen waar hij zin in had en dat wij maar moesten oprotten (althans woorden van gelijke strekking). Wij, verbalisanten, zagen dat de man van de barkruk opstond en enkele meters van ons vandaan ging staan. Omdat deze man in staat van dronkenschap de orde en rust verstoorde liep ik, P., op de man toe en deelde hem mede dat hij was aangehouden terzake artikel 426 Wetboek van Strafrecht (zie

Achtergrond

, onder 7.; N.o.). (...) Op het moment dat ik, P., deze man bij zijn linkerarm vastpakte teneinde hem naar de politie-auto te geleiden, begon de man zich hevig tegen zijn aanhouding te verzetten. Wij, verbalisanten, pakten deze man vervolgens vast teneinde hem te kunnen boeien. Wij voelden dat de man duwde en trok in een andere richting dan dat wij, verbalisanten, hem trachtten te brengen."4. Vervolgens duwden de politieambtenaren verzoeker op zijn buik op de grond. Daarna boeide de politie hem en bracht zij verzoeker in een politiebus naar het politiebureau te Roermond.5. Op het politiebureau aangekomen, werd verzoeker om 00.25 uur geboeid ingesloten.6. Omstreek 01.00 uur werd verzoeker geboeid geleid voor hulpofficier van justitie S. Nadat S. ongeveer een kwartier met

verzoeker had gesproken en verzoeker rustiger was geworden, werden de boeien van verzoeker afgedaan.7. Hierna werd verzoeker (ongeboeid) in een observatiecel geplaatst. Omstreeks 02.30 uur bezocht de forensisch geneeskundige, de heer E., verzoeker. In de verslaglegging van zijn onderzoek gaf E. aan dat verzoeker in de war was en dat verzoeker had aangegeven dat hij de medicijnen Xanax en Loramet gebruikte. De politie verstrekte verzoeker de door de arts voorgeschreven medicijnen 2 maal 10 mg oxazepan.8. Op 23 februari 1996 werd verzoeker om 08.15 uur verhoord. In het procesverbaal van verhoor van 23 februari 1996 van verzoeker staat dat verzoeker onder meer het volgende meedeelde:"Ik verneem van U dat ik gisteravond aangehouden ben op het park X te Y. Ik verneem verder van U dat ik aldaar door bewakingspersoneel en later door de politie gevraagd ben het bargedeelte te verlaten. Ik heb dat kennelijk niet gedaan. Daarna is er volgens U door mij verzet gepleegd. Ik ben aangehouden en meegenomen naar het buro. Ik kan u vertellen dat ik mij alleen weet te herinneren dat ik gistermidddag omstreeks 15.00 uur met mijn zoon naar de bar van het bungalowpark ben gegaan. Ik heb daar in de bar bier gedronken en heb op de gokkast gespeeld. Wat daarna precies is gebeurd weet ik niet meer. Ik weet mij te herinneren dat er bewakingspersoneel en uiteindelijk politie bij mij is gekomen. Waarom weet ik niet. Ik kan mij ook niet meer herinneren dat ik meegenomen ben naar het politieburo. Ik denk dat ik gistermiddag en gisteravond totaal ongeveer 3 glazen en 3 4 pullen, zijnde halve liters, bier heb gedronken. Ik gebruik het medicijn Xanax. Het is mij bekend dat ik dat medicijn niet mag gebruiken in combinatie met alcohol. U vraagt mij nu of ik mij kan herinneren dat ik mij verzet zou hebben tegen de politie. Ik kan mij daar in het geheel niets van herinneren. Het is mij niet bekend dat indien de politie mij vordert om het complex te verlaten ik daar gevolg aan moet geven. Ik kan mij nog vaag herinneren dat er gisteravond politie bij mij is geweest. Ik weet dat het politie was omdat ze een politie-uniform aan hadden." Verzoeker werd vervolgens op 23 februari 1996 om 08.59 uur in vrijheid gesteld.

9. Op 23 februari 1996 bezocht verzoeker zijn huisarts R. Deze constateerde bij verzoeker een bloeduitstorting in de linker flank, een kneuzing van de linker knie en zintuiglijke stoornissen aan de rechterhand. Verzoekers huisarts schreef verzoeker een pijnstiller (Brufen) voor.10. Verzoeker deelde in een brief van 19 juni 1996 aan de arrondissementsrechtbank te Roermond, die de rechtbank op zijn schriftelijke verzoek van 27 september 1996 als klachtbrief doorzond aan het regionale politiekorps Limburg-Noord, onder meer het volgende mee:"Het is juist dat de politie mij n keer sommeerde het pand te verlaten. Daar ik hier niet direct op reageerde werd ik op z r brute absurde manier in de handboeien geslagen, en werd geschopt, geslagen en getrapt waar men maar kon. (...) De handboei van de rechterpols was inmiddels over mijn rechterhand vast gaan zitten, zodat aan de bovenhand alle zenuwen in de bovenste laag waren beschadigd. Het heeft enige tijd geduurd voordat ik mijn rechterhand weer 'normaal' kon gebruiken. Tevens heeft men van de gelegenheid gebruik gemaakt om mijn linker nier bijna finaal in elkaar te trappen. (...) Ik ben dus 'aangehouden' (...) en vervolgens in een gereedstane bus gedonderd en vervolgens voorgeleid bij de hulpofficier van justitie te Roermond en ben ter ontnuchtering opgesloten in een observatiecel. Waar ik direct om een arts vroeg, om mijn medicijn Xanax te kunnen krijgen, echter was deze man onbekend met dit middel wat voornamelijk gebruikt wordt in de psychiatrie, in plaats daarvan krijg ik het middel Oxzapan (oxazepan; N.o.) Wat echter bij mij geen verbetering bracht."11. In het kader van de behandeling door de beheerder van het regionale politiekorps Limburg-Noord van verzoekers klacht, verklaarde verzoeker op 9 november 1996 telefonisch tegenover hoofdinspecteur H. het volgende:"Ik heb geen bezwaar mijn schriftelijke klacht nader telefonisch toe te lichten. Er is echter weinig aan toe te voegen, daar deze klacht naar mijn mening al duidelijk is. Naar aanleiding van uw vraag, waarom ik in het proces-verbaal heb verklaard, dat ik mij niets kon herinneren over het gehele gebeuren en ik nu een gedetailleerde klacht doe, kan ik verklaren, dat het medicijn SANAX, dat ik gebruik, geheugenverlies

tot gevolg heeft en dat het geheugen na enkele dagen of zelfs weken terugkomt. Ik weet overigens nog wel, dat ik tijdens het verblijf in de politiecel de gehele nacht voor mij zelf heb zitten te herhalen: "Ze hebben me mishandeld." Ik heb dit bewust gedaan, zodat ik het de dag erna niet vergeten zou zijn. Tijdens het verhoor de volgende morgen heb ik daar geen melding van gemaakt, omdat ik zo snel mogelijk weg wou en ik toen nog niet echt iets voelde. Ik kon mij alleen niet bukken om mijn veters van de schoenen vast te maken. Een dag na mijn ontslag uit het politiebureau heb ik mij bij mijn huisarts laten onderzoeken. Deze heeft toen niet gezien, dat ik zelfs innerlijke bloedingen had opgelopen. Dat bleek mij zelf later pas, toen mijn rug zwarte plekken vertoonde, hetgeen op innerlijke bloedingen duidt. Overigens had de politie ook nog beloofd dat zij het medicijn SANAX zouden ophalen bij mijn vrouw op X, doch dit hebben ze laten afweten. Er is wel een dokter bij mij geweest. Ik weet, dat ik geen verzet had mogen plegen, doch ik schrok me rot toen de politie kwam. Een aversie daartegen was de oorzaak van mijn reactie. Als ik gedronken heb, kan ik mij voorstellen, dat ik me vreemd gedragen heb. Ik verdien geen schoonheidsprijs, doch het geweld dat door de politie tegen mij gebruikt werd, was buiten proportie. De reden van het indienen van de klacht is, dat ik veroordeeld werd door de officier van justitie tot een boete van F 400,-. Dit is eveneens buiten proportie."12. Bij brief van 3 december 1996 besliste de beheerder van het regionale politiekorps Limburg-Noord afwijzend op de klacht van verzoeker. In zijn brief deelde hij het volgende mee:"...Vermoedelijk tengevolge van het nuttigen van alcoholhoudende drank, heeft u de overige bezoekers aldaar (in de bar van het bungalowpark X te Y; N.o.) lastig gevallen en het barpersoneel bedreigd. Op herhaald verzoek van de ter plaatse aanwezige beveiligingsdienst weigerde u de bar te verlaten. Na een bemiddeling van ongeveer n uur, werd de plaatselijke politie gewaarschuwd. Vervolgens heeft de beveiligingsbeambte u in het bijzijn van de dienstdoende politieambtenaren voorgesteld, u naar uw bungalow te brengen. Ook n van de aanwezige politie-ambtenaren heeft aangeboden om u naar de bungalow te brengen. Al deze bemiddelingspogingen leidden niet tot een oplossing. Daar u zich nog steeds agressief en luidruchtig gedroeg en ter voorkoming van

een verdere escalatie, sommeerde n van de politie-ambtenaren u de bar te verlaten. Aan deze vordering voldeed u niet. Aangezien door de betrokken politie-ambtenaren was geconstateerd, dat u in staat van dronkenschap verkeerde en teneinde een verdere escalatie te voorkomen, werd u door hen, ter zake het plegen van een vermoedelijke overtreding van artikel 426 van het Wetboek van strafrecht (zie

