2003/421

Rapport

Verzoeker klaagt over de wijze waarop het arrondissementsparket te Zwolle heeft gereageerd op de brieven van zijn gemachtigde van 25 februari 2002, 14 maart 2002 en 19 juni 2002.

Verzoeker klaagt er met name over dat de officier van justitie in haar brief van 1 maart 2002 en de hoofdofficier van justitie in zijn brieven van 30 mei 2002 en 27 juni 2002:

niet zijn ingegaan op het verzoek van 25 februari 2002 om een gesprek op het parket;

de door de raadsman bij brief van 25 februari 2002 gestelde vragen - om aan te geven van welk feit verzoeker wordt verdacht, om aan te geven waarom het openbaar ministerie meent dat sprake is van opzet en om een toelichting te geven op het in het proces-verbaal berekende nadeel - niet hebben beantwoord;

Voorts klaagt verzoeker er over dat de hoofdofficier van justitie pas bij brief van 30 mei 2002 (verzonden op 6 juni 2002), heeft gereageerd op verzoekers brief van 14 maart 2002.

Beoordeling

I Inleiding

Verzoeker werd bij brief van 7 januari 2002 opgeroepen voor een taakstrafzitting van de officier van justitie op 24 januari 2002. Verzoeker ontving deze oproeping, omdat hij ervan werd verdacht artikel 63 van de Algemene ouderdomswet (Aow) te hebben overtreden wegens het opzettelijk verzwijgen voor de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van de inkomsten van zijn echtgenote. Verzoeker is op deze taakstrafzitting verschenen en ging vervolgens akkoord met het aanbod van de officier van justitie tot het verrichten van 80 uur onbetaalde arbeid. Kort na de taakstrafzitting kreeg verzoeker spijt van het feit dat hij het aanbod had geaccepteerd. Via zijn raadsman probeerde hij opnieuw in contact te komen met het arrondissementsparket, dit met de bedoeling om de zaak nog eens door te spreken en om nadere uitleg te verkrijgen. Er ontstond een briefwisseling tussen verzoekers raadsman en het parket. Uiteindelijk is verzoeker op 16 augustus 2002 door de politierechter veroordeeld wegens culpose verzwijging tot het betalen van een geldboete van € 1000, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis. Voor de opzettelijke verzwijging werd hij vrijgesproken.

II Met betrekking tot het niet ingaan op het verzoek van 25 februari 2002 om een gesprek op het parket en beantwoording van de bij dit verzoek gestelde vragen

1.1. Verzoeker klaagt er over dat de officier van justitie in haar brief van 1 maart 2002 en vervolgens de hoofdofficier van justitie in zijn brieven van 30 mei 2002 en 27 juni 2002, niet zijn ingegaan op het verzoek om een gesprek op het parket.

1.2. Voorts klaagt verzoeker er over dat de officier van justitie in haar brief van 1 maart 2002 en vervolgens de hoofdofficier van justitie in zijn brieven van 30 mei 2002 en 27 juni 2002, niet zijn ingegaan op de vragen zoals deze in de brief van verzoekers raadsman van 25 februari 2002 zijn gesteld. De raadsman gaf in deze brief aan dat verzoeker graag wilde weten waarvan het openbaar ministerie hem verdacht, waarom het openbaar ministerie meende dat sprake was van opzet en op welke wijze het nadeel was berekend.

2. Vooropgesteld zij dat verzoeker reeds op 7 januari 2002 een oproeping ontving om op de taakstrafzitting te verschijnen en op 24 januari 2002 het aanbod van de officier van justitie tot het verrichten van 80 uur onbetaalde arbeid heeft geaccepteerd. Na deze zitting had verzoeker onvrede met de afhandeling van de zaak en wendde zich tot zijn raadsman. De raadsman verzocht officier van justitie mr. M. bij brief van 25 februari 2002 om een toelichting op de vragen van welk feit verzoeker werd verdacht, waarom sprake zou zijn van opzet en op welke wijze het nadeel was berekend. De raadsman verzocht voorts om een gesprek ten parkette voor het geval de officier van justitie bij het standpunt zou blijven dat sprake was van een strafbaar feit, zodat de standpunten van de officier nader toegelicht konden worden.

3. Namens de minister van Justitie werd als reactie op de klacht het standpunt verkondigd dat alles bijeen aan de zaak van verzoeker voldoende aandacht was besteed. Op alle vragen van de raadsman kan een antwoord worden gevonden in het door de SVB opgemaakte proces-verbaal. De berekening van het nadeel is volgens de minister in detail weergegeven in het proces-verbaal. De minister is van mening dat daarom een gesprek op het parket niet geïndiceerd was. Voorts is de minister van mening dat uit het proces-verbaal blijkt van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, en wel de opzettelijke verzwijging van de inkomsten van verzoekers echtgenote. De minister kan zich voorstellen dat een en ander voor verzoeker moeilijk te doorgronden valt, de raadsman zou op zijn beurt echter moeten kunnen inzien dat een redelijk vermoeden van schuld uit de zaak te destilleren valt. Op de oproeping voor de taakstrafzitting was als strafbaar feit de opzettelijke verzwijging vermeld, de dagvaarding vermeldde tevens als subsidiair feit de schuldvariant van dit delict. De officier van justitie had op de zitting bij de politierechter voor de opzettelijke verzwijging een vrijspraak gevorderd. De politierechter heeft op dat punt ook vrijgesproken. Volgens de minister betreft het hier voortschrijdend inzicht, ontstaan door de correspondentie met de raadsman en hetgeen ter terechtzitting naar voren was gebracht.

4.1. De Nationale ombudsman zal eerst ingaan op de klachten met betrekking tot de officier van justitie.

4.2. Het is een vereiste van zorgvuldigheid dat bestuursorganen aan hen gerichte brieven adequaat verwerken, en zodanig afhandelen dat voldoende recht wordt gedaan aan hetgeen door de burger in zijn of haar brief wordt verzocht. In de brief van 25 februari 2002, gericht aan de officier van justitie, geeft verzoekers raadsman aan dat het niet duidelijk is waarvan verzoeker werd verdacht. Het proces-verbaal van de Sociale Verzekeringsbank noemt twee feiten, namelijk overtreding van artikel 326 Wetboek van Strafrecht (oplichting) en artikel 63 Aow (overtreding van de mededelingsplicht).

De officier van justitie stelt in haar brief van 1 maart 2002 dat verzoeker werd verdacht van het overtreden van artikel 63 van de Aow. Zij geeft aan dat zij hem dit ook op de taakstrafzitting heeft uitgelegd. De Nationale ombudsman merkt daarbij op dat ook in de oproeping voor de taakstrafzitting staat vermeld dat verzoeker werd verdacht van overtreding van art. 63 Aow. In dit licht bezien moet het ervoor worden gehouden dat de officier van justitie voldoende is ingegaan op de vraag van welk feit verzoeker werd verdacht. Het gegeven dat er in het proces-verbaal van de Sociale Verzekeringsbank twee strafbare feiten staan vermeld, doet daar niet aan af. Het is de uiteindelijke keus van de officier van justitie om te bepalen voor welk feit zij een verdachte wenst op te roepen.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

4.3.1. Namens verzoeker is verder verzocht om uitleg over de vraag waarom verzoeker als verdachte opzettelijk niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan.

4.3.2. De minister geeft op dit punt aan dat op de taakstrafzitting voldoende uitleg is gegeven over het feit dat van opzet sprake zou zijn. De opzet is afgeleid uit de omstandigheid dat verzoeker, ondanks een op hem rustende mededelingsplicht, van welke plicht hij op de hoogte was gesteld, aan deze plicht geen gevolg heeft gegeven.

4.3.3. De officier van justitie heeft in haar brief van 1 maart 2002 medegedeeld dat zij op de taakstrafzitting aan verzoeker uitvoerig heeft uitgelegd waarvan hij werd verdacht, wat daarbij de gronden waren om hem te vervolgen en dat zij niet van mening was dat verzoeker bij een eventuele zitting door de politierechter zou worden vrijgesproken. Een nadere discussie over de zaak zou naar haar mening moeten plaatshebben voor een rechterlijk forum. Uit de brief van 25 februari 2002 blijkt dat verzoeker - ondanks deze zitting - nog altijd niet wist waarom de officier van mening was dat hij opzettelijk zou hebben gehandeld. In verzoekers verslag van de taakstrafzitting (zie feiten, onder 8.2.) beschrijft deze dat de officier hem heeft gezegd dat hij verantwoordelijk was voor zijn uitkering en dat het hem te verwijten viel dat er nadeel was ontstaan. Verzoeker heeft ook in het verhoor dat door de rechercheurs van de SVB werd afgenomen verklaard dat hij zich realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor de papierstroom met betrekking tot zijn uitkering. De hoofdofficier geeft in zijn brief van 27 juni 2002 aan dat de officier op de taakstrafzitting verzoeker heeft uitgelegd dat op verzoeker een verplichting rust om informatie die van belang is voor de hoogte van de uitkering zelf te melden en dat hem werd verweten dat hij de inkomsten van zijn echtgenote niet heeft gemeld. Verzoeker heeft volgens de hoofdofficier op de zitting verklaard de voorlichtingsfolders van de SVB niet te lezen en daardoor niet op de hoogte te zijn van de regelgeving rondom de AOW. Volgens de hoofdofficier heeft mr. M. verzoeker toen uitgelegd dat dat verzoekers risico is.

4.3.4. De officier gaat in haar brief van 1 maart 2002 niet inhoudelijk in op het verzoek om een toelichting op de vraag waarom opzet in het spel zou zijn, maar verwijst naar hetgeen op de zitting gezegd is. Dit is vrij kortaf, maar naar de mening van de Nationale ombudsman niet onjuist. Los van de vraag of op de taakstrafzitting al dan niet uitvoerig is uitgeweid over de verdenking omtrent het opzet, kan op grond van het bovenstaande worden aangenomen dat de officier hoe dan ook haar standpunt heeft duidelijk gemaakt. Voldoende aannemelijk is dat de officier het opzet heeft afgeleid uit de meldplicht, de gegeven voorlichting door de SVB en het risico dat verzoeker heeft gelopen door zelf niet de informatie van de SVB te lezen. De Nationale ombudsman gaat er vanuit dat op dit punt geen sprake is geweest van onvoldoende uitleg over het opzet, maar veeleer van een meningsverschil tussen verzoeker en diens raadsman enerzijds en de officier van justitie anderzijds over het al dan niet aanwezig zijn van opzet. De officier kan gevolgd worden in haar redenering dat een verdere discussie diende plaats te hebben voor een rechterlijk forum. Het feit dat de politierechter verzoeker heeft vrijgesproken voor de opzettelijke verzwijging en veroordeeld voor de schuldvariant, doet daar niet aan af.

