2017/003 Gerechtsdeurwaarder houdt bij bankbeslag geen rekening met beslagvrije voet

Een gerechtsdeurwaarder legt beslag op de bankrekening van een man. De man komt in financiële problemen omdat er geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet. Hij vraagt om het beslag terug te draaien. De gerechtsdeurwaarder wil de beslagvrije voet niet toepassen bij bankbeslag omdat dit wettelijk niet hoeft. De man klaagt hierover bij de Nationale ombudsman. Na onderzoek blijkt dat de man niet heeft gereageerd op eerdere correspondentie. Het verzoek om het bankbeslag terug te draaien is ook niet met bewijsstukken onderbouwd. De ombudsman kan daarom niet zeggen of de deurwaarder voldoende heeft gedaan en geeft geen oordeel over deze klacht. Hij vindt het wel van belang dat een gerechtsdeurwaarder passende maatregelen treft als de schuldenaar kan aantonen dat er sprake is van een financiële noodsituatie.

Instantie: De Klerk & Vis Gerechtsdeurwaarders en incasso

Klacht:

beslag gelegd op verzoekers bankrekening en hierbij geen rekening gehouden met de beslagvrije voet

Oordeel: geen oordeel

Gerechtsdeurwaarderskantoor De Klerk & Vis heeft beslag gelegd op de bankrekening van verzoeker. Door het bankbeslag houdt verzoeker die maand 100 euro over om van te leven. Hierdoor komt hij financieel in de problemen. Na het bankbeslag heeft verzoeker telefonisch contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarder. De gemachtigde van verzoeker heeft de deurwaarder verzocht om het bankbeslag terug te draaien, omdat verzoeker hierdoor een inkomen onder de voor hem geldende beslagvrije voet overhoudt. De deurwaarder geeft aan dat de beslagvrije voet niet geldt bij beslag op de bankrekening en ziet geen aanleiding om het bankbeslag terug te draaien.

De gemachtigde van verzoeker klaagt erover dat de deurwaarder de beslagvrije voet niet wilt toepassen bij beslag op de bankrekening.

De Nationale ombudsman constateert dat verzoeker niet heeft gereageerd op eerdere correspondentie over de vordering en heeft nagelaten zijn inkomsten door te geven. Het verzoek van de gemachtigde van verzoeker om het bankbeslag terug te draaien is niet met bewijsstukken onderbouwd. Ook constateert de Nationale ombudsman dat de deurwaarder zich in de correspondentie met de gemachtigde van verzoeker heeft opgesteld. Omdat de precieze inhoud van het telefoongesprek tussen verzoeker en de deurwaarder niet meer te achter halen is, laat de Nationale ombudsman zich niet uit over de vraag, of de deurwaarder op dat moment voldoende heeft gedaan. De Nationale ombudsman onthoudt zich om die reden van het geven van een oordeel over de klacht van verzoeker. Wel ziet hij aanleiding om zich in algemene zin uit te laten over bankbeslag.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat gerechtsdeurwaarders bij het leggen van bankbeslag een bijzondere zorgplicht hebben. Hij acht hierbij dan in ieder geval van belang dat voor de deurwaarder kenbaar moet zijn dat sprake is van een financiële noodsituatie. De beslagene zal bij de deurwaarder kenbaar moeten maken dat hij in een financiële noodsituatie is komen te verkeren. De deurwaarder moet de schuldenaar dan in de gelegenheid stellen om dit door middel van relevante stukken aan te tonen. Indien de schuldenaar de financiële noodsituatie, naar het oordeel van de deurwaarder, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dient de deurwaarder passende maatregelen te treffen.

Wat is de klacht?

Verzoeker klaagt erover dat door De Klerk & Vis Gerechtsdeurwaarders en incasso beslag is gelegd op zijn bankrekening en dat hierbij geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet.

Wat ging er aan de klacht vooraf?

Op 25 januari 2016 is er door de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op de bankrekening van de heer Van Houten.1 De heer Van Houten leeft van een bijstandsuitkering. Door de beslaglegging wordt – op € 100,- na – zijn gehele bijstandsuitkering ingevorderd. Hierdoor ontstaan er direct betalingsachterstanden bij onder andere zijn verhuurder, zorgverzekeraar en energiemaatschappij. Omdat de heer Van Houten enkel een bijstandsuitkering ontvangt is het bijna onmogelijk om deze opgebouwde achterstanden in te lopen.

