2017/125 Scooter vernietigd na rit door broertje zonder bromfietsrijbewijs

De scooter van een man wordt in beslag genomen nadat zijn broertje voor de derde keer is betrapt op het rijden zonder bromfietsrijbewijs op zijn scooter. De man klaagt dat het OM de scooter heeft vernietigd voordat de rechter uitspraak heeft gedaan over zijn beklag. De ombudsman vindt dat het Openbaar Ministerie bij het in beslag nemen extra zorgvuldig moet zijn als de eigenaar iemand anders is dan degene die wordt beslagen.

Instantie: Openbaar Ministerie (OM)

Klacht:

machtiging tot vervreemding/vernietiging afgegeven voor in beslag genomen scooter

Oordeel: gegrond

Volgens de politie reed het broertje van verzoeker op verzoekers scooter en negeerde hij een rood verkeerslicht. De politie hield het broertje daarom staande. Het broertje reed op de scooter zonder in het bezit te zijn van een bromfietsrijbewijs. Volgens de politie was dit de derde keer dat het broertje werd betrapt op het rijden zonder rijbewijs. Het broertje werd daarom door de politie aangehouden en de scooter werd in beslag genomen. Verzoeker was het niet eens met de inbeslagname van zijn scooter en hij stelde beklag in bij de rechter, omdat hij zijn scooter terug wilde. De rechter bepaalde dat de scooter terug moest naar verzoeker en vervolgens bleek de scooter al te zijn vernietigd.

Verzoeker klaagde erover dat het Openbaar Ministerie een machtiging tot vervreemding/vernietiging had afgegeven voor zijn in beslag genomen scooter.

Zoals de Nationale ombudsman in zijn rapport "Waar is mijn auto?" (2016/075) heeft aanbevolen, dient het OM binnen een korte termijn na het indienen van een klaagschrift te beoordelen of een voorwerp kan worden teruggegeven en, zo nee, of moet worden gewacht met het vervreemden/vernietigen van het voorwerp totdat de rechter heeft beslist op het klaagschrift. Nu het OM een dergelijke beoordeling in verzoekers geval niet had verricht, was de Nationale ombudsman van oordeel dat het OM verzoeker de kans had ontnomen om het door hem met het klaagschrift beoogde doel (teruggave van de scooter) te bereiken en had het OM gehandeld in strijd met het vereiste van fair play. Daarnaast was de Nationale ombudsman van oordeel dat het OM verzoeker had moeten informeren over de afgegeven machtiging tot vervreemding/vernietiging.

Kader

De politie kan voorwerpen in beslag nemen, Domeinen is de instantie die in beslag genomen voorwerpen bewaart en het Openbaar Ministerie (OM) beslist of een in beslag genomen voorwerp kan worden teruggegeven of niet. Het OM kan ook beslissen dat een voorwerp wordt vernietigd of vervreemd. De politie kan voorwerpen, zoals een scooter, in beslag nemen voor onderzoek naar (mogelijk) strafbare feiten die zijn gepleegd. Als de beslagene/eigenaar het in beslag genomen voorwerp terug wil, dan kan diegene beklag instellen bij de rechter. De rechter beoordeelt dan het ingediende klaagschrift en kan vervolgens bepalen dat het voorwerp moet worden teruggegeven. Het instellen van beklag heeft geen opschortende werking. Dit betekent dat een voorwerp kan worden vervreemd/vernietigd, terwijl de beklagprocedure loopt. Als een voorwerp wordt verkocht en het beslag vervolgens wordt beëindigd, dan wordt de waarde uitgekeerd die het voorwerp op de openbare veiling heeft opgebracht of redelijkerwijs zou hebben opgebracht. Dit is in het algemeen een aanzienlijk lagere waarde dan de vervangingswaarde van het voorwerp.

In augustus 2016 heeft de Nationale ombudsman een rapport uitgebracht over de uitvoeringspraktijk van inbeslagname van voorwerpen. In dit rapport "Waar is mijn auto?" (2016/075)1 heeft de Nationale ombudsman meerdere aanbevelingen gedaan waarmee de politie, het OM en Domeinen aan de slag zijn gegaan. Eén van de aanbevelingen in dit rapport luidt:

- waarborg dat binnen een korte termijn na het indienen van een klaagschrift door het OM wordt beoordeeld of een voorwerp kan worden teruggegeven en, zo nee, of moet worden gewacht met vervreemden/vernietigen van het voorwerp totdat de rechter heeft beslist op het klaagschrift.

