2004/198

Rapport

Verzoekster klaagt over de lange duur van de behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het bezwaarschrift van 23 juli 2001 tegen de afwijzende beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning.

Voorts klaagt verzoekster erover dat er geen medische begeleiding en bewaking aanwezig was bij het terugkeergesprek dat op 17 maart 2003 met haar is gevoerd, en dat haar partner niet bij het terugkeergesprek aanwezig mocht zijn.

Beoordeling

I. Ten aanzien van de behandelingsduur van het bezwaarschrift

1. Termijnen in het bestuursrecht zijn voor de belanghebbende doorgaans fatale termijnen. Uit een oogpunt van een op dit punt na te streven gelijkheid tussen overheid en burger en van de geloofwaardigheid van de overheid behoren bestuursorganen zich evenzeer strikt gebonden te achten aan wettelijke voorschriften inzake voor hen geldende termijnen. Dit geldt te meer wanneer de desbetreffende wettelijke voorschriften (enige) ruimte bieden voor het verlengen van de duur van de besluitvorming.

2. Het voorgaande betekent dat de behandeling van bezwaarschriften dient plaats te vinden binnen de wettelijk gestelde termijnen. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dient ingevolge artikel 7:10, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb; zie Achtergrond, onder 1.), te beslissen binnen zes, dan wel in geval een adviescommissie is ingesteld, binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Op grond van het derde lid van artikel 7:10 Awb kan de beslissing voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), dient van deze verdaging schriftelijk mededeling te doen aan de indiener van het bezwaarschrift. Verder uitstel is op grond van het vierde lid van artikel 7:10 Awb alleen mogelijk met instemming van de indiener.

3. Bij beschikking van 29 juni 2001 werd de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning afgewezen. Tegen deze beschikking werd op 23 juli 2001 een bezwaarschrift ingediend.

4. In haar reactie op de klacht van 4 november 2003 gaf de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan dat zij achttien weken na de indiening van de bezwaarschriften, op 26 november 2001, een brief naar de advocaat van verzoekster had gezonden waarin zij te kennen gaf gebruik te willen maken van de in artikel 7: 10, derde lid Awb gegeven mogelijkheid om de beslissing op het bezwaarschrift met vier weken te verdagen. In haar reactie van 4 november 2003 deelde de minister met betrekking tot deze brief mee dat dit onjuist was geweest. De Nationale ombudsman sluit zich hierbij aan. Van de mogelijkheid om op grond van het derde lid van artikel 7:10 Awb een beslissing te verdagen kan immers alleen binnen de in artikel 7:10, eerste lid Awb genoemde beslistermijn gebruik worden gemaakt. Deze termijn van zes weken was reeds op 3 september 2001 verstreken. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de aan de indiener van het bezwaarschrift op enig moment op grond van artikel 7:10, vierde lid Awb om instemming is gevraagd met verder uitstel. Daarmee is komen vast te staan dat de wettelijke beslistermijn in ten aanzien van dit bezwaarschrift zes weken bedraagt.

5. De minister gaf in haar reactie van 4 november 2003 allereerst aan de klacht over de lange duur van de behandeling van het bezwaarschrift reeds bij brief van 24 april 2003 kennelijk gegrond was verklaard. Verder gaf zij aan dat zowel op 23 juli 2001 als op 24 juli 2001 door twee advocaten onafhankelijk van elkaar een bezwaarschrift was ingediend ten behoeve van verzoekster en dat de IND op 7 september 2001, ruim zes weken na ontvangst van het tweede bezwaarschrift, actie heeft ondernomen om uitsluitsel te krijgen over de vraag welk van de twee gemachtigden de belangenbehartiging zou voortzetten en op basis van welk bezwaarschrift hij dat zou doen. Voorts blijkt uit de reactie van de minister dat zij die duidelijkheid op 8 oktober 2001, ruim vier weken na 7 september 2001 en tien weken na indiening van het eerste bezwaarschrift, heeft gekregen.

Voorts blijkt dat de behandeling van het bezwaarschrift bijna een jaar, tussen 26 november 2001 en 16 oktober 2002, heeft stilgelegen. Op de laatstgenoemde datum vroeg de minister de advocaat van verzoekster om de meest recente gegevens over haar gezondheidstoestand. Nadat de advocaat van verzoekster de gevraagde gegevens op 22 oktober 2002 retour had gezonden, heeft het vervolgens nog drie weken, tot 13 november 2002, geduurd voordat de IND het Bureau Medische Advisering (BMA) om een advies vroeg. Uit de reactie van de minister van 12 februari 2004 blijkt dat de IND het gevraagde advies op 28 april 2003, ruim vijf maanden later, heeft ontvangen. Om redenen die de minister niet schriftelijk heeft toegelicht, heeft de IND het advies echter dusdanig laten verouderen dat het niet meer zorgvuldig werd geacht om op grond daarvan een beslissing te nemen op het bezwaarschrift. Dit leidde ertoe dat de minister op 27 januari 2004 verzoekster opnieuw vroeg een “toestemmingsverklaring medische gegevens” in te vullen en te ondertekenen zodat het BMA opnieuw om een advies kon worden gevraagd.

6. Uit het voorgaande blijkt dat de IND bij de behandeling van het bezwaarschrift de wettelijk gegeven beslistermijn van zes weken ruimschoots heeft overschreden. Voorts is gebleken dat dit met name is veroorzaakt door het langdurig niet-behandelen van het bezwaarschrift en het wachten op een medisch advies. Het grote aantal te behandelen verblijfsaanvragen en bezwaarschriften en het daaruit voortvloeiende capaciteitsprobleem voor de IND vormen weliswaar een verklaring voor de lange duur van de behandeling van het bezwaarschrift maar geen rechtvaardiging.

De IND is tekort geschoten vanuit het oogpunt van voortvarendheid.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

7. Ten overvloede merkt de Nationale ombudsman nog het volgende op.

Volgens de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van hoofdstuk 9 van de Awb (zie Achtergrond, onder 4.) kan een zorgvuldige klachtbehandeling bijdragen aan herstel van het geschonden vertrouwen van de burger in het bestuur.

In het kader van de afhandeling van een klacht van de partner van verzoekster heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie onder meer meegedeeld dat zij diende te beschikken over een medisch advies van het BMA dat zij op 13 november 2002 had gevraagd. Zij deelde tevens mee dat zij de Medisch Adviseur inmiddels diverse malen had gerappelleerd. Voorts zegde zij in haar brief van 24 april 2003 toe binnen vier weken na ontvangst van het advies op het bezwaarschrift te zullen beslissen, tenzij nader onderzoek, nadere informatie of een zitting van een ambtelijke commissie noodzakelijk zou worden geacht.

In haar brief van 4 november 2003 deelde de minister mee het gevraagde advies nog steeds niet te hebben ontvangen. Daarnaast deelde zij mee dat sinds de indiening van het verzoek om een advies van het BMA, het BMA één maal was gerappelleerd. Tevens zegde zij toe de advocaat van betrokkene binnen vier weken na die datum nader te berichten over de verdere vervolgstappen dan wel besluitvorming in de procedure.

