2017/041 Politie Rotterdam gebruikt zonder waarschuwing onnodig fysiek geweld en zet politiehonden in

Een groep mensen klaagt erover dat ze door een politie-linie en inzet van drie politiehonden met fysiek geweld zijn verwijderd uit een park. Drie personen worden aangehouden omdat ze zich strafbaar hebben gedragen. Ze klagen hierover bij de Nationale ombudsman. De ombudsman vindt dat er in deze situatie minder ingrijpende middelen voorhanden waren. De inzet van de linie en het gebruikte geweld vindt hij disproportioneel.

Instantie: Politiechef regionale eenheid Rotterdam

Klacht:

zonder waarschuwing fysiek geweld tegen verzoekers gebruikt

Oordeel: gegrond

Instantie: Politiechef regionale eenheid Rotterdam

Klacht:

getrapt en met een wapenstok op de rug van verzoekster G. geslagen

Oordeel: gegrond

Instantie: Politiechef regionale eenheid Rotterdam

Klacht:

verzoeker W. in zijn rug getrapt en, terwijl hij op de grond lag, met een wapenstok geslagen

Oordeel: gegrond

Instantie: Politiechef regionale eenheid Rotterdam

Klacht:

verzoeker P. tegen zijn rug geslagen en, terwijl hij op de grond lag, eveneens geslagen met een wapenstok

Oordeel: gegrond

Dit rapport gaat over drie verzoekers G., W. en P., die op een zomerse avond in 2014 door een politie-linie met fysiek geweld zijn verwijderd uit het Vroesenpark in Rotterdam. Op de bewuste avond vond er een barbecue plaats. Op het moment dat er een auto het veld van het Vroesenpark op wordt gereden om spullen van een barbecue in te laden, is de situatie uit de hand gelopen. De politie ziet zich geconfronteerd met een groep van tien tot twaalf mensen, waarvan sommigen zich misdragen. Het staat niet ter discussie dat zeker drie personen van de groep zich strafbaar hebben gedragen en om die reden werden aangehouden. Er heerste een grimmige sfeer en meerdere aanwezigen hebben zich op zijn minst recalcitrant gedragen.

Het door de politie vormen van een linie, met daarbij de inzet van drie politiehonden en het vervolgens uitvoeren van een charge met geweld over een langere afstand, is naar het oordeel van de Nationale ombudsman een zeer ingrijpend middel, dat slechts dan kan worden ingezet als er geen andere, minder ingrijpende middelen voorhanden zijn om hetzelfde doel, namelijk het herstellen van de openbare orde en het creëren van werkruimte, te bereiken. De vraag rijst of in deze situatie nog minder ingrijpende middelen voorhanden waren. De Nationale ombudsman vindt van wel.

Hiervoor is van belang dat op het moment dat de linie werd gevormd, de groep aanwezigen bestond uit ongeveer tien tot twaalf personen. De politie was op zijn minst met evenveel mankracht aanwezig was, waaronder vier hondengeleiders met hun diensthond. Daarvoor hadden de drie aanhoudingen al plaatsgevonden. Na de tweede aanhouding is tot twee keer toe door een politieambtenaar aan de meldkamer gemeld dat het redelijk rustig was en de situatie voorlopig onder controle. De derde aanhouding door middel van de inzet van een politiehond vormde de directe aanleiding tot het vormen van de linie en het uitvoeren van een charge, zodat er werkruimte kon worden gecreëerd voor het afhandelen hiervan. De ombudsman is van mening dat gelet op de aanwezigheid van vier diensthonden en de hoeveelheid aanwezige politieambtenaren, het creëren van werkruimte ook op een andere, minder ingrijpende manier had kunnen worden vormgegeven. Het vormen van een linie ten behoeve van het afschermen van de collega's is op zich zelf voorstelbaar, maar het uitvoeren van de charge en het daarbij gebruikte geweld acht de ombudsman in deze situatie disproportioneel. Nu de ombudsman de inzet van de linie en de daaropvolgende charge disproportioneel acht, is daarmee het tegen verzoekers uitgeoefende geweld ook niet behoorlijk.

Alles overziend was het politieoptreden niet proportioneel en heeft de politie het grondrecht van verzoekers, te weten het recht op lichamelijk integriteit, onvoldoende gerespecteerd.

