2001/166

Rapport

Verzoeker - die op 25 juni 1999 bij het regionale politiekorps Kennemerland aangifte heeft gedaan terzake van smaadschrift en belediging - klaagt over de wijze waarop hij is behandeld door het arrondissementsparket Haarlem.

Verzoeker klaagt er met name over dat het arrondissementsparket:

- de brief van 3 februari 2000, waarin verzoeker wordt meegedeeld dat de verdachte heeft voldaan aan een transactie, onvoldoende met redenen heeft omkleed. Zo wordt verzoeker niet geïnformeerd over de beweegredenen om de verdachte een transactie aan te bieden in plaats van hem direct te vervolgen;

- hem voorafgaand aan de beslissing om de verdachte niet te vervolgen niet heeft uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek;

- zijn gemachtigde geen afschrift heeft gestuurd van de brief van 3 februari 2000, terwijl deze gemachtigde zich voor hem had gesteld;

- pas op 6 maart 2000 - na herhaaldelijk rappel - heeft voldaan aan het door zijn gemachtigde bij brief van 9 november 1999 gedane verzoek om hem te informeren over de strafzaak.

Ten slotte klaagt verzoeker erover dat de hoofdofficier van justitie niet heeft gereageerd op de klachtbrief van 10 februari 2000.

Beoordeling

I. Ten aanzien van de niet met voldoende redenen omklede brief van 3 februari 2000.

1. Op 25 juni 1999 deed verzoeker op het politiebureau te B. aangifte van smaad(schrift) c.q. belediging, nadat enkele leerlingen van de school te B. waar hij werkzaam is als leraar een beledigend pamflet hadden verspreid met daarop een foto van het gezicht van verzoeker. Op het moment dat de politie het proces-verbaal naar het arrondissementsparket te Haarlem had verzonden, stelde verzoekers gemachtigde zich - op 9 november 1999 - als raadsvrouwe van verzoeker en verzocht zij het parket om nadere informatie omtrent de strafzaak. Aangezien een reactie uitbleef, zond zij bij brief van 10 december 1999 de hoofdofficier van justitie te Haarlem een rappel.

Op 3 februari 2000 deelde officier van justitie S. te Haarlem verzoeker mee dat de verdachte in de strafzaak aan de transactievoorwaarden (het betalen van een schikkingsbedrag aan het openbaar ministerie) had voldaan. Op 10 februari 2000 beklaagde verzoekers gemachtigde zich bij de hoofdofficier van justitie te Haarlem over de afhandeling van de zaak. Zij beklaagde zich onder meer over het feit dat haar brieven onbeantwoord waren gebleven. Op 6 maart 2000 ontving verzoekers gemachtigde een reactie op haar brief van 9 november 1999. Op 6 april 2000 ontving verzoekers gemachtigde een reactie op haar brief van 10 februari 2000.

2. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat de brief van 3 februari 2000 van officier van justitie S. van het arrondissementsparket Haarlem onvoldoende met redenen is omkleed. Zo werd verzoeker niet geïnformeerd over de beweegredenen om de verdachte een transactie aan te bieden.

3. In de brief van 3 februari 2000 heeft officier van justitie S. verzoeker meegedeeld dat de verdachte in de strafzaak aan een transactievoorstel had voldaan en verzoeker gewezen op de mogelijkheid beklag te doen bij het Gerechtshof ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

4. In haar brief aan de Nationale ombudsman van 23 mei 2000 (zie Bevindingen, onder B.) heeft verzoekers gemachtigde aangegeven dat het openbaar ministerie rekening had moeten houden met de uiterst gevoelige positie waarin hij als docent verkeerde. Al in een vroeg stadium waren politie en justitie op de hoogte van de identiteit van de mededaders en van het feit dat er een grote groep leerlingen betrokken was bij de zaak. Verzoeker ontving echter geen enkele informatie over de stand van het onderzoek. Dit betekende dat verzoeker elke dag voor de klas stond tussen gniffelende leerlingen die meer wisten dan hij. Verzoekers gemachtigde was van mening dat, gezien de aard van de zaak, van de officier van justitie op zijn minst had mogen worden verwacht dat hij verzoeker zijn beslissing of het voornemen tot deze beslissing ten parkette zou hebben uitgelegd en niet de zaak had mogen afdoen met een standaardbriefje.

5. In reactie op dit klachtonderdeel heeft de Minister van Justitie meegedeeld dat de kennisgeving van 3 februari 2000 voldeed aan het gestelde in de Aanwijzing slachtofferzorg die geldt bij de informatievoorziening aan slachtoffers (zie Achtergrond, onder 1.). De Minister was van mening dat, alhoewel het feit op verzoeker een grote impact heeft gehad, de aard en de ernst van het feit niet zodanig waren dat het parket gehouden was het initiatief te nemen tot extra inspanningen teneinde verzoeker meer dan gebruikelijk van informatie te voorzien.

6. Op grond van de Aanwijzing slachtofferzorg heeft het openbaar ministerie onder meer tot taak een slachtoffer correct en waar nodig persoonlijk te bejegenen. De Aanwijzing slachtofferzorg, vastgesteld door het college van procureurs-generaal, geeft aan dat het verschaffen van begrijpelijke en relevante informatie aan slachtoffers een belangrijk element van correcte bejegening is. Volgens het college kan een adequate informatieverschaffing aan het slachtoffer helpen voorkomen dat deze bezwaar aantekent tegen de beslissing van de officier van justitie om niet te vervolgen. Niet zelden lijkt een beklag tegen niet-vervolgen voort te komen uit onbegrip en niet zozeer omdat men per sé vervolging wenst.

7. De officier van justitie heeft met zijn brief van 3 februari 2000 geen adequate informatie verschaft. Uit de berichtgeving in deze brief is niet gebleken wat de officier van justitie ertoe heeft bewogen om de verdachte in de onderhavige strafzaak een transactie aan te bieden. Deze beknopte wijze van informatieverschaffing werkt het tekenen van bezwaar tegen de beslissing in de hand, hetgeen de Aanwijzing slachtofferzorg juist wenst te voorkomen. De brief van 3 februari 2000 voldoet dan ook niet aan het gestelde in de Aanwijzing slachtofferzorg.

8. Mede gezien de gevoeligheid van de zaak en het feit dat tot het moment van de beslissing het door verzoekers gemachtigde gedane verzoek van 9 november 1999 (zie Bevindingen, onder A.7.) om extra informatie over de strafzaak onbeantwoord was gebleven, had het op de weg van de betrokken officier van justitie gelegen om verzoeker bij brief van 3 februari 2000 van extra informatie te voorzien.

9. De Nationale ombudsman acht de brief van 3 februari 2000 dan ook onvoldoende met redenen omkleed. Door verzoeker op deze wijze van informatie te voorzien, heeft de officier van justitie onvoldoende oog gehad voor de belangen van het slachtoffer.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

II. Ten aanzien van het niet-uitnodigen voor een persoonlijk gesprek.

1. Voorts klaagt verzoeker erover dat een officier van justitie van het arrondissementsparket Haarlem hem voorafgaand aan diens beslissing om de verdachte niet verder te vervolgen niet heeft uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek.

2. Verzoekers gemachtigde heeft in haar brief aan de Nationale ombudsman 23 mei 2000 onder meer aangegeven dat zij van mening is dat justitie rekening had moeten houden met de uiterst gevoelige positie waarin verzoeker als docent van de verdachte leerlingen verkeerde (zie hiervoor onder I.4.). Verzoekers gemachtigde benadrukte dat in zedenzaken, waar een docent de verdachte is en het kind het slachtoffer, justitie uitermate slachtoffergericht werkt. Verzoekers gemachtigde was van mening dat de omstandigheid dat de docent het slachtoffer is en het kind de verdachte, niet wegneemt dat verwacht had mogen worden dat de officier van justitie verzoeker zijn beslissing of het voornemen tot die beslissing in een persoonlijk gesprek zou hebben uitgelegd. In haar brief van 10 februari 2000 (zie Bevindingen, onder A.11.) heeft verzoekers gemachtigde aan de betrokken officier van justitie meegedeeld dat het openbaar ministerie in een persoonlijk gesprek had kunnen vernemen welke impact deze kwestie op verzoeker heeft gehad.