Wat was de oorspronkelijke klacht?

Op 15 mei 2016 heeft de gemachtigde van de heer Van Houten zich tot de gerechtsdeurwaarder gewend met het verzoek om het beslag op de bankrekening terug te draaien, omdat het inkomen van de heer Van Houten door de beslaglegging onder de voor hem geldende beslagvrije voet terechtkomt. Hierbij wordt door de gemachtigde verwezen naar relevante jurisprudentie. Volgens de gemachtigde van de
heer Van Houten is er vaste jurisprudentie waaruit blijkt dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer het inkomen door het bankbeslag wordt getroffen, er geen andere bron van inkomsten is en bij de uitwinning van het beslag geen rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet.

Welke reactie komt er op de klacht?

De gerechtsdeurwaarder heeft in een reactie hierop laten weten geen reden te zien om het bankbeslag terug te draaien. De motivering van de gerechtsdeurwaarder is dat de wet2 geen beslagvrije voet verbindt aan het leggen van beslag op de bankrekening. De gerechtsdeurwaarder weerlegt het standpunt van de gemachtigde van de
heer Van Houten met betrekking tot de vaste jurisprudentie als volgt:

"Anders dan u schrijft is evenmin sprake van vaste jurisprudentie dat zodanig beslag misbruik van bevoegdheid is onder de door u geschetste omstandigheden. Dat dit in de rechtspraak een enkele keer is aangenomen – op vele tienduizenden bankbeslagen per jaar – maakt dat nog niet tot bestendige jurisprudentie, die in alle gevallen geldt of naar analogie toegepast kan worden.''

Volgens de gerechtsdeurwaarder is het ook van belang in hoeverre de schuldenaar zich heeft ingespannen de vordering te voldoen. De gerechtsdeurwaarder is van mening dat de heer Van Houten onvoldoende inspanningen heeft verricht om de vordering te betalen. Zo heeft hij niet gereageerd op de dagvaarding, het exploot van betekening en een aanmaning. Volgens de gerechtsdeurwaarder heeft dit tot gevolg dat er geen enkel beletsel voor de schuldeiser bestond om zich te verhalen op het banksaldo van de
heer Van Houten.

Naar aanleiding van de reactie van de gerechtsdeurwaarder heeft de gemachtigde van de heer Van Houten de deurwaarder, per brief van 7 juni 2016, laten weten het oneens te zijn met zijn standpunt met betrekking tot de jurisprudentie. Hierbij verwijst de gemachtigde van de heer Van Houten specifiek naar een alinea uit een uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 21 april 2015.

“Naar het oordeel van het hof wordt het systeem van de beslagvrije voet op onaanvaardbare wijze doorbroken indien – zoals [kredit] kennelijk betoogt – de werking van de regeling eindigt zodra het beslagvrije bedrag uit het vermogen van de uitkerende instantie is geraakt door storting op een bankrekening ten name van de gerechtigde, zodat beslag wel mogelijk is op het saldo van de beslagvrije voet zodra dat saldo is bijgeschreven op de bankrekening van de schuldenaar. Aan het doel en de strekking van de beslagvrije voet wordt ernstig afbreuk gedaan doordat door het beslag op die bankrekening geen geld meer ter beschikking is voor het levensonderhoud van de onderbewindgestelden.3

Volgens de gemachtigde van de heer Van Houten kan er sprake zijn van misbruik van bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder wanneer de schuldenaar door het bankbeslag te weinig financiële middelen overhoudt om te voorzien in zijn levensonderhoud.

Per brief van 14 juli 2016 reageert de deurwaarder op de brief van de gemachtigde. In deze brief geeft de deurwaarder aan dat de rechtspraak verdeeld is over het toepassen van de beslagvrije voet bij bankbeslag. Hierbij verwijst hij naar een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant.4 In deze uitspraak heeft de rechter geoordeeld dat het arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 21 april 2015 onjuist is. Ook geeft de deurwaarder nogmaals aan dat er, gelet op de wet en de rechtspraak, geen rekening hoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet bij het leggen van beslag op de bankrekening van de schuldenaar.