Grondrecht, lichamelijke integriteit. Niet behoorlijk.

Klacht

Verzoekers klagen erover dat politieambtenaren van de regionale eenheid Rotterdam op 16 augustus 2014 in het Vroesenpark te Rotterdam zonder waarschuwing fysiek geweld tegen hen hebben gebruikt.

Verzoekster G. klaagt erover dat zij getrapt is en met een wapenstok op haar rug is geslagen. Verzoeker W. klaagt erover dat hij in zijn rug is getrapt en, terwijl hij op de grond lag, met een wapenstok is geslagen. Verzoeker P. klaagt er ten slotte over dat hij tegen zijn rug is geslagen en, terwijl hij op de grond lag, eveneens is geslagen met een wapenstok.

Bevindingen

Vooraf
Dit rapport gaat over drie verzoekers G., W. en P., die op een zomerse avond in 2014 door een politie-linie met fysiek geweld zijn verwijderd uit het Vroesenpark in Rotterdam. Er heeft grondig klachtonderzoek door de politie Rotterdam en de klachtencommissie Rotterdam plaatsgevonden in alle drie de zaken. Ook hebben verzoekers op meerdere momenten hun standpunten uitvoerig naar voren gebracht. De Nationale ombudsman heeft van alle stukken kennis genomen en hieronder - gelet op de leesbaarheid van het rapport - kort weergegeven wat de relevante feiten en standpunten zijn.

Wat is er gebeurd?
Uit het politieonderzoek, de klachtendossiers en het onderzoek van de Nationale ombudsman komt het volgende beeld naar voren.
Op een dag in augustus heeft een groep van ongeveer 35 personen in het Vroesenpark tussen 15:00 uur en 21:00 uur deelgenomen aan een barbecue. Zo ook verzoekers G. en W. Verzoeker P. heeft niet deelgenomen aan de barbecue, maar kende wel enkele aanwezige personen en heeft 's middags wat stoelen gebracht. Daarna is hij weer naar huis gegaan. Na 21:00 uur gaat een groep van tussen de 10 à 12 overgebleven personen de boel opruimen. Verzoeker W. en verzoekster G. maakten deel uit van deze overgebleven groep. Meerdere mensen van de groep hadden (rijkelijk) alcohol genuttigd, en ook staat vast dat minstens één persoon harddrugs had gebruikt en bij zich had. Rond 22.00 uur komt verzoeker P. terug naar het park om verzoeker W. op te halen. Zij lopen samen het park uit. Eén van de personen van de overgebleven groep rijdt ook omstreeks 22:00 met een auto van iemand anders het park in zodat de spullen die nog op het veld staan, kunnen worden ingeladen. Twee politieambtenaren nemen dit waar en rijden met hun dienstvoertuig het veld op om aan de eigenaar van de auto een bekeuring te geven. Vanaf dat moment gaat het eigenlijk mis. Deze twee politieambtenaren hebben om versterking gevraagd, waarop er een tweede politie eenheid ter plaatse komt. Politieambtenaar X maakt hiervan deel uit. Het gesprek met de eigenaar van de auto en een aantal omstanders verloopt moeizaam, met name met één persoon die zich zeer luidruchtig gedraagt. Politieambtenaar X besluit om enig moment om deze man aan te houden, waarop deze persoon wegrent. Na een korte achtervolging door drie politieambtenaren weet politieambtenaar X de man aan te houden waarbij pepperspray is gebruikt. De groep heeft zich dan gesplitst; een groep blijft bij de auto en een groep rent de drie politieambtenaren achterna en belaagt hen. Hierbij wordt nog één man na een achtervolging buiten het park aangehouden. Politieambtenaar X heeft om 22.23 uur om spoedassistentie gevraagd en vraagt hierbij expliciet om een hondengeleider met een politiehond. Hij vindt de situatie dermate dreigend dat hij zijn holster ontgrendelt en zijn hand op zijn vuurwapen legt.

