Brief: Belastingdienst wijst terecht verzoek om betalingsregeling af

Een exploitant van een café heeft een belastingschuld opgelopen. De Belastingdienst weigert een betalingsregeling omdat het oude belastingschulden betreft. Lopende verplichtingen worden nagekomen en de onderneming is levensvatbaar. De Nationale ombudsman vindt de afwijzing een redelijke beslissing. De Belastingdienst geeft aan op welke manier wordt getoetst of mag worden afgeweken van het reguliere beleid. Het was wel beter geweest om in de oorspronkelijke beslissing al een dergelijke belangenafweging op te nemen. De Belastingdienst laat weten binnen de organisatie aandacht hiervoor te vragen. (2015.11883)

Instantie: Belastingdienst

Klacht:

niet bereid om verzoekers cliënt een betalingsregeling toe te staan

Oordeel: niet gegrond

De klacht is gericht tegen de weigering van de Belastingdienst om aan de onderneming een betalingsregeling toe te staan voor een belastingschuld die is terug te voeren op ambtshalve opgelegde belastingaanslagen. De onderneming voerde aan dat inmiddels de administratie op orde is gebracht, lopende (fiscale) verplichtingen stipt worden nagekomen en wekelijks op de schuld wordt ingelopen. Ook zou een deel van de schuld materieel niet verschuldigd zijn en is sprake van een levensvatbaar bedrijf. De  verhaalsmogelijkheden zijn beperkt en dwanginvordering zou het einde van de onderneming betekenen. Dat is volgens de onderneming niet in het belang van de onderneming noch de ''s-Rijks schatkist" .

De Nationale ombudsman oordeelt dat de Belastingdienst in redelijkheid kon komen tot zijn afwijzende beslissing op het verzoek om een betalingsregeling. In zijn beslissing gaat de Nationale ombudsman eerst in op de wijze van behandeling van klachten als die hier speelt. Vervolgens wordt aan de hand van dat toetsingskader ingegaan op de beslissing van de Belastingdienst. Met name de belangenafweging (artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht) door de Belastingdienst. In de aan de Nationale ombudsman voorgelegde beslissing blijkt niet van een dergelijke belangenafweging. Ter gelegenheid van het onderzoek van de Nationale ombudsman is de Belastingdienst - op verzoek – hierop alsnog ingegaan. De Belastingdienst geeft in algemene zin aan op welke manier wordt getoetst of  moet worden afgeweken van het reguliere toetsingsbeleid. In die toetsing kan de Nationale ombudsman zich vinden. Ook de aan de hand daarvan getrokken conclusie voor dit geval kan de Nationale ombudsman volgen. Daarbij merkt de Nationale ombudsman wel op dat het beter was geweest als de Belastingdienst in de oorspronkelijke beslissing al een dergelijke belangenafweging had opgenomen.

De Nationale ombudsman heeft met instemming kennisgenomen van de mededeling van de Belastingdienst dat deze klacht aanleiding vormt om binnen de organisatie aandacht te vragen voor het belang en de toepassing van bovenbedoelde belangenafweging en het volledig motiveren van de beslissingen op dit punt.

De reactie van betrokkenen op het voornemen het onderzoek te beëindigen gaf geen aanleiding om op dat voornemen terug te komen.

Geachte xxxxxxx,

U heeft namens uw cliënt (xxxxx) bij ons een klacht ingediend over de Belastingdienst. Op ons verzoek heeft u op 3 maart 2016 aanvullende informatie verstrekt.

Waar gaat het om?

Uw cliënt is ondernemer. Hij exploiteert een café in Amsterdam. Als gevolg van opstart- en privéproblemen heeft hij zich onvoldoende gerealiseerd aan welke fiscale verplichtingen hij moest voldoen. Dat leidde tot ambtshalve opgelegde belastingaanslagen. Het totaal aan belastingschuld is € 158.528.

De Belastingdienst is niet bereid om uw cliënt een betalingsregeling toe te staan. De reden is dat het gaat om zodanig oude belastingschulden dat geen accep-
tabel voorstel meer gedaan kan worden. Ook wordt met het gedane voorstel niet voldaan aan de eis dat een betalingsregeling niet langer mag lopen dan
12 maanden1. Voor zover u de materiële verschuldigdheid van de aanslagen aan de orde stelde, wees de Belastingdienst er op dat alsnog aangifte kon worden gedaan dan wel bezwaar kon worden gemaakt bij de inspecteur.

