2004/365

Rapport

Verzoekster klaagt erover dat één of meerdere politieambtenaren van het regionale politiekorps Brabant-Noord:

haar op 7 oktober 2001 hebben aangehouden wegens lokaalvredebreuk;

haar hebben geboeid, terwijl zij hiertoe geen aanleiding heeft gegeven;

vingerafdrukken bij haar hebben afgenomen, waarbij zij er in het bijzonder over klaagt dat de betrokken politieambtenaar bij het nemen van een afdruk van haar duim geweld heeft gebruikt en haar hierbij onheus heeft bejegend door op te merken: “Als je niet meewerkt, breek ik gewoon je duim, hoor!”, of woorden van dezelfde strekking.

Voorts klaagt verzoekster erover dat de hulpofficier van justitie haar inverzekeringstelling tot 9 oktober 2001 heeft laten voortduren.

Beoordeling

I. Algemeen

Op 6 en 7 oktober 2001 riep de huurder van een pand aan de K.-straat te X de hulp in van de politie, omdat zich een aantal krakers in zijn pand zou bevinden. Op 6 oktober verlieten de krakers het terrein, nadat de politie hen dit had verzocht. Op 7 oktober kwam de politie naar het pand nadat een melding was ontvangen dat zich daar wederom krakers bevonden. Daaronder was verzoekster. De politie ging het pand binnen en hield een aantal van de krakers aan op grond van lokaalvredebreuk en vernieling, onder wie verzoekster.

De krakers werden geboeid en meegenomen naar het politiebureau. Verzoekster maakte haar identiteit niet bekend en er werden foto's van haar gemaakt en vingerafdrukken bij haar afgenomen. Verzoekster werd op 7 oktober om 18.50 uur in verzekering gesteld en op 9 oktober in vrijheid gesteld.

II. Ten aanzien van de aanhouding

1. Verzoekster klaagt er in de eerste plaats over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Brabant-Noord haar op 7 oktober 2001 hebben aangehouden op verdenking van lokaalvredebreuk, terwijl er geen redelijk vermoeden van schuld jegens haar aanwezig was.

2.1. Ingevolge artikel 27 Wetboek van Strafvordering kan iemand als verdachte worden aangemerkt indien jegens hem sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan enig (concreet) strafbaar feit. Dit vermoeden van schuld moet steunen op feiten en omstandigheden en moet naar objectieve maatstaven redelijk zijn (zie Achtergrond, onder 4.1.).

2.2. Op 12 augustus 2002 sprak de rechtbank te 's-Hertogenbosch verzoekster vrij van lokaalvredebreuk. Op grond van artikel 26, tweede lid, Wet Nationale ombudsman (zie Achtergrond, onder 1.) neemt de Nationale ombudsman deze uitspraak, en de gronden waarop deze berust, in acht.

3.1. Uit de door de betrokken politieambtenaren S2, V. en H7 (zie Bevindingen, onder A.2.) op 6 oktober 2001 opgemaakte mutatie blijkt dat er op 6 oktober 2001 een melding bij de meldkamer binnenkwam dat zich een aantal krakers in een pand aan de K.-straat bevond. De huurder van het pand liet de betrokken ambtenaren een huurcontract zien en zei dat er op 4 oktober nog gewerkt was in het pand. De buurman van de huurder van het pand bevestigde dat er nog regelmatig gewerkt werd in het pand.

3.2. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2001 (zie Bevindingen, onder A.4.) blijkt dat de betrokken politieambtenaren op 7 oktober 2001 op grond van hetgeen zij de vorige dag hadden geconstateerd opnieuw op weg gingen naar het pand aan de K.-straat. Toen zij hier aan kwamen, troffen ze ongeveer vijftien personen op het terrein aan, die na sommatie het terrein niet wilden verlaten. De politieambtenaren zagen dat het slot van het toegangshek was geforceerd en dat er een nieuw slot omheen zat. Vier krakers gingen vervolgens het pand binnen, alwaar de politieambtenaren hen hebben aangehouden.

4.1. De hoofdofficier van justitie is van oordeel (zie Bevindingen, onder A.15.) dat de betrokken politieambtenaren ter plaatse voldoende informatie hebben ingewonnen. Op grond van de feiten die de betrokken politieambtenaren op 6 oktober bekend waren geworden, konden de politieambtenaren een redelijk vermoeden van schuld hebben ten aanzien van verzoekster en was de aanhouding gerechtvaardigd, aldus de hoofdofficier van justitie.

4.2. De korpsbeheerder is van oordeel dat verzoekster terecht als verdachte is aangemerkt en dat de aanhouding rechtmatig was (zie Bevindingen, onder A.18.).

5. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de aanhouding van verzoekster heeft plaatsgevonden op basis van artikel 138, lid 1 en lid 4 en artikel 350 Wetboek van Strafrecht. Wat er ook zij van aanhouding op grond van artikel 350 Wetboek van Strafrecht, de Nationale ombudsman is van oordeel dat verzoekster in redelijkheid kon worden aangemerkt als verdachte van huisvredebreuk, op grond van hetgeen de betrokken ambtenaren reeds ambtshalve bekend was en hetgeen zij ter plaatse hebben waargenomen.

De betrokken politieambtenaren waren gelet op het bepaalde in artikel 53, eerste lid Wetboek van Strafvordering in dit geval bevoegd om tot aanhouding van verzoekster over te gaan (zie Achtergrond, onder 4.2.).

Het feit dat verzoekster naderhand door de rechtbank te 's-Hertogenbosch bij vonnis van 12 augustus 2002 is vrijgesproken, doet daaraan niet af.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

III. Ten aanzien van het boeien

1. Voorts klaagt verzoekster erover dat de betrokken politieambtenaren van het regionale politiekorps Brabant-Noord haar hebben geboeid, terwijl zij hiertoe geen aanleiding had gegeven.

2. Uit artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie en de Koninklijke Marechaussee (zie Achtergrond, onder 2.1 en 2.2.) volgt dat politieambtenaren gebruik mogen maken van handboeien met het oog op het vervoer van iemand die rechtens van zijn vrijheid is beroofd indien feiten of omstandigheden dat redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor de veiligheid van de arrestant, de politieambtenaar of van derden. Het is niet juist om standaard handboeien aan te leggen tijdens het vervoer van een arrestant naar het politiebureau. De politieambtenaar moet van geval tot geval de afweging maken of de aanwezige veiligheidsrisico's het gebruik van handboeien naar redelijk inzicht rechtvaardigen.

3.1. In het proces-verbaal van aanhouding en het proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2001 (zie Bevindingen, onder A.3. en A.4) komt naar voren dat de handboeien zijn gebruikt ten behoeve van de eigen en andermans veiligheid. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een aantal van de betrokken politieambtenaren achter het viertal krakers aanging, het pand binnen. De personen zaten op een zolder, maar wilden niet naar beneden komen. De krakers gaven aan dat ze geen geweld zouden gebruiken, maar dat ze niet mee zouden werken. De betrokken politieambtenaren hebben de vier personen vervolgens aangehouden. Daarna zijn de krakers geboeid, van de zolder gehaald en naar het politiebureau gebracht.

3.2. In zijn oordeel (zie Bevindingen, onder A.18. en onder C.) geeft de korpsbeheerder aan dat de krakers ten behoeve van de veiligheid zijn geboeid. Ze weigerden naar beneden te komen en zijn hierop geboeid en voorzichtig naar beneden gebracht en geboeid naar het politiebureau vervoerd.

De politieambtenaren vonden het boeien noodzakelijk, aldus de korpsbeheerder, in verband met hun eigen veiligheid en andermans veiligheid, met name wanneer verzet zou worden gepleegd.

Betrokken ambtenaar S. geeft in zijn reactie (zie Bevindingen, onder E.) aan de Nationale ombudsman aan dat de handboeien tijdens het transport van de verdachten zijn gebruikt, om te voorkomen dat men zichzelf of de politieambtenaren zou belagen; hetgeen ook tijdens de aanhouding was gebeurd, aldus S.

3.3. Gedurende het onderzoek door de Nationale ombudsman is een aantal betrokken politieambtenaren telefonisch gehoord.

Betrokken politieambtenaar K. verklaarde dat hij met een aantal collega's naar de zolder ging waar de krakers zaten. De betrokken politieambtenaren vroegen meerdere malen of de krakers naar beneden wilden komen, maar dit wilden de krakers niet. Toen zijn ze aangehouden en hebben de betrokken ambtenaren hen naar beneden getild. De krakers gebruikten geen geweld, maar werkten ook niet mee. Voorts verklaarde K. dat de krakers bij het vervoer zijn geboeid, vanwege de veiligheid en omdat er te weinig politieambtenaren in verhouding tot de krakers waren.

G. verklaarde eveneens dat de krakers niet mee wilden en dat ze toen zijn aangehouden en naar beneden gedragen. Ze pleegden hierbij geen verzet. Bij het vervoer zijn de krakers geboeid, vanwege de onderbemanning, aldus G.

G4 verklaarde tenslotte dat de krakers niet mee wilden gaan naar beneden, waarop ze zijn aangehouden en geboeid. Ook volgens G4 pleegden de krakers geen verzet. Ze werden uit veiligheidsoverwegingen geboeid, omdat het anders te gevaarlijk was om ze naar beneden te tillen. De krakers zijn vervolgens geboeid overgebracht naar het politiebureau en zaten twee aan twee in een politiebusje, aldus G4.

3.4. Verzoekster heeft aangegeven dat zij zich niet fysiek heeft verzet, maar dat zij zich allemaal als zakken meel hebben gedragen. Ook hebben ze geen aanleiding gegeven te denken dat ze zich fysiek zouden gaan verzetten. Verzoeksters advocaat schrijft dat verzoekster onterecht geboeid is vervoerd (zie Bevindingen, onder A.13.1., A.17. en J.).

4. Nu uit het proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2001 en de verklaring van G4 naar voren komt dat de krakers bij hun aanhouding zijn geboeid, terwijl betrokken ambtenaren S., K. en G. hebben verklaard dat de krakers pas bij het vervoer zijn geboeid en verzoekster erover klaagt dat zij geboeid is vervoerd, gaat de Nationale ombudsman er bij het beoordelen van de klacht vanuit dat de krakers pas bij het vervoer naar het politiebureau zijn geboeid.

5.1. Betrokken politieambtenaar S. heeft verklaard dat een aantal van de krakers zich actief had verzet (zie Bevindingen, onder E.). Geen van de andere betrokken ambtenaren heeft dit echter bevestigd. De Nationale ombudsman is dan ook van mening dat uit het onderzoek niet is komen vast te staan dat de krakers zich bij hun aanhouding en hun vervoer uit het pand fysiek hebben verzet. Wel is komen vast te staan dat zij zich lijdelijk hebben verzet, namelijk door zich als "zakken meel" het pand uit te laten dragen. Voorts is komen vast te staan dat de krakers hebben gezegd geen geweld te zullen gebruiken.

Op grond van het bovenstaande acht de Nationale ombudsman het niet aannemelijk dat het gedrag van verzoekster en de andere krakers zodanig was dat een veiligheidsrisico voor de verdachten danwel de politieambtenaren was ontstaan, waardoor het gebruik van handboeien redelijkerwijs vereist was. Voorts is van enig vluchtgevaar niet gebleken.

5.2. De betrokken politieambtenaren K. en G. hebben verklaard dat verzoekster en de andere krakers geboeid werden vervoerd, vanwege het relatief geringe aantal politieambtenaren ten opzichte van de groep krakers. Nu evenwel er geen indicatie was van feiten en omstandigheden welke het boeien noodzakelijk maakten, is de Nationale ombudsman van oordeel dat er ook geen reden was om dat te doen tijdens het vervoer van de aangehouden personen.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

IV. Ten aanzien van het maken van vingerafdrukken

1. Verzoekster klaagt erover dat een politieambtenaar van het regionale politiekorps Brabant-Noord vingerafdrukken bij haar heeft afgenomen, waarbij zij er in het bijzonder over klaagt dat de betrokken ambtenaar bij het nemen van de afdruk van haar duim geweld heeft gebruikt en haar hierbij onheus heeft bejegend door op te merken: “Als je niet meewerkt, breek ik gewoon je duim, hoor!”, of woorden van dezelfde strekking.

2.1. Uit artikel 61a, tweede lid en artikel 62 Wetboek van Strafvordering alsmede het op die bepaling gebaseerde Koninklijk besluit (zie Achtergrond, onder 4.6. en 4.7.) volgt dat politieambtenaren bevoegd zijn tot het nemen van vingerafdrukken bij verdachten in voorarrest.

2.2. Een politieambtenaar is op grond van artikel 8 van de Politiewet (zie Achtergrond, onder 3.1.) bevoegd om in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken. De daadwerkelijke uitoefening van geweld moet dan wel in overeenstemming zijn met de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Tevens is in artikel 17 van de Ambtsinstructie (zie Achtergrond, onder 3.2.) vastgelegd dat het gebruik van geweld schriftelijk dient te worden vastgelegd en onverwijld te worden gemeld aan een meerdere.