Ondertussen verloopt het contact tussen de eigenaar van de auto en de daar nog aanwezige politieambtenaar redelijk goed. De auto moet worden verplaatst en omdat niemand van de groep in staat is om te rijden (gedronken, geen rijbewijs), belt verzoekster G. naar verzoeker W. met de vraag of hij de auto wil verplaatsten. Verzoeker W. bevindt zich dan samen met verzoeker P. buiten het park. Zij gaan terug het park in en daar aangekomen spreekt een politieambtenaar verzoeker P. aan met de vraag of hij de auto wil verplaatsen. Dat wil hij wel. Hij doet nog een blaastest, en deze is prima. Dan blijkt dat de autosleutels weg zijn en dat de auto niet kan worden verplaatst. Korte tijd hierop lopen verzoekers P. en W. weer het park uit. Om 22.26 uur meldt een verbalisant nog dat het "op het park redelijk rustig" is. Om 22:31 uur wordt ook "voorlopig onder controle" gemeld. Geleidelijk aan zijn er steeds meer politieambtenaren het park binnen komen lopen, waaronder ook hondengeleiders met diensthonden. Zij reageren allen op de oproep om spoedassistentie van politieambtenaar We. Het gesprek tussen de eigenaar van de auto en de dan aanwezige politieambtenaren loopt uit de hand, waarop de eigenaar op enig moment wordt aangehouden met behulp van een diensthond. Volgens de politie heeft de inzet van de hond grote impact op de groep, en keren zij zich op dat moment tegen de politie.

Politieambtenaar Y. besluit dan om alle aanwezige politieambtenaren een linie te laten vormen, zodat de politie achter de linie de eigenaar van de auto kan aanhouden. De linie heeft een charge uitgevoerd over een afstand van ongeveer 50 tot 150 meter, in de richting van een uitgang van het park. Het staat vast dat er op dat moment minstens evenveel politieambtenaren als burgers aanwezig waren, en dat er zich in de linie in elk geval drie hondengeleiders met hun diensthond bevinden. In totaal zijn er vier hondengeleiders met diensthond in het park aanwezig. Volgens de verklaringen van de betrokken politieambtenaren, en gelet op de opgemaakte geweldmutaties, is er tijdens de charge geduwd, getrapt (afhoud-trappen) en geduwd/geslagen met de (lange) wapenstok.

Verzoekster G., die in de buurt van de auto stond, is door de politieambtenaren in de linie getrapt en is met een wapenstok in haar rug geslagen. Verzoekers P. en W. waren al bijna bij de uitgang van het park, toen zij door de linie uit het park werden verdreven. Verzoeker P. is daarbij meerdere keren met een wapenstok geslagen, ook toen hij op de grond lag. Verzoeker W. is in zijn rug getrapt en ook met een wapenstok geslagen, terwijl hij al op de grond lag.

Slechts enkele minuten nadat de groep uit het park was verdreven, is een aantal personen door de politie weer terug het park ingelaten om de spullen van de barbecue alsnog op te ruimen.

Tijdlijn op grond van mutatie meldkamergesprek

22.22 uur bijvragen extra wagen door politieambtenaar X.
22.23 uur 1 man aangehouden en gepepperd. Verzoek 2de hondenmannen
22:24 uur op het grote veld in het park worden we belaagd door groep.
22:25 uur achtervolging tweede verdachte
22:26 uur mededeling op het park redelijk rustig
22:29 uur agent staat met tweede arrestant op de Z-straat. Rest van de voertuigen naar het Vroesenpark
22:31 uur mededeling: staat nog een groep waar de 0503 staat. Voorlopig onder controle.
22:33 uur 1 aanhouding door middel van diensthond (derde verdachte), we gaan ze uit het park halen/drijven, wat mensen op ons nek gehad tijdens de aanhouding.
22:33 uur De focus is rust
22:34 uur we gaan de groep het park uitdrijven en richten ons op wat aanhoudingen.
22:36 uur groep probeert terug te komen naar het park.
22:37 uur ongeveer een groep van vijf man. In het begin bestond de groep uit circa 10 personen.
22:40 uur 1 van de groep komt spullen terughalen, kunnen we redelijk mee praten. De rest is nu weg. We gaan zo afbouwen.

Uit het mutatieverslag blijkt dat in elk geval elf eenheden zich bij de meldkamer hebben aangemeld voor dit incident.