De onderzochte gedraging is ook op dit punt behoorlijk.

4.3.5. Ten overvloede merkt de Nationale ombudsman op dat de officier van justitie verzoeker tijdens de taakstrafzitting ongeveer een uur de tijd heeft gegund om advies in te winnen bij verschillende personen. Uit oogpunt van dienstbetoon is dit prijzenswaardig.

4.4. Met betrekking tot het verzoek om een toelichting op het berekende nadeel moet worden gesteld dat de officier van justitie in haar brief van 1 maart 2002 aan dit verzoek voorbij is gegaan. De officier gaat in haar brief niet in op de namens verzoeker gestelde vraag, terwijl ook niet blijkt dat op de taakstrafzitting over het nadeel is gesproken. Op dit punt geldt dat de officier heeft gehandeld in strijd met het hiervóór genoemde zorgvuldigheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

4.5. Bij brief van 25 februari 2002 verzocht verzoekers raadsman de officier van justitie om een gesprek met verzoeker in het geval de officier van mening zou blijven dat sprake zou zijn van een strafbaar feit. Vooropgesteld moet worden dat een officier van justitie niet verplicht is een persoonlijk gesprek aan te gaan met een verdachte. Verzoeker was in de zaak die leidde tot de klacht bij de Nationale ombudsman als verdachte aangemerkt. De officier heeft aangegeven dat in haar optiek een discussie over de zaak diende plaats te vinden voor een rechterlijk forum.

Uit het oogpunt van dienstbetoon kan het onder omstandigheden geïndiceerd zijn dat een officier van justitie een gesprek met een verdachte aangaat. Van belang is dat in onderhavige zaak verzoekers verzoek tot het gesprek slechts is ingegeven door de wens een nadere toelichting van de officier te horen waarom sprake zou zijn van een strafbaar feit. De officier heeft er voor gekozen deze vraag schriftelijk te beantwoorden. Nu overwogen is dat het schriftelijke antwoord van de officier met betrekking tot deze vraag de toets der kritiek kan doorstaan, moet worden gesteld dat de officier niet hoefde in te gaan op het verzoek om een gesprek op het parket.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

5.1. Voor wat betreft het handelen van de hoofdofficier geldt het volgende.

Bij brief van 14 maart 2002 deelde verzoekers raadsman de hoofdofficier mee dat hij het antwoord van M. onbevredigend vond. Nogmaals verzocht hij daarom - verwijzend naar de vragen zoals gesteld in de brief van 25 februari 2002 - om het standpunt van het parket voorafgaand aan een zitting bij de politierechter. De raadsman benadrukte daarbij dat verzoeker een persoon van onbesproken gedrag is, met een langdurige carrière in de politiek, hetgeen naar zijn mening betekent dat verzoeker geen kwade bedoelingen heeft gehad bij de gedraging die hem werd verweten. Daarom had verzoeker er recht op het standpunt van de officier voorafgaand aan een zitting te vernemen.

5.2. De hoofdofficier heeft bij zijn brief van 30 mei 2002 ter verduidelijking van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, een conceptdagvaarding meegezonden. Hiermee moet worden gesteld dat ook de hoofdofficier van justitie voldoende is ingegaan op de vraag van welk feit verzoeker werd verdacht.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

5.3. De hoofdofficier kon met betrekking tot de vraag waarom sprake zou zijn van opzet, in zijn brief van 30 mei 2002 volstaan met een verwijzing naar de visie van de officier, nu is geoordeeld dat de officier reeds voldoende heeft duidelijk gemaakt waarom sprake was van opzet. In de brief van 27 juni 2002 beschrijft de hoofdofficier toch concreet de reden waarom in verzoekers zaak opzet werd aangenomen. Volgens de hoofdofficier heeft M. tijdens de taakstrafzitting uitleg gegeven over het strafrechtelijke verwijt. Aan verzoeker is uitgelegd dat op hem - als genieter van een uitkering krachtens de Aow - de verplichting rustte om eigenhandig alle gegevens door te geven die voor de hoogte dan wel het recht op uitkering van belang konden zijn, zonder dat de SVB daar eerst om hoeft te vragen. Verzoeker had ondanks deze verplichting de inkomsten van zijn echtgenote niet gemeld. Verzoeker gaf op zijn beurt aan de voorlichtingsfolders nooit te lezen, maar weg te gooien. De hoofdofficier geeft aan dat M. hem heeft gemeld dat dat verzoekers risico is.

Met bovengenoemde verwijzing en de daarna gegeven extra uitleg heeft de hoofdofficier genoegzaam aangegeven waarom naar de mening van het openbaar ministerie opzet aanwezig was.

De onderzochte gedraging is ook op dit punt behoorlijk.

5.4. De hoofdofficier is echter in zijn brief van 30 mei 2002 voorbij gegaan aan het verzoeken om een toelichting op de nadeelsberekening. De raadsman - hierdoor ontevreden - verzocht de hoofdofficier bij brief van 19 juni 2002 nogmaals om een toelichting op de eerder gestelde vraag. De hoofdofficier gaat ook in zijn brief van 27 juni 2002 niet in op het verzoek om een toelichting op het nadeel en handelt daarmee in strijd met het hiervoor geformuleerde zorgvuldigheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

6. Ten overvloede zij opgemerkt dat verzoeker - indien hij de hoogte van het door de SVB berekende nadeel had willen betwisten - een bezwaarschrift had kunnen indienen tegen de terugvorderingsbeschikking bij de SVB en vervolgens een beroepschrift bij de bestuursrechter. Dit was de geëigende weg geweest.

III Met betrekking tot de gehanteerde antwoordtermijn

1. Verzoeker klaagt er over dat de hoofdofficier van justitie pas bij brief van 30 mei 2002 (verzonden op 6 juni 2002), heeft gereageerd op verzoekers brief van 14 maart 2002.

2. De minister brengt naar voren dat de aard van de door verzoekers raadsman in deze brief gestelde vragen niet aandrongen tot de hoogste prioriteit, omdat door de verstrekking van het strafdossier al voldoende antwoord was gegeven op de vragen. De raadsman is op de hoogte gesteld van de vertraging in de beantwoording van zijn brief. Op het moment dat de hoofdofficier in de zaak werd betrokken, was het dossier eerst in Lelystad nodig opdat mr. M. haar ambtsbericht aan de hoofdofficier kon formuleren. Later was het dossier in Zwolle nodig ter formulering van de reactie van de hoofdofficier. Dit, evenals vakanties van voor de zaak cruciale medewerkers, heeft voor vertraging gezorgd. De minister acht de klacht niet gegrond.

3. De brief van verzoekers raadsman is - zoals blijkt uit de door het parket in de ontvangstbevestiging gebruikte KL-code - aangemerkt als een klacht over een gedraging van officier van justitie M. Volgens artikel 9:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevestigt een bestuursorgaan de ontvangst van een klaagschrift schriftelijk. Uit artikel 9:11 Awb volgt dat door een bestuursorgaan een klacht binnen zes weken wordt afgedaan, welke termijn met vier weken kan worden verdaagd. Van deze verdaging moet schriftelijk mededeling worden gedaan aan de klager.

Namens de hoofdofficier werd op 25 maart 2002 de ontvangstbevestiging gestuurd. Op 26 april meldt de fungerend hoofdofficier dat inhoudelijke beantwoording van de brief bij gebrek aan nadere interne informatie nog niet kan plaatshebben. De uiteindelijke beantwoording heeft plaats bij brief van 30 mei 2002, welke brief eerst op 6 juni 2002 is verzonden. Volgens de termijnen van de Awb had de brief van verzoekers raadsman - na verdaging van de termijn met 4 weken en aangenomen dat de brief het parket op 15 maart 2002 heeft bereikt - uiterlijk op 24 mei 2002 beantwoord moeten zijn.

Anders dan de minister is de Nationale ombudsman van oordeel dat verzoeker niet afdoende is geïnformeerd over de verdaging. De fungerend hoofdofficier meldt slechts dat de brief nog niet beantwoord kon worden, omdat nadere interne informatie ontbrak en dat verdere berichtgeving zou volgen indien de verlangde informatie binnen was. Uit oogpunt van zorgvuldigheid had tenminste een nog te verwachten behandelingsduur aangegeven kunnen worden. Na de verdaging heeft het vervolgens nog geruime tijd geduurd vooraleer verzoeker antwoord van de hoofdofficier kon ontvangen. Op het moment dat het antwoord verzoekers raadsman bereikte, was de in de Awb genoemde termijn reeds twee weken verstreken. Deze vertraging is gezien de betrekkelijke eenvoud van de zaak niet te rechtvaardigen op grond van de door de minister aangegeven redenen.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

4. Ten overvloede merkt de Nationale ombudsman op dat de hoofdofficier in zijn brief bij de verwijzing naar het parketkenmerk van de zaak, het kenmerk van verzoekers raadsman gebruikt en niet de eigen klachtencode. Voorts verwijst de hoofdofficier naar de ontvangstbevestiging van mr. M. van 10 april 2002 en niet naar zijn eigen ontvangstbevestiging van 25 maart 2002. Dit is verwarrend.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket te Zwolle, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, is niet gegrond, behalve ten aanzien de beantwoording van de vraag met betrekking tot het nadeel en de gehanteerde antwoordtermijn voor de brief van 14 maart 2002; in zoverre is de klacht gegrond.

Onderzoek

Op 15 juli 2002 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer Y uit Lelystad, ingediend door de heer mr. J.S. Pen, advocaat te Amsterdam, met een klacht over een gedraging van het arrondissementsparket te Zwolle. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd een betrokken officier van justitie de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Deze maakte van deze gelegenheid geen gebruik.

Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd de minister een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De minister van justitie deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoeker berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoeker (ook Y genoemd) werd bij brief van 7 januari 2002 opgeroepen voor een taakstrafzitting van de officier van justitie op 24 januari 2002. Verzoeker ontving deze oproeping, omdat hij ervan werd verdacht artikel 63 van de Algemene ouderdomswet (Aow) te hebben overtreden wegens het opzettelijk verzwijgen voor de Sociale Verzekeringsbank van de inkomsten van zijn echtgenote. Verzoeker is op deze taakstrafzitting verschenen en ging vervolgens akkoord met het aanbod van de officier van justitie tot het verrichten van 80 uur onbetaalde arbeid. Via zijn raadsman probeerde hij op een later moment opnieuw in contact te komen met het arrondissementsparket, dit met de bedoeling om de zaak nog eens door te spreken en om nadere uitleg te verkrijgen. Er ontstond een briefwisseling tussen verzoekers raadsman en het parket. Uiteindelijk is verzoeker op 16 augustus 2002 door de politierechter veroordeeld wegens overtreding van artikel 62 Aow (oud) en artikel 49 Aow (nieuw) tot een geldboete van € 1000, bij niet betalen te vervangen door 20 dagen hechtenis.