3. Nadat verzoekster was aangehouden, gaf zij haar naam niet op. Nadat zij om 18.50 uur in verzekering werd gesteld, werden om 19.55 uur vingerafdrukken en foto's van haar gemaakt (zie Bevindingen, onder A.7.1).

4.1. De advocaat van verzoekster geeft aan dat verzoekster niet wilde meewerken toen er vingerafdrukken bij haar werden afgenomen en dat zij tegenwerkte door haar hand dicht te houden. Betrokken ambtenaar L2 dreigde verzoekster vervolgens haar duim te breken, aldus de advocaat van verzoekster (zie Bevindingen, onder A.13.1.). Verzoekster heeft verklaard dat zij ijs heeft gekregen voor haar duim en dat er iemand heeft gekeken naar haar duim.

4.2. De advocaat van verzoekster heeft een verklaring van de huisarts van verzoekster toegestuurd, die zij op 11 oktober 2001 heeft bezocht (zie Bevindingen, onder A.13.2.). Uit deze verklaring blijkt niet dat verzoekster een blessure of enig letsel aan haar duim heeft opgelopen. Het enige dat de huisarts heeft geconstateerd, is dat verzoekster pijn aan haar duim had.

4.3. Uit de brief van de Chef operationele zaken blijkt dat betrokken ambtenaar L2, die de vingerafdrukken bij verzoekster heeft afgenomen, heeft verklaard dat verzoekster hieraan niet meewerkte en L2 daarom dwang heeft gebruikt. Hij deed dit door de duim van verzoekster vast te pakken, waardoor een blessure is ontstaan. De GGD-arts zou hebben geconstateerd dat er niets met de duim van verzoekster aan de hand was. L2 ontkent dat hij verzoekster zou hebben gedreigd haar duim te breken (zie Bevindingen, onder A.14.1.).

4.4. In het arrestantenrapport dat op 7 oktober 2001 is opgemaakt, komt naar voren dat de GGD-arts heeft geconstateerd dat er niets met de duim van verzoekster aan de hand was. Het arrestantenrapport is mede ondertekend door die arts (zie Bevindingen, onder A.7.). Een apart verslag van zijn bezoek aan verzoekster is niet terug te vinden (zie Bevindingen, onder M.). Vermoedelijk is er geen verslag opgemaakt.

4.5. De korpsbeheerder is van oordeel dat het vastpakken van de duim van verzoekster door betrokken politieambtenaar L2 pijnlijk kan zijn geweest voor verzoekster, maar dat dit binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit viel. De korpsbeheerder onthoudt zich van een oordeel met betrekking tot de opmerking die L2 zou hebben gemaakt (zie Bevindingen, onder A.18. en C.).

4.6. Politieambtenaar L2 heeft tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman verklaard (zie Bevindingen, onder G.) dat hij zich niets kan herinneren van het voorval, maar dat hij een vinger niet loslaat als hij deze eenmaal vast heeft. L2 heeft tevens verklaard dat hij het niet nodig acht om dreigende uitlatingen te doen, omdat hij groot van stuk is. L2's collega H6 heeft aangegeven zich niets meer te kunnen herinneren van het voorval (zie Bevindingen, onder G.2.).

5.1. Ten aanzien van de opmerking "Als je niet meewerkt, breek ik gewoon je duim, hoor!" staan de verklaringen van verzoekster en betrokken ambtenaar L2 tegenover elkaar, terwijl geen sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan de ene lezing meer betekenis moet worden toegekend dan aan de andere. De Nationale ombudsman onthoudt zich dan ook in zoverre van een oordeel op dit punt.

5.2. Op grond van de bevindingen van het onderzoek acht de Nationale ombudsman het aannemelijk dat dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis is uitgeoefend bij het afnemen van de vingerafdrukken van verzoekster en dat zij hierdoor pijn heeft ondervonden. Vanwege het feit dat de GGD-arts het arrestantenrapport heeft ondertekend en hij geen apart verslag heeft opgemaakt van zijn bezoek aan verzoekster, acht de Nationale ombudsman het aannemelijk dat die arts op 7 oktober 2001 is komen kijken bij verzoekster en dat hij hierbij geen noemenswaardig letsel aan de duim van verzoekster heeft geconstateerd. Tevens geeft de verklaring die door de huisarts van verzoekster is opgemaakt, geen reden om tot een andere conclusie te komen. Het feit dat verzoekster pas twee dagen na haar invrijheidstelling naar de huisarts is geweest, bevestigt de conclusie dat er geen noemenswaardig letsel aan haar duim was ontstaan.

Nu vaststaat dat verzoekster zich heeft verzet tegen het afnemen van haar vingerafdrukken, was de betrokken politieambtenaar bevoegd geweld tegen haar te gebruiken om te bewerkstelligen dat de vingerafdrukken alsnog konden worden afgenomen, danwel de afname van de vingerafdrukken kon worden voltooid.

Een minder ingrijpend middel dan het vastpakken van de duim van verzoekster was niet voor handen. Het doel van de dwang die L2 heeft gebruikt was om de vingerafdruk van de duim van verzoekster te maken. Nadat dit doel was bereikt, is het gebruik van het geweld gestopt. Nu het gebruikte geweld beantwoordde aan het doel waarvoor het werd toegepast, en niet langer heeft geduurd dan noodzakelijk was, is gehandeld in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

6. Ten overvloede wordt het volgende overwogen.

Het gebruik van geweld dient ingevolge artikel 17 van de Ambtsinstructie (zie Achtergrond, onder 3.2.) schriftelijk te worden vastgelegd en onverwijld te worden gemeld aan een meerdere. In dit geval is slechts uit de inhoud van het dagrapport van het arrestantencomplex gebleken dat door de betrokken politieambtenaar geweld jegens verzoekster is gebruikt. Dit is niet juist, omdat het dagrapport slechts een zeer beknopte weergave van de feiten betreft en niet ter kennis van een meerdere hoeft te worden gebracht.

Het ontbreken van een toereikende verslaglegging van het gebruikte geweld, heeft tot gevolg dat de controle achteraf op het rechtmatige gebruik van de bevoegdheid wordt bemoeilijkt en moet worden afgekeurd.

V. Ten aanzien van de inverzekeringstelling

1. Tenslotte klaagt verzoekster erover dat de hulpofficier van justitie haar inverzekeringstelling tot 9 oktober 2001 heeft laten voortduren.

2. Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verzoekster op 7 oktober 2001 om 18.50 uur in verzekering is gesteld op verdenking van overtreding van artikel 138 Wetboek van Strafrecht. Het bevel van inverzekeringstelling vermeldt dat verhoor van verzoekster noodzakelijk is, omdat van haar geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld.

Verzoekster is vervolgens op 8 en 9 oktober 2001 een aantal malen verhoord, maar zij legde hierbij steeds geen verklaring af. Op 8 oktober 2001 werden de vingerafdrukken die bij verzoekster waren afgenomen, naar de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) gestuurd. Deze afdrukken bleken overeen te stemmen met afdrukken die eind 2000 door de politie in E. waren ingezonden. Toen was er echter ook sprake van een anonieme verdachte. Op 9 oktober 2001 achterhaalde de politie via de vingerafdrukken dat verzoekster veroordeeld was door het hof te Arnhem tot een boete van ƒ 500,- voor het strafbare feit waarvoor zij eind 2000 was aangehouden en dat deze boete nog niet was betaald.

Verzoekster is vervolgens op 9 oktober 2001 om 16.36 uur in vrijheid gesteld en heeft hierbij een zogenaamde NN (anonieme) dagvaarding meegekregen. Na haar invrijheidstelling is zij echter direct opnieuw aangehouden vanwege de openstaande boete. Op 6 november 2001 ontdekte betrokken politieambtenaar K. dat het niet verzoekster was die de openstaande boete had moeten betalen, maar een andere anonieme verdachte.

3.1. Hulpofficier van justitie G. heeft telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman verklaard (zie Bevindingen, onder H.) dat de politie op 8 oktober 2001 de uitslag binnenkreeg van het onderzoek naar de vingerafdrukken. Tevens werd bekend dat verzoekster eind 2000 was aangehouden voor een ander strafbaar feit en dat zij voor dit feit was veroordeeld. Op 9 oktober 2001 werd vervolgens bekend, aldus de hulpofficier van justitie, dat verzoekster was veroordeeld tot een boete van ƒ 500,- of een vervangende hechtenis van 10 dagen, maar dat deze veroordeling eveneens anoniem (NN) was. De identiteit van verzoekster was daardoor dan ook niet bekend geworden.

3.2. De korpsbeheerder is van oordeel dat de hulpofficier van justitie op 7 oktober 2001 verzoekster in het belang van het onderzoek in verzekering heeft gesteld. Nader verhoor van verzoekster was noodzakelijk en er kon geen vaste woon- of verblijfplaats van haar worden vastgesteld, aldus de korpsbeheerder. De korpsbeheerder is van oordeel dat niet valt in te zien, noch nader is gemotiveerd omschreven waarom de lengte van de vrijheidsberoving niet te rechtvaardigen zou zijn. De korpsbeheerder acht dit onderdeel van de klacht niet gegrond (zie Bevindingen, onder C.).

4. Ingevolge artikel 57 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering dient een verdachte, zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, in vrijheid te worden gesteld. Het principe dat hieraan ten grondslag ligt, is dat niemand langer van zijn vrijheid mag worden beroofd dan nodig is en dat de verdachte in vrijheid dient te worden gesteld, zodra de grond voor toepassing van het dwangmiddel is vervallen (zie Achtergrond, onder 4.3.). Die grond is het belang van het onderzoek. De inverzekeringstelling dient het belang van het onderzoek. Tot het onderzoek wordt eveneens gerekend het herleiden van een strafbaar feit tot een herkenbare dader. Wanneer de politie over foto's en vingerafdrukken beschikt, is het met het oog op verdere documentatie, dagvaarding, bevel medebrenging en executie van een vonnis, van belang om naam en adres van de verdachte te achterhalen en de verdachte daartoe in verzekering te stellen.

5. De politie mocht verzoekster, nu er geen vaste woon- of verblijfplaats van haar in Nederland bekend was, in verzekering stellen, op grond van artikel 67, lid 2 Sv. Nu de politie op 8 oktober 2001 bekend werd dat er een "match" was met vingerafdrukken die bij een eerdere aanhouding van verzoekster waren afgenomen, maar ook hierdoor de identiteit van verzoekster niet bekend werd, mocht de politie op grond van artikel 57 de inverzekeringstelling van verzoekster laten voortduren en via het arrest van het hof te Arnhem, waarbij verzoekster zou zijn veroordeeld tot ƒ 500,- boete of tien dagen vervangende hechtenis, de identiteit van verzoekster proberen te achterhalen. Nadat gebleken was dat ook aan de hand van die uitspraak de identiteit van verzoekster niet kon worden bepaald, is zij in vrijheid gesteld. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de hulpofficier van justitie de inverzekeringstelling van verzoekster niet te lang heeft laten voortduren.

Dat achteraf is gebleken dat het niet verzoekster was die tot de boete was veroordeeld, maar één van haar - eveneens anonieme - medeverdachten van het feit dat eind 2000 was gepleegd, doet hieraan niet af. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de

politie af mocht gaan op informatie die de politie te E. had verstrekt met betrekking tot verzoekster.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Brabant-Noord, die wordt aangemerkt als een gedraging van de korpsbeheerder (de burgemeester van 's-Hertogenbosch), is niet gegrond, behalve ten aanzien van het boeien, op dit punt is de klacht gegrond. Geen oordeel wordt gegeven over de opmerking van betrokken politieambtenaar L2 bij het afnemen van de vingerafdrukken bij verzoekster.

Onderzoek

Op 20 februari 2003 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw K. te 's-Hertogenbosch, ingediend door de heer mr. E. Th. Hummels te Zeist, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Brabant-Noord.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Brabant-Noord (de burgemeester van 's-Hertogenbosch), werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken politieambtenaren en de hoofdofficier van Justitie de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. De officier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Betrokken politieambtenaren S. en S2 maakten van deze gelegenheid gebruik. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder, de betrokken ambtenaren en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd de korpsbeheerder een aantal specifieke vragen gesteld en werden politieambtenaren K., L2, G. en G4 telefonisch gehoord.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De korpsbeheerder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De betrokken ambtenaren K. en S2 berichtten dat het verslag hun geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

De reactie van G4 gaf aanleiding het verslag op een enkel punt aan te vullen.

Verzoekster gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. De huurder van een pand in X riep op 6 en 7 oktober 2001 de hulp in van de politie omdat zich krakers in het gehuurde pand bevonden. Op 6 oktober verlieten de krakers het terrein, nadat de politie hen dit had verzocht. Op 7 oktober bevond verzoekster zich onder de krakers. Op 7 oktober ging de politie het pand binnen en hield een aantal van de krakers aan, onder wie verzoekster. De krakers werden geboeid en meegenomen naar het politiebureau. Verzoekster maakte haar identiteit niet bekend en vervolgens werden er foto's van haar gemaakt en vingerafdrukken bij haar afgenomen.