Aanleiding

Volgens de politie reed het broertje van verzoeker in oktober 2014 op een scooter en negeerde hij een rood verkeerslicht. De politie hield het broertje daarom staande. Het broertje van verzoeker reed op de scooter zonder in het bezit te zijn van een bromfietsrijbewijs. De scooter waar hij op reed was eigendom van verzoeker. De politie deed navraag bij de meldkamer en volgens de politie bleek vervolgens dat dit de derde keer was dat het broertje werd betrapt op het rijden zonder rijbewijs. Het broertje werd door de politie aangehouden en de scooter werd in beslag genomen. Verzoeker was het niet eens met de inbeslagname van zijn scooter en hij stelde beklag in bij de rechter, omdat hij zijn scooter terug wilde. De rechter verklaarde het beklag gegrond en bepaalde dat de scooter terug moest naar verzoeker. Vervolgens bleek de scooter al te zijn vernietigd. Voorafgaand aan de vernietiging was de scooter getaxeerd op een bedrag van € 175. Na de beslissing van de rechter in de beklagprocedure, heeft Domeinen dit bedrag dan ook aangeboden aan verzoeker. Hij heeft dit bedrag niet geaccepteerd, omdat de scooter volgens hem veel meer waard was. Het broertje heeft een strafbeschikking gekregen voor het rijden zonder rijbewijs.

Chronologisch heeft in dit geval het volgende plaatsgevonden:

- op 31 oktober 2014 is de scooter in beslag genomen; - op 11 december 2014 heeft het OM een machtiging tot vervreemding/vernietiging afgegeven; - op 12 december 2014 heeft verzoeker beklag ingesteld; - op 5 maart 2015 is de scooter vernietigd; - op 13 maart 2015 is het beklag door de rechter gegrond verklaard en is teruggave van de scooter gelast; - op 28 april 2015 is aan het broertje van verzoeker een strafbeschikking opgelegd.

Klacht

Verzoeker klaagt erover dat het OM eind 2014 een machtiging tot vervreemding/ vernietiging heeft afgegeven voor zijn in beslag genomen scooter.

Bevindingen

Informatie politie

Tijdens het onderzoek heeft de Nationale ombudsman informatie bij de politie opgevraagd. Hieruit bleek dat het broertje volgens de politie één keer eerder (in maart 2014) zonder rijbewijs op verzoekers scooter had gereden en hij dit één keer (in oktober 2013) op een andere scooter/brommer had gedaan. Toen het broertje in maart 2014 op de scooter van verzoeker reed, is hij niet staande gehouden en is de scooter niet in beslag genomen. De politie heeft toen telefonisch contact met verzoeker gehad over de omstandigheid dat zijn broertje zonder rijbewijs op verzoekers scooter reed. Verder heeft de politie laten weten dat het niet gebruikelijk is dat als een bestuurder van een motorrijtuig wordt staande gehouden voor het rijden zonder rijbewijs, er een waarschuwingsbrief naar de eigenaar wordt gestuurd. Volgens de politie was ook in dit geval niet gebleken van een dergelijke waarschuwingsbrief. Verder blijkt uit de stukken van de politie dat overleg is gevoerd met een officier van justitie over de in beslag genomen scooter en de officier van justitie heeft beslist dat het beslag moest worden gehandhaafd in verband met verbeurdverklaring. Verbeurdverklaring is een bijkomende straf met als bedoeling de veroordeelde in zijn vermogen te treffen.

Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt dat zijn broertje zonder zijn toestemming op de scooter reed. Volgens verzoeker heeft zijn broertje meteen aan de politie verteld dat de scooter van verzoeker was en bleek dit ook uit de kentekenpapieren die eveneens in beslag werden genomen. Verzoeker heeft zich meerdere malen als eigenaar van de scooter gemeld bij het politiebureau. Verzoeker stelt dat de scooter nog geen drie jaren oud was en de scooter tussen de € 1.100 en € 800 waard was. Volgens verzoeker had zijn broertje één keer eerder op een scooter/brommer gereden zonder rijbewijs. Verzoeker stelt dat het OM had moeten wachten met het nemen van een beslissing ten aanzien van zijn scooter totdat de rechter op zijn beklag had beslist. Nu heeft de rechter bepaald dat de scooter terug moet, maar is de scooter vernietigd. Verzoeker vindt dat de scooter nadat deze in beslag was genomen, aan hem had moeten worden teruggegeven.

