1998/575

Rapport
Op 15 juli 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer G. te Harmelen, met een klacht over een gedraging van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Gouda. Nadat verzoeker nadere informatie had verstrekt, werd naar deze gedraging een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker, die alimentatieplichtig is, klaagt erover dat het LBIO:1.       heeft nagelaten om bij verzoeker aan te geven dat op zijn werkloosheidsuitkering beslag zou worden gelegd; 2.       hem vanaf 1997 ten onrechte 10 % kostenopslag in rekening brengt; 3.       weigert om het op zijn werkloosheidsuitkering gelegde beslag ongedaan te maken, ondanks het feit dat op het moment waarop hij zich tot de Nationale ombudsman wendde (14 juli 1998) de achterstand in de betaling van de kinderalimentatie geheel was voldaan tot en met 31 juli 1998 en verzoeker zich bereid heeft verklaard de alimentatie via het LBIO te voldoen;

Achtergrond

Zie BIJLAGE ONDERZOEK In het kader van het onderzoek werd het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Het LBIO deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A. Feiten1. Bij brief van 3 april 1997 berichtte het LBIO verzoeker als volgt:"...Van mevrouw B. heb ik een verzoek tot inning van de door u verschuldigde alimentatie voor uw kind(eren) ontvangen. Uit de verkregen informatie blijkt het volgende:Bij rechterlijke beslissing d.d. 4 oktober 1995 is bepaald dat u ten behoeve van uw kind(eren) een bedrag moet voldoen van f 700,= in totaal per maand, ingevolge de wettelijke indexering inmiddels verhoogd tot f 707,70 per maand en tot f 719,73 per maand ingaande 1 januari 1997. Deze bijdrage is bij vooruitbetaling verschuldigd. Dat betekent dat de bijdrage op de eerste dag van de maand waarvoor de alimentatie bestemd is, ontvangen moet zijn. De bijdrage is volgens haar ontvangen tot en met 31 augustus 1996. Daaruit blijkt dat u in de afgelopen 6 maanden tenminste 1 maal niet/niet op tijd/niet volledig aan uw onderhoudsverplichting heeft voldaan, op grond waarvan zij conform de wetgeving het recht heeft het LBIO in te schakelen voor de inning. Wanneer ik tot invordering overga, wordt daarbij op grond van de wet een opslag in rekening gebracht van 10% op alle betalingen met een minimum van f 25,00 per maand, onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie. Deze opslag wordt ook berekend over de ontstane achterstand. U heeft thans de gelegenheid om:*                          f binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief aan te tonen dat u de verschuldigde bijdrage wel aan de rechthebbende heeft betaald (met een duidelijke opgave, waarbij de bewijzen van de betaling zijn gevoegd); *                          f wanneer u de verschuldigde bijdrage nog niet aan de rechthebbende heeft betaald, dit alsnog direct te doen. De bewijzen van deze betalingen moeten binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief bij mijn bureau zijn binnengekomen. Als ik deze stukken binnen die termijn niet van u heb ontvangen, zal ik zonder meer overgaan tot invordering van de verschuldigde alimentatie en bovengenoemde opslag. In dat geval zal de invordering door mijn bureau pas worden be indigd nadat u tenminste een half jaar regelmatig heeft betaald aan het LBIO n de achterstand in de betalingen is aangezuiverd. Daarvan zal ook niet worden afgeweken als tussentijds toch overeenstemming met de rechthebbende zou worden bereikt om weer rechtstreeks te gaan betalen.2. Op 12 mei 1997 deelde het LBIO verzoeker het volgende mee:"...De vanaf 1 september 1996 verschuldigde kinderalimentatie is per 30 april 1997 een bedrag van 4 x f 707,70 + 4 x f 719,73 = f 2830,80 + f 2878,92 = f 5709,72. Tevens