Achtergrond

, onder 7.; N.o.) (...) als verdachte aangehouden. Tegen deze aanhouding werd door u hevig verzet gepleegd. Uit het dossier komt naar voren dat de politieambtenaren trachtten uw verzet te doorbreken, door u stevig vast te pakken en op de grond onder bedwang te brengen. Aangezien u zich daarbij onophoudelijk bleef verzetten, konden de politie-ambtenaren enkel met de grootste moeite u de handboeien aanleggen. Het zal u duidelijk zijn dat u bij het op dergelijke wijze plegen van verzet het risico liep, letsel op te lopen. Zowel uit de verklaringen van de betrokken ambtenaren als overige betrokkenen (zie hierna, onder C.2.1. en C.3.; N.o.) is op geen enkele wijze naar voren gekomen, dat er door de politie tijdens uw aanhouding geschopt en/of geslagen is. In dit verband zij nog vermeld dat u zowel tijdens de voorgeleiding als tijdens uw latere politie-verhoor geen melding heeft gemaakt van mogelijk disproportioneel geweldgebruik door de politie. Verder komt uit de rapportage naar voren dat in verband met uw agressieve gedrag, hetgeen na aankomst op het districtsbureau van de politie te Roermond nog aanwezig was, het niet verantwoord bleek te zijn, dat bij u onmiddellijk de handboeien werden afgedaan. Pas na verloop van enige tijd, tijdens het gesprek met de hulpofficier van justitie aan wie u na de aanhouding bent voorgeleid, kalmeerde u zodanig, dat het verantwoord werd geacht u de handboeien af te doen. Dat het aanvankelijk omlaten van de handboeien, ook binnen een politiebureau, als uitzondering mag worden betiteld is juist, doch het is wel te verklaren gelet op uw emotionele en agressieve gedrag. Tijdens uw verblijf op het politiebureau, is conform de vigerende richtlijnen door de voornoemde hulpofficier van justitie een arts gewaarschuwd, die u heeft onderzocht en medicijnen heeft verstrekt..."13. In reactie op de afwijzende beslissing van de korpsbeheerder verzond verzoeker een herzieningsverzoek van 18 december 1996 aan de korpsbeheerder. Daarin deelde hij onder meer het volgende mee:

"Dat ik (...) niet te kennen heb gegeven dat ik getrapt en geslagen ben geworden is een leugen eerste klas. (...) Verder wil ik nog melding maken dat mijn zoon van 15 jaar het hele gebeuren heeft waargenomen en wel degelijk heeft gezien hoe er geslagen en geschopt is geworden. Terwijl ik op mijn buik lag! (...) De handboeien werden mij pas afgedaan toen mijn rechterhand begon op te zwellen, ik zat in een observatiecel waarbij geluid en bewegingen konden worden waargenomen..."14. Bij brief van 18 april 1997 aan de korpsbeheerder (zie onder

Klacht

) deelde verzoeker onder meer het volgende mee:"Moet ik U alsnog in de gelegenheid stellen, de vraag te beantwoorden, waarom er niet voor een tweede keer een arts is gewaarschuwd. Het is genoegzaam aangetoond door mijn zoon alsmede door mijn vrouw, dat ik de medicatie Xanax nodig had. Ook is door betreffende ambtenaren aangegeven het medicijn bij de receptie af te geven. Daar aangegeven werd dat ik dit dringend nodig zou hebben, een middel dat door mijn Psychiater is voorgeschreven. De betrokken politie ambtenaren beloofden dit op te halen, dit is echter niet gebeurd."15. De korpsbeheerder deelde in een brief van 4 juni 1997 aan verzoeker mee dat hij verzoeker in zijn klacht niet ontvankelijk verklaarde.16. Op 22 augustus 1997 veroordeelde de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Maastricht verzoeker wegens wederspannigheid, gepleegd op 22 februari 1996, tot een geldboete van f 250,- subsidiair 5 dagen hechtenis. B. Het standpunt van verzoeker Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder

Klacht

en komt naar voren onder A. De feiten.. Het standpunt van de beheerder van het regionale politiekorps Limburg-Noord.1. In zijn reactie van 4 juni 1997 op de klacht zoals die in eerste instantie was geformuleerd, deelde de korpsbeheerder het volgende mee:

"Ingaande op het aspect van hetgeen u in de klachtformulering heeft opgenomen met betrekking tot het disproportioneel geweldgebruik bij de aanhouding van de klager/verdachte, de heer B. blijf ik van mening, dat het door de politie-ambtenaren aangewende geweld, teneinde het verzet van de aangehouden verdachte te breken, onder de gegeven feiten en omstandigheden rechtmatig, doelmatig en niet buiten proportioneel was. Het aangewende geweld is door de betrokken politie-ambtenaren gerelateerd in het door hen opgemaakte proces-verbaal terzake een vermoedelijke overtreding van de artikelen 180 (wederspannigheid; N.o.) en 426, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht. Ingaande op het aspect van hetgeen u in de klachtformulering heeft opgenomen met betrekking tot het geboeid in de politiecel laten verblijven van verdachte B. zij vermeld, dat het aanvankelijk omlaten van de handboeien tijdens diens verblijf in de politiecel, binnen de politieregio Limburg-Noord als uitzondering kan worden betiteld. Gelet op het agressieve en emotionele gedrag van de heer B. bleek het niet verantwoord te zijn hem bij aankomst op het politiebureau te Roermond onmiddellijk de handboeien af te doen. Tijdens het gesprek met de hulpofficier van justitie, aan wie hij na de aanhouding was voorgeleid, kalmeerde de heer B. zodanig, dat het verantwoord werd geacht hem de handboeien af te doen. Met betrekking tot het niet door de politie horen van getuigen zij alleerst vermeld, dat conform het gestelde in de klachtenregeling van de politieregio Limburg Noord door de klachtbehandelaar een onderzoek wordt ingesteld naar de relevante werkelijkheid. Hij betrekt daarbij niet alleen het 'feitenmateriaal', maar ook de persoonlijke beleving van de klager/ klaagster en de betrokken politie-ambtenaar(naren). Vervolgens wordt beide partijen in het kader van 'wederhoor' mondeling dan wel schriftelijk de gelegenheid geboden op elkaars belevingen te reageren. Gelet op het vorenstaande worden in een klachtonderzoek, in tegenstelling tot een strafrechtelijk onderzoek, niet alle getuigen gehoord. Reden waarom is afgezien van het horen van de zoon van de klager en het dienstdoende personeel van het restaurant van bungalowpark X te Y. Door de klachtbehandelaar is wel de beveiligingsbeambte, de heer K. als getuige gehoord. Deze had destijds geprobeerd de klager te bewegen het restaurant op het bungalowpark te verlaten. Daar hij dit weigerde en de beveiligingsbeambte bedreigde had deze om politie-assistentie verzocht.

Te uwer informatie zij nog vermeld, dat door de heer B. op 18 april 1997 bij mij een klacht is ingediend over het feit dat door de politie geen specialistische hulp zou zijn ingeroepen tijdens zijn verblijf op het politiebureau te Roermond. Op grond van de klachtenregeling van de regiopolitie Limburg Noord mag in principe een klacht worden ingediend over een gedraging die niet langer dan n jaar geleden heeft plaatsgevonden. De gedraging waar de heer B. zich nu over beklaagde, heeft plaatsgevonden op 23 februari 1996. Gelet op de gestelde indieningstermijn, heb ik zijn klacht verder niet in behandeling genomen. Daarnaast zij vermeld, dat hij zowel in zijn schrijven van 27 september 1996 als in zijn verzoek om herziening van 18 december 1996 de mogelijkheid heeft gehad over het politie-optreden van 23 februari 1996 in zijn algemeenheid te klagen. De heer B. heeft echter meer in het bijzonder geklaagd over het buiten proportioneel geweldgebruik door de politie en het verblijf in de politiecel terwijl hij geboeid was. Daarnaast heeft hij zich beklaagd over de behandelwijze van zijn klacht en de afdoening hiervan mijnerzijds. Destijds heeft hij verzuimd van de mogelijkheid gebruik te maken ook te klagen over het niet waarschuwen van de specialistische hulp door de politie op 23 februari 1996. Aangezien uit het vorenstaande blijkt dat ik reeds mijn oordeel heb gegeven over het politie-optreden van 23 februari 1996 en hij tevens de gelegenheid heeft gehad om een verzoek tot herziening in te dienen en hier ook gebruik van heeft gemaakt, meen ik op grond van het gestelde in artikel 11 van de klachtenregeling van de politieregio Limburg Noord, zijn klacht tevens niet ontvankelijk te moeten verklaren. Over het vorenstaande heb ik de heer B. op 4 juni 1997 schriftelijk ge nformeerd. (...) Ingaande op het aspect van het niet waarschuwen van specialistische hulp door de politie zij allereerst vermeld, dat kort na aankomst van klager op het politiebureau te Roermond, door de politie de forensisch geneeskundige de heer E. werd gewaarschuwd. Deze heeft de heer B. onderzocht en conform het gestelde in de Regionale ingeslotenen-instructie zijn de door voornoemde geneeskundige voorgeschreven medicijnen door de politie aan de heer B. verstrekt. Op grond van voornoemde regeling mogen door de politie aan de ingeslotene geen andere medicijnen worden verstrekt. Reden waarom het door klager genoemde medicijn Xanax niet door de politie is opgehaald. Ten aanzien van het waarschuwen van specialistische hulp ten behoeve van de heer B. ben ik van mening, dat het op grond van