3. De Minister van Justitie heeft verzoeker in reactie op de klacht onder meer meegedeeld dat de aard en de ernst van het feit niet zodanig waren dat er aanleiding was de beslissing nader te motiveren, dan wel betrokkene voorafgaand aan de beslissing voor een persoonlijk gesprek uit te nodigen. De Minister heeft er in zijn reactie op gewezen dat, anders dan bij ernstige delicten, het openbaar ministerie niet verplicht is om in een geval als dit het slachtoffer uit te nodigen voor een persoonlijk gesprek om de beslissing toe te lichten. De Minister heeft in zijn reactie ook nog aangegeven dat de klacht zich niet leent voor een vergelijking met de slachtofferinformatie aan minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven. Voor zedendelicten geldt een afzonderlijke aanwijzing (de Aanwijzing bejegening slachtoffers van zedendelicten).

4. Op de klacht is de Aanwijzing slachtofferzorg van toepassing en niet de Aanwijzing bejegening slachtoffers van zedendelicten. De Aanwijzing slachtofferzorg somt enkele uitgangspunten op die gelden als basistaken van de uitvoering van slachtofferzorg (zie Achtergrond, onder 1.). Onder meer geldt als uitgangspunt een correcte en - waar nodig - een persoonlijke bejegening. In de Aanwijzing slachtofferzorg geldt niet als basistaak dat een slachtoffer wordt uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek (tenzij de zaak op zitting komt en het een ernstig delict betreft), zoals dit bij slachtoffers van zedendelicten het geval is.

5. Op grond van de Aanwijzing slachtofferzorg was de betrokken officier van justitie niet verplicht om verzoeker voorafgaand aan de beslissing uit te nodigen voor een persoonlijk gesprek. Noch de aard, noch de ernst van het feit bracht deze verplichting met zich mee. Voorts is niet gebleken dat verzoeker voorafgaand aan de beslissing heeft aangegeven prijs te stellen op een persoonlijk gesprek.

6. Niet kan worden geoordeeld dat de betrokken officier van het arrondissementsparket te Haarlem in dit geval onjuist heeft gehandeld door verzoeker voorafgaand aan de beslissing niet uit te nodigen voor een persoonlijk gesprek.

De onderzochte gedraging is op dit punt dan ook behoorlijk.

III. Ten aanzien van het nalaten een afschrift te sturen van de brief van 3 februari 2000 aan verzoekers gemachtigde.

1. Verder klaagt verzoeker erover dat het arrondissementsparket te Haarlem zijn gemachtigde geen afschrift heeft gestuurd van de brief van 3 februari 2000, terwijl deze gemachtigde zich voor hem had gesteld.

2. Uit de strekking van de brief van 9 november 1999 aan de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket te Haarlem (zie Bevindingen, onder A.7.) kon onder meer worden opgemaakt dat verzoekers gemachtigde zich als raadsvrouwe van verzoeker had gesteld. Bij brief van 10 december 1999 (zie Bevindingen, onder A.8.) heeft verzoekers gemachtigde de hoofdofficier van justitie in herinnering gebracht dat zij zich als raadsvrouwe van verzoeker had gesteld en tot dat moment nog geen bericht had mogen ontvangen.

3. De Minister van Justitie heeft in zijn reactie op dit klachtonderdeel aangegeven dat verzoekers gemachtigde erop had mogen rekenen dat zij van het parket een afschrift zou krijgen van de afdoeningsbeslissing. De Minister acht de klacht, dat verzoekers gemachtigde geen afschrift is gestuurd van de brief van 3 februari 2000, gegrond.

4. Het is in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk dat - indien iemand zich laat bijstaan door een advocaat - met de advocaat wordt gecorrespondeerd, dan wel dat de advocaat afschriften van correspondentie met zijn cliënt ontvangt. Een dergelijke werkwijze is in het bijzonder van belang wanneer het gaat om correspondentie van een overheidsinstantie die een (fatale) termijn bevat voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een in die correspondentie opgenomen (voornemen tot een) beslissing. Verzoekers gemachtigde had, zeker na het rappel van 10 december 1999, een afschrift moeten krijgen van de brief van 3 februari 2000. De Nationale ombudsman acht, met de Minister van Justitie, dit klachtonderdeel gegrond.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

IV. Ten aanzien van het pas op 6 maart 2000 voldoen aan een verzoek van verzoekers gemachtigde van 9 november 2000

1. Verzoeker klaagt er ook over dat het arrondissementsparket te Haarlem pas op 6 maart 2000 - na herhaaldelijk rappel - heeft voldaan aan het door zijn gemachtigde bij brief van 9 november 1999 gedane verzoek om haar te informeren over het verloop van de strafzaak. In deze brief vroeg verzoekers gemachtigde de hoofdofficier van justitie of hij voornemens was de verdachte (verder) te vervolgen, met het oog op een eventueel beklag ex artikel 12 dan wel 12k van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Voorts vroeg zij haar mee te delen - ingeval van toepassing van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) - op welke datum aan de voorwaarden is voldaan. Verder vroeg verzoekers gemachtigde of er nog andere verdachten in de zaak waren en, zo ja, om hun identiteit prijs te geven.

2. De Minister van Justitie heeft in reactie op de klacht aangegeven dat pas nadat bleek dat de verdachte aan de transactie voorwaarden had voldaan en de beslissing van het openbaar ministerie definitief was, het slachtoffer inhoudelijk is geïnformeerd. Deze gang van zaken achtte de Minister behoorlijk. Dat er van de zijde van het parket was verzuimd verzoekers gemachtigde in een tussenbericht te berichten dat er nog geen vervolgingsbeslissing was genomen en dat zij nader bericht zou ontvangen nadat een beslissing in de zaak was genomen, achtte de Minister niet behoorlijk. De klacht was volgens de Minister in zoverre dan ook gegrond.

3. De Nationale ombudsman deelt de mening van de Minister voorzover hij in zijn reactie heeft aangegeven dat hij het inderdaad niet behoorlijk acht dat verzoekers gemachtigde geen behandelingsbericht heeft ontvangen. Brieven waarvan duidelijk is dat die niet binnen drie weken kunnen worden beantwoord, dienen schriftelijk te worden bevestigd, door binnen drie weken na ontvangst een behandelingsbericht te sturen. Dat behandelingsbericht dient de naam en het doorkiesnummer van de behandelend ambtenaar en/of afdeling te bevatten, de reden waarom de brief niet direct kan worden afgehandeld en een indicatie van de afhandelingstermijn dan wel de termijn waarbinnen een volgende stap in de procedure kan worden verwacht. De richtlijnen hierover zijn door de Minister van Justitie vastgelegd in de circulaire van 15 februari 1991 (zie Achtergrond, onder 2.).

4. Ten aanzien van het standpunt van de Minister, dat het een behoorlijke gang van zaken is dat het openbaar ministerie heeft gewacht met het informeren van verzoeker totdat aan de transactievoorwaarde was voldaan, is het volgende van belang.

Artikel 74 lid 3 Sr (zie Achtergrond, onder 3.) bepaalt dat een officier van justitie aan een rechtstreeks belanghebbende die daarom heeft verzocht, onverwijld mededeling doet van de datum waarop aan de voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging is voldaan. Tijdens de parlementaire behandeling naar aanleiding van de herziening van (onder meer) artikel 74 Sr heeft de toenmalige Minister van Justitie gesteld dat hij er niet voor voelde om het tijdstip van mededeling te vervroegen naar het ogenblik waarop het transactieaanbod wordt gedaan (zie Achtergrond, onder 4.). Dat zou tot onzekerheid aanleiding geven over de bij het beklag essentiële vraag of ten aanzien van het strafbare feit inderdaad is getransigeerd. De Minister achtte het evenmin juist om het doen van een dergelijke mededeling zonder meer verplicht te stellen, gelet op het routinematige karakter van de beslissing om een transactie aan te bieden. Daarbij moest volgens de Minister worden bedacht dat in verreweg de meeste gevallen geen rechtstreeks belanghebbenden zijn aan te wijzen.