moet ik u erop wijzen dat de bijdrage voor de maand mei 1997 bij vooruitbetaling is verschuldigd. Van mevrouw B. vernam ik dat u op 7 april 1997 f 711,90 en op 10 april 1997 een bedrag van f 2135,70 hebt voldaan. Hierdoor is de achterstallige kinderalimentatie per 30 april 1997 een bedrag van f 2862,12. Ik verzoek u de achterstallige kinderalimentatie alsnog naar de rekening van mevrouw B. over te maken. Ik verzoek u om een kopie van het bankafschrift of van het stortingsbewijs waaruit blijkt dat de achterstallige kinderalimentatie is voldaan, binnen 14 dagen naar mijn bureau te sturen. Indien ik van u binnen bovengenoemde termijn niet de kopie van het betaalbewijs heb ontvangen, zal ik de inning, vermeerderd met de opslagkosten, alsnog moeten overnemen. (...)"3. In reactie op een brief van verzoekers advocaat schreef het LBIO op 2 juni 1997 aan bedoelde advocaat:"...Naar aanleiding van uw brief van 28 mei 1997 bericht ik u dat het LBIO slechts tot taak heeft voor de inning van de door de rechter opgelegde kinderalimentatie zorg te dragen, zodra daartoe een verzoek is gedaan en er sprake is van 1 maand (gedeeltelijke) achterstand in de betalingen. Het LBIO is in principe niet bevoegd om naar aanleiding van uw brief tussen uw cli nt en mevrouw B. te gaan bemiddelen. Per 1 maart 1994 er een nieuwe wet in werking getreden. Deze wet heeft gevolgen voor de inning van de kinderalimentatie. Ouders moeten de inning zelf regelen. Indien uw cli nt met mevrouw B. een regeling wil treffen over de verschuldigde alimentatie, is uw cli nt daar zelf verantwoordelijk voor. Alleen indien ouders er onderling niet uitkomen, kan een beroep op mijn bureau worden gedaan. Het LBIO heeft de inning nog niet overgenomen en kan slechts een regeling treffen indien de inning door het LBIO wordt verzorgd. In dat geval is (verzoeker; N.o.) ook de wettelijke opslag verschuldigd van 10% over elke betaling. In verband met het bovenstaande verzoek ik u binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief naar mijn bureau toe te sturen:-        f een kopie van het betaalbewijs dat de achterstallige alimentatie zoals gevraagd in de brief van 12 mei 1997 alsnog aan mevrouw B. is voldaan. -        f een bewijs van een met mevrouw B. getroffen betalingsregeling. In dat verband wijs ik u erop dat als er met mevrouw B. een betalingsregeling wordt getroffen en (verzoeker; N.o.) zou niet voldoen aan zijn verplichtingen uit de betalingsregeling, mevrouw B. het LBIO alsnog kan verzoeken om de achterstallige alimentatie te innen. Indien ik binnen de gevraagde termijn geen reactie van u heb ontvangen, zal ik alsnog de inning over moeten nemen, vermeerderd met opslagkosten. (...)" Bij brief van gelijke datum zond het LBIO verzoeker een kopie toe van bovengenoemde brief van 2 juni 1997.4. Bij brief van 4 juli 1997 liet het LBIO verzoeker het volgende weten:         "...In vervolg op de u in kopie toegezonden brief d.d. 02 juni jl., bericht ik u dat u niet of niet tijdig (binnen 14 dagen) heeft aangetoond dat u de verschuldigde bijdrage wel aan de rechthebbende heeft betaald. Daarom zal ik nu gevolg geven aan het incassoverzoek en bent u op grond van de wet verplicht om de verschuldigde onderhoudsbijdrage voor uw kind(eren) over de hieronder nader vermelde periode aan het LBIO te voldoen. Daarvan wordt niet afgeweken als tussentijds toch overeenstemming met de rechthebbende zou worden bereikt om weer rechtstreeks te gaan betalen. Op grond van de rechterlijke beslissing d.d. 04 oktober 1995 bent u thans een bedrag van f 719,74 per maand verschuldigd. Daarbij wordt u op grond van de wet een opslag in rekening gebracht van f 71,97 per maand. Uw lopende maandelijkse verplichting bedraagt dus nu f 791,71. Tot en met 31 juli 1997 bereken ik een achterstand in uw betalingen van f 5.021,34 plus f 502,13 aan opslag, is in totaal f 5.523,47. Ik verzoek u met klem om dit bedrag per omgaande naar het LBIO over te maken. Bijgaand treft u een acceptgirokaart aan voor bovenstaand bedrag. Vervolgens zullen u maandelijks acceptgirokaarten worden toegezonden. De bijdrage bent u steeds bij vooruitbetaling verschuldigd, zodat deze op de eerste dag van de maand waarvoor de alimentatie