2.1. Op het voorblad van het door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) jegens verzoeker opgemaakte proces-verbaal staat onder meer het volgende vermeld:

"STRAFBARE FEITEN: Oplichting

Opzettelijk verstrekken van onjuiste

informatie dan wel opzettelijk verzwijgen

van informatie

WETSARTIKELEN: Artikel 326 Wetboek van Strafrecht

Artikel 63 Algemene Ouderdomswet"

2.2. In hetzelfde proces-verbaal is een verhoor met verzoeker als verdachte opgenomen. In het proces-verbaal van verhoor verklaart verzoeker onder meer het volgende:

"U heeft mij medegedeeld waarvan ik word verdacht, dat ik niet tot antwoorden verplicht ben en dat ik geen belastende verklaring tegen mijn echtgenote (…) hoef af te leggen.

Ik ben wel bereid een verklaring af te leggen.

(…)

Ik verzorg bij ons thuis de eenvoudige administratie. Het merendeel van mijn administratie wordt verzorgd door mijn accountantskantoor X.

Ik kreeg op een gegeven moment bericht dat ik AOW-pensioen moest aanvragen. Ik heb vervolgens zelf de AOW aangevraagd. (…)

(…)

Ik weet dat AOW-pensioen bestaat uit een ongehuwde of gehuwdenpensioen en dat er recht bestaat op een toeslag op het AOW-pensioen en dat het inkomen van mijn echtgenote van invloed is op de hoogte van de toeslag.

(…)

Ik dacht dat mijn vrouw geen loon kreeg, maar een onkostenvergoeding. En volgens mij hoef je een onkostenvergoeding niet op te geven aan de SVB.

(…)

U toont mij de 'AOW Aanvraag om ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet', gedateerd op 20 september 1994. Ik herken dit formulier wel. (…)

(…)

U toont mij de 'toekenningsbeslissing AOW' en de 'toekenningsbeslissing toeslag', (…), alsmede de daarbij gevoegde 'verplichtingen'.

Ik herken deze beschikkingen wel. (…)

Ik heb het overzicht van de 'verplichtingen' wel gelezen. Ik weet dat ik wijzigingen aan de SVB moet melden.

Ik heb in de beschikking van de toeslag wel gelezen dat de hoogte van de toeslag afhankelijk is van het inkomen van mijn echtgenote.

Ik weet wel dat het inkomen van mijn echtgenote van invloed is op de toeslag op mijn AOW-pensioen. Ik weet dat ik moet melden als het inkomen van mijn echtgenote wijzigt. Ik kreeg in het verleden van de SVB een formulier om in te vullen en op te sturen. Ik moest op dat formulier invullen of mijn vrouw al dan niet inkomsten had. Ik heb daarna geen formulier van de SVB ontvangen. Op het oude formulier stond vermeld dat het formulier moest worden ingestuurd, anders wordt de toeslag gestaakt.

Vanaf 1997 stuurt de SVB geen formulieren. Waarschijnlijk is het beleid van de SVB gewijzigd. Ik heb in 1997 er niet bij stilgestaan om het inkomen van mijn vrouw aan de SVB door te geven. Ten eerste dacht ik dat mijn vrouw geen loon had, maar onkostenvergoeding. Ten tweede hoefde ik over het inkomen van mijn vrouw niet na te denken, want ik kreeg in 1997, 1998 en 1999 geen formulier van de SVB. Eerst in 2000 kreeg ik weer een formulier.

(…)

U toont mij het informatieblad 'Inzicht' die de SVB elk halfjaar naar al de klanten van de SVB stuurt. U vertelt mij dat de SVB dit blad naar alle pensioengerechtigden stuurt om hen te informeren over alle regels en wijzigingen met betrekking tot de AOW.

Ik herken dit blad wel. Ik blader het blad wel eens door, maar ik lees echter niet aandachtig. Ik krijg zoveel van dergelijke bladen.

U toont mij een kopie van een begeleidend schrijven van de SVB over 'Het nieuwe wijzigingsformulier AOW' en 'Belangrijke informatie over boeten en maatregelen' en de daarbij gevoegde kopieën van het 'Wijzigingsformulier' en de folder 'Belangrijke informatie over boeten en maatregelen', die de SVB in september 1996 aan alle pensioengerechtigden heeft verstuurd.

Ik herken dit schrijven, het wijzigingsformulier en de folder over boeten en maatregelen niet. Ik zal het wel ontvangen hebben.

Ik heb dit allemaal niet gelezen. Ik heb daarvoor een accountantskantoor. Mijn accountantskantoor is X. Ik ben ontevreden over X, omdat zij al mijn gegevens hebben. X heeft mij erop geattendeerd dat door de inkomsten van mijn vrouw vanaf oktober 1997, bij de Belastingdienst voor haar een P-formulier diende te worden aangevraagd. Zij hebben echter verzuimd mij er toen ook op te wijzen dat dit eveneens aan de SVB gemeld diende te worden. Ik doe met opzet deze boekhouding niet zelf, maar het accountantskantoor. Zij moeten er voor zorgen dat alles perfect verloopt. Zij moeten alles correct regelen. Ik weet dat ik mij niet kan verschuilen achter mijn accountantskantoor X. Ik vind het jammer dat X mij niet geïnformeerd heeft, dat ik de SVB moest informeren over het inkomen van mijn echtgenote.

Indien ik in 1998 een inkomensformulier van de SVB had gehad, had ik zeer zeker het inkomen van mijn echtgenote aan de SVB doorgegeven.

U vertelt mij dat ik word verdacht van oplichting en het niet voldoen aan de mededelingsplicht. Ik vind dat ik mij niet schuldig heb gemaakt aan oplichting. Als iemand oplichting pleegt moet dat volgens mij opzettelijk gebeuren. Ik heb dit niet opzettelijk gedaan. Nogmaals ik was van mening dat mijn vrouw geen loon heeft, maar een onkostenvergoeding ontvangt. Daarnaast heb ik speciaal een accountantskantoor dat al mijn administratie regelt om te voorkomen dat ik onregelmatigheden bega. Verder vind ik dat de SVB een formulier naar mij had moeten toesturen, zodat ik het inkomen aan de SVB had kunnen doorgeven.

(…)

Ik vind het vervelend dat ik teveel toeslag van de SVB heb ontvangen. Het teveel ontvangen bedrag van ƒ 24.090,62 heb ik daarom in één keer aan de SVB terugbetaald. Ik heb de hoogte van dit bedrag niet betwist, hoewel ik noch van het ABP, noch van de SVB een correct overzicht heb ontvangen, hoe tot dit totaalbedrag was gekomen, terwijl ik daar meermalen om gevraagd heb. Een zelf uitgevoerde berekening aan de hand van de onvolledige gegevens leidt tot een (lager) ander bedrag. Overigens moest ik ook zelf aan de SVB berichten dat een bedrag ten onrechte in de beschikking was opgenomen, hetgeen de SVB daarna ook erkende.

2.3. In bijlage 17 van het proces-verbaal is de nadeelsberekening opgenomen. Daarin worden in een tabel de toegekende bruto uitkeringsbedragen en toeslagen afgezet tegen de bedragen waarop volgens de SVB feitelijk recht bestond in de periode van oktober 1997 tot en met juli 2000.

3.1. Verzoeker deelde de officier van justitie mr. Be. voorafgaand aan de taakstrafzitting onder meer het volgende mee:

"In antwoord op uw brief van 7 januari 2002 (zie F. INLICHTINGEN ARRONDISSEMENTSPARKET ZWOLLE-LELYSTAD; N.o.) waarin u mij uitnodigt voor een persoonlijk gesprek op 24 januari aanstaande om 09.00 uur, stuur ik U alvast ter voorbereiding en nadere toelichting in bijlage kopie van een brief d.d. 17 januari 2002, (…), die ik ontving van mijn zaakwaarnemer in het bureau X, mr. E. Ik hoop dat deze brief nuttig zal zijn voor de te houden bespreking. Ik heb inmiddels de heer E. verzocht bij ons gesprek aanwezig te zijn om zo nodig zijn briefje nog nader toe te lichten. Ik hoop dat u hiertegen geen bezwaar zult hebben."

3.2. In de door verzoeker aangehaalde brief van mr. E. staat het volgende vermeld:

"Uw mededeling dat de officier van justitie u als verdachte heeft opgeroepen teneinde u een transactie aan te bieden is niet alleen ten zeerste betreurenswaardig maar naar onze mening ook onnodig, omdat u uzelf onzes inziens kunt disculperen. Immers uw fiscale en sociaal verzekeringstechnische zaken worden al zo'n 35 jaar door ons kantoor voor u verzorgd, waarbij u uw gegevens aanlevert en wij deze ordenen en de aangifte(n) in gereedheid brengen.

Door een heel vervelend misverstand over de periode oktober 1997 tot februari 2000 is geen opgaaf gedaan aan de Sociale Verzekeringsbank van het inkomen van uw echtgenote, terwijl deze opgaaf door ons wel is gedaan aan de Belastingdienst. Naar onze mening bent u dan ook geheel buiten uw schuld als verdachte aangemerkt.

Wellicht dat vorenstaande informatie u nog van dienst kan zijn, waarbij opgemerkt dat wij indien gewenst bereid zijn deze toelichting mondeling aan de Officier van Justitie te geven."

4. Verzoeker verscheen op 24 januari 2002 op de taakstrafzitting van de officier van justitie. Verzoeker ging in op het aanbod van de officier tot het verrichten van 80 uur onbetaalde arbeid, dit wegens het overtreden van art. 63 Aow.

5. Verzoeker wendde zich vervolgens tot zijn raadsman. Deze deelde de officieren van justitie Be. en M., welke laatste de officier was op de taakstrafzitting, bij brief van 1 februari 2002 onder meer het volgende mee:

"Cliënt heeft ingestemd met het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 uur, in verband met een strafvervolging.

Hij heeft met mij contact gezocht omdat een aantal zaken hem niet duidelijk waren en hij nog niet eerder gesproken had met een strafrechtadvocaat.

Uit hetgeen hij mij meedeelde, en de stukken die hij mij liet zien, kon ik geen informatie destilleren die een beantwoording van zijn vragen mogelijk maakte.

Om die reden zou ik het op prijs stellen alsnog het strafdossier in zijn zaak te mogen ontvangen.