Echter, bij brief van 12 februari 2004 deelde de minister mee dat de IND het advies van de Medisch Adviseur reeds op 28 april 2003, vier dagen na de klachtafhandelingsbrief van 24 april 2003, had ontvangen en daarmee niets had gedaan. Tevens deelde zij mee dat de IND sinds 13 november 2002 maar eenmaal contact had gehad met het BMA, maar dat van dat contact geen gespreksnotitie voorhanden was. De Nationale ombudsman concludeert op grond daarvan dat niet kan worden vastgesteld dat het BMA tijdens dat ene contact door de IND is gerappelleerd. Tenslotte deelde de minister op 12 februari 2004 ook nog mee dat zij haar toezegging van 4 november 2003, om de advocaat van verzoeker elke vier weken een tussenbericht te geven, niet was nagekomen.

Gelet op het voorgaande moet worden betwijfeld of de klachtbehandeling in deze zaak positief heeft bijgedragen aan het herstel van het vertrouwen van verzoekster en haar gemachtigde in de IND en de minister.

II. Ten aanzien van het terugkeergesprek

1. Op 31 januari 2003 werd verzoekster gevorderd om zich op 17 maart 2003 bij de IND te melden voor een terugkeergesprek in het kader van het zogeheten Stappenplan III (zie Achtergrond, onder 3.). Aan haar werd toen tevens een informatiebrief (zie BIJLAGE) uitgereikt. Het terugkeergesprek vond op 17 maart 2003 plaats buiten aanwezigheid van de advocaat van verzoekster. Ook haar partner mocht niet bij het terugkeergesprek aanwezig zijn. De dag na het terugkeergesprek heeft verzoekster zichzelf geïntoxineerd.

Verzoekster klaagt erover dat het terugkeergesprek buiten aanwezigheid van haar advocaat heeft plaatsgevonden en dat ook en haar partner niet bij het terugkeergesprek aanwezig mocht zijn. Zij wijst daarbij op het advies van het BMA van 23 februari 2001 waaruit onder meer blijkt dat angst en depressieve klachten bij kleine tegenslagen terugkeren en dat bij de ontvangst van een negatieve beschikking een poging tot zelfmoord niet kan worden uitgesloten.

2. In haar reactie van 4 november 2003 betoogde de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dat het deelnemen aan een terugkeergesprek een wezenlijk andere gebeurtenis is dan het ontvangen van een negatieve beschikking. Zij wees erop dat in tegenstelling tot de ontvangst van een negatieve beschikking, de betrokken vreemdeling voorafgaand aan het terugkeergesprek over het tijdstip daarvan wordt geïnformeerd zodat de vreemdeling en de advocaat de mogelijkheid hebben invloed uit te oefenen op de omstandigheden waaronder het gesprek zal plaatsvinden. Tevens heeft de vreemdeling de mogelijkheid om te bewerkstelligen dat het gesprek geen negatieve gevolgen zal hebben door aan te tonen dat hij/zij daadwerkelijk stappen heeft ondernomen om vertrek uit Nederland mogelijk te maken. Voorts is het voor de IND niet voorzienbaar of het gesprek uiteindelijk zal leiden tot een advies tot beëindiging van de opvangvoorzieningen, en is het aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers om op een dergelijk advies te beslissen. De minister meende dan ook dat het vooral op de weg van verzoekster dan wel haar advocaat had gelegen om te beoordelen of verzoekster tijdens of na het terugkeergesprek behoefte zou hebben aan een medisch hulpverlener. De IND had in de periode tussen de dag waarop verzoekster werd gevorderd en het terugkeergesprek zelf echter geen verzoek van dien aard ontvangen.

Met betrekking tot de afwezigheid van de partner van verzoekster bij het terugkeergesprek wees de minister erop dat de uitvoeringspraktijk is dat het gesprek met de vreemdeling(e) wordt gevoerd buiten aanwezigheid van diens partner.

De minister was echter wel van mening dat het, gelet op de inhoud en de formulering van het BMA-advies van 23 februari 2001 op de weg van de IND had gelegen om met verzoekster en haar advocaat in overleg te treden over de noodzaak, wens en inrichting van de aanwezigheid van medische begeleiding bij het terugkeergesprek.

3. De herziene werkwijze Stappenplan III (zie Achtergrond, onder 3.) is opgesteld om een bepaalde categorie uitgeprocedeerde asielzoekers alsnog te stimuleren Nederland te verlaten. Uit de tekst van de bijbehorende informatiebrief (zie BIJLAGE) die aan de uitgeprocedeerde asielzoeker wordt uitgereikt, blijkt deze opzet. Het is vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid aan de IND om, daar waar zich de aanmerkelijke kans voordoet dat de uitgeprocedeerde asielzoeker zichzelf iets zal aandoen vanwege het terugkeergesprek, te bewerkstelligen dat de uitgeprocedeerde asielzoeker zodanig wordt begeleid dat dit risico tot het minimum wordt beperkt.

4. Gelet op de aan verzoekster vooraf verstrekte informatie over het terugkeergesprek, en de bij de IND aanwezige informatie over de gezondheidstoestand van verzoekster, was het voor de IND voorzienbaar dat zich tijdens het terugkeergesprek ernstige gezondheidsrisico's voor verzoekster konden voordoen. Het had daarom inderdaad op de weg van de IND gelegen om tevoren, met verzoekster en/of haar advocaat contact op te nemen over de noodzaak tot, wens en inrichting van de aanwezigheid van (medische) begeleiding tijdens het terugkeergesprek. Nu dit is nagelaten, is de IND - zoals ook de minister erkent - in zoverre tekort geschoten vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid.

De onderzochte gedraging is ook op dit punt niet behoorlijk.

5. De bovengenoemde omstandigheden hadden bovendien aanleiding moeten vormen om bij dat overleg ook de mogelijkheid te betrekken verzoeksters partner bij het terugkeergesprek aanwezig te laten zijn, zoals deze had verzocht.

Ook in zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, is gegrond.

Onderzoek

Op 24 april 2003 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw L., ingediend door de heer A. te Eindhoven, met een klacht over een gedraging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verzocht op de klacht te reageren. Tevens werd de minister een aantal specifieke vragen gesteld.

Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Naar aanleiding van de reactie van verzoekster werd opnieuw een aantal vragen voorgelegd aan de minister en werd haar gevraagd een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden.

Na ontvangst van de nadere reactie van de minister werd verzoekster wederom in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Noch verzoeker noch de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gaf binnen de gestelde termijn een reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoekster, vreemdelinge van Russische nationaliteit en uitgeprocedeerd asielzoekster, diende bij brief van 24 mei 2000 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een aanvraag in om verlening van een vergunning tot verblijf ”vanwege klemmende redenen van humanitaire aard/zonder beperkingen/vanwege medische behandeling/verblijf bij moeder/verblijf bij kind”. Zij diende deze aanvraag in mede ten behoeve van haar minderjarige kind.