2. Uit de mutatie die op 6 oktober 2001 is opgemaakt door betrokken politieambtenaren S2, V2 en H7, blijkt dat de huurder van het pand ter plaatse zijn huurcontract liet zien aan de betrokken politieambtenaren. Uit dit huurcontract bleek dat hij het hele complex mocht gebruiken. Hij had de krakers reeds gevraagd te vertrekken, maar dit deden ze niet. De buurman van de huurder van het pand vertelde de betrokken ambtenaren dat er iedere week een paar dagen gewerkt werd in het gebouw. Vervolgens hebben de politieambtenaren met dit verhaal de krakers gevraagd weg te gaan. De krakers gaven hieraan gevolg.

3. Uit het proces-verbaal van aanhouding, dat door de betrokken politieambtenaren G. en G4 op 7 oktober 2001 is opgemaakt, blijkt onder meer het volgende:

"Op zondag 7 oktober 2001 17.30 uur werd door ons te X op/in de K.-straat een persoon aangehouden, die opgaf te zijn:

NN1,

Geboren op 0 te

Adres ONBEKEND te ONBEKEND

De aanhouding werd verricht op grond van artikel 138 lid 4 Wetboek van Strafrecht, 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en vond plaats naar aanleiding van het volgende:

zie opgemaakt proces-verbaal van bevindingen

Zijn er handboeien gebruikt : ja

Reden van gebruik handboeien: eigen en andermans veiligheid

Veiligheidsfouillering kleding : nee

Veiligheidsfouillering lichaam : nee

De verdachte werd onverwijld overgebracht naar het bureau van politie te 's-Hertogenbosch waar de verdachte op 7 oktober 2001 te 17.55 uur aankwam.”

4. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat op 24 oktober 2001 door de betrokken politieambtenaren K. en G4 is opgemaakt, blijkt onder meer het volgende:

"Wij, verbalisanten G4 en K., waren op 7 oktober 2001 rond 16.20 uur, met opvallende surveillance belast en rijdende in een opvallend dienstvoertuig. Wij kregen via de meldkamer Den Bosch de opdracht te gaan naar de K.-straat te X. Aldaar zou een pand gekraakt zijn. Wij, verbalisanten, waren op de hoogte dat dit pand op 6 oktober 2001 rond 17.15 ook al was gekraakt. Er werd toen geconstateerd dat het pand nog in gebruik was en de krakers hebben het pand toen verlaten. Na overleg met de chef van dienst, hulpofficier van justitie G., werd besloten de krakers de kans te geven vrijwillig het pand en het terrein te verlaten.

Ter plaatse troffen wij ongeveer 15 personen aan, jongens en meisjes in de leeftijd tussen de 15 en 25 jaar oud. Het terrein was middels een schuifpoort afgesloten. Tevens hing er onder dit slot nog een ketting met een discusslot. Binnen op het terrein stonden ongeveer zeven personen en de rest stond buiten het terrein.

Ik, verbalisant K., vorderde tweemaal van de personen die binnen het terrein stonden dat ze het terrein verlieten en vertelde hen dat ze zouden worden aangehouden als ze niet weg zouden gaan. Wij hoorden dat de personen zeiden dat ze niet weg zouden gaan. Wij zagen dat een aantal personen zich verplaatste naar het pand aan de achterzijde van het terrein. Wij zagen dat vier à vijf personen aldaar naar binnen gingen en de luxaflex dicht deden. Wij hebben vervolgens het slot van de schuifpoort geforceerd en het hangslot kapot geknipt. Hierdoor kregen we toegang tot het terrein en zijn we naar het betreffende kantoorgebouw gelopen. Alle deuren en ramen waren aan de voorzijde afgesloten. Aan de achterzijde troffen we een open raam aan waardoor we naar binnen zijn gegaan.

Na de diverse ruimtes doorzocht te hebben bleek dat er vier personen, drie jongens en een meisje, op een zolderruimte zaten. Wij deelden deze personen mede dat ze waren aangehouden maar ze weigerden mee naar beneden te komen. De personen verklaarden dat ze geen geweld zouden gebruiken, maar dat ze niets zouden doen om mee te gaan. Hierop zijn twee collega's de zolder op geklommen alwaar de personen zijn geboeid en naar beneden zijn gebracht waarna ze zijn overgebracht naar het politiebureau in Den Bosch."

5. Uit een mutatie die op 7 oktober 2001 door betrokken politieambtenaren K., G., L., S., W2 en K2 is opgemaakt, blijkt onder meer het volgende:

"Kraken

MELDING

(…)

Pand zou opnieuw gekraakt zijn. Na overleg commissaris van dienst even kijken hoeveel krakers, en zijn het er teveel dan opnieuw overleg commissaris van dienst om gezamenlijk pand te ontruimen.

Ter plaatse troffen we een 15 man/vrouw bij het hek. Enkelen op het terrein en enkelen buiten het terrein. Men had schijnbaar het slot geforceerd en er een nieuw slot ingezet. Er hing een kettingslot om het hek.

De mensen binnen de omheining aangezegd dat ze het terrein moesten verlaten.

Hieraan werd geen gevolg gegeven. Ze trokken zich hierop terug in het voormalig kantoorgebouw dat op het terrein staat.

Het toegangshek vervolgens geforceerd en via een openstaand raam aan de achterzijde van het gebouw, het pand betreden. Er lagen geen matrassen of andere spullen die voor een woonruimte nodig zijn.

Op een zoldertje, wat niet via een trap te bereiken viel, bleken zich vier krakers op te houden.

Met enige moeite deze zolder betreden. Aldaar zijn de krakers aangehouden en met enig duw en trekwerk afgevoerd.

(…)

Met NN1 wordt bedoeld de vrouw welke is ingesloten in cel 4. (N.o.; hiermee wordt verzoekster bedoeld.)

Verdachte gaf aan dat zij rechtsbijstand wilde van advocaat Erik Hummels in Utrecht, telefoon (…).

F. heeft vijf man rondom het pand staan. Ze hadden al vernomen dat ze vannacht mogelijk weer zouden proberen het pand te kraken.

Verdachten zijn gehoord maar verklaarden niet veel."

6. Op 7 oktober 2001 werd verzoekster om 18.50 uur in verzekering gesteld en voorgeleid voor de hulpofficier van justitie. Bij haar voorgeleiding verklaarde verzoekster als volgt:

"Ik weiger mijn naam op te geven en wens geen verklaring af te leggen."

7.1. In het dagrapport van het arrestantencomplex van 7 oktober 2001 heeft betrokken politieambtenaar L2 onder meer - voor zover voor het onderzoek van belang - het volgende opgenomen:

"19.55 uur: NN wilde niet meewerken met foto en dacty op dringend verzoek, toch gevraagd om mee te werken. NN deed dat niet, daarop heeft L2 haar haar vastgepakt en H6 heeft de foto gemaakt. Met dacty werkte ze ook niet mee, toch dringend verzocht om mee te werken. NN deed dat vervolgens weer niet, toen heeft L2 één keer haar duim vastgepakt, daarna werkte ze een beetje mee. Met duim is niks aan de hand, GGD arts M3 kan dat beamen."

7.2. Het dagrapport van het arrestantencomplex is - op het hiervoor onder Bevindingen, onder A.7.1. geciteerde stuk - ondertekend door dokter M3 (zie ook Bevindingen, onder A.14.1.).

8. Op 6 november 2001 maakte betrokken politieambtenaar K. het volgende proces-verbaal op:

"Op zondag 7 oktober 2001, werden in een pand, gevestigd te X, K.-straat vier personen aangehouden terzake overtreding van artikel 350 en 138 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht.

Eén van de verdachten was een jonge vrouw waarvan de identiteit niet bekend werd. Zij weigerde iedere medewerking.

Van haar werden fotografische opnamen en dactyloscopische afdrukken gemaakt onder nummer (…)

Haar vingerafdrukken bleken bij het CRI bekend te zijn en behoorden bij een onbekende vrouw welke in december 2000 in E. aangehouden was geweest. Ook toen was haar identiteit niet bekend geworden.

Na interne verspreiding van haar foto, meenden enkele politiemensen deze vrouw te herkennen als zijnde:

NAAM: Ka.

(…)

Niemand kon hier echter zekerheid over geven.

Uit een GBA controle bleek dat door de gemeente 's-Hertogenbosch, aan Ka. genoemd een paspoort is afgegeven onder nummer (…)"

9. Op 8 oktober 2001 om 16.51 uur en op 9 oktober 2001 om 16.15 uur werd verzoekster verhoord. Beide keren legde ze geen verklaring af.

10. Op 9 oktober 2001 om 16.36 uur werd verzoekster door betrokken politieambtenaar G. in vrijheid gesteld.

11. Uit het proces-verbaal journaal dat op 15 oktober 2001 is opgemaakt door betrokken politieambtenaren K. en S. blijkt - voor zover voor het onderzoek van belang - onder meer het volgende:

"NN VERDACHTE

Vrouw, geschatte leeftijd rond de 20 jaar.

167,5 cm groot, slank postuur, rood geverfd haar.

(…)

08-10

Vingerslip van NN (vrouw, via technische recherche gezonden aan CRI)

De slip bleek te passen bij een slip die door de politie E. was ingezonden. Toen was het ook een NN verdachte. Zij was opgepakt als demonstrante Kernafvaltransport (…)

Deze zaak heeft gediend in hoger beroep bij het hof in Arnhem. Advocaat H10 uit Zeist.

Uitspraak ƒ 500,- c.q. 10 dagen.

Het zou nu kunnen liggen bij het CJIB (…)

Parket Arnhem zegt dat de zaak is doorgestuurd naar het CJIB. Het CJIB zegt de zaak nooit te hebben ontvangen. R. van het Hof Arnhem gaat de zaak alsnog weer aanhangig maken bij het CJIB.

09-10

Zoals afgesproken met K. gebeld met mevrouw R. van parket Arnhem. Zij gaf aan dat de zaak was doorgegeven aan mevrouw G2 van het arrondissementsparket (N.o.) Arnhem.

Meteen kreeg ik telefoon van mevrouw G2.

Zij gaf aan dat het CJIB de zaak kwijt was. Zij zou in het archief gaan (kijken; N.o.) en stukken faxen. Deze stukken ook ontvangen. Het betreft een vonnis van ƒ 500,- of 10 dagen zitten. De zaak zal niet naar het CJIB worden gestuurd, met G2 namelijk afgesproken dat indien NN verdachte ƒ 500,- betaalt dan wel kiest om te zitten ik de stukken doorstuur naar haar en dat zij dan een en ander kortsluit met CJIB.

(…)

Verdachte NN afgehoord en dagvaarding uitgereikt onder parketnummer (…). Ze kreeg ook een boete van ƒ 500,-. Dit bedrag werd middels een brief aan haar kenbaar gemaakt waarin staat waar zij dat bedrag kan storten onder vernoeming van het parketnummer.

Doet ze dit niet dan moet ze op donderdag 18 april 2002 te 10.15 uur ter terechtzitting verschijnen.

Hierna is de NN verdachte heengezonden.

NN verdachte werkte verder niet mee aan ondertekenen en dergelijke. Hiervan proces-verbaal van bevindingen opgemaakt.

Tevens de zaak doorgenomen met G. Indien dagvaarding is uitgereikt en geen onderzoek meer kan de verdachte NN worden heengezonden. Hierna weer aanhouden voor vonnis uit Arnhem. Gezien dactyovereenkomst en de openstaande boete. (…) De stukken hiervan gefaxt naar G2.

NOG TE DOEN DOOR K.:

- in proces-verbaal van bevindingen vastleggen dat de dacty afgenomen van de NN verdachte en de gemaakte foto's, bij de NN verdachte horen welke genoemd is in parketnummer (…). Dit op verzoek van justitie.

- tevens vroeg justitie om de foto's en dactyslip vast te maken aan de dagvaarding welke in het dossier gaat.

- mogelijk even navraag doen bij G2 of alle stukken zijn aangekomen en mogelijk aangeven dat er betaald is. Zij zou dan alles verder afregelen met CJIB en dergelijke."

12. In het proces-verbaal van bevindingen dat door de betrokken politieambtenaren K. en S2 is opgemaakt op 12 november 2001, komt onder meer het volgende naar voren:

"Op zondag 7 oktober 2001, werd in de gemeente 's-Hertogenbosch, als verdacht van een strafbaar feit, een vrouw aangehouden.

Deze vrouw weigerde tegenover de politie om haar identiteit bekend te maken.

Na haar aanhouding werden van deze vrouw foto's gemaakt en werden haar vingerafdrukken afgenomen.