Standpunten verzoekers
Verzoekers hebben naar voren gebracht dat het inderdaad zo kan zijn dat er voorafgaand aan het vormen van de bewuste linie door de politie, zich zaken hebben voorgedaan waartegen de politie met geweld moest optreden. De hele groep had echter niet over één kam geschoren mogen worden, en ook zeker niet als dit personen zijn die zich op grote afstand van de locatie bevinden waar de incidenten hebben plaatsgevonden. Op het moment dat de politie het nodig vond om de kleine groep uit het park te verdrijven, was het rustig en bevonden er zich meer politieagenten dan aanwezigen van de groep in het park. Verzoeker P. gaf aan dat uit het interne klachtonderzoek bij de politie was gebleken dat alle beschikbare eenheden op de oproep "spoedassistentie" af kwamen. Volgens verzoeker waren er minstens 25 politiemensen, inclusief vier hondengeleiders, op het veld aanwezig. Alle verzoekers benadrukken dat zij zelf nog maar met hoogstens tien personen aanwezig waren. Daarbij was uit geen enkele registratie van de politie gebleken dat er op het moment van het vormen van de linie sprake was van een fysieke dreiging in de richting van de politie. Verzoekers achtten het kwalijk dat de politie, ondanks hun getalsmatige overmacht, niet in staat was een klein aantal mensen uit het park te verwijderen, zonder daarbij geweld te gebruiken. Ook vonden verzoekers de actie van de politie onvoldoende doordacht, en zelfs impulsief. Binnen een minuut verlegde zij de focus van het creëren van rust in het park, naar het ontruimen van het hele park. Om 22.26 uur had een agent rust gemeld op het grote veld, en ook politieambtenaar We. meldde om 22.31 uur dat de situatie onder controle was. Het vormen van de linie gebeurde volgens verzoekers nadat alle aanhoudingen al had plaatsgevonden, en op het moment dat de rust was teruggekeerd. Er was niet goed overzicht gehouden, dan wel gecommuniceerd.

Verzoekster G. gaf aan dat zij - nadat de eigenaar van de auto was aangehouden - net weer was begonnen met het opruimen van spullen, toen er plotseling allemaal politiebusjes het veld op reden. Hieruit sprongen enorm veel politieagenten. De agenten renden als dolle op hen af en begonnen zonder waarschuwing op hen in te slaan met wapenstokken en te trappen. Ondertussen riepen de politieagenten dat ze weg moesten gaan, maar volgens verzoekster kregen ze daar niet de gelegenheid voor. Ook sprongen de honden op hen. Haar zusje viel op de grond en kreeg niet de kans op om te staan. De agenten sloegen gewoon door. Verzoekster G. gaf aan dat de groep agenten steeds groter werd, en ook het aantal honden. Verzoekster heeft in doodsangst verkeerd en was in shock. Het optreden met geweld was totaal overbodig, er was nog maar een kleine groep over, de aanhoudingen waren achter de rug en als de politie rustig had gevraagd of zij weg wilden gaan dan hadden ze dat zeker gedaan.

Verzoekers W. en P. liepen op het moment dat zij door de linie het park uit werd verdreven, al in de buurt van de uitgang van het park. Zij benadrukken dat zij geen waarschuwing hebben gekregen en dat zij in hun rug werden getrapt waardoor zij ten val kwamen. Vervolgens zijn zij beiden meermalen met een wapenstok over hun gehele lichaam geslagen. Verzoeker P. gaf nog aan dat hij door een hondengeleider met zijn diensthond achtervolgd is buiten het park en de openbare weg op is gedreven, hetgeen een gevaarlijke situatie opleverde.

Advies klachtencommissie politie eenheid Rotterdam
De klachten van verzoekers G. en W. zijn op een eerder moment behandeld door de klachtencommissie dan de klachten van verzoeker P. Ook de samenstelling van de klachtencommissie was anders. Beide klachtencommissies hebben het incident goed onderzocht en een gemotiveerd advies neergelegd.