Dat is ook daarom van belang, nu de SVB desverzocht tot nu toe weigerachtig is gebleven een berekening te geven van het geleden nadeel. Ik ga ervan uit dat die uit het dossier blijkt, zodat ook dat probleem voor cliënt verhelderd wordt.

Het is niet de bedoeling van cliënt om de gemaakte afspraak met betrekking tot de onbetaalde arbeid niet na te komen. Wel lijkt het mij gepast dat de uitvoering van de overeenkomst, het verrichten van de arbeid, opgeschort wordt totdat ik het dossier heb ontvangen en met cliënt besproken. Dat laatste zal ik, na ontvangst van het dossier, binnen enkele dagen doen."

6. Nadat verzoekers raadsman via het arrondissementsparket het door de Sociale Verzekeringsbank opgemaakte proces-verbaal had ontvangen, schreef hij bij brief van 25 februari 2002 onder meer het volgende aan officier van justitie M.:

"Lezing van dit dossier doet bij mij een aantal vragen rijzen en geeft mij ook aanleiding tot het maken van enige opmerkingen.

1. Y en zijn echtgenote hebben geen ervaring met het strafrecht. Beiden hebben een maatschappelijke carrière, en zeker bij Y is die steeds gevolgd door de pers. (…) Nooit heeft iemand hem beticht van niet integer handelen, laat staan van het plegen van strafbare feiten. Ervaring met het strafrecht heeft hij dan ook niet.

2. Terugblikkend heeft hij het gevoel dat hij geen enkele zekerheid heeft dat zijn argumenten ergens in de loop van de strafvervolging zijn gehoord of meegewogen. Kennis over de procedure had hij niet, en in weerwil van de tekst van de eerste uitnodiging voor een gesprek op het parket ging hij ervan uit dat hij nog invloed had op de te nemen beslissing. Indien hij het flauwste benul gehad had van de bedoeling van het gesprek dan had hij het parket verzocht hem mee te delen waarop de kennelijk genomen beslissing ruste.

3. Kennisname van het dossier verheldert in casu niet.

Met name verbaast het Y en zijn echtgenote dat de SVB, bemerkend dat er mogelijk teveel is uitbetaald geen contact met hem heeft opgenomen. Toen zij dat wel deden, in schriftelijke vorm, heeft hij vrijwel onmiddellijk het door hem genoemde bedrag ad ƒ 24.090,62 dat teveel ontvangen zou zijn, in één keer terugbetaald.

Daarvan heeft hij achteraf spijt. Noch SVB, noch het strafdossier verhelderen op enigerlei wijze waar dit bedrag vandaan komt. Het SVB heeft zelfs nooit een berekening willen maken.

Nu dit bedrag maatgevend is geweest voor de strafvervolging stel ik een toelichting op prijs met betrekking tot bijlage 17, waaruit het nadeel zou moeten blijken. De daar gegeven berekening klopt niet met de gegevens die cliënt in zijn eigen administratie heeft (de uitgekeerde bedragen) en evenmin met de voor slechts 8 maanden gespecificeerde basisgegevens die SVB hem deed toekomen. SVB zond hem de 34 maanden die in bijlage 17 van het p-v genoemd worden niet toe.

4. De verdenking richt zich op de artikelen 326 WvS en 63 AOW.

Het is voor Y niet duidelijk of hij in de ogen van het parket zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting, schending van de mededelingsplicht, of beide. De brief van 7 januari 2002 noemt alleen 63 AOW.

Ik hecht eraan daarover nog een standpunt te vernemen, zodat hij in ieder geval weet welk verwijt in strafrechtelijke zin in het geding is. Het dossier geeft daarover geen duidelijkheid.

Het klemt temeer nu ik, met het dossier in de hand, op geen enkele wijze kan begrijpen waarom het delict oplichting in het geding zou zijn. Nergens blijkt van een oogmerk om zich te bevoordelen, en in het geheel niet van het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen, een samenweefsel van verdichtsels.

Opzet in voorwaardelijke zin kan ik evenmin ontdekken.

Voor iemand met de reputatie van Y is het uiteraard pijnlijk indien de overheid hem schuldig houdt aan dit delict.

Voor artikel 63 AOW geldt in beginsel hetzelfde. Ook daar blijkt op geen enkele wijze van (voorwaardelijk) opzet.

Nadat de beide computerbestanden 'gematched' waren heeft de overheid er nog heel lang over gedaan om het probleem onder zijn aandacht te brengen. Daarom is het nadeel sterk opgelopen. Betoogd zou kunnen worden dat er (voorwaardelijk) opzet was op het laten oplopen van het nadeel teneinde hem strafrechtelijk te kunnen vervolgen. De aanwijzingen daarvoor zijn in dossier niet meer of minder sterk dan het zoeken van (voorwaardelijke) opzet bij Y.

Y heeft er begrip voor dat deze zaken enige tijd kosten, en eveneens dat er een overbelasting is van het apparaat dat daarvoor verantwoordelijk is, maar het is wat wrang dat zulks hem strafrechtelijk later opbreekt.

Gelet op de hierboven kort weergegeven argumenten stel ik een toelichting op deze onderwerpen op prijs.

5. Op 7 januari jl. heeft het parket bij geschrift van OvJ Be. Y opgeroepen.

In deze brief wordt vermeld dat Y zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijk valse opgave doen dan wel met genoemde gehoudenheid iets verzwijgen, AOW 63.

Voor Y was de brief niet geheel duidelijk. Hij kende het proces-verbaal niet, en kon zich niet goed voorstellen dat er iets in zou staan wat leidde tot een strafbaar feit. Om die reden was Mr. E. van X meegekomen, omdat deze verantwoordelijk was voor het invullen van de formulieren. Y heeft zelf slechts zeer beperkt naar de formulieren en de betrokken gegevens gekeken.

Y realiseert zich dat hij verantwoordelijk is voor de papierstroom in deze, en heeft dat ook bij zijn verhoor verklaard. Dat laat onverlet dat voor het begrip (voorwaardelijke) opzet een en ander van belang kan zijn. Ditzelfde geldt voor het gegeven dat het inkomen van zijn echtgenote (waarvan hij vermoedde dat het een onkostenvergoeding was) wel opgegeven werd aan de belastingdienst.

Deze omstandigheden zijn nog met andere aan te vullen en wijzen alle in de richting van de afwezigheid van kwade bedoelingen, en dus afwezigheid van (voorwaardelijke) opzet.

6. Ik ga er vanuit dat, indien de zaak door een politierechter zou zijn behandeld, vrijspraak zou volgen.

Y is publicitair kwetsbaar, en dat was voor hem een belangrijke reden om onder tijdsdruk akkoord te gaan met de gekozen afdoeningsmodaliteit.

Het lijkt mij echter niet goed dat de overwegingen van het parket die tot het ingenomen standpunt hebben geleid voor hem geheel verborgen blijven.

Zulks leidt tot het verzoek om uw beslissing nog eens te heroverwegen, en, indien u bij uw oorspronkelijke standpunt blijft dat er sprake is van een strafbaar feit zulks in een gesprek aan Y uit te leggen. In dat geval zal ik graag bij dat gesprek aanwezig zijn teneinde hem later tekst en uitleg te kunnen geven en verdere vragen te kunnen beantwoorden."

7. Bij brief van 1 maart 2002 werd op bovenstaande brief door officier van justitie M. gereageerd. M. verwoorde haar standpunt onder meer als volgt:

"Op 24 januari jl. is uw cliënt de heer Y verschenen op de taakstrafzitting en bij die gelegenheid heb ik hem uitvoerig uitgelegd dat hem wordt verweten dat hij niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht die ingevolge artikel 63 Algemene Ouderdomswet op hem rust en wat de gronden zijn om hem te vervolgen.

Omdat uw cliënt aangaf telefonisch met zijn raadsman te willen overleggen alvorens hij zou beslissen op het taakstraf transactieaanbod heb ik hem daartoe de gelegenheid gegeven. Vervolgens heeft hij het transactieaanbod geaccepteerd.

De gebruikelijke procedure is dat na acceptatie van het transactieaanbod de reclassering onmiddellijk de executie van de taakstraf in gang zet en ook uw cliënt heeft aansluitend aan de taakstrafzitting een gesprek met een medewerkster van de reclassering gehad.

In verband met uw correspondentie over de onderwerpelijke kwestie is er bij uitzondering een korte pauze genomen in de verdere tenuitvoerlegging.

Ik heb op grond van het verzoek dat u namens uw cliënt heeft gedaan geen redenen tot een andere dan het eerder ingenomen standpunt te komen. In het bijzonder uw mening dat uw cliënt door de politierechter zal worden vrijgesproken, deel ik dan ook niet.

Het karakter van de taakstraftransactie leent zich niet voor een nadere inhoudelijke discussie; dit geldt temeer nu ik uw cliënt persoonlijk uitvoerig heb geïnformeerd èn nog de gelegenheid heb geboden voor ruggespraak.

Indien een dergelijke discussie naar uw mening en naar het oordeel van uw cliënt nog wel dient plaats te vinden, zal dit voor een rechterlijk forum dienen te geschieden.

Gaarne verneem ik vóór 1 maart a.s. van u of uw cliënt zijn acceptatie handhaaft dan wel hierop terugkomt. In dat laatste geval zal ik overgaan tot dagvaarden.

Gelet op de eerder genoemde uitvoerige toelichting ter zitting, de geboden mogelijkheid tot overleg met uw raadsman en het tijdsverloop sindsdien zie ik geen aanleiding voor nòg een gesprek met uw cliënt in uw bijzijn."

8.1. Als commentaar op de brief van M. van 1 maart 2002, schreef verzoekers raadsman de officier van justitie mr. M. onder meer het volgende:

"Uw brief van 1 maart jl. ontving ik in goede orde, en ik besprak deze met de heer Y en mr. E.

Beiden gaven een lezing van het gesprek, in geschrift, die ik hierbij meezend. Deze lezing wijkt af van wat u hierover vertelde.

De heer Y is onder de huidige omstandigheden niet van plan om zich te onderwerpen aan een taakstraf. Dat betekent dat u in beginsel over kunt gaan tot het dagvaarden.

Ik stel het op prijs indien u mij een concept tenlastelegging doet toekomen, zodat ik in ieder geval het strafrechtelijk verwijt en de grondslag van de strafvervolging ken."