de Regionale ingeslotenen-instructie niet tot de verantwoordelijkheid van de politie behoort deze hulp in te roepen."2. In zijn reactie op de klacht gaf de korpsbeheerder voorts te kennen dat politieambtenaar Do. geen gebruik wenste te maken van de mogelijkheid te reageren en dat deze zich conformeerde aan zijn eerdere verklaring van 27 november 1996 tegenover hoofdinspecteur van politie H. De korpsbeheerder voegde bij zijn reactie deze verklaring als bijlage.2.1. In zijn verklaring van 27 november 1996 deelde Do. het volgende mee:"Op 23-2-1996, kort na middernacht was ik samen met nog enkele collega’s op X in verband met problemen in de bar aldaar. Welke collega’s het precies waren, weet ik niet meer, doch zoals ik nu hoor moeten het P., M. en D. zijn geweest. Ten aanzien van de aanhouding van een lastige klant aldaar kan ik verklaren, dat de patrouille van Swalmen het initiatief nam (opmerking: P. en M.) en dat deze klant zich hevig verzette tegen zijn aanhouding. Naar mijn mening hebben wij hem toen met vier man naar de grond gebracht en mogelijk zijn het mijn handboeien geweest, die gebruikt zijn om hem te boeien, doch zo precies weet ik dat niet meer. Ik kan echter absoluut verklaren, dat er niet geschopt of geslagen is door de politie. Ik herinner me wel nog, dat die man zich zwaar verzette, waardoor het moeilijk was hem te boeien. Vervolgens is hij in een politiebus overgebracht naar het districtsbureau te Roermond. Ik reed met een surveillancewagen achter de bus. Na aankomst op het bureau ben ik terstond verder gegaan met ander werk. Meer kan ik zodoende hierover niet verklaren."3. Voorts voegde de korpsbeheerder bij zijn reactie op de klacht de verklaringen van de betrokken ambtenaren P., M., D. en de heer K., beveiligingsbeambte bij het recreatiepark X, zoals zij die eerder tegenover de hoofdinspecteur van politie H. hadden afgelegd, alsmede de rapportage van de chef van de basiseenheid Heythuysen S. aan de chef basiseenheid Swalmen (tevens hoofdinspecteur) H. en diens rapportage aan de korpsbeheerder.3.1. In zijn verklaring van 13 november 1996 deelde politieambtenaar P. onder meer het volgende mee:"Op vrijdag 23 februari 1996, kort na middernacht was ik samen met de collega’s M. D. en Do. in de bar-bowling van X te Y, naar

aanleiding van een assistentieverzoek via de meldkamer. Ten aanzien van de reden voor de aanhouding van B. verwijs ik naar het betreffende proces-verbaal. Ten aanzien van de wijze waarop tot aanhouding werd overgegaan kan ik als volgt verklaren:Betrokkene B. werd door mij, P., medegedeeld dat hij was aangehouden terzake openbare dronkenschap en ik pakte hem daarop bij een van zijn armen vast. Ik voelde dat hij zich lostrok en zag dat hij wegliep in de richting van een speelautomaat in de zaak. Ik ben hem direct achterna gelopen en heb hem opnieuw vastgepakt. Ik zag en voelde dat B. zich hevig verzette tegen zijn aanhouding. Tijdens de worsteling kwamen wij tegen een muur van de bar terecht, waarna wij B. naar de grond konden brengen. Hij kwam op zijn buik terecht en een van ons heeft hem de handboeien aan kunnen leggen. Wie van ons de handboeien heeft aangelegd, weet ik niet meer, mogelijk ben ik dat zelf wel geweest. Ik weet in ieder geval wel, dat B. zijn armen steeds gespannen hield, zodat het aanleggen van de boeien moeizaam verliep. Ik kan absoluut met zekerheid verklaren, dat door geen van ons vieren ook maar een keer geschopt of geslagen is op B. Er is wel kort maar hevig geworsteld, waarbij het niet ondenkbaar is dat B. blauwe plekken heeft opgelopen en dat de handboeien daardoor strakker dan gebruikelijk zijn komen te zitten. B. was zeer agressief en bleef dit ook later in de cel van het districtsbureau te Roermond, zodat de aangelegde handboeien in eerste instantie niet werden losgemaakt. Dit is pas gebeurd na de voorgeleiding aan de hulpofficier, de hoofdinspecteur S. Ook deze achtte het in eerste instantie niet verantwoord dat de boeien werden losgemaakt en liet B. weten, dat hij eerst rustig diende te worden. B. heeft naar ik mij herinner wel aangegeven, dat de boeien strak zaten, maar gezien zijn gedrag waren wij van mening, dat hij dan weer gewelddadig zou worden. Naar mijn mening is er absoluut niet meer geweld gebruikt, dan noodzakelijk was om B. onder controle te krijgen."3.2. In zijn verklaring van 13 november 1996 deelde politieambtenaar M. het volgende mee:"Op vrijdag 23 februari 1996, kort na middernacht was ik samen met de collega’s P., D. en Do., op het bungalowpark X te Y, naar aanleiding van een melding over problemen in de bar van het park. Mij bleek dat de bedoelde B. aldaar vertoefde terwijl hij behoorlijk gedronken had. B. werd uiteindelijk aangehouden ter zake overtreding van artikel 426 van het Wetboek van Strafrecht.

De aanhouding werd feitelijk verricht door collega P., die de verdachte dit mededeelde en ik zag, dat hij hem vastpakte bij een arm. Ik zag, dat B. zich aan de aanhouding probeerde te onttrekken door zich los te rukken. Onmiddellijk ben ik P. te hulp geschoten, door eveneens B. vast te pakken. Waar ik hem op dat moment heb vastgepakt, kan ik mij niet meer zo precies herinneren. Ik zag tevens dat Do. en D. B. eveneens vastpakten. Hij ging tekeer als een gek en wij hadden met vier man de grootste moeite om hem in bedwang te houden. Wie van ons vieren de handboeien heeft aangelegd bij B. weet ik niet meer. Dat kan ik zelfs zijn geweest. Voor zover ik mij kan herinneren is B. tijdens de aanhouding naar de grond gebracht teneinde de handboeien aan te leggen. Voor zover ik weet is er bij deze aanhouding door ons niet geschopt of geslagen, zoals B. in zijn klacht beweert. Tijdens het aanleggen van de boeien bleef hij zich steeds hevig verzetten, doch wij konden hem met z’n vieren in bedwang krijgen, waardoor er geen grof geweld noodzakelijk was. Ik heb in ieder geval geen geweld gebruikt in de vorm van slaan of schoppen. Ik heb B. alleen maar vastgepakt om hem in bedwang te krijgen. Daar B. ook nadat hem de boeien waren aangelegd, agressief bleef werden de handboeien bij aankomst in het districtsbureau te Roermond niet direct verwijderd. Hij werd in afwachting van de voorgeleiding ingesloten in een ophoudlokaal. Nadat hij gekalmeerd was, werden de handboeien verwijderd. Het is niet onmogelijk, dat bij het aanleggen van de handboeien deze strak hebben gezeten, daar verdachte zich steeds bleef verzetten, hetgeen het aanleggen bemoeilijkte."3.3. In zijn verklaring van 25 november 1996 deelde politieambtenaar D. onder meer het volgende mee:"Op vrijdag 23 februari 1996, kort na middernacht was ik samen met de collega’s P., M. en Do., op het bungalowpark X te Y, naar aanleiding van een melding over problemen in de bar. In de bar troffen wij de bedoelde B. aan, die in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde en de zaak niet wilde verlaten. Uiteindelijk werd deze B. aangehouden op grond van overtreding van artikel 426 Wetboek van Strafrecht, hetgeen vermeld werd in het betreffende proces-verbaal. Ik hoorde collega P. zeggen, dat B. was aangehouden en zag dat B. daarop naar een geweer greep dat bij een spelautomaat hoorde, die aldaar stond. Ik zag toen, dat P. B. vastpakte bij een arm en ook ik pakte hem daarop onmiddellijk vast bij de andere arm. Ik voelde dat hij zich probeerde los te trekken. P. en ik hebben B. toen tegen de muur, die vlak bij was, gedrukt, teneinde hem te kunnen boeien.