De klachtencommissie die de klachten van verzoekers G. en W. behandelde kwam tot een ongegrond verklaring van de klachten. De commissie overwoog hiertoe – kort weergegeven – dat aanvankelijk de sfeer tussen de aanwezige groep en de politie rustig en coöperatief was, maar dat de sfeer steeds grimmiger werd doordat een aantal jongeren, al dan niet onder invloed van alcohol, zich dusdanig misdroeg tegenover de aanwezige politie dat deze zich genoodzaakt voelde om uiteindelijk spoedassistentie te vragen. Toen de spoedassistentie arriveerde besloot de politie om het park 'schoon te vegen' om op die manier een rustige werksituatie te creëren. De commissie is van mening dat de politie minimaal één duidelijke aanwijzing heeft gegeven aan de aanwezigen om zich uit het park te verwijderen. Het daarna toegepaste geweld is naar de mening van de commissie, gelet op de onoverzichtelijk situatie en het geweld en/of bedreiging welke sommigen tegen de politie gebruikten, rechtmatig toegepast. Het geweld is als overweldigend ervaren, maar niet onnodig, of onnodig lang geweest. Er is duidelijk sprake geweest van een opschaling van geweld en, na het toepassen van geweld, een snelle afschaling. Dat daarbij ook geweld is toegepast tegen aanwezigen die een minder prominente rol in de situatie hadden is gelet op de context van de situatie onvermijdelijk. Het maken van een scheiding tussen mensen die zonder geweld het park wilden verlaten en degene die met geweld verwijderd moesten worden was een vrijwel onmogelijke opgave. De politiechef nam het advies van de klachtencommissie over.

De klachtencommissie die een half jaar later de klacht van verzoeker P. behandelde achtte de klacht van P. gegrond. Zij gaf samengevat aan dat uit het dossier en de hoorzitting was gebleken dat op het moment dat de politie besloot tot een charge over te gaan, de fysieke schermutselingen reeds ten einde, dan wel onder controle waren. Mogelijk was er nog wel sprake van verbale dreigingen, het niet voldoen aan een vordering zich te verwijderen en het opdringen door omstanders richting de politie, maar er was geen sprake meer van individueel of collectief fysiek agressief geweld. Bij de lange charge zijn diensthonden ingezet, hetgeen de commissie ziet als een zwaar geweldsmiddel, naast de op zich al robuuste inzet van politiefunctionarissen met een wapenstok. De commissie is van mening dat met de inzet van een korte charge en met minder ingrijpende geweldmiddelen ook het doel had kunnen bereikt om recalcitrante personen op afstand te houden, ten einde de politie veilig haar werk te kunnen laten doen. Het geweld tegen verzoeker P. achtte de commissie in strijd met het proportionaliteitsbeginsel.

De politiechef nam dit advies niet over, en bleef bij zijn standpunt zoals hieronder verwoord.

Standpunt politiechef
De politiechef achtte de klachten niet gegrond en lichtte dit als volgt toe. In het Vroesenpark zagen de politieambtenaren meerdere kratten bier staan bij de groep en zagen zij dat een aantal/merendeel van de aanwezigen zichtbaar en hoorbaar onder invloed was van alcohol. Zij waren onvast ter been en spraken met dubbele tong. De eerste persoon die werd aangehouden had drugs bij zich, en verklaarde ook drugs te hebben gebruikt. Ook de derde persoon die werd aangehouden was – ook naar eigen zeggen - sterk onder invloed. Meerdere mensen gedroegen zich agressief in de richting van de politie en belaagden politieambtenaren. Politieambtenaar X voelde zich dusdanig bedreigd dat hij zijn hand op zijn wapen heeft gelegd en om spoedassistentie heeft gevraagd. Spoedassistentie wordt door de meldkamer gekwalificeerd als een melding met de hoogste urgentie. Er bestaat geen regel of werkinstructie hoeveel voertuigen er dan ingezet kunnen worden. De meldkamer geeft opdracht welke eenheden kunnen assisteren, maar ook andere in de buurt zijnde eenheden kunnen zich aanmelden om ter assisteren.

De politiechef was van mening dat die avond een situatie was ontstaan waarbij een groep al dan niet onder invloed zijnde omstanders de politie hinderde in de uitoefening van haar werkzaamheden, te weten verbaliseren en aanhouden. Dat na de aanhouding van de derde verdachte er voor werd gekozen de nog aanwezige omstanders na vordering uit het park te verwijderen achtte de politiechef gelet op de taak van de politie, te weten het handhaven van de openbare orde, wenselijk en noodzakelijk. Het vormen van de linie was gericht op het herstellen van de openbare orde en het creëren van werkruimte. De omstanders zijn gevorderd zich te verwijderen.