is bestemd door het LBIO ontvangen moet zijn. Conform de wet zal de inning door het LBIO pas worden be indigd nadat u ten minste een half jaar regelmatig (iedere maand) aan het LBIO heeft betaald, waarbij de achterstand dan geheel aangezuiverd moet zijn. Vervolgens wordt van u verwacht dat u aansluitend de betaling van de volgende termijnen rechtstreeks aan de rechthebbende bij vooruitbetaling voldoet. (...)."5. Op 10 november 1997 legde het LBIO loonbeslag onder verzoekers toenmalige werkgever (sterk vereenvoudigd derdenbeslag) door middel van een kennisgeving als bedoeld in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv; zie ACHTERGROND, onder 5). Dit beslag had betrekking op de achterstallige alimentatie tot en met 30 november 1997 (ƒ 3220,81) vermeerderd met de opslagkosten en de komende maandtermijnen van de lopende alimentatie vanaf december 1997 vermeerderd met de opslagkosten. Omdat verzoeker per 1 december 1997 niet meer werkzaam was bij bedoelde werkgever sorteerde dit beslag slechts effect in de maand november 1997.6. Bij brief van 21 april 1998 verzocht verzoekers advocaat aan het LBIO om geen verdere incassomaatregelen te treffen en de inning (in elk geval voorlopig) stop te zetten, gelet op verzoekers financi le situatie en het door hem namens verzoeker op 22 april 1998 bij de rechtbank te Utrecht in te dienen verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie met ingang van 9 maart 1998, vanaf welke datum verzoeker werkloos was geworden en een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) genoot.7. Bij brief van 28 april 1998 reageerde het LBIO op dit verzoek:"...U zendt mijn bureau een kopie van het door u ingediende verzoekschrift tot wijziging/nihilstelling van de alimentatiebijdrage. U verzoekt mijn bureau om de inning op te schorten. Hier kan mijn bureau echter niet zelf over beslissen. Om deze reden heb ik per gelijke post de ontvangstgerechtigde aangeschreven met het verzoek mijn bureau mede te delen of zij akkoord gaat met opschorting van de inning tot de rechter een nieuwe uitspraak heeft gedaan. Zodra ik een reaktie van de ontvangstgerechtigde heb ontvangen, zal ik u hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte stellen. (...)"8. Op 12 mei 1998 deelde het LBIO verzoeker mee dat het LBIO van de ontvangstgerechtigde het bericht had ontvangen dat zij niet akkoord ging met opschorting van de inning tot het moment van de beslissing door de rechtbank op het verzoek tot nihilstelling. Het LBIO berichtte tevens dat het zich genoodzaakt zag om door te gaan met innen "(...) en indien mogelijk over te gaan tot het nemen van incassomaatregelen (...)".9. Door middel van een kennisgeving (gedateerd 12 mei 1998) als bedoeld in artikel 479g Rv legde het LBIO beslag onder het Landelijk instituut sociale verzekeringen/Gak Nederland BV op verzoekers WW-uitkering. Het beslag had betrekking op de achterstallige alimentatie tot en met 31 mei 1998 (ƒ 2349,98) vermeerderd met de opslagkosten en de komende maandtermijnen van de lopende alimentatie vanaf juni 1998 vermeerderd met opslagkosten. Het LBIO zond bij brief van 9 juni 1998 aan verzoeker een kopie van de op 8 juni 1998 van Gak Nederland BV ontvangen voor "gezien" getekende