2. Bij beschikking van 29 juni 2001 wees de staatssecretaris van Justitie de aanvraag af.

3. Voorafgaand aan de beschikking van 29 juni 2001, op 23 februari 2001, had het Bureau Medische Advisering een advies uitgebracht over de gezondheidstoestand van verzoekster. De medisch adviseur had daarin onder meer geschreven dat hij suïcidaal gedrag bij verzoekster bij de ontvangst van een negatieve beschikking niet uitsloot. Hij baseerde deze uitspraak op het terugkeren van angst en depressieve klachten bij verzoekster na kleine tegenslagen en op haar medische voorgeschiedenis.

4. Op 23 juli 2001 werd namens verzoekster bezwaar ingediend tegen de beschikking van 29 juni 2001.

5. De IND deelde bij brief van 13 november 2002 aan de gemachtigde van verzoekster mee dat de IND die dag het Bureau Medische Advisering om een advies had gevraagd over de gezondheidstoestand van verzoekster. Tevens sprak de IND de verwachting uit dat dit advies enkele maanden op zich zou laten wachten, en zegde toe zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het advies op het bezwaarschrift te zullen beslissen.

6. Bij formulier van 6 maart 2003 werd verzoekster gevorderd om op 17 maart 2003 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te verschijnen in verband met een zogenoemd terugkeergesprek. Bij het formulier werd haar een informatiebrief verstrekt (zie BIJLAGE).

7. Uit een brief van 20 maart 2003 van een psychiater en een arts-assistent verbonden aan een ziekenhuis blijkt dat zij de toestand van verzoekster op 18 maart 2003 hebben beoordeeld in verband met auto-intoxicatie.

8. Op 24 april 2003 handelde de IND de klacht af die de partner van verzoekster had ingediend. De IND schreef onder meer:

“Ik heb op 24 maart 2003 uw brief ontvangen waarin u zich mede namens (verzoekster; N.o.) heeft beklaagd over de werkwijze van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het zogenaamde terugkeergesprek op 17 maart 2003. De klacht richt zich verder met name op de inhoud van mijn beschikking van 29 juni 2001 waartegen overigens op  23 juli 2001 namens betrokkene een bezwaarschrift is ingediend. Gelet hierop wordt uw klacht eveneens opgevat als een klacht over het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van 23 juli 2001. Op 3 april 2003 heb ik de ontvangst van uw brief schriftelijk aan u bevestigd.

In antwoord op uw brief deel ik u het volgende mede.

Naar aanleiding van uw klacht heb ik het dossier van betrokkene ter hand genomen en bestudeerd. Ik heb geconstateerd dat het terugkeergesprek waarop u doelt, heeft plaatsgevonden in het kader van de herziene werkwijze Stappenplan lll (zie Achtergrond, onder 3.; N.o.).

Gebleken was namelijk dat betrokkene nog immer gebruik maakte van de Regeling Verstrekking Asielzoekers en andere vreemdelingen (zie Achtergrond, onder 2.; N.o.). Op basis van de oude Vreemdelingenwet is betrokkene rechtmatig verwijderbaar. Rechtmatig verwijderbare asielzoekers hebben alleen recht op deze voorzieningen als zij medewerking verlenen bij de verkrijging van een (vervangend) reisdocument. Bij aanvang van het gesprek is aan betrokkene meegedeeld dat gedurende het gesprek niet inhoudelijk ingegaan zal worden op de doorlopen asielprocedure omdat deze is afgesloten en zij is uitgeprocedeerd. Voorts is door middel van gesprek onderzocht of betrokkene heeft meegewerkt aan het verkrijgen van een vervangend reisdocument.

Mij is niet gebleken van bezwaren die door of namens betrokkene zijn aangevoerd nadat zij was uitgenodigd voor het terugkeergesprek op 17 maart 2003 Bovendien is betrokkene na afloop van het gesprek gevraagd of zij op- of aanmerkingen had over de manier waarop of de sfeer waarin het gesprek had plaatsgevonden. Betrokkene verklaarde daarop geen op- of aanmerkingen te hebben en een goede sfeer gedurende het gesprek ervaren te hebben. Ik betreur het dan ook thans van u te vernemen dat betrokkene het betreffende gesprek minder goed heeft ervaren.

(…)

Ten aanzien van het uitblijven van een beslissing op het bovengenoemde bezwaarschrift deel ik u mee dat ik uw klacht hieromtrent als kennelijk gegrond beoordeel. Immers is niet binnen de wettelijke beslistermijn op het ingediende bezwaarschrift beslist. Voor de vertraging in de behandeling van het bezwaarschrift bied ik u en daarmee betrokkene mijn welgemeende verontschuldigingen aan.

De reden voor de vertraging in de behandeling van onderhavig bezwaarschrift hangt onder meer samen met het groot aantal te behandelen verblijfsaanvragen en het grote aantal bezwaarschriften. Dit heeft geleid tot een capaciteitsprobleem bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waardoor de IND genoodzaakt is keuzes te maken. Zo is onder meer besloten om meer personeel in te zetten op de afhandeling van verblijfsaanvragen regulier alsook bezwaarschriften en administratief beroepschriften. Een en ander moet ertoe leiden dat de behandelduur van verblijfsaanvragen regulier en bezwaarschriften zal worden teruggebracht.

In onderhavig geval heeft de besluitvorming eveneens vertraging opgelopen doordat de Medisch Adviseur tot op heden nog geen advies heeft uitgebracht over de medische toestand en behandeling van betrokkene. Het op 13 november 2002 gevraagde medische advies is, zoals op genoemde datum meegedeeld aan de gemachtigde, noodzakelijk alvorens een goed gemotiveerde beslissing op het bezwaarschrift genomen kan worden. Voor de goede orde deel ik u nog mee dat de Medisch Adviseur diverse malen gerappelleerd is. Ik hoop thans op korte termijn het advies te ontvangen. Een concrete toezegging hieromtrent kan ik tot mijn spijt, echter niet doen.

Wel kan ik u toezeggen, dat ik vervolgens binnen 4 weken na ontvangst van het BMA-advies een beslissing zal nemen op onderhavig bezwaarschrift, tenzij blijkt dat nog nader onderzoek, dan wel nadere informatie of een zitting van een ambtelijke commissie noodzakelijk wordt geacht. Indien dit het geval is zal u hiervan eveneens binnen de genoemde 4 weken op de hoogte worden gesteld onder vermelding van de vervolgprocedure.

Ik besef dat het wachten op een beslissing veelal langer duurt dan wenselijk is. Dat zal onmiskenbaar zijn uitwerking hebben op de gemoedstoestand van hen die een aanvraag c.q. bezwaarschrift hebben ingediend. Doch ik hoop dat u na deze uitleg meer begrip kunt opbrengen voor de gang van zaken dezerzijds.”

B. Standpunt verzoekster

Het standpunt van verzoekster staat hiervoor samengevat weergegeven onder Klacht.