Wij hebben B. vervolgens naar de grond gebracht en ik ben hem op zijn rug gaan zitten, om hem onder controle te krijgen. Of Do. en M. op dat moment ook B. hebben vastgepakt, om hem op de grond te werken, weet ik niet. Uiteindelijk hebben zij wel meegeholpen om de handboeien aan te leggen. Overigens ging dat met de grootst mogelijke moeite. Vervolgens is B. met een politiebus overgebracht naar het districtsbureau te Roermond. Ten aanzien van het feit, dat B. beweert, dat hij zwaar mishandeld is en dat wij hem hebben geschopt en geslagen, kan ik enkel verklaren, dat dat absoluut gelogen is. Wij hebben hem wel met de grootste moeite onder controle kunnen brengen, waarbij wij wel fysiek geweld moesten aanwenden. Dit fysieke geweld was puur in de vorm van vastpakken en het aanleggen van armklemmen om B. te kunnen boeien. Omdat B. ook na aankomst op het districtsbureau agressief bleef, werd hij met de handboeien om in de cel geplaatst. Nadat de hulpofficier van justitie, S., enige tijd met B. gepraat had, werd hij rustiger, waarna hem de boeien werden afgedaan."3.4. In zijn verklaring van 21 november 1996 deelde K. onder meer het volgende mee:"Op donderdag 22 februari 1996, omstreeks 22.45 uur kreeg ik een melding vanuit de bar, van X, dat er een lastig persoon aanwezig was. In eerste instantie is er een collega van mij naar toe gegaan, doch op haar aandringen wou de gast niet vertrekken. Om 23.40 uur, dus bijna n uur later, werd ik eveneens ter plaatse verzocht. Ik heb met de klant, de heer B., gepraat, doch dit eindigde enkel in het uiten van bedreigingen jegens mij en het barpersoneel. Naar aanleiding daarvan heb ik de politie gevraagd. De politie arriveerde op vrijdag 23-2-1996, om 00.05 uur. Wat ik mij van de gehele situatie nog weet te herinneren was, dat de zoon van die man, steeds zijn vader opjutte, waardoor deze niet meer tot rust te brengen was. Eerst heeft de politie nog geprobeerd te bemiddelen en geprobeerd hem te bewegen om de bar te verlaten, doch dit lukte niet. Uiteindelijk zag ik, dat B. door een politieman vastgepakt werd, dan wel dat hij was aangehouden. Hierop zag ik, dat hij wild om zich heen begon te slaan. Ik zag, daarop, dat twee politiemensen B. naar de grond werkten en hem de handboeien hebben aangelegd. De totaal vier politiemensen hebben gezamenlijk wel de man onder bedwang gebracht, doch hebben er zeker niet met vier man bovenop gezeten. Ik heb de politiemensen alleen maar zien vastpakken en

hem naar de grond zien brengen, hetgeen natuurlijk wel hard ging. Er is door de politie niet geslagen of geschopt. Dit weet ik absoluut zeker. B. heeft zich steeds blijven verzetten, zodat hij zich ongetwijfeld meer pijn heeft gedaan dan nodig was. Vervolgens werd hij door de politie afgevoerd. Toen de politie weg was, zijn wij nog ernstig bedreigd door de zoon, die het halve kamp van Heerlen op zou trommelen en ons door de kop zou schieten. Naar aanleiding hiervan heb ik zelfs nog assistentie van een extra collega ingeroepen voor het begin van de nacht. Later is de vrouw van B. erbij gekomen, doch toen was de politie al weg. Deze heeft de zoon tot de orde geroepen."3.5. In zijn rapport van 22 november 1996 deelde de chef van de basiseenheid Heythuysen S., tevens hulpofficier van justitie, onder meer het volgende mee:"Zoals uit dossiernr. (...) blijkt, werd klager op 23 februari 1996 te 01.00 uur aan mij, in de functie van Officier van Dienst/Hulpofficier van Justitie voor de politiedistricten Roermond en Weert, voorgeleid. Ik trof B. aan in een ophoudlokaal in het Roermondse districtsbureau van politie aan de Andersonweg 50. B. was middels handboeien geboeid. De collegae die hem in een vakantiepark te Y aanhielden, deelden mij mede dat de aanhouding met nogal wat verzet gepaard was gegaan. Omdat B. nog steeds niet tot bedaren was gekomen, had men hem nog niet ontdaan van de handboeien. Tijdens zijn verhoor bemerkte ik dat B. erg gespannen, geladen, was. Een gesprek met hem verliep aanvankelijk stroef. Zijn feitelijk gedrag en zijn uitstraling was er een van onvoorspelbaarheid. Hij eiste een arts, zijn medicatie en het in kennis stellen van 'achterblijvers' in het vakantiepark. Pas nadat B. tot een relatief normaal gesprek bereid en in staat bleek, ik had toen ongeveer een kwartier contact met hem, achtte ik het verantwoord om hem te ontdoen van zijn handboeien. Hij klaagde over pijn in een arm, ik meen de linker. Hij had daarvoor een verklaring waarvan mij nog slechts heugt dat dit er een was gericht op het in discrediet brengen van de politiemensen die de aanhouding verrichtten. Ik kan mij niet herinneren dat B. verwondingen of letsel had. Wel herinner ik mij dat hij verklaarde onder medische behandeling te zijn. Kennelijk vond ook de forensisch arts, die hem kort na de voorgeleiding bezocht, geen verwondingen of letsel waarvan behandeling noodzakelijk was. (...)

Uit de verklaring van B. noch uit de verklaringen van de bij de aanhouding en het transport betrokken politieambtenaren, bespeurde ik toen ook maar iets dat riekte naar disproportioneel politieoptreden. Nadrukkelijk wil ik verklaren dat B. geen teken vertoonde van iemand die ‘in elkaar geslagen’ was, zoals hij in zijn klacht beweert. Eerder acht ik zijn gedrag toen alsook de klacht nu als gebaseerd op prestigieuze overwegingen."3.6. In zijn rapportage van 16 mei 1997 deelde de chef van de basiseenheid Swalmen, hoofdinspecteur H. het volgende mee:"Wederom geeft B. (verzoeker; N.o.) aan, dat het medicijn Xanax zou worden opgehaald. Aangezien men t.a.v. het gebruik van medicijnen in combinatie met alcohol zonder meer al voor het insluiten in de politiecel een arts raadpleegt, is dat in dit geval ook gebeurd. De arts dr. E. heeft naar bevind van zaken gehandeld, waarna B. werd ingesloten. Indien de arts het noodzakelijk gevonden had, dat het medicijn Xanax diende te worden toegediend, had men ongetwijfeld de opdracht gekregen dit medicijn op te halen. Nu dus niet. Nu wordt er plotseling gevraagd, waarom er geen tweede deskundige geconsulteerd is. Wij mochten uitgaan van de deskundigheid van de arts en er was voor de politie gen reden om er in dit specifieke geval aan te twijfelen. (Opmerking: De betreffende arts dr. E. is inmiddels overleden).. geeft met name naar de Ombudsman aan, dat zijn zoon en vrouw niet zijn gehoord. Het betreft hier een klacht over het optreden van de politie en geen strafrechtelijk onderzoek. In deze zijn door mij de direct betrokkenen gehoord te weten, de klager B. en de vier politieambtenaren. Daarnaast werd de heer K. van de beveiligingsdienst van X gehoord. Hij had namelijk om de politie verzocht en kon over de situatie ter plaatse duidelijk en objectief verklaren. Zijn rapportages over het voorval zijn al bij de eerste afhandeling meegezonden. Overigens werd naar aanleiding van de eerste klacht met het twijfelachtige verhaal omtrent het geheugenverlies een advies gevraagd van de forensisch geneeskundige Me. Deze heeft zijn bevindingen vastgelegd in een rapportage, die hierbij gaat (zie hierna, onder 5.; N.o.)."