Verder laat hij weten dat de heer Van Houten na het leggen van beslag op zijn bankrekening voor het eerst telefonisch contact met hem heeft opgenomen. Op eerder toegezonden brieven heeft de heer Van Houten niet gereageerd, zo schrijft de deurwaarder. De deurwaarder geeft ook aan dat de heer Van Houten had moeten bewijzen dat hij door het bankbeslag niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien. Dit had hij moeten doen door middel van het toezenden van relevante stukken, zoals bankafschriften en uitkeringsspecificaties. De deurwaarder is van mening dat een telefonische mededeling waarin de ongewenste gevolgen voor de heer Van Houten worden aangegeven onvoldoende is om het beslag op zijn bankrekening terug te draaien.

Naar aanleiding hiervan besluit de heer Van Houten een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman.

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

De Nationale ombudsman besluit onderzoek te doen naar de klacht en vraagt de gerechtsdeurwaarder een standpunt in te nemen over de klacht van de heer Van Houten. Daarnaast stelt hij de gerechtsdeurwaarder verschillende vragen. Zo wil hij weten in hoeverre de gerechtsdeurwaarder in de praktijk rekening houdt met de beslagvrije voet voordat hij overgaat tot het leggen van bankbeslag. De Nationale ombudsman vraagt de gerechtsdeurwaarder ook over welke gegevens van de heer Van Houten hij kon beschikken ten tijde van het bankbeslag. Daarnaast wil hij graag weten of de gerechtsdeurwaarder zich heeft vergewist van de financiële gevolgen die het bankbeslag voor de heer Van Houten met zich meebracht. Ook wil hij weten of de gerechtsdeurwaarder van mening is dat er in de situatie van de heer Van Houten sprake was van een noodtoestand. De rechtbank Amsterdam heeft immers in een eerder geval geoordeeld dat het bankbeslag moest worden teruggedraaid, omdat de schuldenaar hierdoor in een noodtoestand terechtkwam.5 Tot slot wil hij weten of de gerechtsdeurwaarder, naar aanleiding van de situatie van de heer Van Houten, heeft overwogen het beslag op de bankrekening terug te draaien.

Hoe reageerde de Gerechtsdeurwaarder?

De gerechtsdeurwaarder laat weten dat hij bij het leggen van beslag op de bankrekening van een schuldenaar geen rekening houdt met de beslagvrije voet. De reden die de gerechtsdeurwaarder hiervoor geeft is dat de wet hem dit niet verplicht. De beslagvrije voet is enkel verbonden aan het beslag op periodieke betalingen. Voor het banksaldo geldt geen beslagvrije voet, zo schrijft de deurwaarder. Als antwoord op de vraag van de Nationale ombudsman of de deurwaarder zich heeft vergewist van de financiële gevolgen die het bankbeslag voor de heer Van Houten heeft, laat de deurwaarder weten dat hij niet bekend was met de financiële positie van de heer Van Houten op het moment van het bankbeslag. Hij geeft daarbij aan dat de heer Van Houten niet heeft gereageerd op meerdere verzoeken om zijn inkomensgegevens aan de deurwaarder door te geven. Doordat de deurwaarder niet beschikte over de inkomensgegevens van de
heer Van Houten, kon hij voorafgaand aan de beslaglegging niet bepalen of het beslag mogelijk tot financiële nood bij de heer Van Houten zou kunnen leiden. Hierbij geeft de deurwaarder nog aan dat, indien hij wel over de inkomensgegevens van een schuldenaar beschikt, zijn kantoor geen algemene regels hanteert over hoe daarmee om te gaan. De deurwaarder geeft aan dit van geval tot geval te bekijken en daarin alle omstandigheden mee te nemen.

Eén van die omstandigheden is ook de houding van de schuldenaar. Hierover schrijft de deurwaarder het volgende:

"als die – zoals in casus – helemaal niets doet en nergens op reageert behoeft de schuldeiser niet terughoudend te zijn met het nemen van beslag- en executiemaatregelen, ook al zou dat wellicht – tevoren is dat nooit in te schatten – voor de beslagdebiteur tot een financiële noodsituatie kunnen leiden."

Vervolgens geeft de deurwaarder aan dat bij de uitspraak van de rechtbank Amsterdam sprake was van een specifieke situatie, waaraan een ander geschil ten grondslag lag. Dit vonnis is voor de deurwaarder geen reden geweest om de werkwijze met betrekking tot het leggen van bankbeslag aan te passen.

Indien een schuldenaar gemotiveerd kan aantonen door het bankbeslag onder de beslagvrije voet terecht te komen kan dit in sommige gevallen aanleiding geven om het beslag of de gevolgen daarvan terug te draaien, zo geeft de deurwaarder verder aan. Dit is echter geen standaard werkwijze. De heer Van Houten heeft aangegeven door het bankbeslag nadelig te zijn getroffen, maar dit is door hem onvoldoende aannemelijk gemaakt.