5. Gelet op de parlementaire geschiedenis acht de Nationale ombudsman het naar geldend recht niet onjuist dat een rechtstreeks belanghebbende niet zonder meer wordt geïnformeerd op het moment dat een transactie wordt aangeboden. De beklagmogelijkheid is immers gewaarborgd. Artikel 12k Sv bepaalt (voor misdrijven) dat het beklag binnen drie maanden, ná de datum waarop aan de voorwaarden is voldaan, moet worden gedaan (zie Achtergrond, onder 5.). Indien echter een belanghebbende, in dit geval de gemachtigde van het slachtoffer, tussentijds actief informeert naar de stand van zaken valt niet in te zien om welke reden het openbaar ministerie niet ook informatie zou kunnen verschaffen over een aangeboden (maar nog niet voldane) transactie. Bij het geven van deze informatie kan een belanghebbende er expliciet op worden gewezen dat van de beklagmogelijkheid van artikel 12k Sv gebruik kan worden gemaakt wanneer aan de transactievoorwaarden is voldaan en dat de officier van justitie ex artikel 74 Sr van dat moment onverwijld mededeling doet. De door de toenmalige Minister veronderstelde onzekerheid (bij het doen van een eerdere mededeling) over de bij het beklag essentiële vraag of het strafbare feit inderdaad is getransigeerd, kan op deze wijze worden weggenomen.

6. Verder valt met het oog op de Aanwijzing slachtofferzorg (zie Achtergrond, onder 1.) niet in te zien waarom het openbaar ministerie niet heeft gereageerd op het verzoek van verzoekers gemachtigde om te worden geïnformeerd of er nog andere verdachten waren in de zaak. Op grond van de Aanwijzing slachtofferzorg dient een slachtoffer zo snel mogelijk duidelijke en relevante informatie te worden verstrekt. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen om binnen redelijke termijn op dit verzoek te reageren (zie Achtergrond, onder 2.).

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

7. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. Naar verwacht toekomstig recht zou de voorgaande beoordeling eenvoudiger zijn geweest. Een bij de Eerste Kamer aanhangig wetsvoorstel (dat de positie versterkt van de rechtstreeks belanghebbende in de beklagprocedure ex artikel 12 Sv) bevat een gewijzigde mededelingsplicht voor de officier van justitie (zie Achtergrond, onder 6.). Deze moet volgens het voorgestelde artikel 74 lid 3 Sr (nieuw) aan de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is, onverwijld schriftelijk mededeling doen van de datum waarop hij de voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging heeft gesteld.

V. Ten aanzien van het niet-reageren door de hoofdofficier van justitie op de klachtbrief van 10 februari 2000

1. Ten slotte klaagt verzoeker erover dat de hoofdofficier van justitie niet heeft gereageerd op de klachtbrief van 10 februari 2000 van zijn gemachtigde (zie Bevindingen, onder A.11.). In deze brief uitte verzoekers gemachtigde kritiek op het uitblijven van antwoorden op eerdere vragen. Voorts heeft verzoekers gemachtigde zich in deze brief beklaagd over de wijze waarop het openbaar ministerie haar en verzoeker heeft bejegend. Verder verzocht zij een antwoord op de vraag waarom verzoeker niet in de gelegenheid was gesteld om klachte te doen tegen de medeverdachten.

2. De Minister van Justitie heeft in reactie op dit klachtonderdeel meegedeeld dat bij brief van 6 april 2000 (zie Bevindingen, onder A.13) door een parketmedewerker namens de officier van justitie een antwoord is gegeven op de brief van 10 februari 2000. De Minister merkte daarbij nog op dat het niet onredelijk was dat de behandelend parketmedewerker zelf de correspondentie heeft gevoerd, aangezien in de brief van 10 februari 2000 van verzoekers gemachtigde niet nadrukkelijk was aangegeven dat beoogd was een klacht omtrent de bejegening door het openbaar ministerie in te dienen dan wel dat om een standpunt van de hoofdofficier van justitie werd verzocht.

3. Verzoekers gemachtigde heeft in reactie op het standpunt van de Minister meegedeeld dat zij de brief van 6 april 2000 inderdaad had ontvangen, maar dat in deze brief niet inhoudelijk werd ingegaan op haar brief van 10 februari 2000 (zie Bevindingen, onder D). Zij was daarom van mening dat haar brief van 10 februari 2000 niet was beantwoord.

4. Het is een vereiste van zorgvuldigheid dat een overheidsinstantie aan haar gerichte (klacht)brieven adequaat verwerkt. Een zorgvuldige (klacht)behandeling brengt onder meer met zich mee dat een inhoudelijke reactie wordt gegeven op hetgeen in de (klacht)brieven wordt gesteld. Vast staat dat er op 6 april 2000 namens officier van justitie Kl. is gereageerd op de klachtbrief van 10 februari 2000. Deze brief kan echter niet worden gezien als een adequate reactie op de klachtbrief van verzoekers gemachtigde. Officier van justitie Kl. reageert slechts op de vraag waarom verzoeker niet in de gelegenheid was gesteld om klachte te doen tegen de medeverdachten. Al het andere werd ter kennisneming in het dossier gevoegd. Het had op de weg van de hoofdofficier van justitie had gelegen om te reageren op de door verzoekers gemachtigde geuite kritiek op het onbeantwoord blijven van eerdere vragen.

5. Voorts is, in tegenstelling tot hetgeen de Minister van Justitie van mening is, de brief van 10 februari 2000 wel degelijk aan te merken als een klacht omtrent de bejegening door het openbaar ministerie. Niet valt in te zien waarom in een dergelijke brief nadrukkelijk zou moeten worden aangegeven dat het om een klacht gaat, zoals gesteld door de Minister. Een inhoudelijke reactie op de in de brief van 10 februari 2000 vervatte klacht had dan ook in de rede gelegen.

6. Door niet inhoudelijk te reageren op de brief van 10 februari 2000 heeft de hoofdofficier van justitie gehandeld in strijd met het vereiste van zorgvuldigheid.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket Haarlem, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is gegrond, behalve ten aanzien het niet-uitnodigen voor een persoonlijk gesprek; op dit punt is de klacht niet gegrond. De klacht over de gedraging van de hoofdofficier van justitie te Haarlem, die eveneens wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is gegrond.

Onderzoek

Op 24 mei 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer W. te Haarlem, ingediend door mevrouw mr. M. te Zoetermeer, met een klacht over een gedraging van het arrondissementsparket Haarlem en over een gedraging van de hoofdofficier van justitie te Haarlem. Naar deze gedragingen, die worden aangemerkt als gedragingen van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker en de Minister van Justitie deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. FEITEN

1. Op 25 juni 1999 hadden leerlingen van een school te B., waar verzoeker als leraar werkzaam is, op de openbare wegen van B. een pamflet verspreid met daarop een foto van het gezicht van verzoeker en daaronder de tekst:

"Ik ben een man van middelbare leeftijd en zoek vervanging voor mijn hond deze is weggelopen hij was 't beu om drie maal daags in zijn hol geneukt te worden.

Zie je het wel zitten om drie maal daags in je hol geneukt te worden meld je dan bij de administratie van het N.V.

p.s. Trio met hond is ook oké."

2. Op 25 juni 1999 deed verzoeker aangifte van smaad(schrift) c.q. belediging bij het regionale politiekorps Kennemerland. In het proces-verbaal van aangifte was onder meer het volgende te lezen:

"Ik heb klachte gedaan van smaad/smaadschrift c.q. belediging dan wel andere strafbaar feiten, waarover ik verder zal verklaren. Ik ben niet voornemens deze klacht in te trekken, contra K. (…)

Vanmorgen vrijdag 25 juni 1999, omstreeks 09.15 uur, werd ik met deze zaak geconfronteerd. Ik werd bij de locatiebeheerder van het college, (…) geroepen. Hij deelde mij mede dat er in ieder geval een persoon, maar mogelijk maximaal drie personen, het zo-even door mij omschreven en aan u overhandigde pamflet hadden verspreid. Het pamflet was verspreid op de openbare wegen, te weten (...) te B.

Op deze wegen waren de pamfletten aangebracht op lichtmasten, bomen.

Op de school waren de pamfletten aangetroffen in postvakken van collega-docenten. Althans dit zijn de plaatsen, die mij bekend zijn geworden.

In opdracht van de locatiebeheerder heeft de conciërge op bovengenoemde wegen een onderzoek ingesteld en daar de door hem aangetroffen pamfletten, die voor een ieder duidelijk zichtbaar op of aan de openbare weg waren aangebracht, verwijderd. Het zou mogelijk al om meer dan vijftig exemplaren gaan. Wat hij met de pamfletten heeft gedaan, weet ik niet.