8.2. De raadsman voegde als bijlage een verslag van verzoeker toe waarin verzoeker de gang van zaken op de taakstrafzitting beschrijft. In dit verslag staat onder meer het volgende vermeld:

"In de brief van de officier van justitie van 7 januari 2002 werd ik uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek met de officier ter bespreking van een en ander als omschreven 'het voornemen mij een transactie aan te bieden in de vorm van een taakstraf.' Mede onder invloed van adviezen van verschillende vrienden uit de justitiële wereld (een accountant, een officier van justitie in een ander arrondissement, een gewezen advocaat, die geen strafrechtelijke kennis had), die allen de opinie deelden dat het mij ten laste gelegde zo'n 'kleine zaak' zou zijn dat er nauwelijks over gesproken zou hoeven te worden, besloot ik mij alleen te laten vergezellen door een terzake van mijn financiële administratie deskundige en in het verleden erbij betrokken adviseur, de heer mr. E. van X.

(…)

Na enkele minuten wachten werden E. en ik gevraagd naar een spreekkamer te komen waar aanwezig was mevrouw M. en nog een heer. Beiden stelden zich voor, wij deden dat ook. De 'atmosfeer' was kil.

Mevrouw M. opende het gesprek met de mededeling dat wij er niet waren om te spreken over de zaak noch over het dossier. 'Hier wordt niet gediscussieerd' waren ongeveer haar eerste woorden. 'Ik heb u alleen iets mee te delen: de keuze tussen met uw zaak naar de politierechter gaan of een taakstraf aanvaarden.' 'Voor mij is deze zaak geheel helder, dit is een keihard dossier waarin sprake is van valsheid in geschrifte en van verzwijging van feiten,' deelde zij mede met haar hand op een stapel papieren, naar ik aanneem het dossier. Vrijwel onmiddellijk daarna corrigeerde zij zichzelf door 'valsheid in geschrifte' weer in te trekken. Ik was behoorlijk overdonderd omdat dit in het geheel niet overeenstemde met mijn verwachting dat er eindelijk een kans zou zijn om uiteen te zetten wat er nu eigenlijk gebeurd was en om uitdrukkelijk aan te geven dat van opzet nooit sprake was geweest. De heer E. slaagde er wel in om alsnog iets te zeggen door te vragen of zij wel gezien had dat er in het dossier een brief aanwezig was van zijn bureau waarin een en ander werd opgemerkt over de wijze van administreren en mijn rol daarin alsmede de rol van X. Zij bevestigde die brief gezien te hebben, maar dat was niet van belang want hoe dan ook ik bleef verantwoordelijk.

Zij deelde mee wat de taakstraf zou zijn, te weten 80 uur onbetaalde arbeid, nader aan te wijzen door de reclassering. Op dit punt heb ik nog getracht in te brengen dat deze 80 uur werd vastgesteld vanwege de hoogte van het bedrag dat ten onrechte was uitgekeerd, maar dat bij eerder optreden van de autoriteiten dat bedrag nooit zo hoog zou zijn geworden. De OvJ antwoordde dat zij hier niets mee te maken had. Als de overheid al een fout had gemaakt dan was dat hier niet aan de orde want het ging bij haar om mijn fout.

De heer E. trachtte ook nog op een punt met haar in discussie te komen. Ik ben vergeten welk punt. In elk geval gaf ze ook hem nauwelijks een kans.

Ik heb nog gevraagd wat dit betekent voor de toekomst en zij antwoordde desgevraagd dat het aanvaarden van een taakstraf in elk geval zou betekenen dat er dan geen strafblad komt. Uitvoering van de taakstraf zou eventueel buiten Lelystad kunnen plaats vinden.

Omdat ik volstrekt niet kon overzien wat dit betekende, vroeg ik enige bedenktijd. Ons werd een pauze periode gegund - mits wij in elk geval voor het einde van haar zittingsperiode met onze conclusie zouden komen. Wij gebruikten de tijd om thuis de situatie door te praten met ook de bedoeling rechtshulp in te roepen. Dat gelukte slechts ten dele doordat alleen gesproken kon worden met mijn echtgenote, met de heer E., en over de telefoon met de gepensioneerde advocaat. Aangezien vooral het uitblijven van een strafblad in onze ogen zwaar woog en aangezien ik al jaren en ook op dit moment veel onbetaalde vrijwilligersarbeid doe, wat voor mij helemaal geen straf is, besloot ik dan maar te kiezen voor de taakstraf in plaats van de kans te lopen via een zaak voor de politierechter met naam en toenaam in de krant te komen wat een aanzienlijke reputatieschade als extra straf zou opleveren. Pas in de erop volgende dagen realiseerde ik mij dat het uitvoeren van een taakstraf in elk geval ook een schuldbekentenis in hield waar ik het niet mee eens ben en dat ik een vrijwel even grote kans op reputatieschade liep.

Binnen een uur waren wij weer terug en werden opnieuw ontvangen. De OvJ werd nu begeleid door een andere dame die niet is voorgesteld anders dan met de mededeling dat zij werkt op het parket. Ik heb toen getekend voor de taakstraf en vervolgens gesproken met een reclasseringsambtenaar die alleen adres gegevens opnam en meedeelde dat binnen enkele weken een collega van haar contact zou opnemen.

De OvJ zag ons nog in de hal en zij maakte op ons de indruk erg opgelucht te zijn dat ik akkoord was gegaan met de taakstraf."

8.3. Ook stuurde verzoekers raadsman een brief van E., aan hem gericht, mee, waarin E. met betrekking tot de taakstrafzitting onder meer het volgende relateert:

"Recentelijk ontving ik enige stukken inzake de kwestie waarin de heer Y verwikkeld is. Met name de weergave van het verslag van de heer Y van het bezoek d.d. 24 januari 2002 aan de officier van justitie mevrouw mr. M. waarbij ik de heer Y vergezelde, geeft mij, hoewel ik de weergave van de heer Y onderschrijf, toch nog aanleiding tot het maken van de volgende aanvullende opmerkingen.

Zoals de heer Y heeft verwoord was inderdaad de eerste mededeling van mevrouw mr. M. dat de oproeping niet had plaatsgevonden om de zaak te bediscussiëren omdat er sprake was van een bekennende verklaring afgelegd door de heer Y en direct daarop volgend deelde mevrouw mr. M. mede dat op grond van deze verklaring deze oproep alleen diende om de heer Y de mogelijkheid te geven te kiezen voor een taakstraf omdat de zaak zich daarvoor leende, dan wel te kiezen voor een strafrechtelijke vervolging, de politierechter zal de zaak dan beoordelen, waaraan toegevoegd werd dat de zaak zo duidelijk lag vanwege de bekennende verklaring dat een veroordeling het resultaat zou zijn en dat alsdan naar alle waarschijnlijkheid ook een taakstraf opgelegd zou worden, die echter aanzienlijk hoger zou zijn dan de taakstraf die zou worden opgelegd wanneer geschikt zou worden, desgevraagd daaraan toevoegend dat het besluit tot een taakstraf geen strafblad zou opleveren. Indien de heer Y zou besluiten tot een taakstraf zou aansluitend een bezoek gebracht kunnen worden aan een reclasseringsambtenaar.

De heer Y deelde in reactie hierop mede dat hij de verklaring die hij tijdens een verhoor door twee rechercheurs een half jaar daarvoor had getekend, welke verklaring door één van de rechercheurs tijdens het verhoor in getypte vorm was opgesteld, en naar schatting 5 à 6 A-viertjes telde niet, ook niet nadat hij (daar; N.o.) uitdrukkelijk om verzocht had, in kopie had meegekregen. De heer Y verzocht mevrouw M. opnieuw om de verklaring te mogen inzien en er een kopie van te krijgen. Dit verzoek werd resoluut van de hand gewezen en gevraagd werd welke keus de heer Y ging maken, het diende nu afgehandeld te worden.

Flink overrompeld gaf de heer Y aan de weg van de politierechter te willen kiezen. Omdat het mij allemaal te snel ging sprong ik in met de vraag wat een taakstraf dan wel inhield, een week, een maand, een jaar, waarop mevrouw mr. M. een tabel raadpleegde en mededeelde dat dat 80 uur zou zijn. In aansluiting op dit antwoord heb ik verzocht ons tijd te geven voor overleg. Ons werd daarop circa één uur gegund.

Tot zover mijn aanvulling.

Ten aanzien van het schrijven van de officier van justitie mevrouw mr. M. aan u d.d. 1 maart 2002, merk ik nog het volgende op. Zij stelt dat zij de heer Y uitvoerig heeft uitgelegd (eerste alinea), uitvoerig heeft geïnformeerd (derde alinea), uitvoerig toelichting heeft gegeven (slot). Ik weerspreek deze verwoording van mevrouw mr. M., de door haar gegeven informatie was zeer kort en sober en de bereidheid om antwoord te geven op de schaars gestelde vragen was minimaal."

9. Tevens schreef de raadsman op 14 maart 2002 een brief aan de hoofdofficier van justitie. Refererend aan zijn brief van 25 februari 2002, gericht aan M., verzocht hij onder meer het volgende:

"De heer Y heeft teveel AOW ontvangen, en toen hij daarop attent gemaakt werd heeft hij dit AOW-bedrag teruggestort. Hij is vervolgens nog gehoord door opsporingsambtenaren, en ging ervan uit dat de zaak afgedaan was. Vervolgens is hij opgeroepen voor een taakstrafzitting op het Parket, waar hij zich onder druk akkoord heeft verklaard met een taakstraf. Achteraf heeft hij mij geraadpleegd. Ik heb het dossier ontvangen en aan de hand daarvan een aantal vragen gesteld aan de officier die de zaak behandelde. (…)

Ik meen in zijn algemeenheid dat een verdachte er recht op heeft om te weten waar hij van verdacht wordt, en waarom men ten Parkette meent dat een strafvervolging gerechtvaardigd is. Dat geldt temeer als het gaat om publieke personen van onbesproken gedrag. Het aannemen van kwade bedoelingen ligt dan bepaaldelijk niet voor de hand.

De lezing van het taakstrafgesprek die gegeven wordt door de behandelend officier, M. enerzijds en Y en mr. E. van X Belastingadviseurs anderzijds wijkt dusdanig af dat ik het antwoord dat ik van het Parket ontving onbevredigend acht.

Ik kan de heer Y niet uitleggen waarom hij strafrechtelijk wordt vervolgd, en de vragen die ik daarover stel worden door het Parket niet beantwoord.

Dat betekent dat de zaak naar alle waarschijnlijkheid naar de politierechter moet.

Y heeft een langdurige carrière in de politiek, zijn integriteit is altijd boven iedere twijfel verheven geweest. De schade die hij opdoet, zowel als de taakstraf bekend wordt, als wanneer er een zitting bij de politierechter plaatsvindt, is groot. Om die reden meen ik dat hij er tenminste recht op heeft het standpunt van het Parket te vernemen voorafgaande aan een zitting.