kennisgeving. Met ingang van de maand juni heeft Gak Nederland BV in verband met het beslag bedragen ingehouden op verzoekers uitkering.10. Op 2 juli 1998 betaalde verzoeker rechtstreeks aan het LBIO een bedrag van ƒ 2715,31. Bij faxen van 3 en 14 juli 1998 verzocht hij het LBIO het derdenbeslag op te heffen.11. Na een tussenbericht van 17 juli 1998 liet het LBIO verzoeker bij brief van 20 juli 1998 het volgende weten:"...Naar aanleiding van de ontvangst van uw faxen, bericht ik u als volgt. De door u gedane betaling ad. f 2715,31 heeft mijn bureau inmiddels ontvangen en verwerkt in de administratie. De totale betalingsachterstand tot en met 31.07.1998 is door middel van deze betaling geheel voldaan. Per gelijke post heb ik dan ook uw uitkeringsinstantie verzocht het beslag te verlagen naar de maandelijkse bijdrage + opslagkosten = f 809,93 p.m. (...). Tot op heden heeft mijn bureau in de maand juli nog geen afdracht van uw uitkeringsinstantie ontvangen. Na ontvangst van hun afdracht zal zo spoedig mogelijk het te veel ontvangen bedrag naar u worden geretourneerd. Zoals ook telefonisch is meegedeeld, zal het loonbeslag niet worden opgeheven. Pas als u heeft voldaan aan de wettelijke eisen, zal mijn bureau het loonbeslag opheffen en uw dossier be indigen. De twee wettelijke eisen waaraan u moet voldoen alvorens mijn bureau uw dossier moet afsluiten, zijn:         de totale betalingsachterstand moet zijn voldaan;          mijn bureau moet minimaal zes maanden achtereenvolgens minimaal de maandelijkse bijdrage hebben ontvangen. (...)"12. Bij beschikking van 14 oktober 1998 besliste de rechtbank te Utrecht op verzoekers verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie. De rechtbank bepaalde de bijdrage voor minderjarigen per kind per maand op ƒ 250 vanaf 9 maart 1998.13. Verzoekers raadsman stuurde een kopie van deze beschikking aan het LBIO. Op 27 oktober 1998 had verzoeker een telefonisch onderhoud met n van de medewerkers van het LBIO. Naar aanleiding van dit onderhoud berichtte het LBIO verzoeker bij brief van 28 oktober 1998 dat het LBIO Gak Nederland BV had verzocht om het beslag op verzoekers uitkering te be indigen. Bij brief van gelijke datum verzocht het LBIO Gak Nederland BV om het beslag te be indigen per 1 november 1998.14. Bij brieven van 11 november 1998 informeerde het LBIO zowel verzoeker als de alimentatiegerechtigde over de gevolgen van bovengenoemde beschikking voor de nog door hen te betalen en/of te ontvangen bedragen aan alimentatie en opslagkosten. B. Standpunt verzoeker Het standpunt van verzoeker is kort samengevat weergegeven onder

Klacht

. Verzoeker voerde voorts aan van mening te zijn dat hij door het beslag werd gehinderd bij het solliciteren naar financi le functies. Verzoeker is "controller" van beroep. Het beslag weerhield volgens hem potenti le werkgevers om hem aan te nemen.C. Standpunt Landelijk Bureau Inning OnderhoudsbijdragenIn reactie op de klacht en de door de Nationale ombudsman gestelde vragen deelde het LBIO bij brief van 20 oktober 1998 het volgende mee:"...Met de brief van het LBIO van 4 juli 1997 werd (verzoeker; N.o.) ervan in kennis gesteld dat mijn bureau de inning van de kinderalimentatie overnam. (...). Op 13 februari 1997 richtte mevrouw B. het verzoek aan het LBIO