Uit een intern onderzoek van de schoolleiding, bleek dat een collega van mij, genaamd O., getuige was geweest dat er meerdere pamfletten waren aangebracht door een leerling van de school, genaamd: K. (…)

O. was hiervan getuige toen hij vanmorgen, vrijdag 25 juni 1999, omstreeks 08.30 uur, te voet op weg was naar school. De route die hij volgde, is tevens de route die leerlingen volgen vanaf NS station B. naar school. Iedereen die van het openbaar vervoer gebruik maakt en die onderwijs op onze locatie volgt, kon de pamfletten waarnemen en kennis krijgen van mijn afbeelding en de daarbij behorende tekst.

Ik ervaar dit als zeer vervelend. Vanmorgen op school merkte ik meteen wat er aan de hand was. Leerlingen fluisterden met elkaar en wezen in mijn richting. Ook kwamen er leerlingen op mij toe en vonden deze zaak vervelend. Men maakte nog positieve opmerkingen over mijn persoon en verklaarde het onbegrijpelijk te vinden een dergelijk pamflet te verspreiden en openlijk ten toon te stellen.

Ik begreep van de schoolleiding dat de pamfletten met nieten en plakband waren bevestigd. Het door mij aan u overhandigde exemplaar was met plakband aangebracht op een lichtmast.

Bij mijn komst op het politiebureau, bleek mij al snel dat een van uw collega's ook al in het bezit was van een dergelijk pamflet. Het betreffende exemplaar was volgens uw collega in de nabijheid van het NS Station B. aangetroffen.

De tekst spreekt voor zichzelf. Ik heb er moeite mee. Ik word dagelijks met personen geconfronteerd, die kennis hebben gedragen van het pamflet met mijn afbeelding.

Met de door mij genoemde K. heb ik naar mijn weten geen problemen. Hij heeft afgelopen week een onvoldoende voor zijn Nederlands gehaald. Hij is hiervan nog niet op de hoogte. Acht weken geleden had hij voor een tentamen een onvoldoende en mocht pas na overleg met een collega, conform de afspraken een herkansing hebben. Deze herkansing had hij van de week gekregen. Ik ben blij dat ik zijn tentamen al nagekeken had.

U vraagt mij of het mogelijk is, dat mijn seksuele geaardheid mogelijk aanleiding kon gegeven om dergelijke taal op het pamflet aan te brengen. Dat is niet het geval. De tekst slaat nergens op. Ik voel mij zeer gegriefd door de tekst. Het seks hebben met dieren vind ik walgelijk.

Wat ik van de schoolleiding heb begrepen, is dat de leerling over zijn gedrag onderhouden is en vanmorgen ten overstaan van de (locatiebeheerder; N.o.) heeft bekend. Hij wilde niet vertellen, wie de twee andere personen waren, met wie hij samen was, op het moment dat hij de pamfletten aanbracht. Vervolgens is hij met onmiddellijke ingang geschorst. Zijn ouders konden nog niet bereikt worden, maar deze worden zeker door de schoolleiding in kennis gesteld. De directeur van de schoolleiding is ook in kennis gesteld.

Ik heb met dit feit wel emotionele problemen. Ik hoop dat het overgaat en kan wel slachtofferhulp gebruiken. De twee andere daders zijn vanmorgen veel op school gesignaleerd, maar niet op hun tentamen verschenen. Dit gebeurde zonder dat zij zich daartoe hadden afgemeld. Mocht de identiteit van deze daders bekend worden, dan zal ik indien dat wettig vereist is, ook tegen deze personen klachte doen.

Meer kan ik op dit moment niet verklaren."

3. Op 28 juni 1999 heeft verzoeker schriftelijk klachte gedaan bij de hulpofficier van justitie R.:

"Ondergetekende W., (...) doet hierbij aangifte/klachte van belediging, smaad, danwel smaadschrift of ander strafbaar feit, gepleegd te B. op 25 juni 1999, door K. (...).

Hij heeft al dan niet samen met maximaal twee personen op vrijdag 25 juni 1999 te B., op diverse openbare wegen en op mijn werk, het N.V. (...), pamfletten verspreid met daarop een afbeelding van mijn gelaat. Tevens is onder de afbeelding een tekst aangebracht, die mij zeer vernederd heeft. Een pamflet doe ik u hierbij toekomen.

hetgeen is strafbaar gesteld bij artikel 261, cq. 271 cq 266 allen van het Wetboek van Strafrecht, met het verzoek om vervolging van de dader(s)."

4. Verzoekers gemachtigde deelde het regionale politiekorps Kennemerland bij faxbrief van 6 september 1999 onder meer het volgende mee:

"Onder verwijzing naar ons telefoongesprek van zo-even bevestig ik U dat ik de heer W. bijsta in de onverkwikkelijke kwestie die U onderzoekt. Wij spraken af dat U mij een seintje geeft als het proces-verbaal naar het Parket gaat."

5. Naar aanleiding van de aangifte deelde de districtschef van het regionale politiekorps Kennemerland verzoeker bij brief van 27 oktober 1999 onder meer het volgende mee:

"Mevrouw, Meneer

Naar aanleiding van uw aangifte d.d. 25 juni 1999

terzake artikel en wet: 271 LID 2 SR | Beledigend geschrift

cq

artikel en wet; 271 LID 3 SR | Beledigend geschrift

cq

artikel en wet: 266 LID l SR | Eenv belediging

cq

artikel en wet: 261 LID 2 SR | Smaadschrift deel ik U het volgende mede.

Naar aanleiding van deze aangifte is er door de politie een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek heeft er toe geleid dat dit misdrijf is 'opgehelderd'. Tegen de dader(s) is proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal is onder dossiernummer (…) verzonden naar het parket van de officier van justitie te Haarlem.

Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat (mede) naar aanleiding van uw aangifte een of meerdere daders zijn gehoord. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt dat ter afhandeling is gezonden aan de officier van justitie in het arrondissement Haarlem. Door hem wordt beslist omtrent de afdoening van de zaak. In zijn algemeenheid heeft de officier van justitie de keuze uit een van de volgende mogelijkheden:

- de zaak voor de rechter brengen (het dagvaarden van de verdachte);

- het aanbieden van een transactie (waardoor verdachte voorkomt dat hij voor de rechter moet verschijnen);

- het seponeren van de zaak (er zijn geen redenen om de verdachte te straffen;

voorbeelden hiervan zijn:

het gaat om geringe diefstal, waarbij de verdachte de schade heeft vergoed.;

de dader is geestelijk gestoord; enz.). Op dit moment kan niet gezegd worden welke beslissing de officier van justitie neemt.

Als u bij het doen van aangifte heeft medegedeeld dat u op de hoogte wenst te worden gehouden over het verloop van het onderzoek en/of het strafproces, wordt u hierover schriftelijk geïnformeerd door de officier van justitie. U hoeft dus niet zelf contact op te nemen.

Wij hopen u voldoende te hebben geïnformeerd en laten u tot slot weten dat hiermee 'uw zaak' voor de politie is afgesloten."

6. Aan verzoekers gemachtigde deelde mevrouw Ka. van de regionale politiekorps Kennemerland bij brief van 6 november 1999 onder meer het volgende mee:

"Bij deze laat ik u weten dat het proces-verbaal met bovengenoemd dossiernummer op 8 november 1999, via de administratie zal worden verzonden naar de Officier van Justitie in Haarlem. Over de voortgang van genoemd proces-verbaal zult u zich dan moeten wenden tot genoemde Officier van Justitie onder vermelding van het dossiernummer."

7. Bij brief van 9 november 1999 richtte verzoekers gemachtigde zich tot de hoofdofficier van justitie te Haarlem met het volgende verzoek:

"Betreft: de aangifte van W., leraar verbonden aan het N.V. te B.

Edelachtbare Heer,

Op 25 juni 1999 deed de heer W. klachte/aangifte van smaad/smaadschrift/belediging dan wel enig ander strafbaar feit contra K.

Mevrouw Ka., hoofdagent van politie Kennemerland deelde mij mee dat het proces-verbaal onder mutatienr. (…) en dossiernr. (…) op 8 november jl. naar het parket is verzonden.