4. De korpsbeheerder voegde eveneens twee mutatierapporten bij zijn reactie.4.1. In een mutatierapport van 22 februari 1996 staat het volgende vermeld:                  "...02.25 uur (...)          Werd door de patr. P./ M. en D./ Do. op de X tz. 426 SR aangehouden B.          I.v.m. verzet dat hij bood werden hem de handboeien omgedaan. Verder bleek dat hij last had van zijn ademhaling en werd de forensisch arts dr. E. gebeld die tpl kwam. Na onderzoek werden hem 2 oxazepan 10 mg verstrekt. Een werd door hem gelijk ingenomen en de andere mocht hij op later tijdstip innemen. Daarna ging hij slapen..."4.2. In een mutatierapport van 22 februari 1996, opgemaakt op 23 februari 1996, staat onder meer het volgende vermeld:"Ve (verzoeker; N.o.) was flink bezopen en goed lastig. Na enige tijd aangedrongen te hebben op vrijwillig vertrek naar zijn bungalow werd VE, gezien zijn recalcitrante gedrag aangehouden. Ging met enig geweld gepaard. VE werd geboeid overgebracht naar Roermond.          Geplaatst in cel 01, voorlopig nog geboeid gezien de opgefokte toestand van VE.          Voorgeleid aan HoVJ (hulpofficier van justitie; N.o.) S. (...) Was tijdens gesprek met S. vrij rustig zodat handboeien afgedaan werden. Blijft echter een persoon die goed in de gaten moet worden gehouden."5. Voorts voegde de korpsbeheerder bij zijn reactie een door hem gevraagd advies van forensisch geneeskundige Me. In dit advies van 21 januari 1997 staat onder meer het volgende:"...In het klaagschrift (dat van 19 juni 1996; N.o.) vermeldt betrokkene 'op een zeer absurde manier in de handboeien geslagen te zijn, er werd tevens geschopt, geslagen en getrapt waar men maar kon'. 'De handboei van de rechter pols was inmiddels over mijn rechter hand, zodat aan de bovenhand alle zenuwen in de bovenste laag waren beschadigd'. 'Het heeft enige tijd geduurd voor dat ik mijn rechter hand weer 'normaal' kon gebruiken. 'Tevens heeft men van de gelegenheid

gebruik gemaakt om mijn linker nier bijna finaal in elkaar te trappen'. De rapportage van de huisarts R. vermeldt dat betrokkene op 2302-1996 aangaf op 22-02-1996 'klappen te hebben gehad door de politie'. Bij onderzoek werd een bloeduitstorting in de linker flank gezien. Eveneens werd een kneuzing van de weke delen van de linker knie vastgesteld. Ook bestonden er gevoelsstoornissen in de rechter hand. Als medicatie werd Brufen 0.600 gegeven: een middel dat bij letsels zorgdraagt voor pijnstilling en afname van de zwelling. Van een ernstig nierletsel, zoals door betrokkene wordt aangegeven, blijkt geen sprake: de huisarts vermeldt dit niet in zijn rapportage terwijl de aard van het aangegeven letsel opname in een ziekenhuis c.q. specialistische behandeling veronderstelt. De forensisch geneeskundige E. onderzocht betrokkene op 23021996 omstreeks 2.30 uur in de cel. In de verslaglegging van dit onderzoek wordt aangegeven dat betrokkene 'in de war' was. Betrokkene zou aangegeven hebben dat hij Xanax en Loramet als medicatie gebruikte. De vraag naar recente verwondingen werd door betrokkene negatief beantwoord. Collega E. stelde op het moment van onderzoek bij betrokkene geen uitwendige letsels vast. De gegevens van het onderzoek door collega E. verhouden zich niet met de opsomming van letsels in (...) klaagschriften I en II. De gevoelsstoornissen van de rechter hand, zoals omschreven in de rapportage van de huisarts –(...)-, kunnen zeer wel veroorzaakt zijn door het gebruik van handboeien. Gelet op de gedragingen van betrokkene, zoals omschreven in de mutatie (zie hiervoor, onder C.4.2.; N.o.), was het gebruik van handboeien echter noodzakelijk. Eenieder, die bekend is met het gebruik van handboeien, weet dat de insnoerende werking rond de polsgebieden toeneemt bij beschreven gedragingen. Uit zowel de bevindingen van collega E. als de rapportage van de huisarts blijkt niet dat er sprake is van blijvend letsel c.q. door betrokkene gesuggereerde beschadiging van zenuwen. In het PV verhoor (zie hiervoor, onder A.11.; N.o.) beweert hij dat hij tijdens het verblijf in de politiecel 'de gehele nacht

voor zichzelf heeft zitten te herhalen: 'Ze hebben mij mishandeld''. Ook dit gegeven correspondeert noch met de bevindingen van collega E. noch met de inhoud van de vrije mutatie (zie hiervoor, onder C.4.1.; N.o.) waarin aangegeven wordt dat betrokkene ging slapen nadat collega E. zijn onderzoek had afgerond. Betrokkene werd immers, zoals uit de vrije mutatie (zie hiervoor, onder C.4.1. en C.4.2.; N.o.) blijkt, in een observatiecel ingesloten. Bovendien zij gesteld dat forensisch geneeskundigen te allen tijde een uitvoerige letselbeschrijving verrichten indien zij tijdens arrestantenzorg geconfronteerd worden met feitelijke dan wel vermeende mishandeling. In het PV van verhoor (zie hiervoor, onder A.11.; N.o.) geeft betrokkene aan dat hij zich tijdens het verhoor omtrent het gebeuren niets kon herinneren omdat hij Xanax gebruikte. Dit geneesmiddel zou immers geheugenverlies veroorzaken terwijl het geheugen na enkele dagen of weken terug zou keren. Deze stellingname moet echter als onjuist gekarakteriseerd worden. Xanax kan inprentingsstoornissen veroorzaken. Alcoholgebruik doet dit evenzeer! Het gelijktijdig gebruik van alcohol en Xanax versterkt dit fenomeen. Kan men gebeurtenissen door inprentingsstoornissen niet weergeven door het gebruik van bovengenoemde stoffen dan blijft het herinneringsverlies c.q. het geheugenverlies voortduren en keert niet na enkele dagen of weken terug. Immers, hetgeen niet werd opgeslagen kan nimmer worden gereproduceerd. Dit fenomeen wordt in de volksmond ook wel omschreven als 'de film kwijt zijn'. De door betrokkene gesuggereerde terugkeer van het geheugen is derhalve debet aan een rijke fantasie dan wel uit de directe omgeving verkregen informatie. Samenvattend moet gesteld worden dat de door betrokkene gedane weergave van feiten en gebeurtenissen als weinig juist gekarakteriseerd dient te worden...". Het standpunt van de betrokken ambtenaren P., M., D. en S. 1. In hun reacties van 22 mei 1997 en 30 mei 1997 op de klacht deelden de politieambtenaren P. en M. respectievelijk D. mee dat zij niets hadden toe te voegen aan hun verklaringen zoals zij die eerder tegenover de hoofdinspecteur van politie H., hadden afgelegd (zie hiervoor, onder C.3.1., C.3.2. en C.3.3.).

2. De chef van de basiseenheid Heythuysen S., tevens hulpofficier van justitie, deelde in zijn reactie op de klacht mee dat hij niets had toe te voegen aan zijn rapportage ten behoeve van de klachtbehandeling door de korpsbeheerder Limburg-Noord (zie hiervoor, onder C.3.5.). E. De reactie van verzoeker In zijn reactie van 27 juli 1997 op het standpunt van de korpsbeheerder deelde verzoeker onder meer het volgende mee:"Allereerst wil ik reageren op het aanvullend schrijven van 16-5-1997, van een zekere H. Die (de heer H.; N.o.) de medische deskundigheid overlaat aan de arts dr. E. Terecht kan men zich hierachter verschuilen. Deze arts had kunnen weten dat het middel Xanax wordt gebruikt in de psychiatrie en dat we dus te maken hadden met iemand met een psychische stoornis. Maar mede door het feit dat op het park al doorgegeven is aan de politie dat het medicijn Xanax door een psychiater was voorgeschreven, diende men zich al te beraden over die deskundige hulp bvb. een psychiater. De politie had immers het vertrouwen gewekt het medicijn aan de receptie af te geven, waarna het opgehaald zou worden. Ook de politie had hier een verantwoordelijkheid, maar had zich met de mishandeling al ingegraven. Het horen van mijn vrouw en zoon had wel een relevantie en niet in strafrechtelijke zin. Maar om een objectief beeld te krijgen. Nu dit niet is gebeurd is deze informatie verloren gegaan. Dan de huisarts M.. bestrijdt niet dat de plekken overeenkomen met de nieren. M. weet ook niets af van deze manier van gevechtsport, waarbij de nieren een essenti le plek innemen om iemand "klein te krijgen". M. moet wel weten dat blauwe plekken wijzen op kneuzingen alsmede op bloeduitstortingen onderhuidse bloedophoping en eist niet direct specialistische behandeling, overigens heeft mijn huisarts dr. R. jaren als chirurg gewerkt op de EHBO te Kerkrade en is als zodanig als specialist aan te merken. Mij is in de cel absoluut niet gevraagd naar andere verwondingen, nota bene is deze arts op mijn verzoek gekomen omdat ik medicatie nodig had. Hij heeft mij ook niet lijfelijk onderzocht. Voor dit verzoek gehonoreerd werd heb ik alles uit de