om de inning van de kinderalimentatie over te nemen. In de brief van het LBIO (van 3 april 1997; N.o.) werd (verzoeker; N.o.) van haar inningsverzoek in kennis gesteld. Tevens werd hij verzocht binnen 14 dagen na dagtekening van genoemde brief door middel van betaalbewijzen aan te tonen dat hij de achterstallige kinderalimentatie wel of alsnog aan mevrouw B. voldeed. Met de brief van 12 mei 1997 werd hij voor de tweede maal in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen aan te tonen dat hij de achterstallige alimentatie alsnog aan zijn gewezen echtgenote voldeed. In de tussentijd ging de raadsman van (verzoeker; N.o.) (...), een discussie met het LBIO aan in verband met de overname van de inning van kinderalimentatie door het LBIO. Op 2 juni 1997 werd een kopie van de brief van het LBIO aan de (raadsman; N.o.) naar (verzoeker; N.o.) gezonden. Hierbij werd hij voor de derde maal in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen aan te tonen dat hij de achterstallige bijdrage aan zijn gewezen echtgenote voldeed. Omdat ook aan dit verzoek niet werd voldaan nam het LBIO op grond van de wet, artikel 408 boek BW, de inning van de kinderalimentatie over. Met de brief van 4 juli 1997 werd (verzoeker; N.o.) daarvan in kennis gesteld, met het verzoek de door hem verschuldigde bedragen aan het LBIO te voldoen. Overeenkomstig de wet (zie voornoemd wetsartikel) zal mijn bureau de overname van de inning van de kinderalimentatie eerst dan be indigen:- wanneer er minimaal 6 maanden aaneensluitend aan het LBIO is betaald; - er geen sprake meer is van achterstallige alimentatie; - de door (verzoeker; N.o.) verschuldigde opslagkosten zijn voldaan (zie lid 3 van genoemd wetsartikel). Betrokkene werd er in de brief van 4 juli 1997, alinea 1, tevens op gewezen dat van de inning van de alimentatie (vermeerderd met de opslagkosten) niet wordt afgeweken, als hij tussentijds toch overeenstemming met mevrouw B. mocht bereiken om weer rechtstreeks aan haar zelf te betalen. Ingevolge de wet is de overname van de inning van de kinderalimentatie niet vrijblijvend. Zie in dat verband lid 6 van artikel 408, boek 1 BW. Vanaf de overname van de inning van de kinderalimentatie door mijn bureau, is (verzoeker; N.o.) ook opslagkosten verschuldigd over betalingen die hij toch nog rechtstreeks aan mevrouw B. heeft verricht. Met andere woorden, hij is 10% opslagkosten (met een minimum van fl. 25,= per maand) verschuldigd over de door hem verschuldigde maandelijkse alimentatie gedurende de gehele periode dat de inning van de bijdrage via mijn bureau dient te lopen. Mijn bureau heeft beslag gelegd uit het loon c.q. de uitkering van (verzoeker; N.o.) middels "kennisgevingen" ingevolge artikel 479-g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het LBIO heeft beslag gelegd op het loon/salaris van (verzoeker; N.o.) middels de "kennisgeving" van 10 november 1997. Een afschrift van de kennisgeving werd 24 november 1997 per aangetekende brief naar betrokkene verzonden. Middels de "kennisgeving" van 12 mei 1998 legde het LBIO beslag op de uitkering van betrokkene. Een afschrift van de kennisgeving werd op 9 juni 1998 naar (verzoeker; N.o.) verzonden. Het beslag van 10 november 1997 heeft betrekking op de achterstallige alimentatie tot en met 30 november 1997 vermeerderd met de opslagkosten en de komende maandtermijnen van de lopende alimentatie vanaf december 1997 vermeerderd met de opslagkosten. Het beslag van 12 mei 1998 heeft betrekking op de achterstallige alimentatie tot en met 31 mei 1998 vermeerderd met de opslagkosten en de komende maandtermijnen van de lopende alimentatie vanaf juni 1998 vermeerderd met de opslagkosten. (De advocaat; N.o) van (verzoeker; N.o.), verzocht het LBIO op 21 april 1998 geen incassomaatregelen tegen zijn cli nt te treffen. In verband hiermee werd mevrouw B. verzocht mijn bureau te berichten of zij akkoord kon gaan met opschorting van de inning van de kinderalimentatie. Zie hiervoor tevens de brief (...) van 28 april 1998. Mevrouw B. ging echter niet akkoord met het opschorten van het invorderen van de alimentatie. (Verzoekers advocaat; N.o.) werd daarvan in kennis gesteld