1999/041

Rapport
Op 1 april 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer N. te Tilburg, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant te Tilburg. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker, die op 13 september 1997 is aangehouden ter zake van belediging van een politieambtenaar en in verband hiermee door de politie werd overgebracht naar een politiebureau, klaagt erover dat de politieambtenaren van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant hem tijdens het vervoer geen zitplaats hebben aangeboden. Voorts klaagt hij erover dat een politieambtenaar tijdens het vervoer tegen hem heeft gezegd "Het is altijd wat met jullie", zonder dat de ambtenaar daarnaar gevraagd deze opmerking wilde toelichten. Tenslotte klaagt verzoeker erover dat de politie na aankomst op het politiebureau en na insluiting van verzoeker in een cel, hem niet zijn medicijnen heeft gegeven en daarna niettegenstaande zijn verzoek geen arts heeft gewaarschuwd.

Achtergrond

Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar Artikel 31, eerste lid "In het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, overlegt de ambtenaar met de arts. De ambtenaar overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd drie betrokken politieambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van Justitie te Breda over de klacht ge nformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De genoemde hoofdofficier maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Verzoeker en drie betrokken ambtenaren hebben tijdens het onderzoek een verklaring afgelegd. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker en een betrokken ambtenaar deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De overige betrokkenen gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A. De feiten1. Op zaterdag 13 september 1997 omstreeks 02.09 uur werd verzoeker bij een verkeerscontrole te Tilburg aangehouden door politieambtenaar Br. ter zake van opzettelijke belediging van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Verzoeker was op dat moment als taxichauffeur aan het werk. Vervolgens heeft Br. verzoeker in een politiebus overgebracht naar het politiebureau van het team Binnenstad te Tilburg van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant, waar zij omstreeks 02.20 uur aankwamen. Politieambtenaar O. bracht gelijktijdig de auto van verzoeker naar hetzelfde politiebureau. Omstreeks 02.30 uur werd verzoeker geleid voor de hulpofficier van justitie, politieambtenaar Bl. Omstreeks 02.53 uur is een verklaring opgenomen van verzoeker en omstreeks 3.33 uur werd verzoeker weer in vrijheid gesteld.

2. Op zaterdag 13 september 1997 omstreeks 02.53 uur hoorde een niet bij de aanhouding betrokken politieambtenaar verzoeker en maakte hiervan proces-verbaal op. De verklaring van verzoeker hield onder meer in:"Het was niet mijn bedoeling de politie uit te schelden. De verbalisant kwam naar mijn auto toe. De verbalisant zei tegen mij: "Je bent gearresteerd voor belediging van een ambtenaar in funktie, ik voer je nu af." De verbalisant opende het portier en gaf mij de gelegenheid uit te stappen. Ik ben uitgestapt en met de verbalisant meegelopen. Ik ben vervolgens achter in de surveillance auto gaan zitten. Tevens moest ik mijn auto sleutels in leveren. (...) Ik werd vervolgens op grove wijze in de auto gezet en ben naar het politie bureau in het centrum gebracht. Tijdens de rit heb ik de man gevraagd of ik tegen mijzelf geen kloten mocht zeggen. De man antwoordde: "Met jullie is het altijd wat." Ik vroeg de verbalisant: "Wat bedoel je met jullie?" De man zei: "Je weet wel wat ik bedoel."3. Op zaterdag 13 september 1997 omstreeks 13.50 uur diende verzoeker een klacht in tegen het optreden van de politie volgend op zijn aanhouding. Zijn klacht hield onder meer in:"Meteen hierna kwam de politieman naar mijn auto gelopen en zei tegen mij, dat ik werd gearresteerd ter zaken van belediging. Hij verzocht mij om in de dienstauto plaats te nemen. Ik deed dat, (...). Ik moest meteen mee. Tijdens het vervoer is mij geen zitplaats aangeboden. Het betrof een zodanig herkenbaar politiebusje, waarin ik achterin moest stappen. Tijdens het transport reed de bestuurder van dat busje erg schokkerig. Ik werd hierdoor heen en weer geschut in de ruimte waarin ik zat. Om te voorkomen dat ik zou vallen ben ik op mijn knie n gaan zitten en heb het ijzerwerk vastgegrepen. Tijdens het vervoer stelde ik de vraag aan de politieman of het verboden was tegen mezelf klote te zeggen. Hierop kreeg ik als antwoord: "Het is altijd wat met jullie." Ik vroeg hem wat hij bedoelde met Jullie. Hierop kreeg ik geen antwoord. Op het bureau aangekomen werd ik in een cel geplaatst. Toen ik daar enkele minuten verbleef heb ik gebeld. Men stond mij te woord. Ik vroeg aan deze politieman, het was de politieman, die mijn auto naar het bureau had gebracht, of hij mijn medicijnen uit mijn auto wilde halen, daar ik deze omstreeks dat tijdstip moest