Reactie OM

Tijdens de interne klachtbehandeling heeft het OM gesteld dat het broertje van verzoeker voor de derde keer was aangehouden voor rijden zonder rijbewijs. Hierdoor was de scooter volgens het OM vatbaar voor verbeurdverklaring. Het OM heeft erop gewezen dat volgens de Aanwijzing inbeslagneming (zie Achtergrond) het binnen drie jaar herhaald rijden zonder rijbewijs leidt tot inbeslagneming van het voertuig. Het OM stelt verder onder verwijzing naar jurisprudentie dat de eigenaar van het in beslag genomen voorwerp niet op de hoogte hoeft te worden gesteld van het afgeven van een machtiging tot vervreemding/vernietiging. Daarnaast wijst het OM erop dat voorwerpen mogen worden vernietigd als de kosten van bewaring niet in redelijke verhouding staan tot de waarde van de voorwerpen. Gezien de lage taxatiewaarde van de scooter, is deze vernietigd.

Standpunt minister van Veiligheid en Justitie

Naar aanleiding van het onderzoek van de Nationale ombudsman heeft de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) gesteld dat in artikel 33a, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat voorwerpen met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring (zie Achtergrond). Verder heeft de minister gesteld dat artikel 33a, tweede lid, onder a, bepaalt dat verbeurdverklaring van een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort mogelijk is, indien degene aan wie het voorwerp toebehoort, wel bekend was met het gebruik in verband met een strafbaar feit. Indien – zoals in dit geval – degene aan wie het voorwerp toebehoort, bekend is met het gebruik van het voorwerp door een derde die hiermee een strafbaar feit pleegt, houdt het OM geen rekening met de benadeling van de eigenaar. Immers degene die het voorwerp ter beschikking heeft gesteld, in dit geval heeft uitgeleend, wist dat het gebruik ervan een strafbaar feit zou opleveren. Naar het oordeel van het OM dienen gevolgen van dit handelen dan ook voor rekening en risico van verzoeker te komen.

Volgens de minister is de scooter niet aan verzoeker teruggegeven, omdat de scooter vatbaar was voor verbeurdverklaring als gevolg van het feit dat hij werd bereden door iemand die, voor de derde keer werd aangehouden voor het rijden zonder rijbewijs.

Uit de informatie waarover de Nationale ombudsman beschikt, blijkt niet dat het OM de al afgegeven machtiging tot vervreemding/vernietiging heeft heroverwogen naar aanleiding van het door verzoeker ingediende klaagschrift. Verder blijkt uit deze informatie niet dat het OM verzoeker heeft geïnformeerd over de afgegeven machtiging tot vervreemding/ vernietiging.

Beoordeling

Het vereiste van fair play houdt in dat de overheid de burger de mogelijkheid geeft om zijn procedurele kansen te benutten en daarbij zorgt voor een eerlijke gang van zaken. Dit brengt onder andere met zich mee dat de overheid de burger actief en goed informeert over procedurele mogelijkheden en beslissingen die worden/zijn genomen.

In dit geval zijn de beslagene (de persoon onder wie het voorwerp in beslag wordt genomen, het broertje) en de eigenaar (verzoeker) niet dezelfde persoon. De Nationale ombudsman is van oordeel dat in een dergelijk geval extra zorgvuldigheid is geboden bij het nemen van beslissingen door het OM ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp. Het OM dient zich ervan rekenschap te geven dat de eigenaar kan worden benadeeld door een beslissing, terwijl de eigenaar niet de persoon was die het (mogelijk) strafbare feit heeft gepleegd. Zoals de Nationale ombudsman in zijn rapport “Waar is mijn auto?” heeft aanbevolen,2 dient het OM binnen een korte termijn na het indienen van een klaagschrift te beoordelen of een voorwerp kan worden teruggegeven en, zo nee, of moet worden gewacht met het vervreemden/vernietigen van het voorwerp totdat de rechter heeft beslist op het klaagschrift.