Uw klacht

U bent het met de beslissing van de Belastingdienst niet eens. U voert aan dat inmiddels een administratiekantoor de administratie op orde heeft gebracht. De lopende verplichtingen worden stipt nagekomen. Vanaf juni 2015 wordt een wekelijks bedrag van € 850 op de schuld afgelost2. Bovendien meent uw cliënt dat een belangrijk deel van de belastingschuld materieel niet verschuldigd is. Er is sprake van een levensvatbaar bedrijf en uw cliënt doet er alles aan om de belastingschuld binnen zijn mogelijkheden af te lossen. De verhaalsmogelijkheden zijn beperkt. Dwanginvordering betekent het einde van de onderneming waarbij uw cliënt niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien en met een aanzienlijke restschuld blijft zitten. Dat is ook niet in het belang van ''s-Rijks schatkist'.

Volgens u is sprake van een ontoereikende belangafweging door de Belastingdienst. Miskend wordt dat het belang van uw cliënt bij voortzetting van zijn evident levensvatbaar gebleken onderneming zwaarder moet wegen dan het belang van de Belastingdienst bij voortzetting van de invordering. U wijst op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het bestuursorgaan (hier: de ontvanger) handelt overeenkomstig de beleidsregel tenzij dat voor de belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Onderzoeksresultaat

Naar aanleiding van uw klacht heeft de Nationale ombudsman onderzoek ingesteld en informatie ingewonnen bij de Belastingdienst. Het resultaat daarvan treft u hieronder aan. De Nationale ombudsman trekt hieruit de conclusie dat de Belastingdienst in redelijkheid kon komen tot zijn afwijzende beslissing op het verzoek om een betalingsregeling. Dat betekent dat het onderzoek naar de door u ingediende klacht niet verder wordt voortgezet. Verder onderzoek kan aan deze conclusie niets toevoegen. Hieronder kunt u lezen hoe wij tot onze conclusie zijn gekomen.

Toetsingskader Nationale ombudsman

Als het gaat om klachten over de invordering van belastingschulden door de Belastingdienst, dan is de rol van de Nationale ombudsman het bieden van aanvullende rechtsbescherming. Dit omdat er geen mogelijkheid is om een oordeel van de bestuursrechter te vragen.

Onze rol is beperkt. Wij kijken of de beslissing van de Belastingdienst in overeenstemming is met het invorderingsbeleid van de Belastingdienst. Het gaat dan met name om de Leidraad Invordering 2008 waarin dit beleid is uitgewerkt. Daaraan moet de beslissing van de Belastingdienst voldoen. En daar mag u ook op vertrouwen. Dat is dan ook waar wij naar kijken. Wat wij niet kunnen is 'op de stoel van de Belastingdienst gaan zitten'. Anders gezegd, als de beslissing in overeenstemming is met het door de Belastingdienst te volgen invorderingsbeleid, is er geen aanleiding om die beslissing als niet behoorlijk aan te merken. Voor een bemiddelende rol is gelet op onze taak geen ruimte

De beslissing van de Belastingdienst

Materiële verschuldigdheid van de aanslagen

U voert aan dat een deel van de belastingaanslagen materieel niet verschuldigd is. Als uitstel van betaling wordt gevraagd voor een ambtshalve opgelegde belastingaanslag, verleent de ontvanger ten hoogste één maand uitstel om de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen alsnog bij de inspecteur een bezwaarschrift tegen de aanslag in te dienen. Dat bezwaarschrift moet vergezeld gaan van het ingevulde aangiftebiljet.3 Dit betekent dat de Belastingdienst u terecht heeft gewezen op de mogelijkheid om alsnog aangifte te doen c.q. bezwaar te maken. Uit de beslissing(en) van de Belastingdienst blijkt echter niet dat bovenbedoeld uitstel van één maand is verleend. In zoverre schiet de beslissing dan ook te kort. Hoe dan ook, gelet op het tijdsverloop sinds de beslissing van de Belastingdienst in beroep (7 oktober 2015) is met een verder onderzoek op dit punt geen reëel belang gemoeid

Overigens heeft mijn medewerker, de heer mr. R.A. Beemster, op dit punt nog contact opgenomen met de Belastingdienst. Dit omdat u op 24 november 2015 liet weten dat inmiddels de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) 2011 tot en met 2014 waren ingediend. Dit zou volgens u leiden tot een verlaging van de belastingschuld met circa € 40.000.

De Belastingdienst wees er op dat ook als de aangiften worden gevolgd de resterende schuld nog zodanig hoog blijft dat er binnen het geldende invorderingsbeleid geen ruimte is voor een betalingsregeling.

De belangenafweging (artikel 4:84 Awb)

In uw email van 29 december 2015 benadrukte u nogmaals dat bij de beslissing op het verzoek om een betalingsregeling een belangenafweging plaats moet vinden. U noemde als oplossing een betalingsregeling waarbij na drie jaar het restant wordt kwijtgescholden of buiten invordering gesteld.4

Dat het invorderingsbeleid niet voorziet in de door u voorgestane oplossing/betalingsregeling staat niet ter discussie (zie uw email van 14 januari 2016). De vraag die moet worden beantwoord is of er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de Belastingdienst toch een betalingsregeling als door u gewenst moet toestaan.