De deurwaarder laat hierover ook nog weten dat ontvangen gelden door de beslaglegger mogen worden verrekend met diens vordering, indien de situatie zich voordoet dat de beslaglegger gelden ontvangt waarop hij geen recht heeft, bijvoorbeeld omdat er al beslag ligt. Hij verwijst hierbij naar de parlementaire geschiedenis.

"Is in onwetendheid teveel aan de beslaglegger betaald, dan moet hij dat onverwijld teruggeven of verrekenen".6

Tot slot merkt de deurwaarder op dat zowel de heer Van Houten als zijn gemachtigde hem onvoldoende hebben geïnformeerd over de financiële situatie van de
heer Van Houten. Er zijn geen stukken door de deurwaarder ontvangen waaruit blijkt dat de enige inkomstenbron van de heer Van Houten ten tijde van de beslaglegging een bijstandsuitkering was. Ook is het onvoldoende duidelijk geworden dat er voor de
heer Van Houten een financiële noodsituatie is ontstaan door het beslag op de bankrekening. De deurwaarder schrijft hierover: "In het rechtsverkeer wordt niet (zondermeer) uitgegaan van een enkele mededeling, maar dient de steller dat degelijk en deugdelijk te onderbouwen."

De deurwaarder merkt hierbij nog op dat een onwenselijke en onuitvoerbare situatie zou ontstaan wanneer iedere schuldenaar na gelegd beslag zou aangeven dat het beslag onrechtmatig is omdat er geen rekening is gehouden met zijn financiële positie, zonder dat met relevante stukken te onderbouwen.

Als bijlage bij zijn reactie stuurt de deurwaarder ten slotte afschriften mee van correspondentie die tussen april 2015 en eind januari 2016 plaatsvond over de vordering. Het gaat onder meer om diverse betalingsverzoeken, aankondigingen van beslag op roerende zaken en ten slotte correspondentie rond het bankbeslag. Uit deze correspondentie blijkt onder meer dat de heer Van Houten in juli 2015 is uitgenodigd om bewijs van zijn inkomen te overleggen, voor het geval hij een betalingsregeling wilde treffen met de deurwaarder. Verder is bij de betekening en bevel tot betaling aangegeven dat de heer Van Houten, op grond van artikel 475g Rv, opgave diende te doen van inkomsten.

Hoe reageerde verzoeker?

De reactie van de deurwaarder is voorgelegd aan de heer Van Houten met het verzoek, te reageren. De gemachtigde van de heer Van Houten heeft namens hem gereageerd en heeft aangegeven zich niet te kunnen vinden in de stelling van de deurwaarder dat het beslag rechtmatig is omdat de heer Van Houten niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Volgens de gemachtigde van de heer Van Houten is wetgeving en jurisprudentie te allen tijde van toepassing en mag van een deurwaarder de uiterste zorgvuldigheid worden verwacht bij het inzetten van een ingrijpend middel als bankbeslag.

Volgens de gemachtigde heeft de deurwaarder, nadat de heer Van Houten heeft aangegeven door de beslaglegging zijn rekeningen niet meer te kunnen betalen, nooit om aanvullende stukken gevraagd waarmee kon worden aangetoond dat de heer
Van Houten door het bankbeslag niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien. De gemachtigde geeft aan dat de aanvullende stukken ook niet door haar zijn verstrekt omdat de deurwaarder hiernaar nooit heeft gevraagd en altijd heeft aangegeven dat het bankbeslag niet meer kon worden teruggedraaid. Verder geeft de gemachtigde van de heer Van Houten aan dat het algemeen bekend is dat bankbeslag door deurwaarders vaak als een middel wordt gebruikt om de beslagvrije voet te omzeilen. De gemachtigde verwijst hierbij naar een aantal uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof.

Ook is de gemachtigde van mening dat de deurwaarder, gelet op de datum van beslaglegging van 25 januari 2016, indirect beslag heeft gelegd op de uitkering van de heer Van Houten.

Hoe reageerde de deurwaarder op de bevindingen?