met de brief van het LBIO van 12 mei 1998, waarbij tevens incassomaatregelen tegen zijn cli nt werden aangekondigd. Bij herhaling wees het LBIO (verzoeker; N.o.) erop dat hij zijn betalingen niet rechtstreeks aan mevrouw B. diende te verrichten maar aan het LBIO. Ook na de brief aan zijn advocaat van 12 mei 1998, bleven zijn betalingen aan mijn bureau uit. Eerst na het rechtmatig gelegde beslag op zijn uitkering bleek hij wel bereid te zijn om uit eigen beweging aan het LBIO te betalen. Op 2 juli 1998 ontving mijn bureau het bedrag van fl. 2.715,31 van (verzoeker; N.o.), waarmee de door hem verschuldigde bedragen tot en met 31 juli 1998 aan het LBIO werden voldaan. Vervolgens verzocht hij het LBIO om het beslag op zijn uitkering op te heffen. Het stadium van discussies met (verzoeker; N.o.) om zelf via het LBIO aan zijn betalingsverplichting te voldoen was echter gepasseerd. Na het verzoek van 4 juli 1997 om zijn betalingen aan mijn bureau te verrichten en het in werking treden van beslag op zijn uitkering op 9 juni 1998, was de betaling van 2 juli 1998 de eerste betaling die hij zelf aan het LBIO voldeed. Het LBIO kan in dat verband verweten worden dat er niet in een eerder stadium beslag op zijn uitkering werd gelegd. Mijn bureau heeft de wettelijke taak om de door (verzoeker; N.o.) verschuldigde kinderalimentatie vermeerderd met de opslagkosten te vorderen, zoals dat is beschreven op de tweede bladzijde van deze brief, alinea twee. Dat de betalingsachterstand tot en met 31 juli 1998 per eenmalige betaling werd voldaan was voor het LBIO geen reden om het beslag op de uitkering in te trekken, omdat (verzoeker; N.o.) niet het vertrouwen geniet dat hij zijn toezegging om zijn betalingen nog vijf maanden langer stipt aan mijn bureau voort te zetten, ook daadwerkelijk zal nakomen. Dit is de werkwijze van het LBIO ten aanzien van alle alimentatieplichtigen die vanwege achterstallige kinderalimentatie via het LBIO de maandelijkse termijnen dienen te betalen en waarvoor beslaglegging noodzakelijk bleek. Voor de noodzaak van het handhaven beslag op de uitkering van betrokkene verwijs ik u naar de vorenstaande alinea. (Verzoeker; N.o.) heeft niet het vertrouwen van het LBIO dat hij zijn toezeggingen zal/zou nakomen. In de tussentijd werd middels het beslag op de uitkering van betrokkene bij mijn bureau ontvangen:16-07-1998 fl. 1.489,52. Volgens afspraak werd dit bedrag op 22 juli 1998 door het LBIO aan (verzoeker; N.o.) terugbetaald. Vervolgens werd bij het LBIO geboekt. 13-08-1998 fl. 747,64 waarvan fl.679,67 alimentatie en fl. 67,97 opslagkosten; 10-09-1998 fl. 747,64 waarvan fl.679,67 alimentatie en fl. 67,97 opslagkosten; 12-10-1998 fl. 747,64 waarvan fl.679,71 alimentatie en fl. 67,93 opslagkosten. Tot en met 31 oktober 1998 staat er nog een saldo op (verzoeker; N.o.) open van fl. 186,87, waarvan fl. 169,89 lopende alimentatie en fl. 16,98 opslagkosten. De lopende maandelijkse bijdrage voor de maand november 1998 bedraagt fl. 736,30 kinderalimentatie vermeerderd met 10% opslagkosten fl. 73,63 = fl. 809,93. GAK Nederland BV te Utrecht werd op 20 juli 1998 door het LBIO verzocht om de inhoudingen op de uitkering van (verzoeker; N.o.) voort zetten op basis van fl. 809,93 per maand. De kinderalimentatie dient ingevolge de alimentatiebeschikking van 4 oktober 1995 steeds per de eerste van iedere maand te zijn voldaan (derhalve bij vooruitbetaling per maand). Het beslag op de uitkering van (verzoeker; N.o.) zal worden opgeheven zodra er geen sprake meer is van een achterstallige alimentatie en de opslagkosten volledig zijn voldaan. Ik ga ervan uit dat (verzoeker; N.o.) op korte termijn zijn alimentatiebetalingen rechtstreeks aan mevrouw B. kan hervatten..."