C. Standpunt minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

Bij brief van 4 november 2003 reageerde de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie onder meer als volgt op de klacht van verzoekster:

“Het klachtonderdeel dat ziet op de lange behandelduur van het namens betrokkene ingediende bezwaarschrift is reeds eerder kennelijk gegrond verklaard bij brief van 24 april 2003 (…) in reactie op een door de partner van betrokkene ingediende klacht. Toegezegd is daarbij dat binnen vier weken na ontvangst van het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) beslist zou worden op het bezwaarschrift, dan wel dat er zou worden meegedeeld of nader onderzoek of een zitting van een ambtelijke commissie zou dienen plaats te vinden.

De gemachtigde van betrokkene - en daarmee betrokkene - zal binnen vier weken vanaf heden worden bericht over de verdere vervolgstappen dan wel besluitvorming in de procedure.

Aangaande het klachtonderdeel dat ziet op het plaatsvinden van het terugkeergesprek buiten de aanwezigheid van de partner en buiten de aanwezigheid van medische begeleiding of bewaking geldt het volgende. Uit het BMA-advies van 23 februari 2001 blijkt dat betrokkene psychische klachten heeft die bij een negatieve beschikking kunnen leiden tot psychische decompensatie en mogelijk suïcidaal gedrag. Hierin is tevens aangegeven dat adequate medische begeleiding en bewaking nodig zal zijn vanaf het moment van het vernemen van een eventuele negatieve beschikking.

Gerelateerd aan het bovengenoemde klachtonderdeel geldt op de eerste plaats de vraag of het terugkeergesprek op voorhand aangemerkt diende te worden als een situatie die vergelijkbaar is met het bekend maken van een negatieve beschikking, en waarbij dus het risico van decompensatie en een suïcidepoging aanwezig geacht diende te worden. Indien deze vraag bevestigend beantwoord dient te worden, werpt zich de vervolgvraag op bij wie het initiatief tot het regelen van medische begeleiding of bewaking zou dienen te liggen.

Gelet op het karakter van het terugkeergesprek kan mijns inziens niet op voorhand worden gesteld dat een dergelijk gesprek vergelijkbaar is met het kenbaar maken van een negatieve beschikking. Hiertoe geldt allereerst dat het gesprek een vervolg is op een eerder in rechte afgesloten asielprocedure waaruit voor betrokkene de rechtsplicht voortvloeit om stappen te ondernemen teneinde terugkeer naar het land van herkomst of een ander land waar de toelating gewaarborgd is te verwerkelijken. Dit in het kader van de beoordeling of de aan betrokkene verstrekte opvangvoorzieningen al dan niet dienen te worden gecontinueerd. Tijdens het gesprek wordt betrokkene de mogelijkheid geboden om aan te tonen dat er feitelijk stappen als bovenbedoeld ondernomen zijn. Aan de hand van de door betrokkene verstrekte informatie wordt vervolgens eerst beoordeeld of betrokkene daadwerkelijk medewerking verleent aan het bewerkstelligen van terugkeer naar het land van herkomst. Indien geconstateerd wordt dat betrokkene niet heeft aangetoond dat betrokkene voldoende stappen heeft ondernomen, wordt betrokkene tijdens het terugkeergesprek hiervan op de hoogte gesteld. Tevens wordt betrokkene ingelicht over de vervolgstappen die zullen worden geïnitieerd. Die zijn gelegen in een advies aan het COA ter beëindiging van de opvangvoorzieningen. Het is vervolgens het COA dat zorg draagt voor de daadwerkelijke procedure ter beëindiging van de voorzieningen en de daartoe strekkende beschikking.

Door middel van een informatiebrief wordt betrokkene vooraf op de hoogte gesteld van aard en inhoud van het gesprek. Tevens wordt betrokkene geïnformeerd over de mogelijke consequenties indien de medewerker van de IND constateert dat niet is aangetoond dat al het mogelijke in het werk is gesteld om terug te keren of te vertrekken.

Gelet op het bovenstaande is er een wezenlijk verschil tussen de omstandigheden die samenhangen met een terugkeergesprek en de situatie waaronder een negatieve beschikking wordt kenbaar gemaakt. Op de eerste plaats geldt dat betrokkene reeds vooraf geïnformeerd wordt over het tijdstip waarop het gesprek zal plaatsvinden. Dit biedt voor betrokkene en gemachtigde de mogelijkheid om invloed te hebben op de omstandigheden waaronder dit gesprek plaatsvindt.

Op de tweede plaats is voor de IND niet voorzienbaar of het gesprek voor betrokkene zal leiden tot een advies tot beëindiging van de opvangvoorzieningen. Voorts heeft betrokkene de mogelijkheid om te bewerkstelligen dat het gesprek geen negatieve consequenties zal hebben door aan te tonen dat daadwerkelijk stappen ondernomen zijn om terugkeer c.q. vertrek mogelijk te maken.

Tot slot geldt dat de uiteindelijke besluitvorming tot beëindiging van de opvangvoorzieningen bij het COA ligt.

Het bovenstaande overziend ben ik van mening dat in situaties als onderhavige de beoordeling ten aanzien van de behoefte tot bijstand van een medische hulpverlener evenzeer, zo niet op de eerste plaats, op de weg van betrokkene en haar gemachtigde ligt. Betrokkene is reeds op 31 januari 2003 gevorderd voor het terugkeergesprek. In de periode gelegen tussen het moment van vordering en het terugkeergesprek is nimmer een verzoek gericht aan de IND om het gesprek in het bijzijn van een medische hulpverlener te laten plaatsvinden.

Gelet op de inhoud en formulering van het BMA-advies had het uit het oogpunt van zorgvuldigheid echter op de weg van de IND gelegen om met betrokkene en haar gemachtigde in overleg te treden over de noodzaak, wens en inrichting van de aanwezigheid van medische begeleiding bij het terugkeergesprek.

Aangaande de klacht dat het terugkeergesprek heeft plaatsgevonden buiten de aanwezigheid van de partner van betrokkene geldt dat de uitvoeringspraktijk is dat het terugkeergesprek met de vreemdeling gevoerd wordt buiten aanwezigheid van diens (eventuele) partner. In dit geval is er bovendien sprake van een situatie waarin betrokkene en (de partner van verzoekster; N.o.) beiden afzonderlijke vreemdelingrechtelijke procedures (hebben) doorlopen die voortvloeien uit van elkaar onafhankelijk ingediende aanvragen.