Ik verzoek U mij mee te delen of U voornemens bent genoemde K. (verder) te vervolgen, dit met het oog op een eventueel beklag ex artikel 12 Sv dan wel artikel 12k Sv. Ingeval van toepassing van artikel 74 Sr verzoek ik U reeds thans in verband met de termijn ex artikel 12k mij mee te delen op welke datum aan de voorwaarden is voldaan.

Ik verzoek U mij voorts mee te delen of er nog andere verdachten in deze zaak zijn en zo ja hun identiteit prijs te geven.

Tenslotte deel ik U mee dat cliënt zich in de strafzaak wil voegen. Ik ontvang derhalve gaarne tijdig een kopie van de dagvaarding(en)."

8. Bij brief van 10 december 1999 zond verzoekers gemachtigde de hoofdofficier van justitie een rappel met daarin het volgende:

"Hierbij breng ik u in herinnering mijn brief d.d. 9 november jl., waarvan kopie bijgevoegd. In genoemde brief stel ik mij als raadsvrouwe van de heer W., (…)

Tot op heden heb ik nog geen bericht van u mogen ontvangen.

Uw spoedige reactie wordt op prijs gesteld."

9. Bij faxbrief van 24 december 1999 deelde verzoekers gemachtigde het regionale politiekorps Kennemerland het volgende mee:

"Op 25 juni 1999 deed de heer W. verbonden aan het N.V. te B. aangifte wegens smaad/smaadschrift/belediging dan wel enig strafbaar feit contra K.

In uw faxbericht dd. 6 november jl. berichtte u M. dat het terzake opgemaakte proces-verbaal verzonden was naar het parket Haarlem. Bij navraag bij het parket Haarlem (meerdere malen) bleek daar niets ontvangen te zijn. Ik verzoek u vriendelijk mij te melden wanneer het proces-verbaal daadwerkelijk verzonden is, een eventueel geleidelijstnummer, en of het dossiernummer (…) correct is.

Gaarne verzoek ik u mij de officier van justitie op te geven waar het proces-verbaal aan gericht is."

10. Bij brief van 3 februari 2000 deelde officier van justitie S. te Haarlem verzoeker onder meer het volgende mee:

"Hierbij deel ik u mede dat de verdachte in de strafzaak met bovenstaand kenmerk heeft voldaan aan de door mij gestelde voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging (namelijk het betalen van een schikkingsbedrag aan het Openbaar Ministerie).

Binnen 90 dagen na 01 februari 2000 kunt u zich over het feit dat de strafvervolging werd voorkomen, schriftelijk beklagen bij het Gerechtshof te Amsterdam."

11. Op 10 februari 2000 beklaagde verzoekers gemachtigde zich bij de hoofdofficier van justitie te Haarlem. Ze schreef hem onder meer het volgende:

"Op 9 november 1999 zond ik U bijgaande brief (zie Bevindingen, onder A.7.; N.o.) in bovengenoemde zaak.

Na verschillende rappelbrieven en telefoontjes kreeg ik onlangs het proces-verbaal toegezonden.

Gisteren bezocht cliënt mij. Hij overhandigde mij de namens de Officier van Justitie geschreven brief van 3 februari 2000 inhoudende dat de verdachte (ik ga ervan uit dat hiermee K. wordt bedoeld) heeft voldaan aan een door de officier gestelde voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging (namelijk het betalen van een schikkingsbedrag aan het Openbaar Ministerie).

Er is dus kennelijk getransigeerd.

Voorts wordt in de brief informatie gegeven over het instellen van de procedure ex artikel 12 Sv.

In de brief wordt geen informatie gegeven over de afhandeling van de zaak tegen de medeverdachten. (Cliënt is overigens ook niet meer op het politiebureau uitgenodigd om tegen hen "klachte" te doen.)

Ik zal hier niet ingaan op de juistheid van de beslissing van het OM om in deze zaak te transigeren, want daar is de procedure ex artikel 12k Sv voor. Wat ik wel onder Uw aandacht wil brengen is dat cliënt en ik bijzonder teleurgesteld zijn in de wijze waarop het OM ons in deze zaak heeft menen te moeten bejegenen.

Zo liet U de vragen die ik U in mijn brief van 9 november 1999 stelde onbeantwoord en moest ik (althans mijn secretaresse) eindeloos "trekken" om in het bezit te komen van het proces-verbaal.

Wat de bejegening van cliënt zelf betreft is onbegrijpelijk dat U heeft menen te kunnen volstaan met een kennisgeving achteraf in de vorm van Uw (standaard)brief van 3 februari 2000. Gelet op de aard van de zaak had het naar mijn mening op de weg van het OM gelegen cliënt in een persoonlijk gesprek voorafgaand aan de beslissing inzicht te geven in de beweegredenen van het OM om de zaak niet op een zitting te willen brengen. Alsdan had het OM ook kunnen vernemen welk een impact deze kwestie op de betreffende school heeft gehad en hoe cliënt het heeft ervaren om daar op school les te geven zonder te weten wie de mededaders waren. Dan had hij kunnen vertellen hoe het voelde om in de gangen zachte blafgeluidjes te horen als hij een groepje leerlingen was gepasseerd. Etc. etc.

Tenslotte verzoek ik U nog mij mee te delen waarom cliënt niet in de gelegenheid is gesteld om klachte te doen tegen de medeverdachten."

12. Bij brief van 6 maart 2000 ontving verzoekers gemachtigde van officier van justitie Kl. te Haarlem een antwoord op haar brief van 9 november 1999. Dit antwoord luidde als volgt:

"In antwoord op uw schrijven d.d. 9 november 1999 bericht ik u als volgt.

De heer K. is door het OM in de gelegenheid gesteld strafvervolging te voorkomen. Aan hem is een transactie aangeboden, die inmiddels door de heer K. is betaald.

Aan D. (medeverdachte) is tevens een dergelijke transactie aangeboden. Ook de heer D. heeft van de mogelijkheid gebruik gemaakt het aan hem aangeboden transactiebedrag te voldoen.

Door beiden is aan de door hen aangeboden betaling van een transactiebedrag voldaan op 1 februari 2000."

13. Bij brief van 6 april 2000 ontving verzoekers gemachtigde van officier van justitie Kl. te Haarlem een reactie op haar brief van 10 februari 2000. Deze reactie luidde als volgt:

"In antwoord op uw schrijven d.d. 10 februari 2000 bericht ik u als volgt.

Hetgeen door u is verwoord in voornoemde brief zal ter kennisneming in het dossier worden gevoegd.

Uw vraag waarom uw cliënt niet in de gelegenheid is gesteld om klachte te doen tegen de medeverdachten kan ik helaas niet beantwoorden. Zoals u wellicht bekend is moet u zich daartoe wenden tot de politie, aangezien dit de opsporingsfase betreft."

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoeker is samengevat weergegeven onder Klacht, en voorts deels toegelicht in het op 23 mei 2000 door verzoekers gemachtigde bij de Nationale ombudsman ingediende verzoekschrift:

"Namens mijn cliënt, de heer W., (...) dien ik een klacht in tegen de Hoofdofficier van Justitie van het Arrondissementsparket Haarlem (adres: Stationsplein 80, 2011 IM Haarlem) mr. B.

De feiten

Op vrijdag 25 juni 1999 deed cliënt W. klacht van smaad/smaadschrift c.q. belediging tegen K.

K. had een pamflet met daarop de foto van cliënt en daaronder de tekst:

"Ik ben een man van middelbare leeftijd en zoek vervanging voor mijn hond hij was 't beu om 3 maal daags in zijn hol geneukt te worden. Zie je "het wel zitten" om drie maal daags in je hol geneukt te worden meld je dan bij de administratie van het N.V.

P.S. Trio met de hond is ook OKÉ".

in veelvoud aangebracht op lichtmasten, bomen op de openbare weg.

Opgemerkt zij dat cliënt van beroep leraar Nederlands is en werkzaam aan het N.V. te B.. Op school waren de pamfletten ook aangetroffen in de postvakken van collega docenten.

Hij had gehoord dat er meer leerlingen bij deze actie betrokken waren geweest.

In verband met de vakantietijd lag het onderzoek langdurig stil.

Op 6 september 1999 schreef ik verbalisante Ka. van de politie B. dat ik cliënt als advocaat bijstond en bevestigde ik haar dat zij mij een seintje zou geven als het procesverbaal naar het parket zou zijn verzonden.