De deurwaarder stelt dat de heer Van Houten niet heeft voldaan aan zijn wettelijke plicht om informatie over zijn inkomsten aan de deurwaarder te leveren; die informatieplicht berust op artikel 475g lid 1 Rv en het gaat hier niet om iets dat vrijblijvend is. Omdat de heer Van Houten niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan, was de deurwaarder niet op de hoogte van diens financiële positie. Hij benadrukt hierbij dat dit informeren niet alleen in het belang van de schuldenaar is, maar ook in het belang van de deurwaarder en de schuldeiser, omdat nodeloze executiemaatregelen en de bijbehorende kosten dan mogelijk kunnen worden voorkomen.

Doordat de heer Van Houten de wettelijke verplichting om de deurwaarder te informeren niet is nagekomen kon hij zich nadien niet in redelijkheid beklagen over de voor hem mogelijk ongewenste gevolgen die het beslag met zich meebracht.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

De Nationale ombudsman toetst de gedraging van de gerechtsdeurwaarder aan het vereiste van evenredigheid. Dat vereiste van behoorlijk overheidsoptreden houdt in dat de overheid, om haar doel te bereiken, een middel kiest dat niet onnodig ingrijpt in het leven van de burger en dat het middel in evenredige verhouding staat tot dat doel.

Een gerechtsdeurwaarder wordt, waar het gaat om het verrichten van ambtshandelingen en wat daarmee samenhangt, gezien als bestuursorgaan. Wel is het een bestuursorgaan in een bijzondere positie; de deurwaarder heeft niet alleen te maken met de belangen van de debiteur, maar vooral ook met de belangen van zijn opdrachtgever. Hij mag verrichtingen die voortvloeien uit zijn ambt in beginsel niet weigeren (ministerieplicht). Wel dient hij de belangen van de schuldenaar hierbij niet uit het oog te verliezen; dat vloeit ook voort uit zijn ambt.

Door middel van het bankbeslag is de vordering die de schuldeiser op de
heer Van Houten had in zijn geheel voldaan. De openstaande schuld is daarmee afbetaald. Daar staat tegenover dat de heer Van Houten door het bankbeslag, in de maand waarin het bankbeslag is gelegd, slechts kon beschikken over een bedrag van € 100,- om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Uit jurisprudentie en uitspraken van de tuchtrechter blijkt dat het leggen van bankbeslag onder omstandigheden misbruik van recht kan inhouden. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien een uitkering, zoals hier bijstand, voor de schuldenaar de enige bron van inkomsten is en de schuldeiser dit weet of moet vermoeden; daarnaast is van belang dat de schuldenaar hierdoor dan in een zodanige situatie komt te verkeren dat hij niet meer in staat is om in zijn primaire levensonderhoud te voorzien.7 Dat dit het geval is dient de schuldenaar in beginsel aannemelijk te maken. Steeds zal op grond van de concrete omstandigheden moeten worden nagegaan of het beslag ertoe leidt dat de schuldenaar komt te verkeren in wat in de rechtspraak wel een noodtoestand wordt genoemd.8

In zijn rapport "In het krijt bij de overheid" heeft de Nationale ombudsman voorts geoordeeld dat het een maatschappelijke plicht is van deurwaarders en overheidsinstanties dat zij al het mogelijke doen om de burger een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet te garanderen.9

Maakt de schuldenaar aannemelijk dat hij, door het bankbeslag, niet minimaal een bedrag ter hoogte van de voor hem geldende beslagvrije voet overhoudt, dan dient dit te leiden tot (al dan niet gedeeltelijke) opheffing van het beslag. Dat betekent ook dat het teveel geïnde aan de schuldenaar geretourneerd moet worden. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder dat dan ook voor verrekening mag worden gekozen onderschrijft de Nationale ombudsman niet. Dat zou immers niet leiden tot het opheffen van de financiële noodtoestand voor betrokkene.

De situatie van de heer Van Houten
De deurwaarder heeft aangegeven dat de heer Van Houten niet heeft gereageerd op eerdere correspondentie over de vordering; het gaat onder meer om diverse betalingsverzoeken, waarin in ieder geval eenmaal werd aangegeven dat ook een regeling kon worden getroffen en dat de heer Van Houten dan inzicht diende te geven in zijn inkomen. Ook was hij al eerder formeel gesommeerd zijn inkomsten door te geven. Deze correspondentie heeft plaatsgevonden tussen april 2015 en januari 2016. Eind januari 2016 vond het bankbeslag plaats. Pas na het bankbeslag heeft de heer
Van Houten voor het eerst – telefonisch – contact gezocht, zo heeft de deurwaarder laten weten. Wat toen precies is besproken is niet meer te achterhalen.