Ik zou het betreuren indien het standpunt van het Parket eerst ten overstaan van de politierechter voor de heer Y kenbaar wordt.

Teneinde de publicitaire schade voor Y, zijn echtgenote en zijn kinderen te voorkomen wend ik mij tot u met het herhaald verzoek om de zaak te heroverwegen, en tenminste voorafgaande aan de zitting een toelichting te geven op het standpunt van het Parket. Zulks met name aan de hand van de vragen die u vindt in mijn brief van 25 januari jl. aan mr. M., en welke vragen vrijwel geheel onbeantwoord zijn gebleven.

Indien de zaak eindigt in een vrijspraak zal hij deze schade ongetwijfeld wensen te verhalen. Alleen al uit een oogpunt van schadebeperking lijkt het mij gewenst dat een heroverweging al dan niet voorzien van een toelichting plaatsvindt.

Ten overvloede: artikel 63 van de Algemene Ouderdomswet spreekt over 'opzettelijk', en daar zal dus bewijs voor voorhanden moeten zijn. Uit het dossier valt dat niet af te leiden, en zonder nadere toelichting kan ik niet anders concluderen dan tot een vrijspraak in geval de zaak bij de politierechter wordt behandeld."

10.1. Namens de hoofdofficier werd aan verzoekers raadsman bij brief van 25 maart 2002 onder kenmerk KL. 906 medegedeeld dat de brief van 14 maart 2002 op het parket was ontvangen, dat deze brief in behandeling was genomen en dat daarop zo spoedig mogelijk een antwoord zou komen.

10.2. Officier van justitie M. schreef over de brief van 14 maart 2002 het volgende aan verzoekers raadsman:

"Uw brief van 14 maart jl. heeft mij via de administratie van het parket te Zwolle bereikt. Het is mij bekend dat de zaak in behandeling is bij de Hoofdofficier van justitie, die vanzelfsprekend door mij wordt geïnformeerd en uw vragen verder zal beantwoorden."

10.3. De fungerend hoofdofficier schreef op 26 april 2002 een brief onder kenmerk KL.906 aan verzoekers raadsman, waarin hij meedeelde dat hij nog niet inhoudelijk kon reageren op de brief van 14 maart 2002, omdat nadere interne informatie hem nog ontbrak. Zodra deze informatie er zou zijn, zou hij een nader bericht uitsturen.

11.1. Bij brief van 30 mei 2002 met kenmerk JP/co deelde de hoofdofficier onder meer het volgende mee aan verzoekers raadsman:

Hiermee reageer ik op uw brief van 14 maart jl., waarvan de ontvangst is bevestigd door mevrouw M. op 10 april 2002, in bovenvermelde zaak.

Naar aanleiding van uw brief (brieven) heb ik mij door mevrouw M. op de hoogte laten stellen van de gang van zaken en haar visie op de zaak. Daaruit is mij duidelijk geworden dat mevrouw M. persisteert in haar opvatting dat zij uw cliënt adequaat heeft geïnformeerd met betrekking tot de consequenties van de voorgestelde afdoening.

Ik acht de stellingname van mevrouw M. omtrent de vervolgbaarheid in deze zaak verdedigbaar.

Mede gelet op het feit dat uw cliënt bij nader inzien het aanbod tot het verrichten van een taakstraf heeft afgeslagen, zal hij op korte termijn worden gedagvaard, zodat de rechter zich over de zaak kan uitlaten.

Aan uw verzoek een concept-dagvaarding te mogen ontvangen, geef ik hierbij gehoor."

11.2. Bij de brief van de hoofdofficier van 30 mei 2002 werd als bijlage een conceptdagvaarding meegezonden. In deze dagvaarding was een tenlastelegging vervat terzake overtreding van artikel 63 Aow en artikel 227b Wetboek van Strafrecht.

12. Op 19 juni 2002 schreef de raadsman het volgende commentaar op de brief van 30 mei 2002 van de hoofdofficier:

"Wat Y en mij dwars zit is in eerste instantie dat het parket op geen enkele wijze uitgelegd heeft waarom er sprake zou zijn van een strafbaar feit. De door mij opgestelde vragen zijn tot op heden niet beantwoord.

Dat laat de mogelijkheid open dat het dossier op het parket geheel ongelezen is gebleven.

Uit de correspondentie blijkt namelijk niet van het tegendeel. Wel is Y een taakstraf aangeboden, maar dat ging uit van de presumtie van zijn schuld.

De brief van mr. M. is dan ook wat betreft Y en zijn gespreksgenoot apert onjuist waar het gaat om de volgende zinsnede:

'Dit geldt temeer nu ik uw cliënt persoonlijk uitvoerig heb geïnformeerd en nog de gelegenheid heb geboden voor ruggespraak.'

Y is op geen enkele wijze geïnformeerd over aard en omvang van de strafzaak en de reden waarom daarin vervolgd werd.

Teneinde duidelijkheid te krijgen heb ik een gesprek voorgesteld, en een aantal vragen gesteld.

Deze vragen zijn tot op heden nog steeds niet beantwoord.

Uit uw brief maak ik op dat het u duidelijk is geworden dat M. persisteert in haar opvatting dat zij mijn cliënt adequaat heeft geïnformeerd met betrekking tot de consequenties van de voorgestelde afdoening.

Dat was echter niet de inzet van de discussies.

Inzet was het absolute fatsoensminimum, namelijk een korte inhoudelijke toelichting waarom gedagvaard zou moeten worden en waarom het Parket meent dat er sprake is van een strafbaar feit.

Dit laatste klemt temeer omdat cliënt in een publicitair buitengewoon kwetsbare positie zit. In mijn brief aan u formuleer ik dat als volgt:

'Ik zou het betreuren indien het standpunt van het Parket eerst ten overstaan van de Politierechter voor de heer Y kenbaar wordt.'

Op mijn nadrukkelijke verzoek reageert u niet, hetgeen bij Y en mij opnieuw een gevoel van onbehagen geeft.

U hebt niet zelf naar de zaak gekeken, maar kennelijk aan een officier gevraagd of zij het goed gedaan heeft. Deze heeft daarop bevestigend geantwoord, en dat was voor u voldoende.

Het Parket is gebonden aan fatsoens- en zorgvuldigheidsnormen. Nu deze ten opzichte van Y kennelijk niet in acht genomen zijn, althans hij geen enkele indicatie heeft dat dit gebeurd is, en hij evenmin enige aanleiding heeft om te vermoeden dat er überhaupt over zijn dossier is nagedacht, ontstaat een voor hem ongemakkelijke situatie.

Er zijn uiteraard nog modaliteiten om het probleem op te lossen.

Allereerst is er natuurlijk de mogelijkheid dat het Parket alsnog een toelichting geeft op de genomen beslissing aan de hand van de door mij gestelde vragen.

Een andere, en misschien praktische modaliteit, is dat een second opinion wordt gevraagd aan het OM, niet zijnde Parket Zwolle. Te denken valt zowel aan aanpalend Parket als aan het College van procureurs-generaal. Dat laatste verdient misschien aanbeveling waar het recht doet aan de maatschappelijke positie en de in het geding zijnde belangen.

Ik stel het op prijs alsnog een standpunt van u te vernemen, mocht dat opnieuw negatief zijn dan zal ik met cliënt overleggen over de dan ontstane situatie.

Ik stel het op prijs dat er tot die tijd nog niet wordt gedagvaard. Mocht dat wel geschieden dan stel ik het op prijs zo spoedig mogelijk een kopie van de dagvaarding te ontvangen."

13. Op 27 juni 2002 formuleerde de hoofdofficier de volgende reactie op het commentaar van verzoekers raadsman:

"Hiermee reageer ik op uw brief van 19 juni jl. in bovenvermelde zaak.

U schrijft dat het u en uw cliënt dwars zit dat vanwege mijn parket op geen enkele wijze is uitgelegd waarom sprake zou zijn van een strafbaar feit.

Het strafdossier, waarvan u schrijft dat u het in uw bezit hebt, is door mij persoonlijk bestudeerd, en geeft naar mijn mening voldoende antwoord op uw vraag (vragen). Het antwoord op uw vraag (vragen) kunt u, kort samengevat, ook vinden in de concept-dagvaarding die ik u toezond. Ook in de brief van mr. M. van 1 maart 2002 wordt, zij het sober, aangegeven welk strafbare feit uw cliënt wordt verweten.

De lezing die uw cliënt en zijn financieel raadsman mr. E. van het gesprek op 24 januari jl. geven wijkt af van die welke is opgetekend door de officier mr. M. De officier voert vaker gesprekken als deze en daarover zijn bij mij geen klachten bekend. Mr. M. deelt mij mee dat zij op meerdere manieren heel duidelijk heeft uitgelegd waar het strafrechtelijke probleem zit. Onder meer heeft zij aangegeven dat op de heer Y een verplichting rust om informatie die van belang is voor de hoogte van de uitkering zelf te melden zonder dat daar eerst om gevraagd wordt. Verder dat er geen maandelijkse formulieren bij langlopende uitkeringen als AOW worden verstrekt en dat hem wordt verweten dat hij de inkomsten van zijn echtgenote niet uit zichzelf heeft gemeld. De heer Y gaf aan de voorlichtingsfolders nooit te lezen maar altijd meteen weg te gooien en zo niet of niet voldoende op de hoogte te zijn van de regelgeving rondom de AOW. Mr. M. heeft hem daarop uitgelegd dat dat zijn risico is en dat de voorlichtingsfolders zo zijn opgemaakt dat ze voor een gemiddelde Nederlander begrijpelijk zijn en als mensen toch nog vragen hebben dat ze zich tot de uitkeringsinstantie kunnen wenden. Met de aanvankelijke scepsis ten opzichte van het taakstrafaanbod en de, na overleg met zowel zijn financiële als zijn juridische raadsman, uiteindelijke acceptatie ervan gaf uw cliënt wel de indruk te hebben begrepen waarom het ging.

Gelet op het bovenvermelde ben ik van mening dat in onderhavige zaak geen fatsoens- en of zorgvuldigheidsnormen zijn geschonden.

Gelet voorts op de betrekkelijke eenvoud van de zaak en de omstandigheid dat de zaak op mijn parket door inmiddels twee officieren van justitie, een parketsecretaris en een stafjurist inhoudelijk is beoordeeld ben ik van mening dat het vragen van een second-opinion niet nodig en ook niet verantwoord is.

Overigens heb ik wel begrip voor de publicitair gevoelige positie van uw cliënt. Het is in dat kader te betreuren dat hij het aanbod om de zaak af te doen met een taakstraf bij nader inzien heeft afgeslagen.