Bij schrijven van 6 november 1999 deelde mevrouw Ka. mij mee dat het proces-verbaal op 8 november naar het parket zou worden gezonden.

Bij schrijven van 9 november 1999 meldde ik mij als raadsvrouw van cliënt bij de hoofdofficier van justitie te Haarlem. Ik verzocht de hoofdofficier mij mee te delen of hij voornemens was K. (verder) te vervolgen, dit met het oog op een eventueel beklag ex artikel 12 Sv dan wel artikel 12k Sv. Tevens verzocht ik hem mij, in geval van toepassing van artikel 74 Sr, in verband met de termijn ex artikel 12k Sv, mee te delen op welke datum aan de voorwaarden was voldaan.

Voorts verzocht ik de officier mij mee te delen of er nog andere verdachten in de zaak waren en zo ja, om hun identiteit prijs te geven.

Tenslotte deelde ik mee dat cliënt zich in de strafzaak wilde voegen.

Op 10 december 1999 zond ik een herinneringsbrief uit.

Op 3 februari 2000 deelde mevrouw S. cliënt namens "de" officier van justitie mee dat de verdachte aan door "hem/haar" gestelde voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging had voldaan. Er was dus getransigeerd.

Op 10 februari 2000 beklaagde ik mij over de bejegening bij de Hoofdofficier.

Op 6 maart 2000 schreef namens "de" Officier van Justitie mevrouw Kl. mij wederom dat K. een hem aangeboden transactie had betaald en dat dit ook gold voor een medeverdachte, genaamd D.

Op 7 maart 2000 deelde mevrouw R. van het parket Alkmaar cliënt schriftelijk mee dat op dit parket van de politie Kennemerland/B. een proces-verbaal was ontvangen. Noch aan cliënt noch aan mij was door het parket Haarlem meegedeeld dat een derde verdachte in Alkmaar zou worden vervolgd.

Voorzover mij bekend is in deze zaak nog niet beslist over de wijze van afdoening.

Cliënt besloot om hem moverende redenen geen procedure ex artikel 12k Sv tegen K. en D. te voeren.

Ingesloten kopieën

(...)

Toelichting op de klacht

Naar zijn aard is dit een bijzondere zaak.

Het zal niet vaak voorkomen dat een leerling uit wraak een dergelijke vilaine actie tegen een docent onderneemt.

De actie heeft cliënt diep gekwetst.

Maar minstens zo kwetsend was de totale onverschilligheid die politie en justitie ten aanzien van hem ten toon heeft gespreid.

Al in een vroeg stadium waren politie en justitie op de hoogte van de identiteit van mededaders en van het feit dat er een veel grotere groep leerlingen bij betrokken was (wij wisten dit pas nadat wij, veel en veel later het proces-verbaal kregen.)

Cliënt heeft geen dag verzuimd. Maar dit betekende wel dat hij tussen gniffelende leerlingen liep en voor hen in de klas stond die meer wisten dan hij. Zelfs over de stand van het onderzoek waren de leerlingen beter geïnformeerd dan cliënt, die hierover geen enkele informatie had.

Door toedoen van politie en justitie kwam cliënt, maar niet alleen hij maar ook zijn collega's in een uiterst netelige positie terecht.

Justitie had hier rekening mee moeten houden.

Mij is bekend dat Justitie hier vaak ook rekening mee houdt. Ik denk aan de situatie waarin een docent verdachte is, i.c. in zaken waarin hij verdacht wordt van een zedenmisdrijf. In die gevallen werkt Justitie vaak uitermate slachtoffergericht, wat tot uitdrukking komt in vaak wekelijkse contacten tussen politie-justitie en de school. Ook zie je in dat soort zaken vaak dat de officier zijn vervolgingsbeslissing persoonlijk op die school gaat toelichten.

In het onderhavige geval was de docent het slachtoffer en het kind de verdachte, wat niet wegneemt dat verwacht had mogen worden dat de Officier toch op zijn minst cliënt zijn beslissing of het voornemen tot die beslissing ten parkette zou hebben uitgelegd. Dit is niet gebeurd.

Erger nog.

- Brieven bleven onbeantwoord.

- Moeten dientengevolge gerappelleerd worden.

- Alhoewel ik namens cliënt schrijf ontvangt cliënt rechtstreeks een standaardafdoeningsbriefje van een mevrouw S..

- Ik schrijf vervolgens een uitvoerige brief aan de Hoofdofficier (in de veronderstelling verkerend dat er op zijn minst excuses zullen volgen).

- Ik ontvang een brief van een mevrouw Kl., die begint met "In antwoord op uw schrijven d.d. 9 november 1999 (Let wel: 6 maart 2000 wordt mijn brief van 9 november 1999 beantwoord aldus mevrouw Kl.).

- Op mijn brief d.d. 16 februari 2000 waarin ik mij bij de hoofdofficier namens cliënt beklaag wordt in het geheel niet gereageerd.

Het hoeft geen betoog dat deze hele gang van zaken voor cliënt uitermate kwetsend is geweest.

Wat mijzelf betreft: in gevallen als deze, en helaas komt het nogal eens voor dat het OM justitiabelen, slachtoffers en advocaten met dédain behandelt, schaam ik mij ervoor deel uit te maken van dit systeem.

Ik verzoek u mij op de hoogte te houden van de afhandeling van deze klacht."

C. Standpunt minister van justitie

De Minister van Justitie deelde op 26 oktober 2000 in reactie op de klacht het volgende mee:

"Bij brief van 25 augustus 2000 (...), vroeg u mij om commentaar op de door u in onderzoek genomen klacht van de heer W. te Haarlem.

De heer W. klaagt erover dat;

a) de officier van justitie zijn brief van 3 februari 2000 onvoldoende heeft gemotiveerd;

b) de officier van justitie hem niet heeft uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek alvorens te besluiten betrokkene niet te vervolgen;

c) de officier van justitie zijn gemachtigde geen afschrift heeft gestuurd van de brief van 3 februari 2000;

d) de officier van justitie pas op 6 maart - na herhaaldelijk rappel - heeft voldaan aan het door zijn gemachtigde bij brief van 9 november 1999 gedane verzoek om hem te informeren over de strafzaak;

e) de hoofdofficier van justitie niet heeft gereageerd op zijn klachtbrief van 10 februari 2000,

Naar aanleiding van de klacht heb ik het College van procureurs-generaal om inlichtingen gevraagd. Naar aanleiding van deze informatie bericht ik u als volgt.

Ad a en b

Bij de informatievoorziening aan slachtoffers geldt de Aanwijzing slachtofferzorg van het College van procureurs-generaal van 29 juni 1999 als uitgangspunt (zie Achtergrond, onder 1.; N.o.).

Alhoewel het feit voor betrokkene een grote impact heeft gehad, waren de aard en de ernst van het feit niet zodanig dat het parket gehouden was het initiatief te nemen tot extra inspanningen teneinde de heer W. meer dan gebruikelijk is van informatie te voorzien.

Bij brief van 3 februari 2000 (zie Bevindingen, onder A.10.; N.o.) heeft de officier de heer W. geïnformeerd over de genomen vervolgingsbeslissing terzake het strafrechtelijk onderzoek waarin de heer W. slachtoffer is. De kennisgeving aan de heer W. van het voldoen aan de transactievoorwaarden door de verdachte en het dientengevolge uitblijven van strafvervolging voldeed aan het gestelde in bovengenoemde aanwijzing slachtofferzorg. De aard en de ernst van het feit waren niet zodanig dat er aanleiding was de beslissing nader te motiveren dan wel betrokkene voorafgaand aan de beslissing voor een persoonlijk gesprek uit te nodigen. Anders dan bij bijvoorbeeld ernstige delicten, is het openbaar ministerie niet verplicht om in een geval als het onderhavige het slachtoffer uit te nodigen voor een persoonlijk gesprek om de beslissing toe te lichten. De hoofdofficier van justitie heeft te kennen gegeven dat, voor zover daaraan bij de heer W. nog behoefte aan bestaat, thans nog een persoonlijk gesprek mogelijk is.