Bij voorkeur vindt een dergelijk optreden onder leiding van de officier van dienst politie (OVDP) plaats. Deze was echter niet ter plaatste aanwezig. Daarom heeft één van de aanwezige politieambtenaren, de heer Y, de leiding genomen. Hij heeft eveneens ervaring als commandant van de Mobiele Eenheid. Hij heeft de situatie overzien en op basis van de omstandigheden besloten om de aanwezige politiefunctionarissen in een linie op te stellen, met uitzondering van een hondengeleider en een politieambtenaar die betrokken waren bij de aanhouding van de derde verdachte. Iedereen viel onder het commando van politieambtenaar Y Hij heeft gedurende het optreden gecommuniceerd met de meldkamer.

Bij de voorwaartse beweging van een linie kan enige vorm van dwang noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld als omstanders niet luisteren of als zij niet in de gewenste richting bewegen. De dwang kan bestaan uit duwen (al dan niet met een wapenstok in de hand) en eventueel een attentieslag met de wapenstok. Indien omstanders zich tegen de linie keren is geweld geoorloofd, zoals het geven van een afhoudtrap. De politiechef gaf aan dat het toegepaste geweld heeft plaatsgevonden conform de Ambtsinstructie. Hij was voorts van mening dat de politieambtenaren terughoudend zijn geweest met het toepassen van het geweld, en dat zij mede door op dat moment stevig op te treden verdere escalatie van de situatie hebben voorkomen, en juist de-escalerend heeft opgetreden. Gegeven de omstandigheden was het toegepaste geweld rechtmatig en proportioneel. De politiechef voegde daar aan toe dat in de afweging omtrent de inzet aangaande het handhaven van de openbare orde het algemeen belang prevaleert boven het individuele belang. Hierdoor kunnen onschuldige personen betrokken raken bij het optreden. Dit is echter een aanvaardbaar risico, aldus de politiechef.

Tijdens de interne klachtprocedure zijn verscheidene betrokken politieambtenaren gehoord. Zij verklaren overeenkomstig het standpunt van de politiechef, waaraan het volgende nog toegevoegd kan worden. Het beeld dat verzoekers schetsen dat het ten tijde van het vormen van de linie rustig was, wordt niet herkend. Volgens politieambtenaar Y vertoonden de groep tijdens het vormen van de linie nog altijd zeer ongewenst gedrag richting de politie. De politieambtenaren zien een duidelijke opbouw in het optreden, en ook dat terstond nadat de rust was weergekeerd, het optreden ook is afgebouwd. Er is op professionele wijze opgeschaald en afgeschaald.

Beoordeling

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd. Het recht op lichamelijke integriteit is een grondrecht dat door de Grondwet en internationale verdragen wordt beschermd (zie Achtergrond, onder 1). Het gebruik van geweld tegen personen betekent een inbreuk op dit grondrecht. Een politieambtenaar die in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is, is echter bevoegd (fysiek) geweld te gebruiken wanneer dit noodzakelijk is en een minder ingrijpend middel niet voor handen is (zie Achtergrond, onder 2). Aan het gebruik van geweld dient zo mogelijk een waarschuwing vooraf te gaan. De inzet van een politiehond valt onder het gebruik van geweld.

Uit het onderzoek is het volgende gebleken. Op het moment dat er een auto het veld van het Vroesenpark op wordt gereden om spullen van een barbecue in te laden is de situatie uit de hand gelopen. De politie ziet zich geconfronteerd met een groep van tien tot twaalf mensen, waarvan sommigen zich misdragen. Dat de politie de groep als één heeft beschouwd vindt de Nationale ombudsman begrijpelijk. Dat verzoekers stellen dat zij elkaar onderling niet iedereen kenden, of niet van elkaar wisten dat er drank of drugs waren gebruikt, doet hier niet aan af. Het staat niet ter discussie dat zeker drie personen van de groep zich strafbaar hebben gedragen en om die reden werden aangehouden. Ook het gegeven dat politieambtenaar X zich bij de eerste aanhouding dusdanig bedreigd en belaagd heeft gevoeld tijdens de eerste aanhouding dat hij om spoedassistentie heeft gevraagd, neemt de ombudsman als vaststaand feit aan. Er heerste een grimmige sfeer en meerdere aanwezigen hebben zich op zijn minst recalcitrant gedragen.