innemen. Hij beloofde in mijn auto te gaan kijken of hij medicijnen kon vinden. Korte tijd hierna kwam de hulpofficier van justitie, die mij enkele vragen stelde. Kort nadat de hulpofficier van justitie bij me was geweest heb ik weer gebeld. De hulpofficier van justitie stond mij te woord. Ik vroeg waar mijn medicijnen bleven, waarop ik het antwoord kreeg, dat de collega de medicijnen niet had aangetroffen in mijn auto. Vervolgens heb ik hem gevraagd een dokter voor mij te waarschuwen of anders onder begeleiding van de politie naar mijn woning te gaan om daar medicijnen op te halen en dan terug te komen. Hij stelde mij voor de keus terstond geholpen te worden. Naar zijn mening had ik geen dokter noch medicijnen nodig. Ik heb hem gevraagd of hij een arts was wie dat kon beoordelen. Hij antwoordde, dat hij een arts wilde bellen, maar dat dat mogelijk een uur kon duren. Ik voelde mij onder druk gezet. Ik koos ervoor om snel een verklaring af te leggen in de veronderstelling, dat ik binnen tien minuten het bureau zou kunnen verlaten. Het duurde echter tot 04.00 uur voordat ik naar huis mocht. Een en ander heb ik ook gisteren tijdens mijn verhoor verteld."4. De beheerder van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant deelde verzoeker in reactie op zijn klacht van 13 september 1997 bij brief van 17 maart 1998 onder meer mee:"De bewering van u dat u geen zitplaats in de surveillanceauto (VW-bus) werd aangeboden, wordt door de beide verbalisanten ten stelligste ontkend. Ook hebben de verbalisanten een andere lezing over de wijze van rijden tijdens de overbrenging van u naar het teambureau. Verbalisant Br. verklaart tevens pertinent dat hij tijdens de rit naar het teambureau niet met u heeft gesproken. Los van dit gegeven is het op zijn minst twijfelachtig of aan de woorden: "Het is altijd wat met jullie" een discriminerende betekenis moet worden toegekend. Na aankomst in het teambureau heeft u om uw medicijnen gevraagd, die in uw taxi zouden liggen. Door de beide verbalisanten Br. en O. is onafhankelijk van elkaar in dat voertuig gezocht. Daarbij werden geen medicijnen aangetroffen. De afweging die door de betrokken hulpofficier werd gemaakt en die er toe heeft geleid, dat op verzoek van u geen arts werd gewaarschuwd is naar mijn mening een terechte afweging geweest. Immers kon en mocht de betrokken hulpofficier er van uitgaan dat - gelet op het gepleegde strafbare feit - u direct na uw verhoor kon worden heengezonden.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten zoals mij die uit het ingestelde onderzoek zijn gebleken, acht ik de door u ingediende klacht op alle aspecten niet gegrond."5. Tegen verzoeker werd een op 28 september 1997 door de politieambtenaren Br. en O. gesloten en ondertekend proces-verbaal opgemaakt ter zake van opzettelijke belediging van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.6. Politieambtenaar O. maakte een op 25 november 1997 gesloten en ondertekend aanvullend proces-verbaal op, dat onder meer inhield:"Verder kan ik mededelen na het lezen van de verklaring van verdachte N. de datum 13 september 1997 dat verdachte daarin verklaard dat hij op grove wijze in ons opvallend dienstvoertuig is gezet. Hierop kan ik mededelen dat dit niet de waarheid is. De deur aan de achterzijde van het opvallend dienstvoertuig zijnde een bus werd voor verdachte N. netjes geopend waarna de zitting van een "klapstoel" achter in de bus voor verdachte N. omlaag werd gehaald zodat hij plaats kon nemen achter in de bus en kon zitten. Nadat verdachte N. zelf was ingestapt is de deur gesloten. Verdachte N. is door ons verbalisanten niet op grove wijze in het dienstvoertuig geplaatst maar is dus zelf ingestapt."B. Het standpunt van verzoeker1. Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder

Klacht

.2. Voorts deelde verzoeker in het verzoekschrift nog onder meer het volgende mee:"Zitplaats in de VW-bus Toen agent Br. zei nu ben jij gearresteerd i.v.m. belediging en ik moest naar het politiebureau, werd ik door de agent Br. in me hand gepakt en samen meegenomen naar de VW-bus achterin, terwijl agent O. plaats nam in mijn auto. Hoe kan agent O. verklaren dat mij een zitplaats werd aangeboden? Vervolgens gaf Br. met zijn vingers aan agent O. een seintje als eerste naar voren te rijden. Tijdens de rit reed agent O. vooraan. Hoe kan agent O. een andere lezing geven over de wijze hoe Br. reed? De uitspraak van Br. 'het is altijd wat met jullie' is voor mij de vraag? Bedoelt hij de groep taxichauffeurs of de groep buitenlanders? (...)

Geen arts gewaarschuwdRond halftwee begon ik benauwd te krijgen (kort ademend). Ik ben CARA pati nt en 's nachts roken de klanten in mijn auto. Met name 's avonds tijdens mijn dienst neem ik mijn medicijnen altijd mee, omdat ik 's nachts meer medicijnen inneem. Toen ik enkele minuten in de politiecel verbleef, kreeg ik het erg benauwd. De hulpofficier Bl. sprak ik voor de tweede keer voor mij een dokter te waarschuwen of anders onder begeleiding van de politie naar mijn woning te gaan om daar medicijnen op te halen en dan terug te komen. Hulpofficier Bl. was naar zijn mening dat ik geen medicijn nodig had en ook geen dokter. Ik vraag mij af hoe een hulpofficier Bl. kan bepalen of een mens medicijnen of een dokter nodig heeft terwijl hij GEEN arts is? Wel had de hulpofficier mij voor de keus gezet of een paar uur wachten dat een dokter in de cel arriveert en vervolgens medicijnen voorschrijft en vervolgens naar de apotheek gaan voor medicijnen te halen, of een uur langer wachten om een verklaring af te leggen. Ik voelde me zo onder druk gezet en bang was medisch iets met mij te gebeuren heb ik de door hulpofficier voorgestelde keuze gekozen voor verklaring af te leggen, van uit gaande binnen 10 minuten de cel uit te komen. Ik heb ongeveer 2 uur in de politiecel gezeten. Het is absoluut mijn verzoek wel geweest een arts te waarschuwen. Het is onjuist hoe korpsbeheerder J. Stekelenburg verklaart dat het mijn verzoek was geweest geen arts te waarschuwen."C. Het standpunt van de beheerder van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant1. De beheerder van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant deelde in reactie op de klacht bij brief van 22 juni 1998 onder meer mee:"Met betrekking tot het feit dat N., bij zijn overbrenging naar het teambureau van politie te Tilburg, geen zitplaats zou zijn aangeboden, heb ik hierover reeds antwoord gegeven in mijn brief aan N. Dit naar aanleiding van zijn klacht in eerste aanleg. Ten aanzien van het destijds door mij ingenomen standpunt zijn geen veranderingen opgetreden. Immers beide verbalisanten ontkennen ten stelligste dat N. geen zitplaats zou zijn geboden. Ik had en heb geen redenen om aan de verklaringen van de beide politiefunctionarissen te twijfelen. Politiefunctionaris Br., die op dat moment de politiebus bestuurde, ontkent in dat opzicht ook dat N., ondanks het door hem beweerde, op zijn knie n in de politiebus heeft moeten zitten.