Ik ben van mening dat ik thans voldoende aandacht aan deze zaak heb gegeven. Eventuele volgende brieven van gelijke inhoud of strekking zal ik voor kennisgeving aannemen en in het strafdossier laten voegen opdat de rechter daarmee rekening kan houden.

Ik verneem dat de zaak op 16 augustus a.s. om 12.00 uur op een zitting is geplaatst. Aan uw verzoek om een kopie van de dagvaarding zal ik later voldoen."

B. Standpunt verzoeker

1. Het standpunt van verzoeker staat weergegeven onder Klacht.

2. Bij brief van 22 augustus 2002 deelde verzoekers raadsman de Nationale ombudsman onder meer het volgende mee:

"Y heeft jongstleden vrijdag terechtgestaan bij de Politierechter te Lelystad.

(…)

De zitting heeft 2 uur in beslag genomen, er zijn m.i. geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Het ging om een uitwerking van de standpunten in het dossier.

De OvJ eiste vrijspraak voor de misdrijven, en veroordeling voor de overtredingen, 30 uur taakstraf of 15 dagen.

De Politierechter achtte slechts een deel van de periode bewezen, meende dat het AVAS-verweer geen stand hield en legde een boete op van € 1.000.

Y beraadt zich nog over een appèl.

Ten overvloede, en niet direct van belang voor de bij u lopende klachtprocedure, het Parket heeft Y opgeroepen voor een taakstraf, terzake van een misdrijf, na de correspondentie daarover strak volgehouden dat er sprake was van een misdrijf, en zonder enig novum vervolgens ter zitting vrijspraak gevraagd voor het misdrijf. Het versterkt de bij Y en mij levende gedachte dat er tot de zitting niemand serieus naar het dossier gekeken heeft.

De OvJ heeft zich ter zitting overigens buitengewoon correct opgesteld. Hij had geen eerdere bemoeienis gehad met deze zaak."

C. Standpunt Minister van Justitie

Bij brief van 8 januari 2003 deelde de secretaris-generaal namens de minister van Justitie onder meer het volgende mee op de bij de Nationale ombudsman ingediende klacht:

"De heer Y klaagt over de wijze waarop het arrondissementsparket te Zwolle heeft gereageerd op de brieven van zijn gemachtigde van 25 februari 2002, 14 maart 2002 en 19 juni 2002. (…)

(…)

De heer Y klaagt erover dat het openbaar ministerie te Zwolle niet is ingegaan op het verzoek van de heer P. om een gesprek op het parket.

Gelet op de aandacht die al naar deze zaak was uitgegaan en de (uitgebreide) informatieverstrekking aan de heer Y en zijn financieel raadsman en (indirect) aan zijn toenmalige juridische raadsman tijdens de taakstrafzitting leek het niet verantwoord nóg meer tijd in de zaak te steken, mede gelet op de omstandigheid dat de heer Y nu over de bijstand van een juridische raadsman kon beschikken, die op zijn beurt in het bezit was van het strafdossier, welk strafdossier voor de verdediging in beginsel voldoende informatie bevatte. Anders gezegd: deze vragen van de heer P. kwamen over als vragen naar de bekende weg. Op al deze vragen kon eenvoudig een antwoord worden gevonden in het strafdossier. De berekening van het nadeel is bijvoorbeeld tot in detail in het proces-verbaal te vinden (...). De klacht dat niet is ingegaan op het verzoek van de heer P. om een gesprek acht het College derhalve niet gegrond. Ik deel dit oordeel van het College.

Met betrekking tot de verdenking van de opzet het volgende. Uit het strafdossier blijkt dat de heer Y op 23 maart 1996 schriftelijk aan heeft gegeven dat zijn echtgenote geen inkomsten genoot. In 1997 en 1998 bleek zijn echtgenote echter wèl inkomen te hebben genoten. Ondanks de mededelingsplicht is van de heer Y noch van zijn echtgenote iets omtrent deze inkomsten vernomen, zodat een redelijk vermoeden kon rijzen van schuld aan een strafbaar feit, en wel aan de opzetvariant van artikel 63 van de AOW en/of artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor de heer Y was dit wellicht, als niet juridisch geschoolde, nog niet onmiddellijk uit het dossier af te leiden, hoewel tijdens de taakstrafzitting daaromtrent voldoende uitleg is gegeven. Voor de heer P. zou dit evenwel op eenvoudige wijze uit het strafdossier moeten kunnen worden afgeleid, zodat zijn (aanhoudende) vragen hieromtrent minstens enige verbazing wekten en nog steeds wekken. Kan ik het nog enigszins tot de taak van het Openbaar Ministerie rekenen niet juridisch-geschoolde justitiabelen wegwijs te maken in de strafrechtelijke procedure, hoewel verwijzing naar een juridisch raadsman in die gevallen meer op zijn plaats is, het wegwijs maken van een advocaat die zelf de weg zou moeten weten reken ik daar niet toe, ook al niet vanwege de beperkte personele capaciteit van het Openbaar Ministerie.

Dat de heer P. eerst op 30 mei 2002 is bericht vindt er mede zijn oorzaak in dat de (aard van de) vragen die hij stelde op zichzelf niet aandrongen tot de hoogste prioriteit. Er was immers met het verstrekken van het strafdossier al antwoord op gegeven. De heer P. is tussentijds telkens correct op de hoogte gesteld van enig uitstel in de beantwoording.

Niettemin behoort het tot het streven van het Openbaar Ministerie een ieder zo snel als mogelijk te antwoorden. Dat dat in dit geval niet is gelukt vindt mede zijn oorzaak in de omstandigheid dat tussen de vestigingen Lelystad en Zwolle enige frictie is ontstaan in de dossierbeweging. Toen op verzoek van de heer P. de hoofdofficier van justitie persoonlijk in de zaak werd betrokken, was eerst in Lelystad het dossier nodig voor het schrijven van een ambtsbericht door mevrouw M., en later in Zwolle voor een reactie in de richting van de heer P. Tevens hebben vakanties van in deze zaak cruciale medewerkers voor enige vertraging gezorgd. Het College van procureurs-generaal is van mening dat hoewel de beantwoording aan de late kant was, de klacht op dit punt, mede gelet op de aan de heer P. gezonden tussenberichten, niet gegrond is. Ik deel dit oordeel van het College.

U verzoekt in de reactie te betrekken dat het openbaar ministerie in de oproeping voor de officierszitting als strafbaar feit de opzettelijke verzwijging had vermeld, terwijl in de dagvaarding als subsidiair feit tevens de schuldvariant van de verzwijging werd betrokken, en voorts dat door de officier van justitie ter zitting voor de opzettelijke verzwijging vrijspraak werd gevorderd.

Het betreft hier een geval van voortschrijdend inzicht. Dit inzicht is mede ontstaan door de voorafgaande correspondentie over de te bewijzen opzet. Dat het inzicht ook ter zitting voortschreed, blijkt ook uit de omstandigheid dat, waar nog primair gedagvaard werd voor de opzetvariant, dit ter zitting tot een vordering tot vrijspraak leidde. Een veroordeling is gevraagd voor de schuldvariant, hetgeen de rechter ook heeft gevolgd.

Omdat het de plicht is van een officier van justitie om bij het formuleren van zijn eis, naast hetgeen zich in het strafdossier bevindt, ook rekening te houden met hetgeen ter terechtzitting naar voren wordt gebracht, meen ik dat het optreden van de officier blijk geeft van een juiste opvatting van zijn rol ter zitting. Ook op dit punt acht ik de klacht van Y niet gegrond.

Samenvattend acht ik de klachten van Y ongegrond."

D. Reactie verzoeker

Verzoekers raadsman reageerde onder meer als volgt op het standpunt van de minister:

"Hierbij een aantal opmerkingen over de reactie van het College van P-G's.

1. De hoofdofficier V. meldt in zijn brief van 27 juni 2002 dat naar het dossier van Y is gekeken door 2 officieren van justitie, een parketsecretaris en een stafjurist. Deze vonden allen dat er sprake was van een misdrijf, namelijk een opzetdelict.

Tijdens de zitting stelt de zittingsofficier zich op het standpunt dat sprake is van een schulddelict, en dus een overtreding.

Dat is een voor Y belangrijk verschil, en zijn standpunt is steeds geweest dat er geen sprake was van opzet.

Er kan nauwelijks sprake zijn van voortschrijdend inzicht, omdat op de zitting niets nieuws gebleken is. Dat betekent dat of een viertal sufferds naar de zaak heeft gekeken, of dat de mededeling van de Hoofdofficier feitelijk onjuist is.

Dat klemt omdat het Parket hardnekkig weigert uit te leggen waar het opzet vandaan zou komen. Dat kon ook moeilijk, omdat het er niet was.

Ten overvloede: indien Y was gedagvaard voor de overtreding had hij daar uiteraard vrede mee gehad.

2. In het informatieblad van de SVB is gemeld dat uit onderzoek is gebleken dat de meeste lezers het informatieblad weggooien omdat ze geen verband kunnen leggen tussen de naam 'Inzicht' en de inhoud van het blad. Daarom werd de naam gewijzigd in 'uw AOW'.

Een omstandigheid die bij de beoordeling van belang is. Het Parket Zwolle heeft een wat buitenmaatschappelijke opvatting over het verzonden bedrukt papier.

3. Y en zijn echtgenote hebben een aantal jaren in Mali gewoond. Zij ontvingen daar kinderbijslag. De kinderbijslagwetgeving is gekoppeld aan de AOW-wetgeving, Y hoorde dit overigens pas op de hoorzitting op 18 december 2002 in deze zaak. Zijn echtgenote en hij hebben verbleven in Mali van 1978 tot en met 1981. Ook over die periode was er een AOW-recht, hetgeen zij niet wisten. Zij hebben in die periode deze uitkering dan ook niet ontvangen. Het illustreert nog eens hoezeer Y niet uit is op gericht eigen belang, en dat hem hooguit verweten kan worden dat hij zich onvoldoende in de papierwinkel heeft verdiept.

Ten overvloede, de SVB heeft de gewoonte om de dossiers te schonen, waardoor er op voorgaande jaren geen danwel een gebrekkige controle heerst.