Hierna heeft het bijna vier maanden geduurd voordat de gemachtigde van de heer
Van Houten een klacht indiende en de deurwaarder verzocht het beslag alsnog terug te draaien. Zij heeft dit verzoek niet met stukken onderbouwd. Hierna ontstond tussen haar en de deurwaarder een briefwisseling over de vraag, of bij een bankbeslag ook sprake kan zijn van een beslagvrije voet. De deurwaarder heeft zich daarbij uiteindelijk op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen aanleiding was om het beslag terug te draaien.

Het is niet aan de Nationale ombudsman om vast te stellen of het – handhaven van – het bankbeslag in het geval van de heer Van Houten misbruik van bevoegdheid opleverde. Los van het feit dat dit standpunt door de gemachtigde van de heer Van Houten niet verder is onderbouwd – ook niet in correspondentie met de Nationale ombudsman – is het aan de rechter om hierover te oordelen.

Wel stelt hij vast dat de deurwaarder zich, in zijn correspondentie met de gemachtigde, afhoudend opstelde. Dat zal mogelijk deels zijn ingegeven door de juridische benadering van die gemachtigde; echter, ook in de reactie aan de Nationale ombudsman heeft de deurwaarder deze opstelling gehandhaafd. Tegelijkertijd blijkt uit zijn reactie dat zijn kantoor oog heeft voor de belangen van de schuldenaar, wanneer sprake is van bankbeslag; wanneer de beslagene zich meldt en een onderbouwing levert, kan dat onder omstandigheden leiden tot het terugdraaien van het beslag.

Omdat de precieze inhoud van het telefoongesprek tussen de heer Van Houten en de deurwaarder, dat plaatsvond na het bankbeslag, niet bekend is zal de Nationale ombudsman zich niet kunnen uitlaten over de vraag, of de deurwaarder op dat moment voldoende heeft gedaan. De Nationale ombudsman onthoudt zich om die reden van het geven van een oordeel over de klacht van de heer Van Houten. Wel ziet hij in de klacht van de heer Van Houten aanleiding om zich in algemene zin uit te laten over bankbeslag.

Behoorlijk bankbeslag
Zoals hiervoor werd aangegeven kan het leggen van bankbeslag onder omstandigheden leiden tot disproportionele gevolgen. Steeds zal daarom, op grond van de concrete omstandigheden, moeten worden nagegaan of het beslag ertoe leidt dat de schuldenaar in een financiële noodtoestand zal komen door het bankbeslag.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat gerechtsdeurwaarders bij het leggen van bankbeslag een bijzondere zorgplicht hebben. Hij acht hierbij dan in ieder geval van belang dat voor de deurwaarder kenbaar moet zijn dat sprake is van een financiële noodsituatie. Onder omstandigheden is een deurwaarder hiervan al op de hoogte voordat wordt overgegaan tot het leggen van bankbeslag; in zo'n situatie kan het onjuist zijn wanneer de deurwaarder het beslag toch doorzet.

Wanneer het bankbeslag, zoals in de situatie van de heer Van Houten, al heeft plaatsgevonden zal de beslagene bij de deurwaarder kenbaar moeten maken dat hij, door dit beslag, in een financiële noodsituatie is komen te verkeren. De deurwaarder moet de schuldenaar dan in de gelegenheid stellen om dit door middel van relevante stukken aan te tonen. Indien de schuldenaar de financiële noodtoestand, naar het oordeel van de deurwaarder, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dient de deurwaarder passende maatregelen te treffen. Dat kan dus betekenen dat een al uitgewonnen bankbeslag geheel of gedeeltelijk, en onverwijld, moet worden teruggedraaid.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Notes

[←1]

Fictieve naam

[←2]

Artikel 475 Rv

[←3]

Hof Den Bosch 21 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1496

[←4]

Rb Oost-Brabant 2 oktober 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:5743

[←5]

Rechtbank Amsterdam, 25 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2020

[←6]

Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 17897, nr. 5, memorie van antwoord, pag. 13.

[←7]

Rechtbank Assen 19 februari 2010, ECLI:NL:RBASS:2010:BL4599

[←8]

Rechtbank Amsterdam 25 maart 2016. ECLI:NL:RBAMS:2016:2020

[←9]

Rapport In het krijt bij de overheid, 17 januari 2013, 2013/003, p. 12

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/003