Met betrekking tot het feit dat door een politiefunctionaris tegen N. zou zijn gezegd: "Het is altijd wat met jullie", heeft de betreffende politiefunctionaris Br. verklaard tijdens de rit naar het bureau geen woord tegen N. te hebben gesproken. Ook hier heb ik geen enkele reden om aan de verklaring van de betrokken politiefunctionaris te twijfelen. Ten aanzien van dit klachtaspect komen de verklaringen duidelijk niet overeen. In tegenstelling tot hetgeen klager stelt, zijn hem geen medicijnen onthouden. Immers toen N. om zijn medicijnen vroeg hebben twee politiefunctionarissen terstond op aanwijzing van N. in zijn auto naar deze medicijnen gezocht. Deze werden echter niet gevonden. Derhalve konden ze hem ook niet worden onthouden. De verantwoordelijke hulpofficier van justitie besloot vervolgens, gelet op de nog benodigde tijd voor het onderzoek, geen arts te waarschuwen. De verwachting was namelijk dat N. meteen na zijn verhoor in vrijheid zou worden gesteld. Gelet op het late tijdstip en het feit dat het wellicht enige tijd zou duren voordat een arts aan het politiebureau kon zijn, is er voor gekozen het oponthoud aan het bureau voor N. van minimale duur te laten zijn. Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat N. niet in een cel is opgesloten, maar is geplaatst in een zogenaamde 'ophoudkamer' voor kortstondig verblijf. (...) de Officier van Justitie, die inmiddels heeft besloten de heer N. voor de door hem geuite beledigende woorden strafrechtelijk te vervolgen."2. De beheerder van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant deelde in aanvulling op zijn reactie op de klacht bij brief van 7 juli 1998 onder meer mee:"N. heeft wel aangegeven dat hij dringend zijn medicijnen moest hebben, desalniettemin konden ze door de politiefunctionarissen in zijn auto niet gevonden worden. E n van de verbalisanten stelt daarom terecht in zijn verklaring dat hij dat vreemd vindt. Als hij ze dan zo dringend moet hebben, waarom draagt de heer N. ze niet bij zich. Verder heeft hij naar mijn mening onvoldoende duidelijk gemaakt welke nadelige gevolgen het voor hem zou hebben als er geen arts ter plaatse zou komen. Op basis hiervan heeft de hulp-officier van justitie weloverwogen besloten geen arts in te schakelen, mede gelet op het feit dat de heer N. meteen na verhoor in vrijheid zou worden gesteld en het feit dat het gedurende de nachtelijke uren enige tijd duurt voordat een arts, in een niet direct levensbedreigende situatie, aan het bureau is."

3. Namens de korpsbeheerder werd op 7 juli 1998 aan de Nationale ombudsman een rapport van 6 februari 1998 van de klachtbehandelaar van de politie, de teamchef Binnenstad te Tilburg, verstuurd dat onder meer inhield:"Na aankomst in het teambureau heeft N. om zijn medicijnen gevraagd, die in zijn taxi zouden liggen. Door de beide verbalisanten Br. en O. is onafhankelijk van elkaar in dat voertuig gezocht. Daarbij werden geen medicijnen aangetroffen. De afweging die door de betrokken hulpofficier werd gemaakt en die er toe heeft geleid, dat op verzoek van N. geen arts werd gewaarschuwd is naar mijn mening een terechte afweging geweest. Immers kon en mocht de betrokken hulpofficier er van uitgaan dat – gelet op het gepleegde strafbare feit – betrokkene direct na zijn verhoor kon worden heengezonden. Daarnaast mocht hij er van uitgaan dat betrokkene zijn medicijnen voor direct gebruik bij zich had dienen te hebben als hij hieraan dringend behoefte had gehad."4. Namens de korpsbeheerder werd voorts op 7 juli 1998 aan de Nationale ombudsman een verklaring verstuurd, die politieambtenaar Br. op 27 januari 1998 ten overstaan van de klachtbehandelaar van de politie had afgelegd en die onder meer inhield:"N. heeft verklaard dat hij door mij en mijn collega O. - na zijn aanhouding - geen zitplaats werd aangeboden in ons dienstvoertuig, een VW bus en dat hij tijdens de rit door mijn wijze van rijden, gedwongen werd om op zijn knie n in de bus te gaan zitten. Dat is pertinent onjuist. Ik sluit mij wat dat betreft volledig aan bij het aanvullend ambtsedig proces-verbaal nummer (...), d.d. 25 november 1997 van collega O. Ik overhandig u hierbij dit aanvullend proces-verbaal. Ik wil nog wel opmerken dat ik deze rit uitermate zorgvuldig en correct heb uitgevoerd. Ik heb gereden op de manier zoals ik die op de specialistische rijopleiding die ik heb gevolgd, heb geleerd. Daarbij is geen sprake geweest van een rijstijl die passagiers zouden nopen tot een houding zoals N. die omschrijft. Verder merk ik nog op dat ik tijdens de rit de plaats van de overtreding naar het teambureau Binnenstad geen woord tegen N. heb gesproken. Ik ben vanaf het eerste contact met hem uitermate netjes en beleefd tegen hem geweest. Ik heb de door N. weergegeven woorden "Het is altijd wat met jullie" niet gezegd. Ik heb  zoals ik al zei - helemaal niet tot hem gesproken gedurende zijn overbrenging naar het teambureau. Nadat N. in het teambureau had aangegeven dat hij zijn medicijnen wilde hebben, die in zijn auto zouden liggen en die hij naar zijn zeggen, dringend nodig had, heb ik zijn auto helemaal doorzocht.