4. De S-G verwijst in zijn brief van 8 januari 2003 naar bijlage 17 van het p-v en naar bladzijde 12 in het p-v met de opmerking dat daar een berekening van het nadeel is te vinden. Dat is niet juist. In de tabel op bijlage 17 (en het totaal wordt dan geciteerd op bladzijde 12) zijn kolommen van cijfers gegeven waarvan niet is vermeld hoe die zijn berekend. Het zijn de uitkomsten van een berekening die is uitgevoerd bij de SVB en waarvan nota bene een ambtenaar van de SVB aan Y heeft uitgelegd dat cliënten van de SVB die niet na kunnen rekenen omdat er, naast andere uitgangspunten, ook gebruik wordt gemaakt van een indexcoëfficiënt die niet bekend gemaakt wordt. Het lijkt daarom wel exact, maar de gegeven cijferreeksen zijn niet controleerbaar omdat de gebruikte methodiek niet onthuld wordt. Bovendien worden op sommige aangegeven data bedragen genoemd terwijl er op die data andere bedragen ontvangen zijn en bedragen ontvangen die in deze tabel niet voorkomen.

De S-G blijft dus Oost-Indisch doof voor het nog steeds bij Y levende probleem dat hij niet weet om welke bedragen het gaat. Ook de zittingsofficier kon dat uiteraard niet uitleggen.

Het Kafka-achtige aspect blijft dankzij onkunde bij het Parket en bij de S-G in stand.

5. De S-G vermeldt nog dat de beantwoording van de correspondentie te traag is geweest door frictie in de dossierbewegingen tussen de vestigingen Lelystad en Zwolle.

Dit is een aardige vorm van new speak die er in gewoon Nederlands op neerkomt dat het een zooitje is zonder een behoorlijke planning en controle. Dat kan natuurlijk nooit een rechtvaardiging zijn voor de trage postbehandeling en het niet lezen van dossiers.

Essentieel is echter geweest, zoals ik hierboven al vermeldde, dat er geen sprake is geweest van voortschrijdend inzicht, maar van de hardnekkige weigering om de vragen over het opzet te beantwoorden. Ware dat eerder gebeurd, dan had vast iemand in Zwolle ontdekt dat er, zeker gelet op de persoon van Y, geen sprake was van opzet."

E. Reactie Minister van Justitie

De reactie van verzoekers raadsman werd door de substituut-ombudsman voorgelegd aan de minister van Justitie. De substituut-ombudsman vroeg daarbij tevens om de aantekeningen van de officier van justitie en/of de parketsecretaris met betrekking tot de officierszitting van 24 januari 2002.

Bij brief van 4 juni 2003 werd daarop namens de minister van Justitie het volgende meegedeeld:

"In reactie op de brief d.d. 11 februari 2003 van verzoeker:

Voor de goede orde wijs ik erop dat in de eerste regel van de brief van de gemachtigde van verzoeker aan mijn brief ten onrechte wordt gerefereerd aan mijn brief van 8 januari 2003 als 'de reactie van het College van procureurs-generaal'.

Op basis van inlichtingen van de hoofdofficier van justitie te Zwolle merk ik in reactie op hetgeen onder punt 1. naar voren wordt gebracht, het volgende op.

De opzet is in deze zaak afgeleid uit de omstandigheid dat Y, ondanks een op hem rustende mededelingsplicht, van welke plicht hij ook op de hoogte is gesteld, aan deze plicht geen gevolg heeft gegeven.

Aan de officier die ter zitting optrad is gevraagd waarom hij uiteindelijk voor de opzetvariant vrijspraak heeft gevorderd. Van hem is begrepen dat, voor zover hij zich kan herinneren, hij ter zitting niet voldoende de overtuiging bekwam dat Y opzettelijk geen mededeling had gedaan van door zijn echtgenote genoten inkomsten. Dat kwam deels door de proceshouding van de heer Y, en deels op basis van de processtukken.

In reactie op het gestelde onder punt 4. merk ik het volgende op.

Ik ben van mening dat er voor Y voldoende gelegenheid is geweest de berekening van het nadeel in rechte te bestrijden. Nu de uitspraak van de rechter, als gevolg van het uitblijven van appel aan de zijde van zowel het openbaar ministerie als Y, onherroepelijk is, heeft hij zijn recht terzake verwerkt, zij het dat formeel de weg van herziening nog openstaat.

Voor het overige geeft de brief van de gemachtigde van Y mij geen aanleiding voor een nadere reactie.

In reactie op uw vraag naar aantekeningen van de officierszitting van 24 januari 2002:

Van de officierszitting van 24 januari 2002 zijn geen aantekeningen gemaakt."

F. Inlichtingen arrondissementsparket Zwolle-Lelystad

1. Bij fax van 23 mei 2003 heeft een medewerker van het arrondissementsparket Zwolle-Lelystad desgevraagd aan een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman de oproeping van verzoeker voor de officierszitting doen toekomen. In deze oproeping staat onder meer het volgende vermeld:

" OPROEPING VERDACHTE

(…)

De regiopolitie Flevoland, district Soc. Verz. Bank vestiging Deventer heeft tegen u een procesverbaal opgemaakt, waaruit blijkt dat u zich heeft schuldig gemaakt aan:

Opz. valse opgave doen dan wel i.s.m. bedoelde gehoudenheid iets verzwijgen

(AOW 63)

op 2 oktober 1997 tot en met 31 december 2000 te Lelystad.

In plaats van deze zaak bij de politierechter aan te brengen ben ik voornemens u een transactie aan te bieden.

Deze transactie houdt in dat u zich aan één of meer voorwaarden zult moeten houden. De voorwaarden kunnen onder meer inhouden het verrichten van een aantal uren werkstraf en/of het volgen van een leerstraf. Het kan zijn dat de reclassering contact met u opneemt voor het maken van een voorlichtingsrapport.

Ik zal deze voorwaarden in een persoonlijk gesprek met u bespreken.

Als u zich aan de voorwaarden houdt, zal ik u voor deze zaak niet vervolgen.

Ik roep u in verband hiermee op om te verschijnen op:

24 januari 2002 te 09.00 uur

te Lelystad, (…).

U dient een geldig legitimatiebewijs, alsmede deze oproeping mee te brengen.

Voor het verkrijgen van informatie over eventuele rechtsbijstand verwijs ik u naar het Buro voor Rechtshulp te Lelystad (…)

Indien u niet verschijnt zal ik u dagvaarden voor de politierechter.

Lelystad, 07 januari 2002

Hoogachtend,

officier van justitie,

Be."

2. Een medewerker van het arrondissementsparket te Zwolle deelde op 27 juni 2003 desgevraagd telefonisch aan een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman mee dat verzoeker was veroordeeld wegens overtreding van artikel 62 Aow voor de periode van 23 augustus 1999 tot en met 30 juni 2000 en artikel 49 Aow voor de periode van 1 juli 2000 tot en met 14 juli 2000 tot een geldboete van € 1000, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Achtergrond

I De Aanwijzing Taakstraffen van het College van procureurs-generaal

Deze aanwijzing hangt samen met de Wet van 7 september 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvorderering en enige andere wetten omtrent de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte (taakstraffen).

In de aanwijzing staat onder meer het volgende vermeld:

"Achtergrond:

Op 1 februari 2001 zal de Wet Taakstraffen in werking treden. Met het in werking treden van de wet zal de hoofdstraf 'het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte' (ATAN) worden vervangen door de taakstraf. De taakstraf onderscheidt zich van ATAN doordat zij niet uitsluitend bedoeld is als vervanging van korte gevangenisstraffen, maar een zelfstandige positie zal innemen tussen de geldboete en de gevangenisstraf. De positieve ervaringen opgedaan met leerstraffen en combinaties van werk- en leerstraffen hebben er voorts toe geleid dat de leerstraf voor volwassenen in deze wet is opgenomen en een taakstraf behalve uit een werkstraf ook uit een leerstraf of een combinatie van beide zal kunnen bestaan. Een derde belangrijke wijziging ten opzichte van ATAN is de introductie van de taakstraf als transactie. Behalve als zelfstandige hoofdstraf zal een taakstraf kunnen worden gecombineerd met een geldboete en/of een vrijheidsstraf voor zover het onvoorwaardelijk deel daarvan de zes maanden niet overstijgt. (…)

5. Officiers-zittingen model bij het aanbieden van taaktransacties

Aan het aanbieden van een taakstraf transactie zal een persoonlijk onderhoud met een officier van justitie vooraf dienen te gaan. Met het zogenaamde officiers-zittingen model zijn goede ervaringen opgedaan in het jeugdstrafrecht en bij het experiment in Amsterdam met sociale zekerheidsfraude. Eerst na verloop van tijd zal aan de hand van de ervaringen worden bezien of zich ook zaken lenen voor een schriftelijke afdoening. Tevens zal na verloop van tijd bekeken worden of en zo ja in hoeverre het mogelijk is de zittingen door ervaren parketsecretarissen te laten verrichten.

De hoofdofficier draagt zorg voor een arrondissementaal overleg met alle betrokken partijen waarin de procedure wordt vastgelegd die bij het aanbieden van taakstraf transacties zal worden gevolgd.

Daarbij dient aandacht te worden besteed aan:

het in een zo vroeg mogelijk stadium -bij voorkeur als de verdachte zich nog op het politiebureau bevindt- beoordelen of hij of zij mogelijk in aanmerking komt voor een taakstraf transactie;

rol van de reclassering;

de positie van het slachtoffer.

In een uitnodiging voor een officierszitting dient te worden aangegeven, dat indien blijkt van contra-indicaties tegen een taakstraf alsnog een dagvaarding kan volgen. Verder dient een verdachte in de uitnodiging er op te worden gewezen, dat hij zich kan laten bijstaan door een raadsman."

II Algemene ouderdomswet

Artikel 62:

"Hij die niet voldoet aan een der verplichtingen, bedoeld in artikel 49, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie."

Artikel 63:

"Hij die op grond van bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."

Bovengenoemde artikel zijn met terugwerkende kracht per 1 januari 2001 vervallen door inwerkingtreding van de Wet van 26 april 2001 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet inzake de vrijwillige verzekering en wijziging van artikel X van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW).

Artikel 49:

"De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waarin ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale Verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat wordt uitbetaald."

III Wetboek van strafrecht

Artikel 227b:

"Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie."

IV Algemene wet bestuursrecht

Artikel 9:11:

"1. Het bestuursorgaan handelt de klacht af binnen zes weken of - indien afdeling 9.3 van toepassing is - binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift.

2. Het bestuursorgaan kan de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft."

Instantie: Arrondissementsparket te Zwolle

Klacht:

Wijze van reactie op drie brieven van gemachtigde van verzoeker: niet ingegaan op verzoek om een gesprek op het parket en aantal gestelde vragen niet beantwoord.

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Arrondissementsparket te Zwolle

Klacht:

Vraag om toelichting te geven op het in het proces-verbaal berekende nadeel niet beantwoord en gehanteerde antwoordtermijn voor brief van 14 maart 2002 te lang .

Oordeel:

Gegrond