De vergelijking van de slachtofferinformatievoorziening aan minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven, gepleegd in schoolverband door een docent, leent zich niet voor de in de klacht gemaakte vergelijking. Zedendelicten worden door het Openbaar Ministerie als zodanig ernstig aangemerkt dat hiervoor een afzonderlijke "aanwijzing bejegening slachtoffers van zedendelicten is vastgesteld", waarin onder meer is opgenomen dat het slachtoffer altijd via een persoonlijk gesprek over de stand van zaken wordt geïnformeerd.

De aan de klacht ten grondslag liggende ruime interpretatie van de inspanningsverplichting voor het Openbaar Ministerie de heer W. te informeren, kan ik in het onderhavige geval niet onderschrijven. Ik acht de klachtonderdelen a en b dan ook ongegrond.

Ad c

Alhoewel dit in de brief niet zo nadrukkelijk is verwoord, kon uit de strekking van de brief worden opgemaakt, dat mw. M, als raadsman van de heer W. optrad. Bij brief van 10 december 1999 heeft mw. M. zich nadrukkelijk als raadsman gesteld. Als gemachtigde mocht mw. M. erop rekenen dat zij van het parket een afschrift zou krijgen van de afdoeningbeslissing.

De klacht dat mw. M. geen afschrift is gestuurd van de brief van 3 februari 2000 acht ik derhalve gegrond.

Ad d

Pas nadat bleek dat door de verdachte aan de transactievoorwaarden was voldaan en de beslissing van het Openbaar Ministerie derhalve definitief was, is het slachtoffer inhoudelijk geïnformeerd. Deze gang van zaken acht ik behoorlijk. Van de zijde van het parket is echter verzuimd de brief van mevrouw M. in een tussenbericht te berichten dat er nog geen vervolgingsbeslissing was genomen en dat zij nader bericht zou ontvangen nadat een beslissing in de zaak was genomen. Ik acht de klacht in zoverre dan ook gegrond.

Ad e

Bij brief van 6 april 2000 is namens de officier van justitie een antwoord gegeven op de brief van mw. M. van 10 februari 2000.

Zaaksgerelateerde correspondentie wordt binnen het parket ter behandeling naar de behandelend parketmedewerker gezonden. Daaraan doet niet af dat de hoofdofficier als geadresseerde stond vermeld. Enkel indien de inhoud van de brief daartoe aanleiding geeft dan wel uitdrukkelijk om een standpunt van de hoofdofficier wordt verzocht, wordt de afhandeling door de correspondentie door de hoofdofficier verricht.

De inhoud van de brief van 10 februari 2000 heeft een zaaksgebonden karakter. Nu in de brief niet nadrukkelijk is aangegeven dat beoogd is een klacht omtrent de bejegening door het Openbaar Ministerie in te dienen dan wel een standpunt van de hoofdofficier wordt verzocht, is de brief van dien aard dat het niet onredelijk is dat de behandelend parketmedewerker zelf de correspondentie heeft gevoerd. De klacht dat door de hoofdofficier niet is gereageerd op de brief van 10 februari 2000 acht ik derhalve ongegrond.

Conclusie

Het College is, op basis van de informatie van de hoofdofficier van justitie Haarlem, van oordeel dat de klacht van de heer W. ten aanzien van de klachtonderdelen a, b, en e ongegrond is. Ten aanzien van onderdeel c acht het College de klacht gegrond. Ten aanzien van onderdeel d acht het college de klacht gegrond voor zover de klacht zich richt tegen het feit dat betrokkene geen reactie in de vorm van een tussenbericht is verzonden. Ik deel dit oordeel van het College."

D. Reactie verzoeker

Op 2 januari 2001 deelde verzoeker in reactie op het standpunt van de Minister onder meer het volgende mee:

“Er is inderdaad een brief van 6 april 2000 en deze brief had ik bij de stukken die ik u deed toekomen moeten voegen.

Dat dit niet gebeurde houdt ongetwijfeld verband met het feit dat in deze brief niet wordt ingegaan op mijn brief van 10 februari 2000.

Ik blijf derhalve van mening dat deze brief onbeantwoord bleef.

(…)

Wat betreft de reactie van het Ministerie van Justitie merk ik op dat steeds verwezen wordt naar de Aanwijzing slachtofferzorg van het College van procureurs-generaal van 29 juni 1999. De klachtonderdelen a en b zouden ongegrond zijn omdat volgens de Aanwijzing is gewerkt.

Naar mijn mening is niet volgens bedoelde aanwijzing gewerkt.

In punt 2 onder a van de Aanwijzing staat immers dat een van de uitgangspunten is: "Een correcte en waar nodig een persoonlijke bejegening van het slachtoffer."

In mijn brief van 23 mei 2000 geef ik aan dat hiervan geenszins sprake is geweest. Ik handhaaf derhalve de klacht."

Achtergrond

1. De Aanwijzing slachtofferzorg van het College van procureurs-generaal

"Achtergrond

1. Inleiding

De wet tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (de Wet Terwee) die per 1 april 1995 is ingevoerd, heeft de positie van het slachtoffer ingrijpend veranderd en geldt voor alle strafbare feiten, dus ook voor overtredingen.

Slachtofferzorg door politie en openbaar ministerie komt in wezen hierop neer dat deze instanties bij hun werkzaamheden in een (straf)zaak altijd de belangen van het slachtoffer van een strafbaar feit meewegen voor zover dit redelijk is.

In het beleidsplan van het openbaar ministerie "Perspectief op 2002" staat aangegeven dat zorg en aandacht voor de belangen van slachtoffers door het openbaar ministerie wordt gezien als een belangrijk onderdeel van een goede rechtspleging. Een correcte bejegening staat voorop. Een belangrijk element van een correcte bejegening is het verschaffen van begrijpelijke informatie aan slachtoffers en benadeelden. Een adequate informatieverschaffing aan het slachtoffer kan helpen voorkomen dat deze bezwaar aantekent tegen de beslissing van de officier van justitie om niet te vervolgen. Niet zelden lijkt een beklag tegen niet vervolging voort te komen uit onbegrip en niet zo zeer omdat men per se vervolging wenst.

2. Uitgangspunten basistaken slachtofferzorg

Als basistaken van de uitvoering van slachtofferzorg gelden de volgende uitgangspunten:

a. Een correcte en waar nodig een persoonlijke bejegening van het slachtoffer.

b. Verstrekking van informatie aan het slachtoffer waarbij geldt dat deze informatie zo snel mogelijk aan het slachtoffer moet worden verstrekt en tevens dat deze informatie duidelijk en relevant is.

c. Het zoveel mogelijk benutten van de mogelijkheid tot schaderegeling in het kader van de afhandeling van de strafzaak. Het kan hierbij zowel gaan om materiële als om immateriële schade

Het is denkbaar dat in andere aanwijzingen taken worden geformuleerd voor politie en openbaar ministerie die verder gaan dan de basistaken of een alternatief bieden. Zie bijvoorbeeld de aanwijzing voor de bejegening van slachtoffers van zedendelicten en de aanwijzing verbaliseringsbeleid bij verkeersongevallen.

3. Toepassingsbereik aanwijzing

Van slachtofferzorg als in de aanwijzing bedoeld zal kunnen worden afgezien in zaken van eenvoudige diefstallen bij grootwinkelbedrijven, met uitzondering van het zenden van een afloopbericht aan het betrokken grootwinkelbedrijf.

Ook in gevallen van verkeersovertredingen zonder noemenswaardig letsel, waarin de verdachte behoorlijk verzekerd is, kan slachtofferzorg op het punt van schaderegeling, als bedoeld in deze aanwijzing, achterwege blijven.

Samenvatting

Deze aanwijzing bevat regels met betrekking tot slachtofferzorg.

OPSPORING

1. Aangifte

De politie neemt op zorgvuldige wijze de aangifte van een slachtoffer op. Daartoe behoort ook het doorverwijzen van het slachtoffer naar hulpverlenende instanties, in het bijzonder naar de bureaus voor slachtofferhulp.

De politie geeft daarbij aan het slachtoffer algemene informatie over de gang van zaken volgend op de aangifte, geeft informatie over de mogelijkheden tot schadevergoeding, geeft een voorlichtingsfolder slachtofferhulp en vraagt uitdrukkelijk of schadevergoeding gewenst is en of het slachtoffer van de gang van zaken volgend op de aangifte op de hoogte wenst te worden gehouden.