kast moeten halen, zoals een dodelijke poliep in de neus, of de Hiv'grap'. Wat de handboeien verder betreft, toen men deze wilde aanleggen heb ik duidelijk laten weten, dat ik een peestransplantatie in de rechter arm (pols) had, echter had men daar geen boodschap aan. Het is te verklaren waarom ik de handboei van de rechterhand niet wilde accepteren, vanwege de verschrikkelijke pijn, die dit veroorzaakte en waarbij men hard aantrok en willens en wetens de zenuwen in de bovenste laag heeft afgesneden, waarbij ook nog eens de handboei over diezelfde rechterhand heen ging zitten, nota bene die hand waarbij ik bij de 5de vinger een handicap heb. I.v.m. met deze peestransplantatie. Nota bene stelt de arts M. dat forensisch geneeskundigen altijd bij vermeende mishandeling een onderzoek instellen, dat is in deze zaak dus niet gebeurd. Hij stelt mijn tijdelijk geheugenverlies in twijfel, althans dat probeert hij. Hij heeft natuurlijk gelijk dat wat je niet opslaat ook niet kan reproduceren. Maar ik heb genoeg opgeslagen om te weten dat ik mishandeld ben geworden. En was e.e.a. ook reproduceerbaar. Veel meer dan hun eigenlijk lief was... en met hun bedoel ik alle die deze mishandeling proberen te verdoezelen...... Een voorbeeld is dat ik wist dat ik in een observatiecel zat en dat ik de volgende dag gevraagd heb of men ook bandopnamen had gemaakt van mijn ’s nachts geuite klacht die ik wel degelijk telkens herhaalde, maar helaas men had geen beeld en geen geluidsopname, hoe had ik deze vraag dan de volgende morgen kunnen stellen, omdat ik wist wat het belang ervan was. Men zal bovenstaand gegeven niet kunnen bestrijden, dit kan je alleen weten als betrokkene. Verder houdt deze arts M. er een vreemde ethische theorie op na. Maar daarom is deze man forensisch, met een zeer rijke aantastbare fantasie. Verder het telefonisch contact met H. Die ineens wel in de schoenen van de arts kruipt en verder niets zinnigs heeft toe te voegen. De transactie van ƒ 400,- was niet de enigste reden en de politieambtenaren hebben zich zelf in diskrediet gebracht door hun manier van optreden, onkundig knullig en onzorgvuldig. Ik had dit gezien hun professie mogen verwachten. Hij laat heel duidelijk merken in zijn commentaar dat er van de politiekant geen speld is tussen te krijgen, zelfs de beveiligingsbeambte krimpt in, maar deze man vergeet te vragen wat hij de volgende dag in het huisje op het park heeft waargenomen (of

een collega) en dat deze direct stelde "dat hebben wij niet gedaan". Nota bene kon ik bij het heenzenden niet eens de veters meer knopen, amper lopen zonder steun. Maar ik wilde mij niet laten kennen en liep bij terugkomst op het park met de veters los uit de schoenen. Overigens is het niet vreemd dat kneuzingen bloeduitstortingen op vitale delen zoals de heren blijkbaar zijn getraind de volgende dag pas opmerkzaam worden. Het feit alleen al, dat deze vitale delen zijn geraakt, geeft aan dat er wel degelijk sprake is geweest van een vreemd soort van geweld en ik kan dat maar niet genoeg benadrukken. Bij de hulpofficier komen we een verhaal tegen waarin hij mij in een aantal zaken bevestigt, zoals pijn in de arm, de gevraagde arts op mijn verzoek, alsmede mijn verzoek om mijn medicatie. Ook brengt hij hier het huzarenstuk op dat ik politiemensen in diskrediet zou willen brengen, hebben we dat al niet eerder gehoord. En "kennelijk" vond ook de forensisch arts die hem bezocht, (juist ...niet meer en minder) Dan de verklaringen van de betrokken politieambtenaren. Daarvan kan ik stellen dat deze niet objectief zijn, bijna alle verklaringen lijken op elkaar, men draait eens naar links en dan weer naar rechts. Het zij nogmaals gesteld, vier sterke kerels (getraind in de gevechtsport) dat hoort bij de opleiding. En precies bij de aard van aangebrachte letsels. Krijgen met moeite bijna helemaal niet, een gehandicapt persoon zowel aan de rechter hand als beide knie n (artrose) niet klein, althans met de grootste moeite, iemand die dan nog stomdronken is en medicatie gebruikt. Dit alles lijkt mij zeer onwaarschijnlijk. Uit het mutatierapport blijkt nog dat ik last had van de ademhaling, ik heb namelijk astmatische bronchitis. Ook dat heeft dr. E. niet geconstateerd. Verder denk ik dat wat mij betreft in deze zaak genoeg is uitgelegd en het moge eens te meer duidelijk zijn dat men zich bij ongeregeldheden blijkbaar allemaal samen pakt, om de waarheid te verdoezelen. Ik ben en blijf van mening dat men met psychische pati nten anders dient om te gaan. Maar als die psychische klachten niet

onderkend worden, wordt men dus behandeld, als zijnde dronken, recalcitrant, of men wordt bij een recreatiepark afgezet met vooral veel water, waarin men zich uiteindelijk kan verdrinken.". De reactie van de korpsbeheerder Een medewerker van de korpsbeheerder deelde op 14 oktober 1997 een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch mee dat de korpsbeheerder geen reactie meer had op de reactie van verzoeker. Voorts verzond hij op dezelfde datum, op verzoek van de Nationale ombudsman, per fax het insluitingsformulier dat betrekking had op de insluiting van verzoeker. Op dit formulier stond niet aangegeven dat aan verzoeker tijdens zijn insluiting medicijnen waren verstrekt.. De verklaring van verzoekers zoon1. Verzoekers zoon verklaarde op 26 januari 1998 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, onder meer het volgende:"In de nacht van 22 op 23 februari 1996 was ik met mijn vader in een bar van bungalowpark X. Aanvankelijk heeft mijn vader met een gokapparaat staan spelen, daarna is hij gaan drinken. Hij had behoorlijk wat op. Op een gegeven moment ontstond er een scheldpartij tussen mijn vader en een van de andere barbezoekers. Daarop kwam er een beveiligingsbeambte. Deze was waarschijnlijk door het barpersoneel gewaarschuwd. Mijn vader had geen zin om weg te gaan, hetgeen hij de beambte ook duidelijk maakte. Even later verscheen de politie. Wat er precies gebeurde weet ik niet meer. Op een gegeven moment pakte een van de politiemannen mijn vader bij zijn arm, wat mijn vader niet toeliet. Vervolgens werd hij tegen de muur aangeduwd en even later werd er getrokken en geduwd en uiteindelijk wist de politie mijn vader met zijn buik tegen de grond te duwen. Dit was geen toevalligheid; hij werd naar mijn idee bewust tegen de grond aan geduwd. Daar lag hij toen met een politieambtenaar die hem onder controle hield. Hij werd tegen zijn heupen geschopt en met een zaklantaarn geslagen. Er zat ook een politieambtenaar, of wellicht waren het er twee, op zijn rug. Ik stond als verstomd aan de kant te kijken. Het is allemaal heel snel gegaan. Toen mijn vader in het politiebusje werd geduwd, wilde ik zijn medicijnen aan de politie geven. Zij namen deze echter niet aan".

2. In aanvulling hierop liet verzoekers zoon telefonisch op 3 februari 1998 weten dat er niet n, maar twee beveiligingsbeambten van het bungalow-park ter plaatse waren gekomen en dat tijdens de worsteling zijn vader en de ambtenaren over de schietbaan hadden gerold.. De verklaring van beveiligingsbeambte K.          De betrokken beveiligingsbeambte verklaarde op 2 februari 1998 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman onder meer het volgende:"Op 22 februari 1996 kreeg ik een melding vanuit bar X dat er een dronken en lastig persoon aanwezig was. Ik ben er naar toe gegaan en heb de man aangesproken en verzocht weg te gaan. Hij reageerde agressief op mij(n werkkleding) en werd daarbij opgestookt door een jongen. Omdat zij met z'n twee n waren, heb ik de hulp ingeroepen van de politie. Ik geloof dat de politie met drie of vier man kwam. Zij spraken B. aan, waarbij B. weer agressief werd. Een van de politieambtenaren pakte toen B. vast, die zich daartegen verzette. Twee politieambtenaren hebben hem toen op zijn knie n en direct daarop met zijn buik op de grond gewerkt. Dit gebeurde in de vrije ruimte. Ik kan me niet herinneren dat B. eerst nog tegen een muurtje is gewerkt. B. bleef bezig met slaan en schoppen. Voor zover ik me herinner heeft een van de politieambtenaren de rug van B. op zijn plaats gehouden en heeft de ander hem geboeid. Ik herinner me niet dat iemand op de rug van B. heeft gezeten. Er heeft wel iemand 'boven gehangen', wellicht in verband met de handboeien, dat weet ik niet meer. De politie heeft geen beenklemmen toegepast. Ook heeft zij niet geschopt en/of geslagen. Als B. een gekneusde knie en een blauwe plek heeft opgelopen, is hij denk ik ongelukkig terecht gekomen. De andere politieman stond bij de bar en heeft verder niets gedaan, voor zover ik me herinner. De actie waarmee B. werd vastgepakt, tegen de grond gewerkt en werd geboeid duurde, denk ik, ongeveer twee minuten. Ik kon alles goed zien gebeuren, want ik stond op een meter afstand van het hele gebeuren."