(…)

Op 23 juli 2001 is namens betrokkene bezwaar ingediend door mr. W. Op 24 juli 2001 is namens betrokkene bezwaar ingediend door mr. K. Beide gemachtigden werken voor verschillende kantoren. Op 7 september 2001 is aan de heer W. per fax mededeling gedaan van het feit dat naast het bezwaarschrift van zijn hand tevens een bezwaarschrift is ontvangen dat is ingediend door de heer K. De heer W. is verzocht contact op te nemen met de heer K. teneinde duidelijkheid te verschaffen over de vraag wie als gemachtigde van betrokkene dient te worden aangemerkt. Op 4 oktober 2001 overlegt de heer W. per brief een medisch rapport van de GGZ Den Bosch. Tevens deelt hij zekerheidshalve mee dat slechts hij betrokkene bijstaat in de procedure. Hierop is ter bevestiging op 8 oktober 2001 telefonisch contact geweest met de heer W. Met de heer K. is op gelijke datum telefonisch afgesproken dat hij het door hem ingediende bezwaar zal intrekken. Tevens is op gelijke datum de heer W. per brief bericht dat de besluitvorming nog enige tijd zal duren in verband met het grote aantal te behandelen zaken, en begrip hiervoor gevraagd. Op 26 november 2001 is abusievelijk per brief aan de gemachtigde meegedeeld dat er gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid gelegen in artikel 7:10, lid 3 Algemene wet bestuursrecht (zie Achtergrond, onder 1.; N.o.) om de beslissing op het bezwaar te verdagen en binnen tien weken na ontvangst op het bezwaarschrift te beslissen. Bij brief van 18 juni 2002 heeft de heer T. per brief meegedeeld dat hij voortaan als gemachtigde dient te worden aangemerkt. Op 16 oktober 2002 is aan de gemachtigde per brief verzocht de meest recente medische gegevens toe te zenden en zijn tevens twee toestemmingsverklaringen ten behoeve van het opvragen van medische gegevens ter ondertekening aan betrokkene verzonden. De ondertekende verklaring ten behoeve van betrokkene is op 22 oktober 2002 geretourneerd. Op 13 november 2002 is opnieuw advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering. Op gelijke datum is gemachtigde meegedeeld dat dit onderzoek naar verwachting enige maanden zal duren. Op 25 oktober 2002 heeft de gemachtigde van betrokkene nog een kopie overgelegd van een faxbericht van de psychiater van betrokkene. Op 31 januari 2003 is betrokkene gevorderd om op 17 maart 2003 in persoon te verschijnen in verband met het terugkeergesprek. Bij brief van 6 februari 2003 heeft de gemachtigde van betrokkene gevraagd of het wel zinvol is om dit gesprek door te laten gaan, daar betrokkene naar zijn mening geen gebruik maakt van RVA-verstrekkingen. Op 20 februari 2003 is telefonisch doorgegeven aan gemachtigde dat betrokkene RVA-verstrekkingen ontvangt en betrokkene verwacht wordt op het terugkeergesprek. Het gesprek heeft op de geplande datum doorgang gevonden.

(…)

Er is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot verdere verdaging en verder uitstel van de beslissing op het bezwaarschrift. Uit de inhoud van het dossier is helaas niet op te maken waarom dit niet is gebeurd.

(…)

Naast de hoeveelheid te behandelen zaken en de behandelduur door het BMA is er geen reden voor de lange behandelduur van het bezwaarschrift.

(…)

Ten behoeve van de beslissing in eerste aanleg op de aanvraag van 30 mei 2000 is op 24 november 2000 het Bureau Medische Advisering om advies gevraagd gelet op de beperking verbonden aan de gevraagde verblijfstitel. Het op 23 februari 2001 ontvangen advies is bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Uit zorgvuldigheidsoverweging is op 13 november 2002 nogmaals om advies van het BMA gevraagd gelet op het feit dat sinds het uitbrengen van het advies van 23 februari 2001 reeds meer dan anderhalf jaar verstreken was.

(…) Wanneer heeft u het BMA gerappelleerd?

Op 17 maart 2003 is naar aanleiding van de brief van gemachtigde d.d 25 oktober 2002 en de daarbij overgelegde verklaring telefonisch contact geweest met een medewerker van het BMA.

(…)

Op 8 oktober 2001 is de toenmalige gemachtigde van betrokkene meegedeeld dat besluitvorming enige tijd zal duren in verband met het grote aantal te behandelen zaken. Naar aanleiding van de aanvraag tot het BMA-advies van 13 november 2002 is op gelijke datum aan de gemachtigde meegedeeld dat het onderzoek van het BMA enige maanden zal duren. Voor het overige zijn er geen tussenberichten naar gemachtigde of betrokkene verzonden. Voor het feit dat in de periode gelegen tussen 8 oktober 2001 en 13 november 2002 geen tussenberichten richting gemachtigde zijn verzonden zijn geen aanwijsbare redenen aan te treffen.

(…)

Samenvattend acht ik gelet op het bovenstaande de klacht die ziet op de lange behandelduur van het bezwaarschrift van betrokkene gegrond. Dit in navolging op mijn brief van 24 april 2003 aan (de partner van verzoekster; N.o.). De gemachtigde van betrokkene - en daarmee betrokkene - zal binnen vier weken vanaf heden worden bericht over de verdere vervolgstappen dan wel besluitvorming in de procedure.

De klacht aangaande het afwezig zijn van medische begeleiding en bewaking bij het terugkeergesprek acht ik gelet op het bovenstaande gegrond. De klacht dat het terugkeergesprek heeft plaatsgevonden buiten de aanwezigheid van de partner van betrokkene acht ik gelet op het bovenstaande ongegrond.”

D. Reactie verzoekster

Bij brief van 20 november 2003 reageerde de gemachtigde van verzoekster onder meer als volgt op het standpunt van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 4 november 2003:

“Mijn partner kan met (de toezegging van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 4 november 2003; N.o.) niets. Op de eerste plaats stellen toezeggingen van de (minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie; N.o.) in de praktijk niets voor, op de tweede plaats valt op dat hier de termijn losgekoppeld is van een eventueel BMA advies. Indien daar geen behoefte aan bestaat zijdens de minister, kan (zij; N.o.) ook eerder dan vier weken een besluit nemen.

Indien de burger de termijn van 4 weken in het vreemdelingenrecht overschrijdt heeft dat onomkeerbare gevolgen. Andersom wordt steeds meer met termijnen de hand gelicht.

Aangaande het klachtonderdeel dat ziet op het terugkeergesprek maakt mijns inziens de minister zich er wel erg gemakkelijk vanaf.

(Zij; N.o.) spreekt over een BMA advies van 23 februari 2001. Dat advies is betrokken in de besluitvorming die tot de beschikking van 29 juni 2001 leidde. Tegen deze beschikking is binnen de daarvoor gestelde termijn bezwaar ingediend terwijl in de beschikking werd gesteld dat, indien op tijd bezwaar wordt ingediend de rechtsgevolgen zullen worden opgeschort. Mijn partner verblijft reeds sinds 28 december 1994 in Nederland. Zij is sterk afhankelijk van een adequate psychiatrische behandeling en is altijd ook afhankelijk geweest van de COA voorzieningen. Nimmer is er reden geweest om die haar te ontzeggen en nu na al die jaren en nadat nog niet eens een besluit op het bezwaarschrift is genomen, wordt haar op 17 maart (2003; N.o.) meegedeeld dat zij terug zal dienen te keren, nota bene nadat zij verklaringen van het consulaat heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij geen reisdocumenten kan verkrijgen.