Het door de politie vormen van een linie, met daarbij de inzet van drie politiehonden en het vervolgens uitvoeren van een charge met geweld over een langere afstand, is naar het oordeel van de Nationale ombudsman echter een zeer ingrijpend middel, dat slechts dan kan worden ingezet als er geen andere, minder ingrijpende middelen voorhanden zijn om hetzelfde doel, namelijk het herstellen van de openbare orde en het creëren van werkruimte, te bereiken. De vraag rijst of in deze situatie er nog minder ingrijpende middelen voorhanden waren. De Nationale ombudsman vindt van wel.

Hiervoor is van belang dat op het moment dat de linie werd gevormd, de groep aanwezigen bestond uit ongeveer tien tot twaalf personen. De politie was op zijn minst genomen met evenveel mankracht aanwezig was, waaronder vier hondengeleiders met hun diensthond. Ook de drie aanhoudingen hadden al plaatsgevonden. Na de tweede aanhouding is tot twee keer toe aan de meldkamer gemeld dat het redelijk rustig was en de situatie voorlopig onder controle. De derde aanhouding door middel van de inzet van een politiehond vormde de directe aanleiding tot het vormen van de linie en het uitvoeren van een charge, zodat er werkruimte kon worden gecreëerd voor het afhandelen hiervan. De ombudsman is van mening dat gelet op de aanwezigheid van vier diensthonden en de hoeveelheid aanwezige politieambtenaren, het creëren van werkruimte ook op een andere, minder ingrijpende manier had kunnen worden vormgegeven. Daar komt bij dat uit de bevindingen blijkt dat op het moment dat de linie werd gevormd, de fysieke opstootjes al ten einde dan wel onder controle waren. De ombudsman gelooft wel dat er door de aanwezigen verbale dreigingen zijn geuit of dat zij zich anderszins recalcitrant hebben gedragen, maar niet is gebleken dat de relatief kleine groep zich op dat moment fysiek agressief tegen de politieambtenaren heeft gekeerd. Dit wordt ondersteund door het feit dat er verder geen enkele aanhouding is verricht.

Het vormen van een linie ten behoeve van het afschermen van de collega's is op zich zelf voorstelbaar, maar het uitvoeren van de charge en het daarbij gebruikte geweld acht de ombudsman in deze situatie disproportioneel. De ombudsman is dan ook van oordeel dat het doel waarvoor de linie en de charge is ingezet, ook op een andere minder ingrijpende manier had kunnen worden gerealiseerd. De indruk bestaat dat de politie te snel en te daadkrachtig heeft doorgepakt, zonder eerst goed de situatie te overzien en andere mogelijkheden af te wegen. In dit verband zet de ombudsman ook vraagtekens bij de afwezigheid van de officier van dienst Politie (OVDP) ter plaatste. Nu de ombudsman de inzet van de linie en de daaropvolgende charge disproportioneel acht, is daarmee het tegen verzoekers uitgeoefende geweld ook niet behoorlijk. Alles overziend was het politieoptreden niet proportioneel en heeft de politie het grondrecht van verzoekers, te weten het recht op lichamelijke integriteit, onvoldoende gerespecteerd.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van regionale politie eenheid Rotterdam is gegrond wegens het onvoldoende respecteren van het recht op lichamelijke integriteit.

De Nationale ombudsman,
 

Reinier van Zutphen.

Achtergrond

1.Grondwet

Artikel 11

"Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op

onaantastbaarheid van zijn lichaam."

2. Politiewet 2012

Artikel 7, eerste lid

"De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

"1. Grondwet

Artikel 11
"Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op

onaantastbaarheid van zijn lichaam."

2. Wetboek van Strafrecht

Artikel 141, eerste lid
"Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie."

3. Politiewet 1993

Artikel 8, eerste lid
"De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/041