Deze vrouw is bij de politie 's-Hertogenbosch, bekend onder fotonummer (…)

Door mij verbalisant K., werd vervolgens een nader onderzoek naar deze vrouw ingesteld.

De afgenomen vingerafdrukken werden gezonden naar de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) te Zoetermeer. Van hun ontving ik K., vervolgens de informatie dat de door mij ingezonden vingerafdrukken, overeen kwamen met vingerafdrukken welke reeds in hun bezit waren.

Deze laatst genoemde vingerafdrukken waren eind 2000, ingezonden door de politie E. Ook toen zou het gaan om een verdachte vrouw waarvan de identiteit niet bekend was.

Door mij verbalisant K., werd vervolgens contact gezocht met de politie E.

Van de politie E. kreeg ik toen de informatie dat die vrouw bij hun te boek stond als verdachte NN3 (…)

Bij deze zaak hoorde een hoger beroep dat diende op 29 mei 2001, bij het hof te Arnhem, (…). De verdachte werd toen bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot een boete van ƒ 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis.

Nadat de in de gemeente 's-Hertogenbosch aangehouden vrouw, fotonummer (…), voor het feit waarvoor zij in eerste instantie was aangehouden, in vrijheid was gesteld, werd zij op dinsdag 9 oktober 2001, te 16.36 uur, door mij verbalisant S2, wederom aangehouden.

Dit in verband met het vonnis van het hof te Arnhem. Door vrienden van die vrouw werd de openstaande geldboete vervolgens voldaan.

Op dinsdag 6 november 2001, werd door mij verbalisant K., het voorgaande nogmaals gecontroleerd.

Toen bleek dat het voornoemde onherroepelijke vonnis aan de verkeerde vrouw was betekend.

De verdachte aanduiding NN3 bleek niet correct te zijn. Dit had moeten zijn NN8. (…)

Op 25 april 2001 werd de verdachte NN8 van het tenlaste gelegde, door de rechtbank te Arnhem, vrijgesproken.

Voor zover na te gaan is het eerder genoemde vonnis, bij de verkeerde verdachte ten uitvoer gelegd."

13.1. Per brief van 7 mei 2002 deelde de advocaat van verzoekster onder meer het volgende mee:

"Cliënte is op zondag 7 oktober 2001 slachtoffer geworden van onjuist politieoptreden.

Cliënte is op zondag 7 oktober 2001 aangehouden te X/Y aan de K.-straat, door de heren G. en G4 van de regiopolitie Brabant-Noord, terzake verdenking 138 Wetboek van Strafrecht en 350 Wetboek van Strafrecht, terwijl er geen redelijk vermoeden was dat cliënte zich aan die feiten zou hebben schuldig gemaakt. Zij is dus ten onrechte aangehouden.

Voorts is zij ten onrechte geboeid vervoerd. Er was helemaal geen aanleiding om handboeien te gebruiken.

Later is zij op het hoofdbureau van politie te 's-Hertogenbosch ten onrechte onderworpen aan verdere dwangmiddelen. Bij het nemen van de vingerafdrukken door de heer L. van uw korps werkte cliënte tegen door haar hand dicht te houden. L. zei toen: 'Als je niet meewerkt, breek ik gewoon je duim hoor!' Omdat cliënte niet geloofde dat hij dat daadwerkelijk meende, hield zij haar hand nog steeds dicht. Hierop pakte L. haar duim en rukte de duim met grote kracht achterover, cliënte voelde de duim kraken, het deed ontzettend veel pijn.

De weken na dit incident heeft cliënte veel last van haar duim gehad.

Hierbij wordt een doktersmutatie terzake overgelegd.

De klacht van cliënte met betrekking tot het 'duim-incident' bestaat hieruit dat zij het zeer onprofessioneel en overdreven vindt dat L2 tegenover cliënte die uit protest niets méér doet dan haar hand dichthouden, eerst een belachelijk dreigement uit en dan vervolgens een serieuze poging onderneemt dit dreigement waar te maken. Het was voor L2 een kleine moeite geweest om haar hand gewoon open te maken. L2 gebruikte veel meer kracht dan nodig was.

Ten onrechte is cliënte pas op dinsdag 9 oktober 2001 te 16.36 uur vrijgelaten. Zij is veel langer op het politiebureau van haar vrijheid beroofd geweest dan is te rechtvaardigen gelet op de context."

13.2. Bij de brief van de advocaat van verzoekster van 7 mei 2002 bevindt zich een journaal dat op 11 oktober 2001 is opgemaakt door de huisarts van verzoekster. Hierin staat onder meer:

"ALGEMEEN JOURNAAL

Mishandeld door politie op zondag 7 oktober bij uithuiszetting kraakpand. Duim omgebogen bij maken vingerafdrukken.

Pijn rechterduim bij dorsoflexie en radiale deviatie tegen weerstand. Geen asdrukpijn.

hand/vinger /symptomen/klacht.

14.1. Op 1 juli 2002 stuurde de chef operationele zaken, de heer T2, een brief naar de plaatsvervangend districtschef. In deze brief staat onder meer het volgende:

"De klacht is opgebouwd uit verschillende componenten, zo zou de aanhouding niet terecht zijn, werden onterecht boeien aangelegd en zou verdachte te lang hebben vastgezeten. Ook zou er geweld zijn gebruikt bij het afnemen van vingerafdrukken.

Door mij rapporteur T2 is terzake een onderzoek ingesteld, waarbij onder andere de genoemde arrestantenbewaarder L2 werd gehoord. Hij verklaarde zich het incident te kunnen herinneren en heeft dit zelfs in het dagrapport van het arrestantencomplex vastgelegd. (Zie hiervoor onder A.7.1.; N.o.) Hij deelde mij desgevraagd mede dat inderdaad dwang is gebruikt bij het afnemen van vingerafdrukken, daar verdachte totaal niet mee wilde werken aan het afnemen hiervan. Hierbij is inderdaad de duim van verdachte vastgepakt, maar doordat zij terugtrok is een 'blessure' ontstaan. L2 ontkent dat hij hierbij te ver is gegaan en dat hij de geuite beschuldiging: 'Ik breek je duim, hoor', heeft gebruikt.

Vervolgens is door de GGD arts de heer M3, nog naar de duim gekeken. Deze constateerde dat hiermee niets aan de hand was, zie hiervoor ook het dagrapport, waarin de heer M3 de rapportage heeft ondertekend.

Overigens is in het verslag sprake van een anonieme verdachte daar zij tot op dat moment geen enkele medewerking wilde verlenen aan het vaststellen van haar identiteit.

Tegen verdachte is overigens proces-verbaal opgemaakt. (…)

Vervolgens heeft op 20 juni 2002 op het politiebureau te 's-Hertogenbosch een gesprek plaats gevonden tussen rapporteur en klaagster Ka.

Hierbij gaf zij het volgende aan. Ik citeer: 'De klacht is nu pas ingediend omdat het eigenlijk de bedoeling was om deze na de rechtszaak in te dienen, maar omdat deze uitgesteld is, komt hij nu, anders zou het te lang duren. Er is inderdaad naar de duim gekeken in het arrestantencomplex. Ik weet niet of dit een arts was. Ik kan me dit niet meer herinneren. Ik heb wel een zak ijs gekregen, misschien op advies van die arts?

Hij heeft wel gezegd dat hij mijn duim zou breken. Hij pakte m'n hand en trok daarbij met kracht de duim naar achter. Toen voelde ik pijn en hoorde ik een krak.

Het klopte dat ik op dat moment niet mee wilde werken omdat ik het er niet mee eens was dat ik was opgepakt.'

Op mijn vraag waarom zij pas op 11 oktober 2001 haar huisarts had bezocht, terwijl ze al op 9 oktober 2001 in vrijheid was gesteld kon ze geen afdoend antwoord geven. Ook in de bij de klacht bijgevoegde medische rapportage van deze huisarts, stond geen informatie die duidde op een ernstige blessure.

Ka. vond overigens dat L2 een lesje verdiende en dat ze daardoor deze klacht had ingediend. Geconfronteerd met de rapportage was ze het wel met me eens dat haar houding mede debet is geweest aan het incident.

Door mij werd in een goede sfeer nog uitgebreid gesproken over de mogelijkheden en onmogelijkheden van deze klacht en mijn conclusie is met haar doorgesproken. Ze besloot verder de rapportage aan haar advocaat af te wachten.

Vervolgens is door mij nog over de andere onderdelen van de klacht met haar gesproken en zij was het met me eens dat dit verder ter beoordeling van de rechter dient te worden overgelaten, daar de zaak nog steeds loopt en na de vakantie zal dienen.

Conclusie: gezien bovenstaande ben ik van mening dat L2 binnen zijn mogelijkheden heeft gehandeld. Het toegepaste 'geweld' is proportioneel te noemen en is mede veroorzaakt door de houding van de klaagster op dat moment.

Voor wat betreft de andere onderdelen van de klacht verwijs ik naar het eindoordeel van de rechter in deze."

14.2. Per brief van 3 juli 2002 schrijft de plaatsvervangend districtschef K2 onder meer het volgende aan H4:

"Ik kan mij geheel vinden in de conclusie van T2, dit ook gelet op de verklaringen van verbalisant en klaagster.

Wel vind ik, als deze termen althans gebruikt zijn de opmerking 'Ik breek…' niet toelaatbaar. Uit het onderzoek staan puntjes recht tegenover elkaar.

Het 'geweld' is naar mijn oordeel terecht en proportioneel zo ook de nazorg en gevolgde procedure."

15. De hoofdofficier van justitie te 's-Hertogenbosch schrijft per brief van 3 oktober 2002 onder meer het volgende:

"Op 6 oktober 2001 wordt door de heer B2 de hulp van de politie ingeroepen omdat er zich krakers op zijn terrein bevonden. Hij liet de politie een huurcontract zien en had op dat moment in een van de loodsen een machine opgeslagen. B2 zou het terrein al sinds een jaar huren van de firma H2. Ook zouden er regelmatig werknemers van B2 op het terrein aanwezig zijn. Deze informatie werd bevestigd door de heer B5 die een bedrijf heeft naast het terrein van B2. De politie achtte het terrein in gebruik bij B2 en heeft de krakers verzocht het terrein te verlaten waarop de krakers het terrein vrijwillig hebben verlaten. Op 7 oktober krijgt de politie opnieuw de melding dat een pand op het terrein van B2 gekraakt zou zijn. Ter plaatse treffen de agenten een beveiligingsbeambte die de dag ervoor was ingehuurd door B2. De beveiligingsbeambte verklaarde dat zij eerder die dag op het terrein was geweest en er op dat moment niemand op het terrein aanwezig was. Toen zij echter later die dag terugkwam hadden de krakers een pand op het terrein gekraakt. Zij heeft vervolgens de krakers aangesproken en medegedeeld dat zij niet op het terrein mochten komen. De krakers weigerden echter weg te gaan waarop zij de politie heeft gebeld. Nadat de verbalisanten het verhaal hadden aangehoord en op de hoogte waren gebracht van het voorval van de dag ervoor, concludeerden de agenten dat het terrein in gebruik was bij B2 en vorderden de krakers weg te gaan. De krakers weigerden waarop de politie de krakers heeft aangehouden. De verdachten zijn geboeid en op het politiebureau ingesloten. Op het politiebureau kon de politie de identiteit van klaagster niet vaststellen omdat zij iedere medewerking weigerde. Om toch de identiteit vast te kunnen stellen besloten de politieagenten fotografische opnamen en dactyloscopische afdrukken van klaagster te maken. Klaagster bleef elke medewerking weigeren waarop de verbalisant haar waarschuwde dat als ze bleef weigeren dwang toegepast zou worden. Klaagster weigerde wederom waarop de verbalisant haar duim heeft vastgepakt en haar vingerafdrukken heeft afgenomen. Echter omdat klaagster bleef tegenwerken, heeft klaagster hiervan pijn ondervonden. Een arts heeft de duim nog bekeken maar heeft geconcludeerd dat klaagster geen letsel aan haar duim heeft opgelopen.

Klaagster klaagt over het feit dat zij is aangehouden ter zake huisvredebreuk en vernieling terwijl er geen redelijk vermoeden van schuld jegens haar aanwezig was. Tevens zou zij later ten onrechte aan dwangmiddelen zijn onderworpen.