(…)

In de laatste alinea wordt door de minister gezegd dat:

“Op de eerste plaats geldt dat betrokkene reeds vooraf geïnformeerd wordt over het tijdstip waarop het gesprek zal plaatsvinden. Dit biedt voor betrokkene en gemachtigde de mogelijkheid om invloed te hebben op de omstandigheden waaronder dit gesprek plaatsvindt.”

Waar de (minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie; N.o.) stelt dat het voor haar niet voorzienbaar is of het gesprek zal leiden tot een advies tot beëindiging van de opvangmogelijkheden wijst de inhoud van de uitnodiging en de praktijk, (…), op het tegendeel.

Waar verder wordt overwogen dat betrokkene de mogelijkheid heeft om te bewerkstelligen dat het gesprek geen negatieve consequenties heeft, verliest de minister uit het oog dat (verzoekster; N.o.) een patiënte is, die suïcidaal is gebleken. De vraag is in hoeverre zij dit soort zaken zelf kan regelen en wie dat voor haar dient te regelen. Na ontvangst van de brief was zij bijna nergens toe in staat. Dat was de reden dat ik haar wilde bijstaan waarvoor ik geen toestemming kreeg.

(…)

Dat de uitvoeringspraktijk is dat het terugkeergesprek met de vreemdeling gevoerd wordt buiten aanwezigheid van diens eventuele partner betekent mijns inziens niet dat daarop gerechtvaardigde uitzonderingen mogelijk dienen te zijn. Gezien haar medische toestand deed zich dat hier voor. Dit bleek later na haar suïcidepoging.

(…)

De minister beantwoordt uw vraag (…) selectief.

(Zij; N.o.) staat uitvoerig stil bij het feit dat er in het begin sprake was van 2 gemachtigden, maar rept nauwelijks over de lange termijnen. Ik merk op dat gemachtigde T. binnen 6 dagen reageerde op het verzoek om de meest recente medische gegevens op te sturen. Daar is kennelijk nog steeds niets mee gedaan!

De beantwoording van de vragen (…) bevestigen mijns inziens de onzorgvuldigheid waarmee de IND met de belangen van mensen zoals wij omgaat.

(…) Op 13 november 2002 is het BMA verzocht opnieuw advies uit te brengen. Ik wijs u er slechts op dat dit inmiddels reeds meer dan 1 jaar geleden is!

(…) Rappel op 17 maart 2003 en daarna??

(…)

De IND is op de hoogte van de psychische fragiliteit van mijn partner, althans behoort dat te zijn. Verwacht mag worden dat de IND dan niet als een “lompe” reus met zevenmijlslaarzen dit soort zaken op deze wijze aanpakt.

Er is geen enkele rechtvaardige reden voor een verbod om in deze situatie bij het gesprek aanwezig te kunnen zijn. (…)

Gezien het bovenstaande ben ik van mening dat de IND ook de klacht dat het terugkeergesprek heeft plaatsgevonden buiten de aanwezigheid van de partner gegrond had dienen te verklaren.”

E. Reactie minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

Bij brief van 12 februari 2004 reageerde de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie als volgt op een aantal nadere vragen:

“ …Het BMA advies van 24 april 2003 is door de IND ontvangen op 28 april 2003.

(…)

De relatief lange behandelingsduur heeft te maken het grote aantal adviesaanvragen.

(…)

De nota d.d. 13 november 2002 van de (IND; N.o.) heeft het BMA op 15 november 2002 ontvangen. Op 19 november 2002 heeft het BMA de door betrokkene opgegeven behandelaars schriftelijk benaderd. De medische informatie van voornoemde behandelaars heeft het BMA op 18 december 2002 ontvangen. Vervolgens ontvangt het BMA - na telefonisch contact - op 17 maart 2003 van de (IND; N.o.) nog nader medische informatie. Door het BMA is voorts op 24 april 2003 het medisch advies uitgebracht.

(…)

Het advies van het BMA is - zoals eerder weergegeven - op 28 april 2003 door de IND ontvangen. Tot mijn spijt moet ik u meedelen dat gelet op de algemene geldigheidsduur van een BMA-advies, te weten zes maanden, thans moet worden verzocht om een nieuw medisch advies. Hierdoor heb ik de gemachtigde van betrokkene inmiddels bij brief van 27 januari jl. gevraagd een nieuwe toestemmingsverklaring door betrokkene te laten ondertekenen en -eventuele- recente medische stukken te overleggen. Na retournering van voornoemde toestemmingsverklaring zal het BMA worden verzocht met spoed -opnieuw- te adviseren. Inmiddels is er contact geweest met de gemachtigde om de toestemmingsverklaring eventueel door de gemachtigde te laten ondertekenen. Ik zeg u hierbij toe dat in deze zaak in ieder geval twee maanden na het verzoek om de adviesnota, zal worden gerappelleerd bij het BMA naar de voortgang in het uitbrengen van het BMA-advies. Indien nodig zal vervolgens maandelijks worden gerappelleerd.

Vraag 3.

In de brief van 24 april 2003 aan de (gemachtigde; N.o.) staat dat de medisch adviseur diverse malen is gerappelleerd. In uw reactie van 4 november 2003 deelt u in reactie op vraag vijf mee dat erop 17 maart 2003 "telefonisch contact" is geweest met een medewerker van het Bureau Medische Advisering. Ik begrijp hieruit dat er slechts één maal is gerappelleerd. Hoe verklaart u dit verschil? Ik verzoek u mij een afschrift te sturen van de (telefoon)notitie van het desbetreffende gesprek.

(…)

In antwoord op deze vraag deel ik u mede dat op 17 maart 2003 telefonisch contact met het BMA is geweest waarna een overgelegde medische verklaring bij faxbericht van dezelfde datum is nagezonden. In deze zin is contact geweest met het BMA. Van het telefoongesprek is helaas geen gespreksnotitie voorhanden.

(…)

Van eerdere telefonische dan wel schriftelijke rappels bij het BMA is mij uit het mij voorhanden zijnde dossier niet gebleken. Het is momenteel ook niet meer te achterhalen of en op welke wijze dit zou zijn gebeurd. Ik bied u - en uiteraard betrokkenen - hiervoor mijn verontschuldigingen aan.

Vraag 4

In uw reactie van 4 november 2003 zegt u toe dat de gemachtigde van verzoekster binnen vier weken nadien zal worden geïnformeerd over de verdere vervolgstappen dan wel besluitvorming in de procedure.

- Wanneer hebt u de gemachtigde van betrokkene geïnformeerd? Wat was de strekking van die informatie? Ik verzoek u mijn een kopie te zenden van de desbetreffende brief of (telefoon-)notitie.