De betreffende medicijnen heb ik echter niet aangetroffen. Ik vind het vreemd dat iemand die dringend medicijnen nodig heeft, die niet bij zich draagt."5. Namens de korpsbeheerder werd voorts op 7 juli 1998 aan de Nationale ombudsman een verklaring verstuurd, die politieambtenaar O. op 28 januari 1998 ten overstaan van de klachtbehandelaar van de politie had afgelegd en die onder meer inhield:"Direct nadat betrokkene zijn kennis van bekeuring had ontvangen en wij weer verder wilden gaan met onze surveillance, zag ik dat collega Br. naar de taxi liep waarin N. al weer was gaan zitten. Ik hoorde toen van Br. dat N. gezegd zou hebben "stelletje klootzakken". Ik heb dat zelf niet gehoord omdat ik inmiddels bij het geopende rechtervoorportier van de dienstauto stond. Collega Br. besloot toen om N. als verdachte van belediging op heterdaad aan te houden. Dat is toen ook gebeurd.. is door ons gevraagd plaats te nemen in de dienstauto. Nadat de deur van de auto was geopend hebben wij de klapstoel naar beneden gedrukt en is N. daarop gaan zitten. Daarna is de deur gesloten. N. heeft verklaard dat hij door ons op "grove wijze" in de dienstauto is gezet. Dat is pertinent onjuist. Hem zijn de handboeien niet omgedaan. Tijdens het transport van de plaats van de overtreding naar het teambureau Binnenstad heb ik de taxi bestuurd en collega Br. reed de dienstauto. Ik reed voorop. Omdat ik in een voor mij vreemde auto reed, ben ik rustig naar het bureau gereden, waarbij ik niet harder heb gereden dan 60 kilometer per uur. Collega Br. reed de gehele rit achter mij en kan dus evenmin snel hebben gereden. Dat Br. tijdens die rit "schokkerig" zou hebben gereden, zoals N. verklaart, lijkt mij gezien het voorgaande sterk. Nadat wij in het teambureau waren aangekomen, vroeg N. naar zijn medicijnen. Naar ik mij herinner waren dat medicijnen die te maken hadden met benauwdheid. Ik meen dat het in ieder geval ging om een inhaler. Deze medicijnen moesten volgens N. in het dashboardkastje of in de kofferbak liggen. Ik heb de auto op de aangegeven plaatsen bekeken maar heb niets aangetroffen. Ook collega Br. heeft daarna de auto nog onderzocht maar ook hij vond geen medicijnen. Voor zover ik mij herinner heb ik N. nog verteld, dat ik de door hem bedoelde medicijnen niet heb aangetroffen. N. ging er toen vanuit dat hij de medicijnen dan thuis zou hebben laten liggen."

6. Namens de korpsbeheerder werd tevens op 7 juli 1998 aan de Nationale ombudsman een verklaring verstuurd, die politieambtenaar Bl. op 7 juli 1998 ten overstaan van de klachtbehandelaar van de politie had afgelegd en die onder meer inhield:"Nadat ik mij door de verbalisanten had laten informeren om daarmee de rechtmatigheid van de aanhouding te toetsen, stelde ik vast dat ik het met de redenen van deze aanhouding eens was, omdat hier sprake was van een ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad. Daarnaast vond ik dat politieambtenaren zich niet altijd alles behoeven te laten welgevallen als zij normaal hun werk doen. Ik ben vervolgens alleen naar de ophoudruimte gegaan, waarin N. verbleef. Ik stelde mij als gebruikelijk voor met naam en functie, gaf hem een hand en ging naast hem op de bank zitten. Ik deelde hem mede dat hij aan mij als hulpofficier werd voorgeleid op grond van belediging van een ambtenaar in functie.. reageerde hierop zeer boos, omdat hij een bekeuring had gekregen voor te hard rijden en daarna - ten onrechte - was aangehouden voor belediging. Ik kan mij niet herinneren waarom betrokkene vond dat hij ten onrechte daarvoor was aangehouden.. vertelde mij direct daarna dat hij medicijnen nodig had omdat hij carapati nt was en het benauwd had. Hij zei dat hij zijn medicijnen in de taxi had liggen en dat hij die onmiddellijk nodig had. Ik heb tijdens het gesprek met N. niets gezien en bemerkt van zijn benauwdheid en ik vond dat hij vanwege het geringe feit, direct na verhoor in vrijheid moest worden gesteld. Uiteraard zou ik wel een arts hebben gebeld en met hem hebben overlegd als ik wel tekenen van benauwdheid bij betrokkene had waargenomen. Als de betreffende verbalisanten zeggen dat zij nog in de taxi naar die medicijnen hebben gezocht dan neem ik dat zonder meer aan maar ik kan mij dat niet herinneren. Gelet op hetgeen ik bij N. waarnam en de inschatting dat hij snel weer in vrijheid kon worden gesteld maakte ik de afweging om niet op het verzoek van betrokkene om een dokter te bellen in te gaan. Immers het waarschuwen van een arts en het ter plaatse komen zou naar mijn mening meer tijd in beslag nemen dan het verhoor. Toen ik hem meedeelde dat ik het niet nodig vond om een dokter te waarschuwen, zei hij tegen mij: "hoe kunt u dat beoordelen; u bent toch geen arts". Daarop heb ik hem mijn afweging meegedeeld. Na wat heen en weer gepraat is betrokkene daarmee akkoord gegaan. Tijdens dat gesprek heeft betrokkene mij niets gezegd over de wijze van transport door de verbalisanten.

Nadat ik de voorgeleiding had afgerond heb ik een andere collega als onpartijdige derde in de kwestie gevraagd om het verhoor van betrokkene te doen en daarmee direct te beginnen. Ook heb ik tegen de drie betrokken collega's gezegd dat N. direct na zijn verhoor diende te worden heengezonden."D. Reactie verzoekerVerzoeker deelde op 6 augustus 1998 telefonisch aan een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman - voor zover van belang voor het onderzoek - het volgende mee, in reactie op de brieven van 22 juni 1998 en 7 juli 1998 van de korpsbeheerder:"Br. heeft me alleen naar het politiebusje gebracht. Op dat moment stond O. bij de getuigen. Vanaf de plaats waar de getuigen op dat moment waren, konden zij niet zien of ik een zitplaats kreeg aangeboden of niet. Ze hebben helemaal niet kunnen zien hoe ik in het busje zat. Het busje waar ik in werd vervoerd, was een politiebusje met een bank in de ruimte achter de bestuurders- en bijrijdersstoel. Daarachter zat weer een kleine ruimte die van de rest van de binnenruimte was afgesloten met gaas. In deze ruimte - een omgebouwde laadruimte - ben ik vervoerd. Br. heeft me bij mijn hand gepakt en in het achterste deel van het busje geduwd. Op de plaats waar het busje stond was het donker. Ik zag in de ruimte in het busje waar ik in werd geduwd geen stoel of bank. Omdat het donker was, heb ik ook niet goed om me heen gekeken. Ik ben toen op mijn knie n gaan zitten. Tijdens de rit zag ik ook geen stoelen in de ruimte; ook geen klapstoelen. Ik keek tijdens de rit ook niet om me heen. Ik ben tijdens de rit op mijn knie n blijven zitten, totdat ik in het politiebureau uitstapte. Als ik goed gekeken had, had ik mogelijk een stoel gezien. Later begreep ik dat er klapstoelen in de ruimte zaten. Ik heb tijdens of voor de rit geen vragen gesteld of opmerkingen gemaakt over het feit dat ik geen zitplaats had. Br. was zo boos dat ik besloten had om niets meer tegen hem te zeggen. Toen ik in het politiebureau was, lagen mijn medicijnen in de kofferbak van mijn auto. Daar heb ik ze ook zelf gevonden nadat ik het politiebureau had verlaten. Het gaat om een inhalator met ventolin, een medicijn voor carapati nten. Ik leg de inhalator altijd in het dashboardkastje of in de kofferbak in de EHBO-doos. Toen ik om mijn medicijn vroeg, heb ik O. de inhalator beschreven. Ook heb ik hem verteld dat de inhalator in het dashboardkastje of in de kofferruimte in de EHBO-doos lag. Na mijn vraag