Ten aanzien van de aanhouding ben ik van mening dat de agenten ter plaatse voldoende informatie hebben ingewonnen. Op grond van deze informatie is de politie er vanuit gegaan dat het terrein en de daarop staande panden in gebruik waren bij B2 hetgeen mij geen onjuiste veronderstelling lijkt. B2 had immers een huurcontract, op dat moment een machine in een van de panden staan en uit een verklaring van een getuige bleek dat er regelmatig werknemers van B2 op het terrein aanwezig waren. De agenten hadden op dat moment een redelijk vermoeden van schuld jegens klaagster hetgeen een aanhouding rechtvaardigt. Mijns inziens is de aanhouding rechtmatig en ik acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Na de aanhouding probeert de politie de identiteit van klaagster vast te stellen maar zij weigert iedere medewerking. Op grond van artikel 61a van het Wetboek van Strafvordering kan op bevel van de officier van justitie een verdachte tijdens de ophouding voor verhoor aan maatregelen ter identificatie worden onderworpen. Het tweede lid geeft aan dat als maatregelen ter identificatie zijn toegelaten: het maken van fotografische opnamen, het nemen van vingerafdrukken en het nemen van lichaamsmaten. De toegepaste maatregelen zijn rechtmatig toegepast en ik acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Ten aanzien van het nemen van de vingerafdrukken ben ik van mening dat een ambtenaar van de politie op grond van artikel 8 van de Politiewet 1993 bevoegd is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op het aan het gebruik van geweld gebonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Mijns inziens valt het vastpakken van de duim in relatie tot het beoogde doel binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het feit dat door het tegenwerken van klaagster het vastpakken bij de duim pijn heeft gedaan, doet daar niet aan af. Ik acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Gelet op het bovenstaande acht ik de klacht ongegrond. Ik verzoek u betrokken politiefunctionarissen in kennis te stellen en vertrouw er op u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd."

16. De voorzitter van de klachtencommissie stuurde op 6 december 2002 een brief naar de beheerder van het regionale politiekorps Brabant-Noord. In deze brief schrijft de voorzitter van de klachtencommissie onder meer het volgende:

"De klacht bestaat uit de navolgende onderdelen:

klaagster is ten onrechte aangehouden;

zij is ten onrechte geboeid na de aanhouding;

zij is ten onrechte onderworpen aan verdere dwangmiddelen waarbij geweld is gebruikt bij het nemen van een vingerafdruk van haar duim.

Ad a.:

De aanhouding is geschied onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en de aanhangige strafzaak is nog onder de rechter. De commissie acht zich niet bevoegd om hierover een uitspraak te doen en meent dat de strafrechter dit punt zal moeten beoordelen.

Ad b.:

Met betrekking tot het gebruik van de handboeien hebben de verbalisanten desgevraagd aangegeven dat dit gedaan is in verband met de veiligheid omdat de krakers, waaronder klaagster, weigerden vrijwillig vanaf de zolder naar beneden te komen.

De commissie acht deze toelichting voldoende en is van mening dat onder deze omstandigheden terecht tot het gebruik van de handboeien is besloten in verband met de veiligheid van de verbalisanten en de arrestanten.

De commissie adviseert u dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

Ad c.:

De politie was gerechtigd op grond van de artikelen 61a en 62 van het Wetboek van Strafvordering maatregelen ter identificatie, zoals het nemen van vingerafdrukken, toe te passen. Met name vanwege de tegenwerkende houding van klaagster was het gebruik van enig geweld noodzakelijk om een vingerafdruk te kunnen nemen. De commissie acht het gebruikte geweld proportioneel en niet onbehoorlijk.

Klaagster stelt dat door de arrestantenbewaarder gedreigd zou zijn dat hij haar duim zou breken, deze ontkent echter een dergelijke opmerking te hebben gemaakt. Ook overigens blijkt niet dat de arrestantenbewaarder een dergelijke opmerking heeft gemaakt.

De nazorg is voorts correct geweest, omdat men een arts naar de duim heeft laten kijken en klaagster een ijszakje tegen de pijn is verschaft."

17. Per brief van 23 december 2002 reageerde de advocaat van verzoekster onder meer als volgt op het advies van de klachtencommissie (zie Bevindingen, onder A.16.):

"Ad a.: Voor de goede orde zij vermeld dat de politierechter rechtbank 's-Hertogenbosch cliënte en haar medekrakers op 12 augustus 2002 van de tenlastegelegde lokaalvredebreuk (artikel 138 Wetboek van Strafrecht) heeft vrijgesproken. De politierechter heeft daarbij uitdrukkelijk overwogen dat het betreffende, gekraakte, kantoorgebouw een afgescheiden gedeelte van het bedrijfsterrein betrof en niet in gebruik was, ook al was een ander deel van het bedrijfsterrein wel in gebruik. Cliënte is ten onrechte aangehouden geworden.

Ad b.: De door de politie opgegeven reden voor het gebruik van de handboeien zijn volstrekt onvoldoende om in dit concrete geval het gebruik van handboeien te rechtvaardigen. Iemand die ten onrechte wordt aangehouden mag bovendien niet worden geboeid.

Ad c.: Het na een bedreiging bijna breken van iemands duim valt niet onder proportioneel geweld. Er is sprake van mishandeling en strafbare bedreiging. Bovendien: tegenover iemand die ten onrechte wordt aangehouden mag geen geweld, zelfs niet het minste geweld, worden toegepast."

18. Op 7 januari 2003 stuurde de korpsbeheerder het afhandelingbericht van de klacht naar de advocaat van verzoekster. Hierin staat onder meer het volgende vermeld:

"Het onderzoek is verricht door inspecteur T2 die met arrestantenbewaarder L2 heeft gesproken. Tevens heeft hij informatie ingewonnen bij de verbalisant, de heer G4. Op 20 juni 2002 is cliënte in de gelegenheid gesteld het klachtschrijven mondeling toe te lichten en te reageren op de bevindingen van de onderzoeker. Conform uw verzoek is u bij schrijven de datum 23 december 2002 een afschrift van het advies van de klachtencommissie gezonden. Bij schrijven de datum 23 december 2002 heeft u hierop gereageerd.

Uit het onderzoek blijkt het volgende:

Op 6 oktober 2001 wordt door de heer B2 de hulp van de politie ingeroepen omdat er zich krakers op zijn terrein in de K-straat zouden bevinden. Ter plaatse aangekomen laat de heer B2 de politieambtenaren een kopie van zijn huurcontract zien. Tevens verklaart de heer B2 daarbij dat er op 4 oktober 2001 nog is gewerkt en dat zich machines in de ruimte bevinden. Daarnaast geeft hij aan dat hij het pand reeds een jaar huurt. Vervolgens nemen de politieambtenaren contact op met de getuige de heer B5, de buurman, die aangeeft dat er iedere week een paar dagen mensen aan het werk zijn. Hierop verzoeken de politieambtenaren de krakers het terrein te verlaten aan welk verzoek door de krakers vrijwillig gehoor wordt gegeven.

Op 7 oktober 2001 komt opnieuw een melding bij de politie binnen dat er zich krakers bevinden op het terrein in de K-straat. De twee politieambtenaren die ter plaatse gaan, zijn op de hoogte van het feit dat het pand op 6 oktober 2001 ook al was gekraakt en er toen werd geconstateerd dat het pand nog in gebruik was. De politieambtenaren vorderen twee maal van de personen die zich binnen het terrein bevinden dat ze het terrein verlaten en delen hierbij mede dat, indien hieraan geen gevolg wordt gegeven, zij worden aangehouden. De krakers weigeren echter weg te gaan, waarop de politieambtenaren zich toegang tot het gebouw verschaffen. Na diverse ruimtes te hebben doorzocht, treffen de politieambtenaren een aantal personen, waaronder uw cliënte, op een zolderruimte aan. De politieambtenaren delen deze personen mede dat zij aangehouden zijn. De personen wordt de keus gegeven vrijwillig naar beneden te komen, maar dit doen zij niet. Vervolgens besluiten de politieambtenaren de personen te boeien en zo voorzichtig naar beneden te laten glijden. De geboeide personen worden beneden overgenomen en in de arrestantenbus gezet.

Op het politiebureau weigert uw cliënte iedere medewerking en is de politie niet in staat haar identiteit vast te stellen. Zij maakt gebruik van haar zwijgrecht. Van haar worden fotografische opnamen en dactyloscopische afdrukken gemaakt. Bij het afnemen van de vingerafdrukken wordt enige dwang gebruikt daar uw cliënte niet wil meewerken. De duim van uw cliënte is hierbij vastgepakt. Door een GGD-arts wordt vervolgens nog naar de duim gekeken. Deze constateert dat daarmee niets aan de hand is.

Op 7 oktober 2001 beveelt de hulpofficier van justitie in het belang van het onderzoek tot inverzekeringstelling van uw cliënte. Nader verhoor van uw cliënte is noodzakelijk; van haar kan geen vaste woon- of verblijfplaats worden vastgesteld. Op 9 oktober 2001 wordt uw cliënte in vrijheid gesteld.

(…)

Conclusie:

Op grond van het Wetboek van Strafvordering kan als verdachte worden aangemerkt 'degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit'. Met de hoofdofficier van justitie ben ik van mening dat uw cliënte door de politiefunctionarissen terecht als verdachte werd aangemerkt. De politiefunctionarissen waren reeds op de hoogte van het incident met krakers dat zich op 6 oktober 2002 op hetzelfde terrein had voorgedaan. Daarbij had de heer B2 een kopie van zijn huurcontract aan de politiefunctionarissen getoond, verklaarde hij dat er zich een machine in de ruimte bevond, er op 4 oktober 2001 nog was gewerkt en hij het pand reeds een jaar huurde. Daarnaast bleek uit de verklaringen van een getuige dat er regelmatig mensen aan het werk waren op het terrein. Op grond van deze informatie zijn de politiefunctionarissen er op 7 oktober 2001 vanuit gegaan dat het terrein en de daarop staande panden in gebruik waren bij de heer B2.

Vorenstaande maakt dat er mijns inziens voldoende feiten en omstandigheden waren om uw cliënte als verdachte aan te merken en aan te houden. Dit zegt overigens niets over de strafzaak die heeft gediend, maar betekent enkel dat het politieoptreden op dat moment rechtmatig was. Mijns inziens is de aanhouding rechtmatig en dit klachtonderdeel acht ik dan ook ongegrond.

Ten aanzien van het gebruik van de handboeien is van belang dat de politiefunctionarissen hebben aangegeven dat deze zijn gebruikt in verband met de veiligheid. De krakers, waaronder uw cliënte, weigerden vrijwillig van de zolder naar beneden te komen. De krakers zijn geboeid om deze zo voorzichtig naar beneden te laten glijden en vervolgens in de arrestantenbus geplaatst. Het gebruik van handboeien achtten de politiefunctionarissen noodzakelijk in verband met hun eigen en andermans veiligheid, met name indien verzet zou worden gepleegd.

Met de klachtencommissie ben ik van oordeel dat deze toelichting voldoende is. Er zijn mijns inziens terecht handboeien gebruikt in verband met de veiligheid van de politiefunctionarissen en de arrestanten, waaronder uw cliënte. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Ten aanzien van het toepassen van verdere dwangmiddelen zij gewezen op artikel 61a van het Wetboek van Strafvordering. Op bevel van de officier van justitie kan een verdachte tijdens de ophouding voor verhoor aan maatregelen ter identificatie worden onderworpen. Het maken van fotografische opnamen en het nemen van vingerafdrukken behoren tot dit soort maatregelen. Vaststaat dat uw cliënte iedere medewerking aan het vaststellen van haar identiteit weigerde. De maatregelen zijn derhalve rechtmatig toegepast. Met de klachtencommissie en de hoofdofficier van justitie acht ik dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Met betrekking tot het gebruik van geweld tijdens het nemen van de vingerafdrukken, het volgende. Vaststaat dat uw cliënte niet wilde meewerken aan het nemen van de vingerafdrukken en hierbij enige dwang van de zijde van de politiefunctionaris is toegepast. Op grond van artikel 8a van de Politiewet 1993 is een ambtenaar van de politie echter bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op het aan het gebruik van geweld gebonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden gebruikt. Uw cliënte werkte tijdens het nemen van de vingerafdrukken tegen. Nadat uw cliënte geen gehoor gaf aan de dringende verzoeken om mee te werken, heeft de betrokken politiefunctionaris haar duim vastgepakt. Evenals de klachtencommissie en de hoofdofficier van justitie ben ik van mening dat dit, hoewel dit uiteraard pijnlijk kan zijn, binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit valt. Dit klachtonderdeel acht ik dan ook ongegrond.

Voor wat betreft uw klacht aangaande de geuite bedreiging 'Als je niet meewerkt, breek ik gewoon je duim, hoor!', onthoud ik me van een oordeel. De verklaringen van de betrokken politiefunctionaris en uw cliënte spreken elkaar op dit punt immers tegen.

Ten aanzien van het klachtonderdeel dat uw cliënte veel langer van haar vrijheid beroofd is geweest dan te rechtvaardigen was, zij gewezen op het feit dat de hulpofficier van justitie op 7 oktober 2001 in het belang van het onderzoek de inverzekeringstelling van uw cliënte heeft bevolen. Nader verhoor van uw cliënte was noodzakelijk; van haar kon geen vaste woon- of verblijfplaats worden vastgesteld. Op 9 oktober 2001 is uw cliënte weer in vrijheid gesteld. Niet valt in te zien noch is nader gemotiveerd omschreven waarom de lengte van deze vrijheidsberoving niet te rechtvaardigen zou zijn. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond."