In dit geval hebben het indienen van het klaagschrift (op 12 december 2014) en het afgeven van de machtiging tot vernietiging/vervreemding (op 11 december 2014) elkaar waarschijnlijk gekruist. De scooter is echter pas op 5 maart 2015 vernietigd. Dit betekent dat het OM na het indienen van het klaagschrift voldoende tijd had om de al afgegeven machtiging tot vernietiging/vervreemding te heroverwegen en alsnog te beslissen tot teruggave of het bewaren van de scooter totdat de rechter op het klaagschrift had beslist. Bij deze heroverweging had het OM dienen mee te wegen dat de eigenaar niet de persoon was die het (mogelijk) strafbare feit had gepleegd en de eigenaar benadeeld zou kunnen worden door een vervreemding/vernietiging. Niet is gebleken dat het OM een dergelijke heroverweging heeft verricht. Door de al afgegeven machtiging tot vervreemding/vernietiging niet te heroverwegen nadat verzoeker een klaagschrift had ingediend, heeft het OM verzoeker de kans ontnomen om het door hem met het klaagschrift beoogde doel (teruggave van de scooter) te bereiken en heeft het OM gehandeld in strijd met het vereiste van fair play.

Verder is niet gebleken dat het OM verzoeker heeft geïnformeerd over de afgegeven machtiging tot vervreemding/vernietiging. Zoals de Nationale ombudsman in zijn rapport "Waar is mijn auto?" heeft overwogen, dient het OM een burger hierover te informeren als de burger zich actief meldt bij de politie of het OM met de mededeling dat hij zijn spullen terug wil. Nu verzoeker zich door middel van het indienen van een klaagschrift had gemeld en had aangegeven zijn scooter terug te willen, had het OM hem dienen te informeren over de afgegeven machtiging tot vervreemding/vernietiging. Door verzoeker hierover niet te informeren, heeft het OM hem de kans ontnomen om te proberen de vervreemding/vernietiging te voorkomen en heeft het OM ook op dit punt gehandeld in strijd met het vereiste van fair play.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Openbaar Ministerie is gegrond wegens strijd met het vereiste van fair play.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Achtergrond

Aanwijzing inbeslagneming

Verbeurdverklaring

Verbeurdverklaring (artikel 33 e.v. Sr) is een bijkomende straf. Bij de oplegging daarvan wordt beoogd de veroordeelde in zijn vermogen te treffen. Dit laat onverlet dat ook een voorwerp van weinig waarde kan worden verbeurdverklaard, wat overigens niet betekent dat zo’n voorwerp bewaard dient te blijven (zie IV). Om een voorwerp of een geldbedrag te kunnen verbeurdverklaren, dient er sprake te zijn van een zekere relatie tussen het voorwerp of geld, en het strafbare feit (zie de gevallen genoemd in artikel 33a Sr). Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld gereedschap waarmee een inbraak is gepleegd, de auto van waaruit werd gedeald, maar ook geld of goederen bij witwassen.

Ook een voorwerp of geldbedrag dat niet aan de beslagene toebehoort kan worden verbeurdverklaard. Dat kan als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die relatie tussen het voorwerp en een strafbaar feit bestond, en als niet kan worden vastgesteld aan wie het voorwerp of geldbedrag toebehoort.

De verbeurdverklaring dient proportioneel te zijn: de waarde van het verbeurdverklaarde moet in verhouding staan tot de ernst van het delict en daarmee tot de te verwachten strafoplegging. Als de verdachte of een ander door de verbeurdverklaring onevenredig worden getroffen, kan de rechter het verschil doen vergoeden.

Inbeslagneming is geen vereiste voor verbeurdverklaring. De rechter kan uitlevering van niet-inbeslaggenomen voorwerpen opleggen bij de verbeurdverklaring; de officier van justitie kan bij de rechter de uitlevering bij de verbeurdverklaring vorderen.

Verbeurdverklaring kan slechts worden uitgesproken bij veroordeling ter zake van een strafbaar feit en derhalve niet bij een vrijspraak of bij een ontslag van alle rechtsvervolging. Verbeurdverklaring kan zowel afzonderlijk als in combinatie met een hoofdstraf en andere bijkomende straffen worden opgelegd (artikel 9 lid 5 Sr).

107 WVW 1994

(rijden zonder rijbewijs)

Bij eerste overtreding teneinde voortzetting van het delict te verhinderen, voertuig in beslag nemen, doch aan een door de eigenaar/houder gemachtigde bestuurder teruggeven.

Bij herhaald plegen binnen 3 jaar voertuig in beslag nemen.

Wetboek van Strafrecht

Artikel 33a

1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:

a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;

b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;

c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;

d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;

e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;

f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.

2. Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:

a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of

b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.

Notes

[←1]

Dit rapport is te raadplegen via www.nationaleombudsman.nl

[←2]

Rapport 2016/075, te raadplegen via www.nationaleombudsman.nl

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/125