om mijn medicijn kwam O. niet terug om mee te delen dat hij het niet had gevonden. Deze mededeling kreeg ik van Bl. nadat ik daar zelf op een gegeven moment om had gevraagd. Volgens mij had O. uit eigen beweging moeten zeggen dat hij niets had gevonden. Nadat ik om een arts had gevraagd, zei Bl. mij dat ik de keus had tussen de zaak snel laten afwerken zonder arts of het laten waarschuwen van een arts met als gevolg dat het uren ging duren. Ik heb Bl. vervolgens voorgesteld dat ik zelf met hem in de auto zou gaan kijken of dat ik met een agent naar mijn huis zou gaan om daar het medicijn op te halen. Thuis heb ik namelijk altijd reservemedicijnen liggen. Daarna zou ik gewoon weer mee kunnen gaan naar het politiebureau. De reisafstand tussen mijn toenmalige huis en het politiebureau was 's nachts ongeveer vijf minuten en overdag zeven minuten. Op het moment dat ik in het politiebureau was, was mijn vrouw thuis. Bl. zei dat ik moest kiezen: een arts waarschuwen of niet, maar dat een arts waarschuwen uren zou duren. Hiermee zette hij mij onder druk. Ik koos geen arts te waarschuwen om te voorkomen dat ik uren moest wachten op de arts en steeds zieker zou worden in de cel. Ik was ook bang buiten bewustzijn te raken. Dat is mij acht jaar geleden gebeurd. Dat wilde ik niet weer. Hij heeft mij toen niet gezegd hoe lang het zou duren, wanneer er geen arts zou worden gewaarschuwd. Hij deed hierover ook geen beloften. Hij zei dat hij een onafhankelijke politieambtenaar zou gaan zoeken om mij te horen. Dat heeft hij ook gedaan, want hij liet iemand van een ander bureau mij horen, de heer B. Bl. zei mij dat ik naar zijn mening geen medicijn nodig had. Ik zei hem toen te kijken naar mijn gezicht en ogen. Die waren opgezwollen en mijn ogen waren rood. Hij zei toe dat dit kwam door boosheid van mij en zei dat ik geen medicijn nodig had. Ik zei hem toen dat ik wel boos was, maar dat ik op dat moment gewoon mijn medicijn nodig had." . Verklaring betrokken ambtenaar Bl. In het kader van het onderzoek verklaarde betrokken politieambtenaar Bl. op 7 oktober 1998 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:"Ik herinner mij van deze zaak niet meer alles precies. Volgens mij heeft de heer N. de verbalisanten om zijn medicijnen gevraagd. Zij hadden daarnaar gezocht in zijn auto, maar niets gevonden. Voorafgaand aan de voorgeleiding hebben ze dat ook tegen mij gezegd.

Hij was direct heel boos en begon direct over zijn cara en zijn medicijnen. Ik heb hem tijdens de voorgeleiding verteld dat de medicijnen niet in de auto waren gevonden. Ik had de indruk dat hij mij onder druk probeerde te zetten om zo snel mogelijk uit de cel te komen door te beginnen over de medicijnen. Hij stelde nog voor om die medicijnen bij hem thuis of uit de auto op te halen. Ik zei hem toen dat de medicijnen niet in de auto lagen. Het is mogelijk dat ik op dat moment heb teruggekoppeld met de verbalisanten en ik niet vooraf hoorde over het zoeken naar de medicijnen. Ik weet dit niet meer precies.. heeft gezegd dat de medicijnen in de kofferbak of in het dashboardkastje lagen. Ik kan mij niet herinneren dat hij heeft gezegd dat deze in een EHBO-doosje zaten. Ik maakte de afweging dat het een relatief gering feit betrof, waarbij hij ontkende. Ik maakte de afweging dat het ongeveer een uur duurde voordat een arts ter plaatse kon zijn en dat het ongeveer een half uur zou duren om hem te horen en heen te zenden. Mijn inschatting was dat het sneller was hem af te horen dan een arts te waarschuwen. Dat vond ik van belang voor de vraag of ik een arts zou waarschuwen. Ik constateerde dat hij niet benauwd was of iets anders mankeerde. Als hij wel benauwd was geweest had ik wel een arts geconsulteerd, desnoods alleen telefonisch. Voor mij als leek was niets van ziekte te zien; zoals rode opgezwollen ogen, zoals N. verklaarde. Ik liet N. vervolgens kiezen tussen direct snel horen of het laten komen van een arts. Ik sprak niet over uren, maar dat het een uur kon duren voor de piketarts ter plaatse was. Deze artsen doen piketdienst in de hele regio. De precieze tijd om te komen, hangt af van de woonplaats van de arts. N. koos ervoor dan geen arts te laten komen. Ik had de stellige indruk dat M. mij onder druk wilde zetten om vrij te komen. Ik had de indruk dat hij op die manier zijn medicijngebruik oneigenlijk wilde gebruiken. Met uitzondering van zijn ontkenning gaf hij mij niet de gelegenheid inhoudelijk over de zaak praten. Ik ben niet met hem naar zijn huis gegaan om de medicijnen op te halen. Het is zeer ongebruikelijk dat te doen en bovendien kon hij binnen een half uur worden afgehoord. Na de voorgeleiding heb ik direct een agent gevraagd hem te horen en daarna heen te zenden. Achteraf verbaas ik mij erover dat dit nog anderhalf uur heeft geduurd. Ik ging ervan uit dat hij direct zou worden gehoord en binnen een half uur tot een uur zou worden heengezonden. Mijn ervaring is dat een piketarts in het algemeen die tijd nodig heeft om aan het bureau te komen.