B. Standpunt verzoekster

1. Het standpunt van verzoekster staat samengevat weergegeven onder Klacht.

2. Tevens wordt het standpunt van verzoekster nader toegelicht in de brieven van haar advocaat van 7 mei 2002 en 23 december 2002 (zie Bevindingen, onder A.13.1 en A.17.).

3. Op 25 juli 2003 nam een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch contact op met de griffier van de rechtbank te 's-Hertogenbosch. De griffier deelde desgevraagd mee dat verzoekster op 12 augustus 2002 is vrijgesproken van het feit waarvoor zij op 7 oktober 2001 was aangehouden, omdat het pand niet in gebruik was bij de eigenaar. Tevens deelde de griffier mee dat de rechter tijdens de terechtzitting niets heeft gezegd over de aanhouding van verzoekster en hetgeen daarop volgde.

C. Standpunt korpsbeheerder

De korpsbeheerder deelde in reactie op de klacht bij brief van 29 september 2003 onder meer het volgende mee:

"De korpschef van de politieregio Brabant-Noord heeft een onderzoek ingesteld en mij over de resultaten daarvan geïnformeerd.

Ik heb de heer mr. E.Th. Hummels bij mijn schrijven van 7 januari 2003 (zie Bevindingen, onder A.18.; N.o.) medegedeeld dat ik de klacht van zijn cliënte mevrouw Ka. op alle klachtonderdelen als ongegrond beoordeeld heb. Op dit moment zijn er voor mij geen redenen om dit oordeel te herzien. Uit de door de korpschef ingestelde onderzoeken, zowel bij de klachtafhandeling als na indiening van een verzoek bij u, is mij niet gebleken dat er door de politie onterecht werd opgetreden. De klacht van mevrouw Ka. is derhalve voor mij geen aanleiding tot enigerlei maatregel of actie ten behoeve van verzoekster dan wel in meer algemene zin."

D. Reactie betrokken politieambtenaar s2

Per e-mailbericht van 4 september 2003 reageerde betrokken politieambtenaar S2 onder meer als volgt op de klacht van verzoekster:

"Ik kan u niets vertellen over de in de klachtformulering opgenomen zaken omdat ik alleen het verhoor van de betrokkene Ka. heb gedaan."

E. REACTIE BETROKKEN POLITIEAMBTENAAR S.

Per brief van 12 september 2003 reageerde betrokken politieambtenaar S. onder meer als volgt op de klacht van verzoekster:

"Op zondag 7 oktober 2001, omstreeks 16.30 uur, ben ik met enkele collega's ter plaatse gegaan op het adres: K-straat, te R. Onze komst was verzocht door twee collega's die op dit adres aanwezig waren in verband met het afvoeren van een aantal verdachten.

Toen ik met mijn collega's ter plaatse verscheen, bleek dat het om tien tot vijftien personen ging (N.o.), die onrechtmatig aanwezig waren op een bedrijfsterrein en in een van de bedrijfspanden op dit terrein, waarbij door een of meer personen uit deze groep vernielingen waren aangericht aan goederen van derden (o.a. hekwerk, toegangsdeur en deuren in het pand).

Deze personen zijn deels na overleg uit eigen beweging en deels na weigering met enige doch geringe fysieke kracht uit het pand en van het terrein verwijderd, waarbij een aantal van hen is aangehouden terzake lokaalvredebreuk en terzake vernieling.

Mijn rol in deze is uitsluitend beperkt gebleven tot het besturen van het politiebusje waarmee de arrestanten werden overgebracht van eerdergenoemde locatie naar het hoofdbureau van politie te 's-Hertogenbosch. Daar zijn de verdachten voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Ik heb zelf geen aanhoudingshandelingen verricht. Het is inderdaad zo dat het groepje arrestanten welke ik heb vervoerd de handboeien waren omgedaan. Ik kan mij niet herinneren of daarbij mevrouw Ka. aanwezig was, aangezien er ook andere arrestanten met een of meer andere politievoertuigen zijn overgebracht en mede gezien het feit dat een aantal van de arrestanten, waaronder enkele vrouwen, na aanhouding hun identiteit niet wensten kenbaar te maken. Ik weet dus absoluut niet wie mevrouw Ka. moet zijn geweest.

De handboeien waren aangebracht door collega's die de aanhoudingen hadden verricht in het bewuste bedrijfspand en op het bedrijfsterrein. Het gebruik van de handboeien is in deze ook verwoord in processen-verbaal van aanhouding met als motivatie: eigen en andermans veiligheid. Een aantal van de verdachten had zich namelijk fysiek verzet, zij het in geringe mate overigens, tegen de aanhouding en overbrenging. In dat groepje van arrestanten was sprake van enige hectiek.

Omdat meer dan één arrestant tegelijk werd overgebracht in hetzelfde politievoertuig (bus) en om daarbij te voorkomen dat men zichzelf of de begeleidende politieambtenaren - waaronder ik als bestuurder - fysiek zou kunnen belagen, hetgeen immers ook in meer of mindere mate was gebeurd tijdens de aanhoudingshandelingen, werd door de collega's klaarblijkelijk gekozen voor het aanbrengen van de handboeien tijdens het transport.

Gezien hebbende hetgeen aan aanhouding en overbrenging van de groep arrestanten, waaronder betrokkene, was vooraf gegaan achtte ik het gebruik van de handboeien tijdens het transport rechtmatig. Tijdens het transport, noch tijdens voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie, waarbij de rechtmatigheid van de aanhouding werd getoetst werd door een of meer van de arrestanten gewag gemaakt van het al dan niet rechtmatig gebruik van de handboeien tijdens het transport.

Als ik lees in uw schrijven onder punt 2 "haar hebben geboeid, terwijl zij hiertoe geen aanleiding heeft gegeven;" dan moet ik u melden - zoals uit het bovenstaande moge blijken - dat die aanleiding er wel degelijk was.

Omtrent het voorval tijdens het afnemen van de vingerafdrukken kan ik u geen mededeling doen, aangezien ik daarbij niet meer aanwezig ben geweest. Ik weet dat de arrestanten na voorgeleiding zijn ingesloten ten behoeve van nader onderzoek waarbij onder andere speelde dat een aantal van hen hun identiteit niet wenste op te geven en dat van een aantal een dactyloscopisch signalement diende te worden vastgelegd. Dit zal, uit uw schrijven te oordelen, ook het geval zijn geweest bij Ka."

f. telefonisch verhoor betrokken politieambtenaar K.

Betrokken ambtenaar K. verklaarde op 3 november 2003 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:

"We kwamen met een aantal politieagenten aan bij het bedrijventerrein waarop vermoedelijk een pand gekraakt was. Een aantal krakers stond buiten het hekwerk, bij een busje dat ze gebruikten. Zo'n zeven krakers bevonden zich binnen het hekwerk. Wij hebben ze aangesproken op het feit dat ze gebruik maakten van een pand dat feitelijk nog voor werkzaamheden gebruikt werd. Wij verzochten ze dan ook het terrein te verlaten, maar hieraan gaven ze geen gehoor. De krakers trokken zich hierop terug in de diverse gebouwen die zich op het terrein bevonden. Een aantal van de krakers liep via gangetjes naar buiten en verdween, terwijl een viertal krakers, waaronder verzoekster, het kantoorgebouw inging. Wij gingen achter ze aan met een zestal agenten. In het proces-verbaal staat dat dit in ieder geval ikzelf, de heer G4 en de heer G. was. F. Security was er volgens mij ook bij, maar die hebben verder geen handelingen verricht, omdat ze hiertoe ook niet bevoegd zijn.

In dit kantoorgebouw liepen ze door naar een klein zoldertje. Dit zoldertje was niet met een trap bereikbaar, het was een soort vliering, waarin wat openingen zaten waar net een mens doorheen kon. Het was niet donker op de zolder, er scheen daglicht naar binnen.

We hadden een stoel gevonden waarmee we op de zolder konden klimmen en hebben aan de krakers gevraagd of ze wilden meekomen met ons. Ze gaven echter aan dat ze dat niet wilden. Ze wilden alleen maar een discussie met ons voeren, maar wilden niet meewerken. We hebben ze vervolgens gewezen op de gevolgen van hun gedrag, namelijk dat ze aangehouden zouden worden.

Vervolgens hebben we de krakers aangehouden en meegenomen naar beneden. Ze hebben hierbij geen geweld gebruikt, maar werkten ook helemaal niet mee met ons. Het waren hierdoor eigenlijk zakken zand die je naar beneden moest zien te krijgen. Dat was best lastig, zeker omdat er iemand van zo'n 80 kilo bij was. Een agent stond op de zolder en gaf de krakers als het ware door naar beneden.

De krakers zijn naar de uitgang gebracht en zijn bij het instappen in het politievoertuig geboeid. Ik zie in het proces-verbaal van aanhouding staan dat we de krakers hebben geboeid vanwege de eigen en andermans veiligheid. Ik kan u niet toelichten waaruit deze veiligheid bestond; dat kan ik me niet meer herinneren. Het enige dat ik hierover kan zeggen is dat we een aantal van de krakers tegelijk in de politiebus hebben gezet, maar dat er maar één of twee politieambtenaren bij hen konden zitten, waardoor we onderbemand waren.

Ook toen we de krakers in het politiebusje wilden zetten, werkten ze op geen enkele manier mee. Ze gebruikten geen geweld, maar we moesten ze weer als een soort zandzakken het busje indragen. Ook toen we de krakers trouwens uit het kantoorgebouw wilden krijgen, moesten we ze door de ramen tillen, omdat de toegangspoort afgesloten was.

Op het bureau aangekomen is verzoekster gehoord en toen weigerde ze haar naam en adres op te geven.

Over verzoekster zou ik nog willen zeggen dat ze een beroepskraakster is. Ze is al bij diverse demonstraties en kraakacties in het land opgepakt. In de toekomst zal de politie op dezelfde manier bij dit soort zaken handelen. Deze groep krakers vecht dit soort zaken altijd aan tot aan de Hoge Raad en de Nationale ombudsman."

g. telefonisch verhoor betrokken politieambtenaar L2

1. Betrokken ambtenaar L2 verklaarde op 3 november 2003 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:

"U vraagt mij wat er gebeurde toen er foto's en vingerafdrukken van verzoekster moesten worden genomen. Dit kan ik mij niet meer herinneren. Het is al te lang geleden gebeurd en wij zien hier zo veel arrestanten per dag dat ik mij verzoekster niet meer voor de geest kan halen.

Ik weet dus ook niet meer op wat voor manier verzoekster tegenwerkte bij het maken van de foto's en de vingerafdrukken. Ik wil hierover ook niet verklaren, omdat ik dit niet zeker meer weet. Dan verklaar ik misschien over een andere arrestant bij wie ook foto's en vingerafdrukken zijn genomen. Ik verwijs u naar het rapport dat is opgemaakt. Ik heb meteen alles opgeschreven zoals het is gebeurd. Op die manier is het gegaan. Ook ben ik korte tijd daarna verhoord door de districtschef en heb daar alles verklaard wat er gebeurd is.

Ik kan u wel vertellen over de vingerafdrukken dat wanneer ik een vinger vastheb, ik deze ook niet meer loslaat. Ik ben twee meter groot en heb het niet nodig om uitlatingen als 'Ik breek je duim hoor…' te doen. Om die bewering moet ik eerlijk gezegd lachen."

2. Op 7 januari 2004 had een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch contact met betrokken politieambtenaar H6. Uit het dagrapport van het arrestantencomplex (zie Bevindingen, onder A.7.1.) bleek dat H6 ook aanwezig was toen L2 bij verzoekster vingerafdrukken afnam. Tijdens dit telefoongesprek gaf H6 aan zich niets meer te herinneren van het voorval met verzoekster op 7 oktober 2001.

H. telefonisch verhoor betrokken politieambtenaar G.

Betrokken ambtenaar G. verklaarde op 4 november 2003 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:

"Op 7 oktober 2001 was ik niet bij de eerste groep politieambtenaren die ter plaatse waren gegaan. Omdat de dag ervoor ook al krakers zaten in hetzelfde pand, zijn er eerst twee collega's heen gestuurd, de heren G4 en K. Toen zij bij het pand aankwamen, stonden er zo'n vijftien krakers buiten het pand. Het slot van het hekwerk was geforceerd, er zat een nieuw slot omheen. Mijn collega's hebben de krakers gevorderd het terrein te verlaten, maar hieraan gaven ze geen gehoor. Een aantal krakers trok zich hierop terug in een van de gebouwen die op het bedrijventerrein stonden. Op dat moment werd ik met een aantal andere collega's opgeroepen. In totaal waren we toen ongeveer met acht politieambtenaren aanwezig.

