2008/293

Rapport

Verzoeker had als medewerker bij de Belastingdienst deelgenomen aan stakingen. Op 9 augustus 2007 had hij een bezwaarschrift ingediend bij het Ministerie van Financiën tegen de inhouding op zijn salaris. Het ministerie liet op 30 augustus 2007 weten dat gezien het grote aantal ingediende bezwaarschriften van dezelfde strekking, het niet mogelijk was om binnen de Awb-termijn op zijn bezwaarschrift te beslissen.

Verzoeker klaagde erover dat het Ministerie van Financiën pas na acht maanden op zijn bezwaarschrift had beslist, terwijl hij meerdere malen te kennen had gegeven geen begrip te hebben voor het niet Awb-conform werken. In zijn werk werd hij hier ook dagelijks op afgerekend.

Het betrof in totaal negentig bezwaarschriften van dezelfde strekking. Het ministerie heeft laten weten dat de meeste verrekeningen in de maand juli en augustus 2007 hadden plaatsgevonden. Volgens het ministerie werd echter niet eerder dan eind maart 2008 duidelijk hoe het bezwaarschrift van verzoeker verantwoord binnen het geheel van bezwaarschriften kon worden afgedaan.

De Nationale ombudsman is van mening dat het ministerie in oktober 2007 het merendeel van de bezwaarschriften binnen had om eerder te kunnen beslissen op het bezwaarschrift van verzoeker.

Ten slotte had verzoeker niet ingestemd met het uitstel van het ministerie.

De Nationale ombudsman acht de klacht van verzoeker gegrond wegens schending van het vereiste van voortvarendheid.

Instantie: Ministerie van Financiën

Klacht:

Pas op 9 april 2008 een beslissing genomen op verzoekers ingediende bezwaarschrift, van 9 augustus 2007.

Oordeel:

Gegrond