De politie neemt in het proces-verbaal dan wel in een bijlage bij het proces-verbaal relevante informatie op over het slachtoffer met name of deze van de gang van zaken op de hoogte gehouden wenst te worden, en zo ja, of deze (materiële en/of immateriële) schade heeft geleden, hoeveel schade deze heeft geleden, of een schadevergoedingsregeling is getroffen en of het slachtoffer in het kader van het strafproces zijn schade vergoed wenst te krijgen. Voorts geeft de politie in het proces-verbaal dan wel in een bijlage bij het proces-verbaal de bemoeiingen weer die zij met het slachtoffer heeft gehad, met name met betrekking tot de eventuele regeling van de schade. De politie voegt voor zover mogelijk kopieën van op de schade betrekking hebbende bewijsstukken bij het proces-verbaal.

Het beginpunt van het verzamelen van informatie over de schade van het slachtoffer, de betalingsbereidheid en de financiële draagkracht van de dader ligt bij de politie.

2. Schadebemiddeling door de politie

(...)

VERVOLGING

1. Informeren van het slachtoffer

Indien een verdachte in de zaak is bekend geworden en de zaak op het parket wordt ingeschreven, wordt het slachtoffer door het openbaar ministerie hiervan - indien hij niet heeft aangegeven geen prijs te stellen op verdere berichten - onder vermelding van het parketnummer zo spoedig mogelijk in kennis gesteld.

Indien het slachtoffer heeft aangegeven schadevergoeding te wensen en/of op de hoogte te willen blijven van de gang van zaken volgend op de aangifte, houdt het openbaar ministerie hem van voor hem relevante beslissingen in de strafzaak op de hoogte. Indien het een ernstig delict betreft wordt het slachtoffer gevraagd of hij prijs stelt op een gesprek met de behandelend officier van justitie voorafgaand de behandeling ter zitting.

Indien informatie in het door de politie ingezonden proces-verbaal over (de wensen van) het slachtoffer onvolledig is of niet actueel, vraagt het openbaar ministerie het slachtoffer of hij:

a. op de hoogte wenst te worden gehouden van het verloop van de procedure;

b. prijs stelt op de mogelijkheid van schadevergoeding binnen het strafproces;

c. prijs stelt op een gesprek met de behandelende officier van justitie voorafgaand aan de behandeling ter zitting, voorzover het gaat om een ernstig delict…"

2. De circulaire van de Minister van Justitie van 15 februari 1991 (DAZ/Algemene Secretarie, kenmerk 41330/91 Alsec)

De circulaire van de minister van Justitie van 15 februari 1991 die van kracht is sinds 1 april 1991 en waarvan de geldigheidsduur bij circulaire van 3 april 1995 is verlengd tot 1 april 1999, bepaalt onder meer dat alle onder het ministerie van Justitie vallende dienstonderdelen, diensten en instellingen de ontvangst van brieven waarvan duidelijk is dat die niet binnen drie weken kunnen worden beantwoord, schriftelijk dienen te bevestigen, door binnen drie weken na ontvangst een behandelingsbericht te sturen. Dat behandelingsbericht dient de naam en het doorkiesnummer van de behandelend ambtenaar en/of afdeling te bevatten, de reden waarom de brief niet direct kan worden afgehandeld en een indicatie van de afhandelingstermijn dan wel de termijn waarbinnen een volgende stap in de procedure kan worden verwacht.

Bij circulaire van 22 februari 2000 is de circulaire uit 1995 met terugwerkende kracht vanaf 1 april 1999 verlengd tot 1 april 2003. Nieuw hierin is de bepaling dat de instructie vanaf 1 maart 2000 ook van toepassing is op brieven van lagere overheden, andere departementen (met uitzondering van amice-brieven) en kamerleden.

3. Artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht

"1. De officier van justitie kan voor de aanvang van de terechtzitting een of meer voorwaarden stellen ter voorkoming van de strafvervolging wegens misdrijven, met uitzondering van die waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, en wegens overtreding. Door voldoening aan die voorwaarden vervalt het recht tot strafvordering.

2. De volgende voorwaarden kunnen worden gesteld:

a. betaling aan de staat van een geldsom, te bepalen op ten minste vijf gulden en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd;

b. afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;

c. uitlevering, of voldoening aan de staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;

d. voldoening aan de staat van een geldbedrag of overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het geschatte voordeel - met inbegrip van besparing van kosten - door de verdachte door middel van of uit de baten van het strafbare feit of soortgelijke feiten verkregen.

e. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;

f. het verrichten van onbetaalde arbeid of het volgen van een leerproject gedurende ten hoogste honderdtwintig uren.

3. De officier van justitie doet aan de rechtstreeks belanghebbende die daarom heeft verzocht, onverwijld mededeling van de datum waarop aan die voorwaarden is voldaan.

4. Op de in het tweede lid, onder f, bedoelde voorwaarde is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 22c, eerste en vierde lid, 22e en 22k met betrekking tot taakstraffen, van overeenkomstige toepassing. De onbetaalde arbeid of het leerproject wordt binnen een termijn van zes maanden na instemming met de voorwaarde voltooid. Het openbaar ministerie kan deze termijn eenmaal met zes maanden verlengen. Het zendt hiervan zo spoedig mogelijk een kennisgeving aan de betrokkene."

4. Memorie van Antwoord, Eerste Kamer, zitting 1982-1983, 15 012 nr. 31a, pag. 134

"…De transactie komt eerst tot stand door voldoening aan de gestelde voorwaarden. Dat is het ogenblik waarop de beklagtermijn, genoemd in artikel 74, derde lid, Wetboek van Strafrecht, kan ingaan. Dat tijdstip te vervroegen naar het ogenblik waarop het aanbod van de transactie wordt gedaan, of naar het ogenblik waarop de verdachte met het transactievoorstel instemt, zou tot onzekerheid aanleiding geven over de bij het beklag essentiële vraag of het strafbare feit inderdaad is getransigeerd. Immers, niet-voldoening aan de gestelde -en geaccepteerde- voorwaarden zal gewoonlijk tot vervolging alsnog van de bewuste strafbare feiten leiden. Indien dat met het oog op de oplegging van de voorwaarde van schadevergoeding wenselijk is, zal het openbaar ministerie de rechtstreeks belanghebbende kunnen raadplegen. Een verplichte mededeling aan de belanghebbende voordat de transactie tot stand is gekomen, acht ik te zwaar, gelet op het meestal routinematige karakter van de beslissing om een transactie aan te bieden. Hierbij zij bedacht dat verreweg de meeste gevallen die thans met een transactie worden afgedaan geen rechtstreeks belanghebbende zijn aan te wijzen, hetzij omdat het betrokken feit geen gevolgen heeft gehad voor de persoon of het goed van medeburgers, hetzij omdat de eventueel gelaedeerden zich niet bekend maken..."

5. Artikel 12k van het Wetboek van Strafvordering

"Bij toepassing van artikel 74, dan wel het bepaalde krachtens artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht wegens een misdrijf moet het beklag worden gedaan binnen drie maanden na de datum waarop aan de voorwaarden is voldaan."

6. Eerste Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2000-2001, 26 436, nr. 206:

"Wijziging van de regelingen betreffende de waarborgen rond de vervolging

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

30 januari 2001

(...)

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 74, derde lid, komt te luiden:

3. De officier van justitie doet in geval van misdrijf aan de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is, onverwijld schriftelijk mededeling van de datum waarop hij die voorwaarden heeft gesteld.

(...)

artikel 12k komt te luiden:

1. Bij de toepassing van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht dan wel van het bepaalde krachtens artikel 74c van dat wetboek moet het beklag worden gedaan binnen drie maanden na de datum waarop aan de rechtstreeks belanghebbende met deze toepassing bekend is geworden.

2. Het beklag kan ook na deze termijn worden gedaan, indien de verdachte niet aan de gestelde voorwaarden voldoet…"

Instantie: arrondissementsparket Haarlem

Klacht:

Onvoldoende met redenen omkleed dat verdachte heeft voldaan aan transactie, niet uitgenodigd voor gesprek voorafgaand aan beslissing om verdachte niet te vervolgen, geen afschrift van brief aan gemachtigde verstuurd en pas na herhaaldelijk rappel voldaan aan verzoek verzoeker te informeren over strafzaak .

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Hoofdofficier van justitie Haarlem

Klacht:

Niet gereageerd op klachtbrief .

Oordeel:

Gegrond