We hebben eerst in het pand rondgekeken en zagen dat het niet als woning ingericht was. Vier van de krakers, waaronder verzoekster, hadden zich teruggetrokken op de zolder van het kantoorgebouw. Om de zolder te bereiken hadden wij een ladder gepakt van het aanwezige beveiligingsbedrijf. De krakers hadden zich met de armen in elkaar gehaakt. Ze wilden niet meewerken. Ze verzochten ons om het Bratra-team (Brand- en traangasgroep; N.o.) van de politie Amsterdam-Amstelland te laten komen, omdat die de enigen zouden zijn die hen op een goede manier van de zolder af zouden kunnen halen. Wij besloten om de krakers zelf van de zolder te halen. We hebben ze aangehouden omdat ze niet wilden meewerken en hebben ze vervolgens één voor één van de zolder gehaald en afgevoerd. Ze verzetten zich hier niet tegen, maar werkten op geen enkel manier mee, we moesten ze dragen.

Beneden aangekomen stond er een grote groep van zo'n 20 tot 30 aanhangers van de krakers buiten het hek. Ze maakten opmerkingen in onze richting. Uit oogpunt van veiligheid hebben we de krakers vervolgens geboeid. Omdat we de krakers tegelijk in de politiebus hebben gezet, het een grote groep krakers was, en we relatief met weinig politieambtenaren waren, hebben we de krakers geboeid. Ik ben van mening dat we verantwoord hebben gehandeld en dat het boeien op dat moment noodzakelijk was. De krakers verzetten zich niet toen ze geboeid werden.

Op het bureau weigerde verzoekster haar personalia op te geven. Ik heb haar vervolgens in verzekering gesteld. Hierbij verklaarde ze dat ze een beroep deed op haar zwijgrecht en ze vroeg om haar advocaat, de heer Hummels uit Zeist.

Die avond zijn er foto's en vingerafdrukken van verzoekster gemaakt, omdat haar gegevens onbekend waren. Omdat 7 oktober 2001 een zondag was, zijn de foto's en de gegevens van de vingerafdrukken pas de volgende dag naar de technische recherche doorgestuurd. Bovendien kunnen dergelijke onderzoeken niet 's avonds gedaan worden. Op 8 oktober kregen we de uitslag binnen. Hieruit bleek dat verzoekster betrokken was geweest bij een demonstratie tegen kernafvaltransport in E. Hiervoor was ze veroordeeld door het parket in Arnhem, maar de stukken waren op dat moment niet te vinden. Op 9 oktober werd bekend dat verzoekster voor het feit in E. veroordeeld was tot een boete van ƒ 500,- of 10 dagen vervangende hechtenis. Deze veroordeling was een NN-veroordeling, waarbij de personalia van verzoekster dus ook niet bekend waren. Zodoende wisten we de personalia van verzoekster nog niet. Rond een uur of vier is verzoekster afgehoord en hebben we haar de dagvaarding voor het feit van 7 oktober uitgereikt. Ze maakte geen aanstalten om de boete van ƒ 500,- te betalen. We hebben haar vervolgens in vrijheid gesteld, maar haar direct daarna aangehouden voor de openstaande boete. De boete werd vervolgens door iemand anders betaald.

Ik begrijp dat één van de dingen waar verzoekster over klaagt het feit is dat ze pas op 9 oktober in vrijheid is gesteld. Verzoekster geeft haar naam nooit op wanneer ze wordt aangehouden voor een strafbaar feit. Dan proberen wij er toch achter te komen wat haar personalia zijn. Zo'n onderzoek kost tijd. Wanneer verzoekster meteen haar gegevens had opgegeven, was ze bijna direct weer in vrijheid gesteld. Ze heeft dit dus zelf in de hand gehad."

I. telefonisch verhoor betrokken politieambtenaar G4

Betrokken ambtenaar G4 verklaarde op 17 november 2003 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:

"Toen we aankwamen bij het bedrijventerrein waar vermoedelijk een pand was gekraakt, zagen we dat een aantal krakers zich buiten het pand bevond en een aantal krakers bevond zich buiten het terrein. Toen we ze verzochten om het terrein te verlaten, gaven ze geen gevolg aan dit verzoek. Een aantal van de krakers klom over het hek heen, en een aantal trok zich terug in het pand.

Wij hebben de situatie nogmaals bekeken en zagen dat er een nieuw slot om het hek was gedaan.

We hebben vervolgens de chef van dienst ter plaatse geroepen. We waren toen ongeveer met zeven politieambtenaren ter plaatse.

Na overleg met de chef van dienst zijn we met vier politieambtenaren het pand ingegaan, naar de zolder, waar een viertal krakers - waaronder verzoekster - zich had verscholen. Er lagen wel wat spullen voor de zolder, maar deze was via een ladder die we hadden gepakt, makkelijk te bereiken.

We hebben de krakers nogmaals verzocht om zelfstandig naar beneden te komen, maar ze zeiden dat ze hieraan niet wilden meewerken. Twee van ons zijn de zolder opgeklommen en hebben nogmaals gevraagd of de krakers zelf naar beneden wilden gaan. We hebben ze na overleg met de chef van dienst ook gewezen op de consequenties wanneer ze dit niet uit zichzelf zouden doen, namelijk dat ze zouden worden aangehouden en dat wij ze naar beneden zouden brengen. We hebben ze dus voor de keuze gesteld. De krakers wilden echter niet meegaan. Ze werkten niet fysiek tegen, maar werkten ook niet mee, ze pleegden weerloos verzet. We hebben de krakers hierop aangehouden en geboeid. Ik weet echter niet meer zeker of we ze hebben geboeid, maar ik denk het wel. We hebben de krakers geboeid uit veiligheidsoverwegingen. Ondanks het feit dat ze geen verzet pleegden vóór hun aanhouding, was het te link om ze via de ladder naar beneden te tillen. We konden het risico niet lopen dat ze op het moment dat we ze mee naar beneden droegen wel verzet zouden plegen. De twee politieambtenaren die op de zolder stonden, gaven de verdachten aan ons aan. Bij de aanhouding en bij het verplaatsen van de krakers, pleegden deze geen verzet, maar ze werkten ook niet mee. Ze gedroegen zich als een soort zandzakken.

We hebben de krakers naar beneden gebracht en ze vervolgens in het politiebusje gezet. Volgens mij zaten niet alle aangehouden krakers in één busje, maar zaten ze twee aan twee. Ze waren al geboeid en we hebben ze geboeid overgebracht.

Na de overbrenging van de krakers, heb ik geen bemoeienissen meer met ze gehad."

J. reactie verzoekster

Per brief van 8 november 2003 reageerde verzoekster onder meer als volgt - voor zover voor het onderzoek van belang - op de reactie van de korpsbeheerder van 29 september 2003:

"Pt. 2., volgende bladzijde, zelfde brief, eerste alinea (zie Bevindingen, onder E.; N.o.)

'Het gebruik van de handboeien…met als motivatie: eigen en andermans veiligheid. Een aantal van de verdachten had zich namelijk fysiek verzet, zij het in geringe mate overigens…'

- Wij hebben ons niet fysiek verzet. We hebben niet meegewerkt, ons als zakken meel gedragen, wel passief maar niet actief verzet gepleegd. Ik vind dat dat twee zeer verschillende vormen van verzet zijn. Zeker gelet op het volgende:

Zelfde pagina, tweede alinea:

'en om daarbij te voorkomen dat men zichzelf of de begeleidende politieambtenaren

- waaronder ik als bestuurder - fysiek zou kunnen belagen, hetgeen immers ook in meer of mindere mate was gebeurd tijdens de aanhoudingshandelingen…'

- hier wordt ons 'fysiek verzet, zij het in geringe mate' opeens omgetoverd in 'belagen' en dat is verre van de waarheid. Geen van ons heeft zelfs maar aanleiding gegeven te denken dat wij wie dan ook fysiek IETS aan zouden doen. Ik vind het kwalijk dat er zulke conclusies op basis van waarschijnlijkheden getrokken worden.

(…)

Pt. 7.

15 pagina's verder, proces-verbaal van bevindingen, tweede alinea ('ter plaatse…in Den Bosch') (zie Bevindingen, onder A.4.; N.o.)

Onderaan in deze alinea wordt gezegd:

'De personen verklaarden dat ze geen geweld zouden gebruiken maar dat ze niets zouden doen om mee te gaan'

- Hiermee wordt onderschreven wat ik in pt. 2 ook al aangaf.

Pt. 8.

4 pagina's verder, brief, van B6 aan R3 advies klacht Ka., laatste alinea Ad c: (zie Bevindingen, onder A.16.; N.o.)

Hier wordt gezegd:

'…was het gebruik van enig geweld noodzakelijk…De commissie acht het gebruikte geweld proportioneel en niet onbehoorlijk.'

- Mijns inziens is geweld nooit noodzakelijk, proportioneel of behoorlijk.

Pt. 9.

volgende pagina, eerste alinea,

'Klaagster stelt…te hebben gemaakt'

- Ik heb de heer L2 deze opmerking tegen mij horen maken en dat zweer ik op alles waar ik in geloof.

Pt. 10.

zelfde pagina, tweede alinea

'de nazorg…verschaft'

Ik heb niet om een dokter gevraagd, die is erbij gehaald omdat mijn duim dik begon te worden. Als er niks aan de hand was, waarom heb ik er dan een zak ijs voor gekregen?

Pt. 11.

Vijf pagina's verder, brief van K4 aan plaatsvervangend districtschef 's-Hertogenbosch, 3e alinea ('door mij…haar identiteit') (zie Bevindingen, onder A.14.1.; N.o.)

hierin wordt gezegd:

'maar doordat zij haar duim terugtrok is een 'blessure ontstaan'

- ten eerste trok ik mijn duim niet terug maar is deze met kracht achterovergetrokken, L2 hield met de ene hand mijn pols vast en trok met de andere mijn gebalde vuist bij de duim open.

- ten tweede wordt hier opeens WEL toegegeven dat er een blessure is ontstaan.

Pt. 12.

volgende pagina, tweede alinea ('Ka…te wachten')

hierin wordt gezegd:

'Ka. vond overigens dat L2 een lesje verdiende en dat ze daardoor deze klacht in had gediend. Geconfronteerd met de rapportage was ze het wel met me eens dat haar houding mede debet is geweest aan dit incident.'

- Ik heb aangegeven ongeacht de uitkomst van dit onderzoek ik het belangrijk vond dat meneer L2 geconfronteerd wordt met de situatie opdat deze zich in de toekomst niet meer voor zal doen, niet bij mij en niet bij anderen. Ook ben ik het er absoluut niet mee eens dat mijn houding debet is geweest aan het incident. Er zijn vele manieren om iemands vuist te openen zonder diegene te blesseren of zelfs maar pijn te doen. Ik ben ervan overtuigd dat de heer L2 van die manieren op de hoogte is. Als dit niet het geval is stelt de opleiding tot politiebeambte nog minder voor dan ik denk."

K. Reactie korpsbeheerder

Per brief van 12 december 2003 reageerde de korpsbeheerder onder meer als volgt op de hem toegestuurde reactie van verzoekster van 8 november 2003:

"In eerste instantie reageert mevrouw Ka. op de brief van politiefunctionaris de heer S. door te zeggen dat zij volgens de rechtszaak rechtmatig op het bedrijfsterrein aanwezig waren en dat er nooit is bewezen dat zij vernielingen hebben aangericht. Op 6 oktober 2001 werd echter door de heer B2 de hulp van de politie ingeroepen, omdat op zijn terrein in de K.-straat zich krakers zouden bevinden. Toen de politie ter plaatse arriveerde liet de heer B2 de functionarissen een kopie van zijn huurcontract zien. Derhalve werd mevrouw Ka. er destijds van verdacht dat zij wederrechtelijk de bij de heer B2 in gebruik zijnde lokalen was binnen gedrongen. Er werd bovendien vermoed dat het slot van het hek was geforceerd en dat er een nieuw slot was ingezet.

Voorts reageert klaagster op het gebruik van handboeien bij de aanhouding op 6 oktober 2001 door de politie. Ik heb de heer H10 bij mijn schrijven van 7 januari 2003 medegedeeld dat ik de klacht van zijn cliënt mevrouw Ka. op dit klachtonderdeel als ongegrond beoordeeld heb. Op dit moment zijn er voor mij geen redenen om dit oordeel te herzien.

(…)

Tenslotte heeft u in uw brief van 19 november 2003 gevraagd op welke datum de heer L2 is verhoord en u verzoekt om een afschrift van het verhoor alsmede om een geweldsrapportage over de aanwending van geweld bij het afnemen van de vingerafdrukken.

In antwoord hierop deel ik u mede dat de heer L2 door de heer T2 is gehoord vlak voordat hij op 20 juni 2002 met klaagster Ka. contact heeft gehad. De strekking van het verhoor van de heer L2 heeft de heer T2 opgenomen in zijn brief aan de heer K2 van 1 juli 2002 (zie Bevindingen, onder A.14.1.; N.o.). Hiervan is door de heer T2 geen aparte schriftelijke verklaring opgemaakt.