Beoordeling

I. InleidingVerzoeker klaagt over de handelwijze van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Gouda ter zake van de inning van door hem verschuldigde alimentatiegelden.II. . Ten aanzien van het informeren van verzoeker voorafgaand aan de invordering1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat het LBIO heeft verzuimd om hem omtrent zijn positie te informeren voordat het LBIO overging tot invordering, in het bijzonder tot het leggen van derdenbeslag onder Gak Nederland BV op zijn WW-uitkering.2. Bij brief van 3 april 1997 deelde het LBIO verzoeker mee van zijn voormalige echtgenote een verzoek te hebben ontvangen tot inning van de door hem verschuldigde alimentatie voor zijn kinderen. Hierbij stelde het LBIO verzoeker in de gelegenheid om binnen 14 dagen aan te tonen dat hij de verschuldigde bijdrage had betaald, dan wel om de door hem verschuldigde bijdrage alsnog binnen die termijn te voldoen. Indien verzoeker hieraan niet zou voldoen, zou het LBIO tot invordering overgaan. Het LBIO gaf hierbij aan dat het verzoeker in dat geval een opslag in rekening zou brengen van 10% op alle betalingen. Tevens wees het LBIO op de mogelijkheid van gerechtelijke vervolging en executie en de daarmee gepaard gaande kosten, die in voorkomend geval eveneens voor rekening van verzoeker zouden komen. Ook liet het LBIO verzoeker weten dat het de invordering zou be indigen indien hij tenminste een half jaar regelmatig zou hebben betaald aan het LBIO en de achterstand in de betalingen zou zijn aangezuiverd. Ook bij brieven van 12 mei en 2 juni 1997 informeerde het LBIO verzoeker over de gevolgen van invordering door het LBIO. Tevens werd door het LBIO het bedrag aan achterstallige kinderalimentatie genoemd. Bovendien werd verzoeker wederom in de gelegenheid gesteld om het door hem verschuldigde te voldoen.3. Gezien het voorgaande staat vast dat het LBIO verzoeker heeft ge nformeerd over zijn positie voordat het (bij brief van 4 juli 1997) overging tot invordering. Hiermee is voldaan aan artikel 1:408, vijfde lid, BW (zie ACHTERGROND, onder 2). Na het loonbeslag onder verzoekers toenmalige werkgever gaf het LBIO - naar aanleiding van een verzoek van verzoekers advocaat tot opschorting van de incasso in verband met het verzoek aan de rechtbank tot nihilstelling van de kinderalimentatie - bij brief van 12 mei 1997 onder opgave van redenen aan door te gaan met de inning en (indien mogelijk) over te gaan tot het nemen van incassomaatregelen.4. Gelet op al het bovenstaande heeft het LBIO, alvorens over te gaan tot invordering, waaronder ook het leggen van derdenbeslag onder Gak Nederland BV op verzoekers WW-uitkering, verzoeker voldoende over zijn positie ge nformeerd. In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.III. . Ten aanzien van het in rekening brengen van 10% kostenopslag1. Verzoeker klaagt er voorts over dat het LBIO hem vanaf 1997 ten onrechte 10% kostenopslag in rekening brengt.2. Op grond van artikel 1:408, derde lid, BW in samenhang met artikel 1 van het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties (zie ACHTERGROND, onder 4) wordt de alimentatieplichtige in verband met kosten die het LBIO bij de invordering van kinderalimentaties heeft gemaakt een kostenopslag in rekening gebracht van 10% van het bedrag van de uitkering. Deze kostenopslag is verschuldigd gedurende de periode waarin het LBIO de kinderalimentatie invordert (al dan niet door middel van vereenvoudigd derdenbeslag).3. Op 4 juli 1997 is het LBIO tot invordering overgegaan en vanaf dit moment is verzoeker conform de regelgeving een 10% kostenopslag in rekening gebracht. Verzoeker was overigens meerdere malen door het LBIO op de aan de invordering door het LBIO verbonden kostenopslag gewezen alvorens het LBIO tot invordering overging. Ook in zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.I. V. Ten aanzien van het opheffen van het beslag1. Verzoeker klaagt er ten slotte over dat het LBIO, nadat verzoekers achterstand in de kinderalimentatie tot en met 31 juli 1998 geheel was voldaan, weigerde om het op zijn WW-uitkering gelegde beslag op te heffen, ondanks het feit dat verzoeker bereid was om de volgende alimentatietermijnen zelf aan het LBIO te voldoen.2. Op grond van artikel 1:408, zesde lid, BW eindigt de invordering die op verzoek van de onderhoudsgerechtigde geschiedt slechts, indien gedurende tenminste een half jaar regelmatig is betaald aan het LBIO en er geen betalingsachterstand meer is. Uit de MvT bij het wetsvoorstel "Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering" (zie