In de beslissing van de directeur Belastingen5 blijkt niet van een belangenafweging in de zin van artikel 4:84 Awb. Daarom hebben wij de directeur gevraagd om hierop alsnog nader in te gaan. Op 24 maart 2016 werd de reactie van
de Belastingdienst ontvangen (zie bijlage). Op verzoek van de Nationale ombudsman op 8 april jl. aangevuld met het rapport boekenonderzoek van
14 mei 2014. Hierin geeft de Belastingdienst in algemene zin aan op welke manier wordt getoetst of artikel 4:84 Awb meebrengt dat moet worden afgeweken van het reguliere invorderingsbeleid.Naar het oordeel van de Nationale ombudsman kan de Belastingdienst in zijn zienswijze omtrent de toetsing worden gevolgd. Een belangrijk aspect daarbij is dat van bijzondere omstandigheden slechts sprake is als het gaat om omstandigheden waarmee in de beleidsregels geen rekening is gehouden en waarbij strikte toepassing van deze beleidsregels zou leiden tot niet beoogde gevolgen.

Meer specifiek wijst de Belastingdienst er op dat het 'einde van de onderneming' geen bijzondere omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:84 Awb. In zijn algemeenheid geldt dat het invorderingstraject van de ontvanger kan leiden tot het einde van de onderneming. Dit gevolg is voorzien in dat beleid. Voorts stelt de Belastingdienst dat geen sprake is van onevenredigheid. Aan het tot stand komen van de belastingschuld ligt ten grondslag een gebrekkige administratie, diverse zwarte loonbetalingen, het afleggen van onjuiste verklaringen en het indienen van onjuiste belastingaangiften. Daarbij is – aldus de Belastingdienst – (voorwaardelijk) opzet vastgesteld. Daarmee concludeert de Belastingdienst dat uw cliënt de problemen zelf heeft veroorzaakt en dat daarom de gevolgen voor zijn rekening komen. Alles afgewogen brengt artikel 4:84 Awb volgens de Belastingdienst niet mee dat uw cliënt in afwijking van het reguliere invorderingsbeleid in aanmerking moet worden gebracht voor een regeling.

Naar het oordeel van de Nationale ombudsman kan de Belastingdienst in redelijkheid in zijn motivering en daaruit voortvloeiende beslissing ten aanzien van artikel 4:84 Awb worden gevolgd. Dat betekent tevens dat de Belastingdienst in redelijkheid kon komen tot zijn afwijzende beslissing op het verzoek om een betalingsregeling.

Wel constateren wij met de Belastingdienst dat het beter was geweest als uw cliënt in de beslissing op het beroep al was gewezen op het bovenstaande. De Nationale ombudsman neemt dan ook met instemming kennis van de mededeling van de Belastingdienst dat binnen de afdeling Wettelijke Taken nogmaals aandacht wordt gevraagd voor het belang en de toepassing van artikel 4:84 Awb. En dat nogmaals aandacht zal worden gevraagd voor het volledig motiveren van de beslissingen in dit kader. Daarbij gaat de Nationale ombudsman er van uit dat ook bij de ontvanger hieraan aandacht zal worden besteed. Wij zullen de afdeling Wettelijke Taken voor dit laatste aandacht vragen.

Voornemen tot sluiten dossier

Wij zullen het onderzoek naar de klacht dan ook sluiten. Zorgvuldigheidshalve stellen wij u in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken op dit voornemen te reageren.

Contact

Hebt u over deze brief nog vragen, dan kunt u contact opnemen met xxxxx. U kunt hem op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag bereiken via telefoonnummer xxxxx en emailadres bureau@nationaleombudsman.nl.

 

Met vriendelijke groet,

de Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Notes

[←1]

Gerekend vanaf de vervaldag van de belastingaanslag.

[←2]

Hiervan stuurt u steeds bewijs aan de Nationale ombudsman.

[←3]

Zie artikel 25.1.9 van de Leidraad Invordering 2008

[←4]

Op 14 januari 2016 aangepast naar een voorstel om gedurende 24 maanden een aflossing van € 800 per week te doen waarna een eventueel resterende belastingschuld buiten invordering wordt gesteld.

[←5]

Hier relevant de beslissing van de directeur Belastingen nu in het beroepschrift impliciet een beroep is gedaan op de belangenafweging ex artikel 4:84 Awb.

Publicatiedatum
Rapportnummer
Brief