Er is van het afnemen van de vingerafdrukken van klaagster bovendien geen geweldsrapportage opgemaakt. De heer L2 heeft binnen de grenzen van het Wetboek van Strafvordering enige dwang toegepast. Derhalve is de politiefunctionaris niet overgegaan tot het opmaken van een schriftelijke melding ex artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie."

L. nadere reactie korpsbeheerder

1. Naar aanleiding van een aantal vragen die de Nationale ombudsman per brief van 4 maart 2004 stelde, reageerde de korpsbeheerder per brief van 29 maart 2004 onder meer als volgt:

"Klaagster is op zondag 7 oktober 2001 in 's-Hertogenbosch aangehouden wegens verdenking van het plegen van huisvredebreuk in vereniging en vernieling. De hulpofficier van justitie heeft op 7 oktober 2001 om 18.50 uur in het belang van het onderzoek de inverzekeringstelling van mevrouw Ka. bevolen. Het was noodzakelijk om klaagster nader te verhoren, omdat van haar geen vaste woon- of verblijfplaats kon worden vastgesteld. Mevrouw Ka. weigerde vervolgens haar identiteit kenbaar te maken. Daarna werden van klaagster foto's gemaakt en vingerafdrukken afgenomen. De afgenomen vingerafdrukken werden naar de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) te Zoetermeer gestuurd. Deze bleken overeen te komen met vingerafdrukken die eind 2000 door de politie E. waren ingezonden. Het ging hierbij ook om een verdachte vrouw, wiens identiteit onbekend was bij de politie E. alsmede bij de CRI. Mevrouw Ka. is op dinsdag 9 oktober 2001 om 16.15 uur nogmaals gehoord teneinde haar identiteit vast te stellen. Klaagster gaf echter aan gebruik te willen maken van haar zwijgrecht, waarna zij diezelfde dag om, 16.36 uur in vrijheid is gesteld. Zij heeft toen een blanco dagvaarding meegekregen.

Uit contact met de politie E. bleek dat klaagster bij onherroepelijk geworden vonnis door het gerechtshof te Arnhem was veroordeeld tot een geldboete van 500 gulden subsidiair tien dagen hechtenis. Nadat klaagster op de voornoemde datum en het voornoemde tijdstip in vrijheid was gesteld werd zij in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis van het gerechtshof te Arnhem wederom aangehouden. Door vrienden van mevrouw Ka. is vervolgens de openstaande geldboete voldaan. Op 6 november 2001 is het voorgaande nogmaals door verbalisant K. gecontroleerd. Toen is gebleken dat tegen klaagster een proces-verbaal met een ander parketnummer was opgemaakt en dat de rechtbank haar van het ten laste gelegde had vrijgesproken. Derhalve was, voor zover na te gaan, de openstaande geldboete ten onrechte namens klaagster voldaan. Het geld is daarna weer aan klaagster terugbetaald.

Na interne verspreiding van een foto van klaagster, meenden enkele politiefunctionarissen haar te herkennen als mevrouw Ka., geboren (…) en wonende te (…). Uit een controle van de GBA werd duidelijk dat door de gemeente 's-Hertogenbosch aan de voornoemde Ka. een paspoort was afgegeven. De personalia van klaagster zijn derhalve middels het tonen van haar foto aan andere politiefunctionarissen na haar invrijheidstelling achterhaald."

2. Naar aanleiding van de brief van 29 maart 2004, nam een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch contact op met een medewerker van het regionale politiekorps Brabant-Noord. Tijdens dit telefoongesprek gaf de medewerker van het politiekorps aan dat de identiteit van verzoekster pas werd vastgesteld nadat ze in vrijheid was gesteld. Verzoekster heeft daarom een zogenaamde blanco dagvaarding ("NN-dagvaarding") meegekregen en op het proces-verbaal van invrijheidsstelling staat "NN" vermeld in plaats van de naam van verzoekster. De vingerafdrukken die waren afgenomen bij verzoekster en naar de CRI waren gestuurd, bleken wel overeen te komen met de vingerafdrukken die bij een andere aanhouding van verzoekster waren afgenomen. Omdat verzoekster haar gegevens toen ook niet had opgegeven, kon daaruit de identiteit van verzoekster eveneens niet worden afgeleid. Na de invrijheidsstelling van verzoekster, is haar foto verspreid onder politiefunctionarissen.

M. informatie ggd-arts M3

Op 11 juni 2004 had een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch contact met een medewerker van de GGD Hart voor Brabant. Tijdens dit telefoongesprek bleek dat er geen verslag was terug te vinden van het bezoek van de GGD-arts M3 aan verzoekster op 7 oktober 2001. Verzoekster had haar identiteit niet prijsgegeven op het moment dat M3 haar bezocht. Wanneer dokter M3 wel iets had geconstateerd, of wanneer er nadere actie diende te worden ondernomen met betrekking tot haar duim, zou dit wel zijn vastgelegd in een verslag en zou de GGD bovendien de volgende dag nog contact hebben opgenomen met de politie om de identiteit van verzoekster te achterhalen, stelt de medewerker van de GGD. Nu dit niet het geval was, was er waarschijnlijk niets noemenswaardigs aan de hand met verzoekster, aldus de medewerker van de GGD.

N. Reactie betrokken ambtenaar G4

In reactie op het verslag van bevindingen gaf betrokken ambtenaar G4 op 6 augustus 2004 telefonisch aan dat in zijn verklaring (zie Bevindingen, onder I.) wordt genoemd dat hij niet zeker meer weet of de krakers zijn geboeid. G4 geeft aan dat hij niet zeker meer weet of alle krakers zijn geboeid en verzoekt dit toe te voegen aan het verslag van bevindingen.

Achtergrond

1. Artikel 26 Wet Nationale ombudsman

"1. De ombudsman beoordeelt of het bestuursorgaan zich in de door hem onderzochte aangelegenheid al dan niet behoorlijk heeft gedragen.

2. Indien ten aanzien van de gedraging waarop het onderzoek van de ombudsman betrekking heeft anders dan ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan, neemt de ombudsman de rechtsgronden waarop die uitspraak steunt of mede steunt, in acht."

2. Handboeien ten behoeve van vervoer

2.1. In artikel 22, eerste lid van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994; Stb. 275, in werking getreden op 1 april 1994) is bepaald dat de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien kan aanleggen. De leden 2 en 3 van dit artikel luiden als volgt:

"2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:

a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of

b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt."

2.2. In artikel 22 van de Ambtsinstructie is aldus neergelegd dat het standaard aanleggen van handboeien tijdens het vervoer van een arrestant naar het politiebureau onjuist is. De politieambtenaar moet van geval tot geval de afweging maken of de aanwezige veiligheidsrisico's het toepassen van deze maatregel naar redelijk inzicht rechtvaardigen. In de Nota van Toelichting op de Ambtsinstructie is in dit verband opgenomen dat de vraag of het omleggen van handboeien in verband met de veiligheidsrisico's nodig is, afhangt van de omstandigheden die samenhangen met de persoon van de arrestant, de inrichting van de (dienst)auto, de situatie waarin wordt vervoerd en het ontbreken van de mogelijkheden om op andere wijze, met minder ingrijpende maatregelen (bijvoorbeeld door plaatsneming van een politieambtenaar naast de arrestant), een veilig transport te waarborgen. Bij omstandigheden die samenhangen met de persoon moet worden gedacht aan het gedrag van de arrestant, mogelijke eerdere ervaringen van de politie met deze persoon op grond waarvan voor moeilijkheden moest worden gevreesd, dan wel de aard of de ernst van het feit waarvoor betrokkene was aangehouden.

2.3. In artikel 23 van de Ambtsinstructie is opgenomen dat de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van handboeien tijdens het vervoer, dit onverwijld schriftelijk aan een meerdere moet melden, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van handboeien hebben geleid.

3. Geweld

3.1. Artikel 8, eerste lid van de Politiewet 1993 luidt als volgt:

"1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf."

3.2. Artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994; Stb. 275, in werking getreden op 1 april 1994) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"1. De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt dit aanwenden van geweld, de redenen die daartoe hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld schriftelijk aan zijn meerdere.

2. Indien de aanwending van het geweld lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis tot gevolg heeft gehad (...), dient deze melding tevens ter kennis te worden gebracht van de officier van justitie van het arrondissement waarbinnen het geweld is aangewend (...).

3. De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt binnen 48 uur in de vorm van een rapport indien:

a. de gevolgen van het aangewende geweld daartoe, naar het oordeel van de meerdere, aanleiding geven, of

b. gebruik is gemaakt van enig geweldmiddel en lichamelijk letsel dan wel de dood veroorzaakt is."

3.3. Ingevolge artikel 4 van de Ambtsinstructie is het gebruik van geweld uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar:

"a. aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop het geweldmiddel hem is toegekend, en

b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend."

4. Wetboek van Strafvordering

4.1. Artikel 27, eerste lid:

"Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan eenig strafbaar feit voortvloeit."

Dit artikel stelt aan de mate van verdenking niet de eis van een 'ernstig' vermoeden, maar eist wél dat het vermoeden van schuld (het 'gedaan hebben') moet steunen op feiten of omstandigheden en dat dit vermoeden bovendien naar objectieve maatstaven gemeten 'redelijk' dient te zijn, dat wil zeggen "niet enkel in de oogen van den opsporingsambtenaar doch redelijk op zichzelf" (MvT). Een redelijk vermoeden alleen op basis van subjectief inzicht is niet voldoende.

4.2. Aanhouden

Op grond van artikel 53, eerste lid Sv is in geval van ontdekking op heterdaad een ieder bevoegd de verdachte van een strafbaar feit aan te houden.

4.3. Artikel 57, eerste lid:

"De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, na hem verhoord te hebben, in het belang van het onderzoek bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aangeduide plaats in verzekering zal worden gesteld."

4.4. Artikel 58, eerste lid:

"Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval van een strafbaar feit waarvoor voorloopige hechtenis is toegelaten."

4.5. Artikel 61, zoals dit luidde in oktober 2001:

"1. Wordt de verdachte noch overeenkomstig artikel 57 in verzekering gesteld, noch overeenkomstig artikel 60 voor den rechter-commissaris geleid, dan wordt hij, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld.

2. In geen geval mag de verdachte langer dan zes uren voor het verhoor worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tusschen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt medegerekend."

4.6. Artikel 61a, zoals dit luidde in oktober 2001:

"Een aangehouden verdachte kan, voor zover zulks voor de vaststelling van identiteit noodzakelijk is, op bevel van de officier van justitie of hulpofficier, voor wie hij wordt geleid, of die zelf de verdachte heeft aangehouden, tijdens de ophouding voor verhoor of de ophouding ter identificatie aan maatregelen ter identificatie worden onderworpen.

2. Als maatregelen ter identificatie zijn toegelaten: het maken van fotografische opnamen, het nemen van vingerafdrukken en het nemen van lichaamsmaten."

4.7. Artikel 62:

"1. De in verzekering gestelde personen worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die voor het doel hunner opsluiting of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 50, kunnen echter maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen.

3. De behandeling der in verzekering gestelde personen, de eischen waaraan de voor de inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, en de maatregelen welke in het belang van het onderzoek kunnen worden bevolen, worden, naar beginselen bij of krachtens de wet te stellen, geregeld bij algemeenen maatregel van bestuur."

Tekst en commentaar Wetboek van Strafvordering, vierde druk, 2001, C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer

"(…) b.) Toegestane maatregelen. Het ook op strafrechtelijk minderjarigen toepasselijke artikel 6 van het KB van 4 december 1925 (Stb. 1925, 460) bepaalt dat als maatregelen onder meer kunnen gelden: (…) c. het bevel om de verdachte - al dan niet in bepaalde standen - te fotograferen, afdrukken te nemen van diens vingers en diens lichaamsmaten te registreren."

4.8. Artikel 67:

"1. Een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven in geval van verdenking van:

a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

b. een der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, 318, 321, 326, 326a, 395 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht;

c. een der misdrijven omschreven in:

artikel 175, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994;

artikel 30, tweede lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag;

de artikelen 52, 53, eerste lid en 54 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;

artikel 31 van de Wet op de kansspelen;

artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet;

artikel 55, tweede lid, van de Wet wapens en munitie;

artikel 46 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

2. Het bevel kan voorts worden gegeven indien geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld en hij verdacht wordt van een misdrijf waarvan de rechtbanken kennis nemen en waarop, naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld."

Instantie: Regiopolitie Brabant Noord

Klacht:

Verzoekster aangehouden wegens lokaalvredebreuk; in verzekeringsstelling voort laten duren; verzoekster onheus bejegend bij afnemen vingerafdrukken;.

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Regiopolitie Brabant Noord

Klacht:

Verzoekster geboeid;.

Oordeel:

Gegrond

Instantie: Regiopolitie Brabant Noord

Klacht:

Opmerking gemaakt tijdens nemen van vingerafdrukken.

Oordeel:

Geen oordeel