De gemachtigde van betrokkene is over de eventuele vervolgstappen dan wel besluitvorming niet meer geïnformeerd. Redengevend hiervoor is onder meer dat het dossier van betrokkene onderwerp werd van een politieke interventie, op grond waarvan nadere beoordeling eerst diende te worden afgewacht alvorens de zaak in te delen op een beslismedewerker. Hiernaast diende het dossier van de levenspartner van betrokkene tevens te worden beoordeeld op de inmiddels afgekondigde eenmalige regeling, zodat de - samenhangende - dossiers ten behoeve van deze beoordeling, naar de desbetreffende projectunit zijn gestuurd. Derhalve hebben andere noodzakelijke beoordelingen de beslistermijn in onderhavige zaak - nog meer - vertraagd.

Deze gang van zaken is zeer betreurenswaardig en ik bied betrokkene mijn verontschuldigingen hiervoor aan…”

F. Nadere reactie verzoekster

Op 3 maart 2004 ontving de Nationale ombudsman een schriftelijke reactie van 1 maart 2004 van de gemachtigde van verzoekster op de reactie van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 12 februari 2004. De gemachtigde schreef onder meer:

“Ik ben sprakeloos. Als mens kan ik niet begrijpen dat zoiets in Nederland kan gebeuren. Als vader en man ben ik gekwetst en machteloos dat men zo kan omgaan met mijn vrouw en mijn kinderen.

Ik heb (een; N.o.) aantal keren (de; N.o.) IND gevraagd niet uit (het; N.o.) oog te verliezen dat mijn vrouw ziek is (dat is bevestigd door (het; N.o.) BMA) en wat doet IND? Nog meer schade (toe-; N.o.)gebracht aan haar gezondheid. Ik heb (een; N.o.) klacht ingediend over (de; N.o.) lange duur van de behandeling van (het; N.o.) bezwaar, en wat doet (de; N.o.) IND? Ondanks alle kansen en onze medewerking (duurt de behandeling van het bezwaarschrift; N.o.) nog langer (…).

Voor God en Nederlandse Wetten staan wij en (de; N.o.) IND (als overheidsinstantie) op een lijn. Maar helaas (denkt de IND daar anders over; N.o.). Men kan niet (de; N.o.) wet overtreden en met enkele excuses ontkomen.

(De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft al een aantal keer haar verontschuldigingen aangeboden; N.o.) Maar (zij; N.o.) blijft fatale fouten (maken; N.o.) met onze zaak. (Haar; N.o.) excuses geeft ons (het; N.o.) afgelopen jaar niet terug.”

G. Nadere informatie van verzoekster

Op 19 maart 2004 deelde de gemachtigde van verzoekster mee dat in overleg met de advocaat van verzoekster was besloten niet nogmaals een “toestemmingsverklaring medische gegevens” in te vullen en te ondertekenen.

H. Nadere informatie van de IND

Desgevraagd deelde een medewerkster van het Centraal KlachtenBureau van de IND op 26 maart 2004 mee dat na 13 november 2002 het BMA niet meer om een medisch advies was gevraagd. Tevens deelde zij mee dat het dossier van verzoekster was ingedeeld op een beslismedewerker.

Achtergrond

1. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:10

“1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

2. De termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

4. Verder uitstel is mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen.”

2. Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997; Stcr 1997, nr. 246 / pag. 12)

Uit de toelichting:

“Reikwijdte van de regeling

De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997), is gebaseerd op artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Dit artikel stelt de minister in staat regels te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen in een opvangcentrum. De Rva 1997 ziet dan ook alleen op de centrale opvang van asielzoekers.”

3. Herziene werkwijze Stappenplan III (Stcr. 8 juli 2002, nr. 127 / pag. 7)

Een selectie uit deze publicatie:

Inleiding

De werking van de vorige vreemdelingenwet en het terugkeerbeleid volgens het stappenplan III van 8 januari 1999 is ook na 1 april 2001 nog van toepassing gebleven op een aantal asielzoekers in de opvang. Deze asielzoekers zijn met betrekking tot het eerste asielverzoek rechtmatig verwijderbaar, en op hen rust sindsdien de plicht om Nederland te verlaten. Deze plicht kan inmiddels enkele jaren op de vreemdeling rusten zonder dat deze daar gehoor aan heeft gegeven en zonder dat de Nederlandse overheid de mogelijkheid zag de desbetreffende vreemdeling gedwongen te doen terugkeren of te laten vertrekken naar het land van herkomst of een ander land waar de toelating gewaarborgd is. Onderstaande nieuwe werkwijze is, ter vervanging van het stappenplan III van 8 januari 1999, opgesteld om de bedoelde categorie vreemdelingen alsnog te stimuleren Nederland te verlaten en, door middel van een minder trage procedure alle van overheidswege verstrekte voorzieningen te kunnen beëindigen, indien geconstateerd wordt dat de vreemdeling geen medewerking verleent aan terugkeer of vertrek naar het land van herkomst of een ander land waar de toelating gewaarborgd is.

Korte uitleg van de werkwijze

Alle tot de doelgroep behorende asielzoekers in de opvang worden gefaseerd door de VD gevorderd voor een terugkeergesprek met de IND, in het kader van hun plicht Nederland te verlaten. In dat gesprek zal onderzocht worden of de desbetreffende vreemdeling kan aantonen (mee) te hebben gewerkt c.q. nog steeds mee te werken aan terugkeer of vertrek naar het land van herkomst of een ander land waar de toelating gewaarborgd is en daarvoor voldoende activiteiten heeft ondernomen.

Indien de desbetreffende vreemdeling niet kan aantonen mee te werken aan zijn terugkeer of vertrek, zal het niet-meewerken cf. de, in het door de regering overgenomen advies van de commissie Van Dijk van 15 januari 1998, genoemde criteria voor niet-meewerken van afgewezen asielzoekers,

worden vastgesteld.

(…)

Doelgroep

De asielzoekers die, op basis van het eerste asielverzoek, rechtmatig verwijderbaar zijn en waarbij sprake is dat zij:

a. voorzieningen ontvangen ingevolge de Rva 1997 of de ROA, en;

b. een negatieve beschikking ontvangen hebben vóór 11 februari 2000 op het asielverzoek of intrekking of niet-verlenging van de VVTV, VTV of A-status, waarna geen andere negatieve beschikking op dit asielverzoek of de intrekking van de VVTV, VTV of A-status meer is gevolgd.

Voorheen was op deze doelgroep het herziene stappenplan beëindiging opvangvoorzieningen van ongedocumenteerde asielzoekers (stappenplan III van 8 januari 1999) van toepassing. Een reguliere aanvraag of een beslissing op een reguliere aanvraag heeft geen invloed op het behoren tot de doelgroep. Daarnaast geeft een dergelijke aanvraag geen nieuw recht op opvang en heft het de plicht mee te werken aan terugkeer of vertrek niet op.”

4. Selectie uit: MvT bij Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een regeling over de behandeling van klachten door bestuursorganen (TK, vergaderjaar 1997-1998, 25 837, nr. 3)

“ALGEMEEN

1. Waarom een regeling van klachtbehandeling?

Dit voorstel van wet bevat een aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met een regeling inzake de interne behandeling van klachten door bestuursorganen. Voor een regeling van dit onderwerp zijn verschillende motieven aan te voeren.