Ik heb niet de afweging gemaakt iemand naar zijn huis te sturen om de medicijnen te halen. Mogelijk dat ik dat wel had gedaan als ik had geweten dat hij dichtbij woonde. Hierbij speelde ook mee dat hij mij met de medicijnen onder druk wilde zetten. Ik heb hem gezegd dat ik dacht dat het langer zou duren via een dokter medicijnen te halen, dan hem af te horen. Hoe ik dat gezegd heb weet ik niet meer. Mijn afweging was niet medisch maar in verband met de tijdsduur voordat de dokter kon komen. Ik kan niet beoordelen of en wanneer iemand de door N. bedoelde medicijnen nodig heeft en ontken dat ik gezegd zou hebben dat ik het niet nodig vond dat hij medicijnen kreeg. Nu u ernaar vraagt kan ik zeggen dat ik achteraf gezien N. ook telefonisch met een arts had kunnen laten spreken. Zeker nu hij anderhalf uur later werd heengezonden. Toen zag ik daar geen reden toe. Misschien speelde mee dat collega's hadden gezegd dat N. altijd problemen had met de politie. Dat kwam over alsof ze zeiden dat het een lastige man was. Bovendien ging hij nogal tekeer. Het was niet mogelijk met deze man een zodanige relatie te kweken, dat het mij lukte een goed gesprek met hem te hebben."F. Verklaring betrokken ambtenaar Br.In het kader van het onderzoek verklaarde betrokken ambtenaar Br. op 9 oktober 1998 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:"De VW-bus waarin de heer N. is vervoerd, is ingericht als personenbus met achterin een met gaas afgescheiden ruimte voor het vervoer van aangehouden personen. Aan de achterzijde van de bus geven twee openslaande deuren toegang tot de arrestantenruimte. De arrestantenruimte heeft aan de rechterzijkant een klapstoel. Toen de heer N. instapte, stonden ik en mijn collega O. bij de achterdeur van de bus. N. wilde de ruimte op handen en knie n in gaan. Ik zei hem toen nog even te wachten en deed de klapstoel naar beneden. Hij ging hier vervolgens op zitten. Het was donker op de plaats waar hij instapte. Hij zal de stoel waarschijnlijk niet hebben gezien, als ik de klapstoel niet naar beneden had gedaan. Dat was ook de reden dat ik die klapstoel naar beneden deed. Tijdens de rit naar het politiebureau heeft hij op de klapstoel gezeten. Ik kon dat zien in mijn spiegel. Bij de aankomst op het bureau deden ik en mijn collega de deur van de arrestantenruimte open. N. zat toen nog op die klapstoel.

Tijdens de rit naar het bureau is in het geheel niet gesproken door mij of N. N. werd in de arrestantenruimte vervoerd in verband met de veiligheid, omdat ik alleen met hem in de auto zat. Ik denk dat de passagiers van N. hem niet in onze bus hebben zien stappen. Zij stonden namelijk voor de bus. Aan het bureau heb ik N. in een ophoudruimte geplaatst. Daarna heb ik hem niet meer gezien of gesproken. Een collega, Bl. of O., vertelde mij dat N. om medicijnen had verzocht. Mij werd meegedeeld dat die medicijnen in de passagiersruimte of de kofferruimte van de auto van N. moesten liggen. De plaats werd mij niet nader aangeduid. Ik heb vervolgens gezocht in de portiervakken, het dashboardkastje, tussen de voorstoelen en in de kofferruimte van de auto van N. Ik begreep wat hij nodig had, want mijn zoontje heeft ook een ventolyninhalator. Ik zag tijdens het zoeken in de auto geen medicijntrommeltje. Als ik die had gezien, had ik daar zeker in gekeken. Naar mij later - enige weken geleden - bleek, heeft een Volvo afgesloten vakken aan de zijkanten van de kofferruimte. Omdat ik dat toen niet wist, heb ik daar ook niet in gekeken of erbij nagedacht dat die ruimtes er waren."G. Verklaring betrokken ambtenaar O.In het kader van het onderzoek verklaarde betrokken politieambtenaar O. op 9 oktober 1998 telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:"De heer N. moest achterin een VW-busje stappen in een ruimte voor arrestanten, dat is afgescheiden van de rest van de auto met traliewerk. Die ruimte is toegankelijk via twee deuren achterin de auto en is voorzien van een opklapbankje. Mijn collega Br. en ik stonden samen met N. aan de achterzijde van de politiebus. Ik stond niet bij de getuigen. E n van ons heeft toen de deur geopend voor N. en heeft het opklapbankje neergeklapt. Vervolgens is N. zelf ingestapt en is hij op het bankje gaan zitten. Ik weet niet meer wie het bankje naar beneden klapte. Hierna hebben we de deur afgesloten en ben ik naar de taxi van N. gelopen en ben daar ingestapt. Het was daar wel donker, maar de openbare straatverlichting werkte en de straat was goed verlicht. Hij kon dat opklapbankje zelf ook zien.

Ik ben in de taxi naar het bureau gereden en Br. met N. in de bus. Aan het politiebureau heb ik de taxi voor het bureau geparkeerd. Br. reed de binnenplaats op. Br. liet N. uit de auto. Ik was daar niet bij. Toen ik het bureau in kwam, zat N. in een ophoudruimte.. vroeg onder andere aan mij om een inhaler met medicijnen voor astma. Ik vroeg waar deze lag. Hij zei dat het in de kofferbak of in het dashboardkastje van zijn taxi lag. Ik heb vervolgens de auto geheel doorzocht in de passagiersruimte, het dashboardkastje en de kofferruimte. Ik heb ook nog in een tas of koffer gekeken die in de kofferruimte lag, maar ik heb het medicijn niet gevonden. Ik heb echt goed gezocht. Toen ik niets had gevonden, heb ik dit in de ophoudruimte persoonlijk aan N. verteld. Hij zei toen dat het medicijn dan wel thuis zou liggen. Ik weet nog dat een collega ook nog voor de zekerheid in de taxi heeft gekeken. Die kon het medicijn ook niet vinden. Ik herinner mij niet of dit Br. was of een ander. Ik kan mij niet meer herinneren of N. mij heeft gevraagd om samen met hem bij hem thuis of in zijn auto te kijken. Ik herinner mij niet een EHBO-doosje te hebben gezien. Als die in de auto lag, moet ik erin hebben gekeken. Ik heb de auto namelijk echt goed doorzocht. Ik kan mij ook niet herinneren of hij een EHBO-doosje ter sprake heeft gebracht."H. Nadere reactie verzoekerVerzoeker deelde op 26 november 1998 telefonisch aan een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman voor zover van belang voor het onderzoek het volgende mee, in reactie op de verklaringen van de betrokken ambtenaren:"Ik wil het volgende opmerken over de verklaring van Br.:- Br. verklaarde dat hij mij via zijn spiegel achter in de bus heeft zien zitten. Ik wil opmerken dat het beeld via de spiegel voor hem gelijk was ingeval ik achter in de auto zat op mijn knie n of ingeval ik op een bankje zat. - Br. had een zaklantaarn bij zich. Als hij zegt dat het zo donker was dat ik mogelijk het bankje niet kon zien, vraag ik me af waarom hij zijn lantaarn niet gebruikte om mij het bankje te laten zien. Hij gebruikte zijn lantaarn immers ook om mijn rijbewijs te bekijken.