Beoordeling

I. .       Ten aanzien van het bij de aanhouding toegepaste geweld1. Op 23 februari 1996 hielden vier politieambtenaren van het

regionale politiekorps Limburg-Noord verzoeker aan terzake van artikel 426 Sr. (zie

Achtergrond

, onder 7.). Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat de politieambtenaren bij deze aanhouding disproportioneel geweld jegens hem hebben gebruikt.2. Het staat vast dat verzoeker zich heeft verzet tegen zijn aanhouding. In een dergelijk geval is de politie bevoegd geweld te gebruiken. Dit geweld moet dan wel voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit (zie

Achtergrond

, onder 1.).3. Verzoeker heeft gesteld dat de politie hem bij zijn aanhouding had getrapt en geslagen waar zij maar kon. Hij stelde in dit verband dat zijn linkernier "finaal in elkaar was getrapt". Voorts gaf hij aan dat de politie hem op een "zeer absurde manier" in de handboeien had geslagen. Verzoekers zoon, die bij het voorval aanwezig was, stelt eveneens dat zijn vader is geschopt en geslagen, in het bijzonder tegen zijn heupen respectievelijk zijn hoofd. De betrokken ambtenaren ontkennen echter dat zij verzoeker hebben geschopt en geslagen. De beveiligingsbeambte ontkent dit eveneens. De verklaringen van de betrokkenen staan hiermee tegenover elkaar. De Nationale ombudsman acht echter de verklaring van verzoeker minder aannemelijk dan die van de politie. In dit verband is het volgende van belang.4.1. Door het verzet van verzoeker en de noodzakelijke snelheid van handelen van de politie zal het aanbrengen van de handboeien bij verzoeker hardhandiger zijn gebeurd dan wanneer er geen sprake zou zijn geweest van verzet. Op grond van de verschillende verklaringen is het aannemelijk geworden dat verzoeker tijdens een worsteling in ieder geval met zijn knie n tegen de grond en direct daarop op zijn buik tegen de grond is geduwd, waarna een politieambtenaar op zijn rug is gaan zitten. Ook zijn er enkele armklemmen toegepast en zijn de boeien omgedaan, terwijl verzoeker zich verzette. Bij een dergelijk optreden is het ontstaan van letsel, met name aan rug, knie n en door het omdoen van de handboeien ook aan de polsen en handen, niet uit te sluiten.4.2. Verzoekers huisarts constateerde op 23 februari 1996 bij verzoeker een bloeduitstorting in de linkerflank, een gekneusde knie en zintuiglijke storingen aan de rechterhand. Uit de gegevens van de forensisch geneeskundige E., zoals weergegeven door de arts Me., en de huisarts van verzoeker is niet gebleken dat verzoeker nierletsel heeft opgelopen. Daarnaast is niet gebleken dat E. op

het moment van zijn onderzoek bij verzoeker uitwendige letsels heeft vastgesteld. Voorts deelde Me. mee dat de gevoelsstoornissen aan de rechterhand zeer wel veroorzaakt konden zijn door het gebruik van de handboeien. Uit de verklaringen van de forensisch geneeskundige E. en van de huisarts was Me. echter niet gebleken dat er van blijvend letsel of beschadigde zenuwen sprake was geweest.4.3. Gelet op de wijze waarop verzoeker tegen de grond is gewerkt en het verzet dat hij daarbij heeft gepleegd, alsmede gelet op de aard van de verwondingen, is het aannemelijk dat deze verwondingen door de hiervoor onder 4.1. geschetste wijze van boeien zijn ontstaan. Uit de opgelopen verwondingen van verzoeker valt dan ook in de gegeven omstandigheden niet af te leiden dat verzoeker overal is geschopt en geslagen, althans tegen zijn heupen en in zijn nieren. Nu verzoeker voorts geen andere verwondingen heeft opgelopen dan aan knie, flank en hand, worden de verklaringen van de betrokken ambtenaren dat zij verzoeker niet hebben geschopt en geslagen aannemelijker geacht dan die van verzoeker. Overigens is het zeer wel denkbaar dat verzoeker, die dronken was, het wel toegepaste geweld als trappen en slaan heeft ervaren.5. Gelet op de wijze waarop verzoeker tegen de grond is gewerkt en waarop hij is geboeid, alsmede gezien de aard van verzoekers verwondingen en het voortdurende verzet van verzoeker, is het tegen verzoeker aangewende geweld, wat overigens ook zij van de opmerking over de peestransplantatie, niet disproportioneel te achten.6. De opmerking van verzoeker dat hij de politieambtenaren, voordat zij hem de boeien wilden omdoen, ervan in kennis had gesteld dat hij een peestransplantatie in de rechterhand (pols) had gehad, maar dat zij daar geen gehoor aan hadden willen geven (zie

Bevindingen

, onder E.), is door de politie onweersproken gebleven. Daarom wordt op dit punt van de lezing van verzoeker uitgegaan. Voorzover verzoeker met zijn mededeling over de peestransplantatie heeft willen aangeven dat hij om die reden niet had mogen worden geboeid, behoefde de politie daarmee echter, gelet op verzoekers eigen gedrag, geen rekening te houden. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.7. Ten overvloede wordt nog overwogen dat van het toepassen van geweld geen schriftelijke rapportage is opgemaakt. Daarmee is geen uitvoering gegeven aan de geldende voorschriften met betrekking tot het vastleggen van het gebruik van geweld door politieambtenaren (zie

Achtergrond

, onder 2.). Dit is niet juist.

II. Ten aanzien van het geboeid in een cel laten verblijven1. Verzoeker klaagt er in de tweede plaats over dat de politieambtenaren hem geboeid in een politiecel hebben laten verblijven.2. De korpsbeheerder heeft in zijn reactie op de klacht aangegeven dat gelet op het agressieve en emotionele gedrag van verzoeker, het niet verantwoord was verzoeker bij aankomst op het politiebureau onmiddellijk de handboeien af te doen.3. Bij aankomst op het politiebureau om 00.25 uur heeft de politie verzoeker geboeid ingesloten. Om 01.00 uur werd verzoeker, nog steeds geboeid, geleid voor de hulpofficier van justitie. In de loop van het gesprek tussen de hulpofficier van justitie en verzoeker zijn de handboeien bij verzoeker afgedaan.4. Het aanleggen van handboeien betekent een inbreuk op het grondrecht van de integriteit van het lichaam. Uitgangspunt zal moeten zijn dat tijdens het verblijf van een arrestant in een politiecel of ophoudruimte het (voortgezet) gebruik van handboeien niet behoort plaats te vinden. Immers, anders dan kan gelden voor de situatie van de aanhouding en het daar op volgende vervoer van de arrestant, mag in beginsel ervan worden uitgegaan dat iemand van wie de vrijheid is ontnomen en die wordt ingesloten in een cel of een ophoudkamer, al door die insluiting zelf op een zodanige wijze onder controle is geplaatst dat er geen toereikende reden meer bestaat voor het gebruik van handboeien. Dit neemt niet weg dat er in zeer bijzondere gevallen reden kan zijn voor een uitzondering op dit uitgangspunt. In dit verband kan aanknoping worden gezocht bij de omstandigheden zoals die zijn genoemd in artikel 22 van de Ambtsinstructie, betreffende het gebruik van handboeien ten behoeve van het vervoer van een arrestant (zie

Achtergrond

, onder 3.). Met name moet dan worden gedacht aan de situatie dat een re el risico bestaat dat de persoon die wordt of is ingesloten zichzelf letsel toebrengt of het leven van zichzelf in gevaar brengt, of dat hij, op het moment dat hij ongeboeid in de cel of ophoudruimte wordt geplaatst, anderen letsel toebrengt of het leven van anderen in gevaar brengt. Voorzover de betreffende politieambtenaar zou oordelen dat een dergelijke situatie zich voordoet, mag worden verwacht dat hij, alvorens hij eventueel overgaat tot het gebruik van handboeien (of tot het laten voortduren van het gebruik daarvan), eerst nagaat of

zich een minder vergaand alternatief voordoet om het bedoelde risico of gevaar af te wenden of te bespreken, zoals insluiting in een dronkemanscel, permanente camera-observatie (zie