Voor de burger levert het de mogelijkheid genoegdoening (in welke vorm dan ook) te krijgen in verband met onheuse bejegening door de overheid. Voor de overheid is zorgvuldige klachtbehandeling een vereiste dat voortvloeit uit de beginselen van behoorlijk bestuur en een kwestie van bestuurlijke betamelijkheid.

(…)

Steeds sterker leeft voorts het besef, binnen de overheid zowel als in het bedrijfsleven, dat een goede behandeling van een klacht bijdraagt aan een betere relatie met de cliënt en aan de kwaliteit van de dienstverlening. Zorgvuldige klachtbehandeling kan aldus bijdragen aan herstel van het geschonden vertrouwen in het bestuur.“

Bijlage

Informatiebrief, gevoegd bij de vordering van 6 januari 2003

“Voor de asielzoeker ter begeleiding van de vordering voor het terugkeergesprek in het kader van de herziene werkwijze, ter vervanging van stappenplan III van 8 januari 1999.

Hierbij bent u gevorderd voor een terugkeergesprek door middel van bijgevoegde vordering van de vreemdelingendienst. Ter voorbereiding op de gesprekken kunt u eventueel contact opnemen net uw raadsman.

Het terugkeergesprek is bedoeld om vast te stellen of u meewerkt aan terugkeer naar uw land van herkomst of een ander land waar uw toelating gewaarborgd is en op basis daarvan nog recht heeft op de (opvang)voorzieningen die aan u worden verstrekt.

U heeft naar aanleiding van uw eerste asielverzoek in Nederland of de intrekking dan wel niet verlenging van uw VTV/VVTV/A-status van de Nederlandse overheid per beschikking medegedeeld gekregen, dat uw aanvraag en bezwaren niet zijn ingewilligd en u Nederland dient te verlaten.

De gevolgen van de afwijzing van uw aanvraag zijn nog steeds op u van toepassing. Dit betekent dat u Nederland dient te verlaten en dat van u inspanningen zijn verwacht om uw vertrek te realiseren. Uw opvang, nadat u rechtmatig verwijderbaar bent geworden in het kader van uw eerste asielverzoek, is slechts voortgezet om u de mogelijkheid te geven alles te regelen om terug te keren naar uw land van herkomst of te vertrekken naar een ander land waar uw toelating gewaarborgd is, of, indien dit niet mogelijk blijkt, aan te kunnen tonen dat u hiertoe al het mogelijke in het werk heeft gesteld.

Indien u op dit moment een procedure heeft lopen die u alsnog rechtmatig verblijf in Nederland geeft, maar geen recht op (opvang)voorzieningen, heeft u niet de plicht Nederland te verlaten maar wel de plicht de (opvang)voorzieningen te verlaten.

In het terugkeergesprek zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bekijken in hoeverre u tot op heden heeft gewerkt aan het mogelijk maken van uw terugkeer of vertrek naar het land van herkomst of een ander land waar uw toelating gewaarborgd is. Bij u ligt de verantwoordelijkheid aan te tonen, dat u feitelijk stappen heeft ondernomen om terugkeer of vertrek mogelijk te maken. De stappen betreffen alle mogelijke activiteiten om u in bezit te stellen van reis- en/of identiteitsdocumenten, zodat u terug kunt naar uw land van herkomst of kunt vertrekken naar een ander land waar uw toelating gewaarborgd is.

Deze activiteiten beslaan zowel het aanvragen van vervangende reisdocumenten bij uw diplomatieke vertegenwoordiging als het vragen om en activeren van ondersteuning bij het verkrijgen van identiteitsdocumenten aan bijvoorbeeld belangengroeperingen in Europa, uw familie, kennissen en/of vrienden in het land van herkomst of elders en/of de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

Indien u (inmiddels) in het bezit bent van een paspoort, geboorteakte of andere identiteitskaart dient u dit mee te nemen naar het gesprek.

Tijdens het terugkeergesprek dient u alle documenten, waarmee u kunt aantonen dat u buiten uw schuld geen reis- en/of identiteitsdocumenten heeft kunnen verkrijgen te overleggen en toe te lichten. Op basis daarvan wordt door de IND geconstateerd of u heeft voldaan aan uw verplichting om terugkeer of vertrek mogelijk te maken en meewerkt aan uw terugkeer of vertrek of niet.

Indien wordt geconstateerd dat u niet kunt aantonen dat u al het mogelijke in het werk heeft gesteld om terug te kunnen keren ofte vertrekken zal de IND dit vastleggen en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) of de gemeente adviseren uw voorzieningen te beëindigen. Als u daarentegen kunt aantonen dat u buiten uw schuld niet kunt terugkeren of vertrekken naar uw land van herkomst of een ander land waar uw toelating gewaarborgd is, zal door de IND onderzocht worden of u, conform het daartoe door de Staatssecretaris van Justitie geformuleerde beleid (TBV 2000/29), op basis daarvan een verblijfsvergunning kan worden verstrekt. Het zienswijzegesprek met het COA of de gemeente komt dan te vervallen.

Indien in het terugkeergesprek door de IND niet-meewerken wordt vastgesteld zal binnen vier weken in het zienswijze-gesprek, het COA of de gemeente aan u kenbaar maken dat zij voornemens is de voorzieningen die u van overheidswege ontvangt, te beëindigen. Zij zal u daarop de gelegenheid geven uw zienswijze omtrent het beëindigen van de voorzieningen naar voren te brengen. Indien u medische redenen heeft op basis waarvan reizen naar uw land van herkomst niet aan de orde kan zijn dient u hiervoor de medische stukken te kunnen overleggen. Eventuele andere argumenten tegen het beëindigen van de voorzieningen, kunt u in dit gesprek aan de orde stellen.

Indien geen beletselen worden aangedragen zal een beëindigingsbeschikking aan u uitgereikt worden. Vervolgens worden de stappen ondernomen om zonodig tot ontruiming van de woonruimte over te kunnen gaan en alle voorzieningen te beëindigen.

Indien u zonder geldige reden n niet verschijnt op het terugkeergesprek en dus niet voldoet aan de vordering, zal dit worden aangemerkt als het niet meewerken. Ook dan zal, na een zienswijzegesprek met het COA of de gemeente, een beëindigingsbeschikking aan u worden uitgereikt en worden alle stappen ondernomen om zonodig tot ontruiming van de woonruimte over te kunnen gaan en alle voorzieningen te beëindigen.

Zoals in de beëindigingsbeschikking zal staan opgenomen kunt u tegen de beëindigingsbeschikking in beroep gaan. Dit beroep heeft geen schorsende werking, wat betekent dat dit het beëindigen van de voorzieningen niet uitstelt en dat de ontruimingsprocedure wordt voortgezet.”

Instantie: Immigratie- en Naturalisatiedienst

Klacht:

Lange duur behandeling bezwaarschrift tegen afwijzende beslissing aanvraag verblijfsvergunning; geen medische begeleiding en bewaking aanwezig bij terugkeergesprek en partner mocht niet aanwezig zijn.

Oordeel:

Gegrond