- Op het politiebureau deed Br. alleen de deur voor mij open. Hij was toen alleen en niet samen met een andere collega. Ik weet ook niet welke collega dat dan zou zijn. In ieder geval niet O., want Br. en ik stonden aan de achterzijde van het politiebureau en O. stond aan de voorzijde van het bureau. O. bevestigt dit ook in zijn verklaring. Ik wil het volgende opmerken over de verklaring van Bl.:- Ik vertelde BL. waar ik woonde. Hij wist dus waar ik woonde. Wat hij hierover verklaart, is niet juist. - Bl. heeft wel degelijk gezegd dat ik geen medicijnen nodig had. - Ik ben geen probleemfiguur. Hiervoor heeft de politie ook geen bewijs. Mogelijk dat ze mij verwarren met een verslaafd familielid. Ik heb zelf in 1994 voor de politie in Tilburg gewerkt – zonder problemen - als salarisadministrateur. Maar al was ik wel een probleemfiguur, dan nog moet Bl. onafhankelijk van de opmerkingen van de agenten de feiten bekijken. Hij had zich als hulpofficier van justitie onafhankelijk/neutraal moeten opstellen."

Beoordeling

I. . InleidingVerzoeker is op 13 september 1997 bij een verkeerscontrole door politieambtenaren van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant aangehouden door politieambtenaar Br. ter zake van opzettelijke belediging van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Verzoeker was op dat moment als taxichauffeur aan het werk. Vervolgens heeft Br. verzoeker in een apart afgesloten gedeelte van een politiebus - bedoeld voor het vervoer van arrestanten - overgebracht naar het politiebureau van het team Centrum te Tilburg. In dit gedeelte van de bus is een klapstoel gemonteerd, waarop de arrestanten kunnen zitten. Politieambtenaar O. die met Br. de verkeerscontrole had uitgevoerd, heeft gelijktijdig de auto van verzoeker overgebracht naar het politiebureau. II. Ten aanzien van het niet aanbieden van een zitplaats aan verzoeker bij het vervoer 1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat hem geen zitplaats is aangeboden bij het vervoer naar het politiebureau. Volgens verzoeker is alleen Br. erbij aanwezig geweest toen hij in de arrestantenruimte van het busje stapte. In dit gedeelte van de bus heeft verzoeker geen klapstoel gezien, omdat het op de plaats waar hij instapte donker was. Tijdens de rit heeft verzoeker ook geen

klapstoel gezien, omdat hij niet om zich heen heeft gekeken. Omdat Br. boos was, heeft verzoeker hem ook niet om een zitplaats gevraagd. Br. heeft schokkerig gereden en verzoeker is heen en weer geschud in de arrestantenruimte. Tijdens het vervoer heeft verzoeker op zijn knie n gezeten en heeft hij zich aan ijzerwerk in de bus vastgehouden om vallen te voorkomen.2. De beide politieambtenaren stellen op verschillende momenten (zie De feiten onder 6., Het standpunt van de beheerder van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant onder 4. en 5., Verklaring betrokken ambtenaar Br. en Verklaring betrokken ambtenaar O.) dat zij beiden erbij hebben gestaan toen verzoeker in de bus stapte en dat door n van hen een klapstoel voor verzoeker naar beneden is geklapt, waarna verzoeker daarop is gaan zitten. Br. verklaarde dat het op de plaats waar verzoeker instapte donker was, zodat verzoeker waarschijnlijk de klapstoel niet kon zien. O. verklaarde dat het op die plaats wel donker was, maar dat verzoeker bij het licht van de openbare straatverlichting de stoel had kunnen zien. Br. stelt dat verzoeker ook tijdens de rit naar het politiebureau - waarbij hij met rustige rijstijl reed - op die stoel is blijven zitten.3. De lezingen van de betrokken ambtenaren en verzoeker staan tegenover elkaar ten aanzien van de vraag of de ambtenaren verzoeker een zitplaats hebben aangeboden. Uit het onderzoek zijn onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan n van de lezingen aannemelijker is dan de andere. Dit leidt ertoe dat de Nationale ombudsman op dit punt geen oordeel kan geven over de onderzochte gedraging.III. . Ten aanzien van de opmerking van Br. "Het is altijd wat met jullie"1. Verzoeker klaagt er verder over dat tijdens het vervoer naar het politiebureau Br. tegen hem heeft gezegd: "Het is altijd wat met jullie" zonder dat Br. - daarnaar gevraagd - deze opmerking heeft toegelicht. Br. heeft verklaard dat hij tijdens de rit naar het politiebureau niet heeft gesproken tegen verzoeker.2. De lezingen van verzoeker en van Br. staan ook op dit punt tegenover elkaar. Uit het onderzoek zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan n van beide lezingen aannemelijker is dan de andere. Dit leidt ertoe dat de Nationale ombudsman ook met betrekking tot dit punt geen oordeel kan geven over de onderzochte gedraging.