Achtergrond

, onder 4.), of overdracht van de arrestant aan een collega die nieuw staat ten opzichte van de ingeslotene. Verder mag worden verwacht dat deze politieambtenaar zijn desbetreffende oordeel onverwijld ter toetsing voorlegt aan een meerdere, bij voorkeur de hulpofficier van justitie, voorzover niet al direct kan worden overgegaan tot voorgeleiding van de arrestant voor deze functionaris.5. Voldoende staat vast dat verzoeker, op het politiebureau aangekomen, agressief en emotioneel gedrag vertoonde. Gelet daarop was het niet onjuist dat de politie heeft geoordeeld dat er reden was voor het treffen van een maatregel die erop was gericht om dit gedrag op enigerlei wijze te beheersen.6. Uit het onderzoek zijn echter geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen op grond waarvan is gebleken dat zich van n van de hiervoor onder 4. genoemde bijzondere omstandigheden voordeed. Voor zover overigens n van deze omstandigheden zich zou hebben voorgedaan, had mogen worden verwacht dat dit onverwijld aan de hulpofficier van justitie zou zijn voorgelegd. Dit is niet gebeurd.7. Voorts is niet gebleken dat de politie heeft gezocht naar een mogelijkheid tot het beheersen van verzoekers gedrag die minder ver ging dan het gebruik van handboeien tijdens de insluiting. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.III. . Ten aanzien van een tweede waarschuwing van een arts1. Verzoeker is voorafgaand aan zijn geleiding voor de hulpofficier van justitie ingesloten geweest van 00.25 uur tot 01.00 uur. De politie had hem toen geboeid gelaten in verband met zijn emotionele en agressieve gedrag. Om omstreeks 02.30 uur is verzoeker in zijn cel bezocht door een arts, die de politie op verzoek van verzoeker had gewaarschuwd. Verzoeker klaagt erover dat niet voor de tweede keer een arts is gewaarschuwd. Hij verwijst daarbij naar het feit dat hij toen hij geboeid in een cel was ingesloten, onrustig gedrag vertoonde.2. Vast staat dat verzoeker tijdens zijn voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie rustiger werd. De arts die verzoeker om

omstreeks 02.30 uur bezocht, schreef hem twee pillen Oxazepan (10 mg) voor. De politie heeft dit medicijn vervolgens aan verzoeker verstrekt.3. Uit het onderzoek is niet gebleken dat verzoeker, nadat hij medicijnen verstrekt had gekregen, opnieuw om een arts of zijn medicijn XANAX heeft gevraagd. Evenmin is gebleken dat er overigens aanwijzingen voor de politie waren dat hij medische bijstand behoefde, bijvoorbeeld doordat hij opnieuw onrustig gedrag was gaan vertonen. De mededeling van verzoeker tijdens zijn verhoor bij de politie dat hij de hele nacht voor zich zelf had zitten herhalen dat hij zou zijn mishandeld, doet daaraan niet af. Op grond van het voorgaande bestond voor de politie geen noodzaak opnieuw een arts te waarschuwen (zie

Achtergrond

, onder 5.). De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.4. Ten overvloede wordt opgemerkt dat op het insluitingformulier van verzoeker geen melding is gemaakt van de aan verzoeker verstrekte medicijnen. Dit is niet juist (zie

Achtergrond

, onder 6.). IV. Ten aanzien van de klachtbehandeling1. Tot slot klaagt verzoeker erover dat de politie in het kader van de behandeling van zijn klacht van 27 september 1996 geen getuigen, onder wie zijn zoon, heeft gehoord.2. In zijn reactie op de klacht deelde de korpsbeheerder mee dat de klachtbehandelaar in het kader van klachtbehandeling een onderzoek instelt naar de 'relevante werkelijkheid'. Daarbij betrekt hij niet alleen het 'feitenmateriaal', maar ook de persoonlijke beleving van de klager/klaagster en de betrokken politieambtena(a)r(en). Vervolgens wordt, volgens de korpsbeheerder, beide partijen in het kader van 'wederhoor' mondeling dan wel schriftelijk de gelegenheid geboden op elkaars belevingen te reageren. De korpsbeheerder concludeerde daarop dat, in tegenstelling tot bij een strafrechtelijk onderzoek, niet alle getuigen worden gehoord. Om deze reden was afgezien van het horen van de zoon van verzoeker en het dienstdoende personeel van het restaurant van het bungalowpark. Wel was de beveiligingsbeambte als getuige gehoord. De chef van de basiseenheid Swalmen deelde daarnaast mee dat deze beveiligingsbeambte was gehoord omdat hij om de politie had verzocht, en duidelijk en objectief over de situatie kon verklaren.

3. Aangezien de lezingen van verzoeker en de betrokken ambtenaren uiteenliepen, met name wat betreft het bij de aanhouding toegepaste geweld, kon de lezing van getuigen relevant zijn voor het geven van een oordeel naar aanleiding van de klacht. De politie heeft daarom terecht de beveiligingsbeambte als getuige gehoord. Dit neemt echter niet weg dat ook de lezing van verzoekers zoon, die eveneens ter plaatse aanwezig was, relevant kon zijn voor het geven van een oordeel. Doordat deze mogelijkheid onbenut is gelaten, is onvoldoende recht gedaan aan het beginsel van behoorlijke klachtbehandeling dat het oordeel naar aanleiding van de klacht tot stand komt met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden, gebaseerd op toereikend onderzoek. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Limburg-Noord, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Limburg-Noord (de burgemeester van Venlo), is gegrond ten aanzien van het geboeid in een cel laten verblijven van verzoeker alsmede ten aanzien van de klachtbehandeling, en niet gegrond ten aanzien van het toegepaste geweld en het waarschuwen van een arts.

BIJLAGE

Achtergrond

1. Artikel 8, eerste lid van de Politiewet 1993 luidt als volgt:"De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf."2. In artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994; Stb. 275, in werking getreden op 1 april 1994) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:"1. De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt dit aanwenden van geweld, de redenen die daartoe hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld schriftelijk aan zijn meerdere. (...)3. De melding, bedoeld in het eerste (...) lid, geschiedt binnen 48 uur in de vorm van een rapport indien:a.       de gevolgen van het aangewende geweld daartoe, naar het oordeel van de meerdere, aanleiding geven, of b.       gebruik is gemaakt van enig geweldmiddel en lichamelijk letsel (...) veroorzaakt is. 4. Het rapport, bedoeld in het derde lid, wordt opgemaakt overeenkomstig het daarvoor door Onze Minister van Justitie en Binnenlandse Zaken vast te stellen model."3. In art. 22, lid 1 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994; Stb. 275, in werking getreden op 1 april 1994) is bepaald dat de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien kan aanleggen. De leden 2 en 3 van dit artikel luiden als volgt:         "2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met

het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.          3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:         a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of          b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, n en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt."4. Artikel 31 van de Ambtsinstructie, opgenomen onder hoofdstuk 6 met als titel 'Maatregelen jegens ingeslotenen', bepaalt het volgende:"1. De ambtenaar kan de ingeslotene na toestemming van de hulpofficier van justitie aan permanente camera -observatie onderwerpen.2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, is slechts geoorloofd in die gevallen waarin sprake is van een zodanige dreiging van gevaar voor het leven of de veiligheid van de betrokkene dat doorlopende controle ter afwending van dit gevaar noodzakelijk is.3. De betrokken ambtenaar doet aan de betrokkene mededeling van de permanente camera-observatie en maakt aantekening van de permanente camera-observatie."5. In artikel 32, eerste en derde lid van de Ambtsinstructie is het volgende bepaald:"1. In het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, overlegt de ambtenaar met de arts. De ambtenaar overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt. (...)3. In het geval de ingeslotene te kennen geeft geen medische hulp te willen hebben, terwijl er aanwijzingen zijn dat medische bijstand geweest is, waarschuwt de ambtenaar de arts en deelt hij deze de aanhouding van de ingeslotene mee."6. In de ingeslotenen-instructie en het huishoudelijk reglement met betrekking tot ingeslotenen van het regionale politiekorps Limburg-Noord, staat onder meer het volgende vermeld:

         "8. MEDISCHE VERZORGING 8.1 Voor de medische behandeling van gewone ingeslotenen wordt indien mogelijk steeds een beroep gedaan op de huisarts van de ingeslotene (max 10 km).          (...)          8.4 Verzoeken van ingeslotenen om medische bijstand worden door de verzorger geregistreerd en doorgegeven aan de artsen.          (...)          8.12 Indien medicijnen zijn voorgeschreven worden deze verstrekt conform het door de betrokken arts gegeven verstrekkingsvoorschrift.          8.13 Indien de door de arts voorgeschreven medicijnen niet in de eigen huisapotheek zijn, wordt via de wachtcommandant zorg gedragen voor het afhalen van deze medicijnen en dat deze conform het verstrekkingsvoorschrift aan de ingeslotene worden verstrekt.          (...) 8.19 De controles, waarschuwingstijdstippen, medicijnverstrekkingen, weigering inname medicijnen en dergelijke worden door de verzorger schriftelijk vastgelegd in het insluitingsformulier."7. Artikel 426, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht bepaalt het volgende:"Hij die, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert, hetzij in het openbaar (...) de orde verstoort, hetzij eens anders veiligheid bedreigt, (...) wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van de eerste categorie."

Instantie: Regiopolitie Limburg-Noord

Klacht:

Optreden rond aanhouding verzoeker (geweldgebruik; geboeid in cel; niet voor tweede maal arts gewaarschuwd); in kader van klachtbehandeling geen getuigen gehoord.

Oordeel:

Niet gegrond