I. V. Ten aanzien van de medicijnen van verzoeker en het niet waarschuwen van een arts1. Ten slotte klaagt verzoeker erover dat de politie na zijn insluiting op het politiebureau hem niet zijn medicijnen heeft verstrekt en daarna niettegenstaande zijn verzoek geen arts heeft gewaarschuwd.2. Verzoeker heeft verklaard carapati nt te zijn. Na zijn insluiting heeft verzoeker de politie verzocht zijn medicijn tegen cara uit zijn auto te pakken en aan hem te geven. Hij heeft daarbij gezegd dat zijn medicijn in het dashboardkastje of in de kofferruimte  mogelijk in een EHBO-kistje – lag. Hierop hebben O. en Br. de auto van verzoeker grondig doorzocht, onder meer op de door verzoeker aangegeven plaatsen. Zij hebben echter het medicijn niet aangetroffen. Het valt de politie niet te verwijten dat zij het medicijn niet in de auto heeft aangetroffen. In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.3. Nadat verzoeker was gebleken dat de ambtenaren zijn medicijn niet hadden aangetroffen, heeft hij de hulpofficier van justitie Bl. erop gewezen dat zijn medicijn ook thuis lag. Vervolgens heeft Bl. meegedeeld dat hij het medicijn niet bij verzoeker thuis zou (laten) halen. Hierna heeft verzoeker Bl. verzocht een arts te waarschuwen, omdat hij zijn medicijn nodig had in verband met zijn benauwdheid.4. Bl. heeft besloten geen arts ter plaatse te laten komen. Hij heeft zijn besluit gebaseerd op het feit dat hij constateerde dat verzoeker het niet benauwd had of "iets anders mankeerde" en zijn inschatting dat verzoeker snel – binnen een half uur tot een uur - in vrijheid zou worden gesteld. Hierbij is Bl. ervan uitgegaan dat het ter plaatse komen van een arts langer zou duren dan de tijd die nodig was voor het verhoor en het in vrijheid stellen van verzoeker. Hij heeft vervolgens verzoeker bij de voorgeleiding voorgelegd te kiezen tussen direct en snel een verhoor te laten plaatsvinden of het laten komen van een arts, waarbij het een uur kon duren voordat een arts ter plaatse kon zijn. Bl. heeft verklaard dat verzoeker na enige discussie hiermee akkoord was gegaan. Verzoeker heeft verklaard dat hij zich door deze vraag onder druk gezet voelde. Hij was ermee akkoord om geen arts te waarschuwen, omdat hij bang was dat hij anders uren op het politiebureau zou moeten blijven, waarbij hij bang was steeds zieker te worden. Vervolgens heeft Bl. de behandelend ambtenaren opdracht gegeven verzoeker direct te verhoren en hem direct daarna in vrijheid te stellen. Bl. ging er daarbij van uit dat verzoeker binnen een half uur tot een uur in vrijheid zou worden gesteld. Ongeveer een uur na de voorgeleiding is verzoeker in vrijheid gesteld.

5. Op grond van artikel 32, eerste lid van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (verder: ambtsinstructie; zie

Achtergrond

) dient een politieambtenaar met een arts te overleggen indien een ingeslotene medische bijstand behoeft, er bij hem medicijnen zijn aangetroffen of indien de ingeslotene zelf om medische bijstand verzoekt. De ernst van een kwaal of de inschatting van een politieambtenaar over de noodzaak een arts te raadplegen, zijn daarbij geen criteria. Alleen indien een ingeslotene overduidelijk medische problemen voorwendt, kan de politie overleg met een arts nalaten. De politie dient echter grote terughoudendheid te betrachten bij de beoordeling of een ingeslotene medische problemen voorwendt. Bij twijfel moet worden overlegd met een arts.6. Uit het onderzoek komen geen feiten of omstandigheden naar voren op grond waarvan Bl. met voldoende mate van zekerheid had kunnen vaststellen dat verzoeker medische problemen voorwendde. Bl. had in de gegeven situatie binnen korte tijd en op eenvoudige wijze duidelijkheid in de medische situatie van verzoeker kunnen verkrijgen door, in overeenstemming met artikel 32 van de Ambtsinstructie, telefonisch te overleggen met een arts. In dat geval had de arts als medisch deskundige kunnen aangeven of verzoeker medische bijstand of medicijnen nodig had. Hierdoor zou Bl. niet in de situatie zijn gekomen waarin hij zelf een inschatting moest maken van verzoekers medische situatie en had hij de vraag of verzoeker zijn medicijn echt nodig had, niet zelf behoeven te beantwoorden. Bovendien had hij dan verzoeker niet voor de keus behoeven te stellen enige tijd te wachten op een arts of de zaak die nacht snel af te ronden. Een zodanige keuze brengt het onwenselijke risico met zich dat een ingeslotene zich niet vrij voelt in zijn keuze. Gezien het voorgaande is het – anders dan zoals de korpsbeheerder heeft geoordeeld- niet juist dat Bl. niet heeft overlegd met een arts. Uit de verklaringen van verzoeker en Bl. blijkt dat beiden ervan uit zijn gegaan dat verzoeker met zijn vraag aan Bl. een arts te waarschuwen, heeft bedoeld te vragen een arts ter plaatse te laten komen. Of een arts ter plaatse komt voor medische bijstand van een ingeslotene is een beslissing op medische gronden, die moet worden overgelaten aan de arts. De arts kan die beslissing nemen op basis van de informatie die de politie tijdens het voorgenoemde overleg verstrekt en de informatie die een ingeslotene (telefonisch) eventueel zelf verstrekt. De politie heeft echter geen contact opgenomen met een arts en aldus ook niet een arts de gelegenheid geboden zich een oordeel te vormen over de wens van verzoeker een arts ter plaatse te laten komen. Al met al is de onderzochte gedraging op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de ambtenaren van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant, die wordt aangemerkt als een gedraging van beheerder van het regionale politiekorps Midden- en West-Brabant (de burgemeester van Tilburg), is niet gegrond ten aanzien van het niet geven van zijn medicijnen aan verzoeker, en gegrond ten aanzien van het niet waarschuwen van een arts voor verzoeker. Geen oordeel wordt gegeven over de opmerking "Het is ook altijd wat met jullie" en over het niet aanbieden van een zitplaats aan verzoeker bij het vervoer.

Instantie: Regiopolitie Midden- en West-Brabant

Klacht:

Verzoeker tijdens vervoer naar politiebureau geen zitplaats aangeboden; bejegening; na insluiting in cel geen medicijnen gegeven en ondanks verzoek daartoe geen arts gewaarschuwd.

Oordeel:

Geen oordeel