Achtergrond

, onder 3) blijkt dat de wetgever heeft bepaald dat in verband met de bescherming van de kwetsbare belangen van het kind de inning van de kinderalimentatie (door het LBIO) niet gemakkelijk moet kunnen worden be indigd. De bufferfunctie van de inningsinstantie zou anders worden gefrustreerd. Verzoeken tot be indiging van de inning kunnen verband houden met het feit dat de wanbetalende alimentatieplichtige, toch liever rechtstreeks betaalt gezien de aan de inning door de inningsinstantie verbonden kosten.3. Op het moment dat verzoeker zijn achterstand tot en met 31 juli 1998 voldeed (in juli 1998) was er geen sprake van het gedurende een half jaar regelmatig betalen van de kinderalimentatie. Pas in de maand juni (eerste inhouding door Gak Nederland BV) werd er een begin gemaakt aan regelmatige betaling. Op grond van de wet kon het LBIO de invordering daarom op dat moment (nog) niet be indigen. Algemeen gesproken kan invordering door het LBIO echter op meerdere wijzen gebeuren. E n daarvan is invordering door middel van vereenvoudigd derdenbeslag. Een andere wijze is invordering door middel van betaling door de alimentatieplichtige zelf aan het LBIO. Invordering geschiedt dus in het algemeen niet noodzakelijkerwijze door middel van beslag.4. In het feit dat de betalingsachterstand tot en met 31 juli 1998 per eenmalige betaling was voldaan, zag het LBIO geen reden om het beslag op de WW-uitkering op te heffen. Verzoeker genoot niet het vertrouwen van het LBIO dat hij zijn toezegging om zijn betalingen nog gedurende vijf maanden aan het LBIO voort te zetten ook daadwerkelijk zou nakomen. Gelet op het feit dat verzoeker in de periode die voorafging aan het leggen van het beslag op zijn WW-uitkering niet of nauwelijks tot betaling van de door hem verschuldigde kinderalimentatie bereid bleek, hetgeen nu juist voor het LBIO aanleiding was om dit beslag te leggen, waarna verzoeker zijn achterstand tot en met 31 juli 1998 voldeed, was het niet ten onrechte dat het LBIO twijfelde aan het nakomen van bovenbedoelde toezegging door verzoeker. Het beslag op de WW-uitkering vormde daarentegen een garantie voor de voortduring van een regelmatige betaling van de kinderalimentatie, welk belang artikel 1:408, zesde lid, BW beoogt te beschermen.5. Verder geldt dat niet op voorhand aannemelijk is dat het beslag de door verzoeker bedoelde nadelige gevolgen (het niet kunnen vinden van een nieuwe baan in de functie van "controller" omdat potenti le werkgevers door het beslag worden afgeschrikt) had. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een verband bestond tussen het beslag en het niet kunnen vinden van een nieuwe baan.6. Gelet op hetgeen hierboven onder 5. is overwogen, alsmede op het feit dat het door verzoeker voor het laten voortduren van het beslag aangedragen alternatief (het zelf stipt betalen van de kinderalimentatie aan het LBIO) niet voldoende zekerheid bood, heeft het LBIO niet onjuist gehandeld door het beslag niet op te heffen. In dit verband kan worden gewezen op de artikelen 479d en 438 Rv, die het verzet door de ge xecuteerde bij de burgerlijke rechter tegen beslag regelen. In deze procedure speelt de vraag of wel of geen zekerheid wordt gesteld een belangrijke rol bij de beantwoording van de vraag of een beslag wordt opgeheven (zie ACHTERGROND, onder 5). De onderzochte gedraging is op dit punt eveneens behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen te Gouda is niet gegrond. BIJLAGE

Achtergrond

1.Tot 1 januari 1997 was het LBIO te Gouda een onderdeel van de raad voor de kinderbescherming te 's-Gravenhage. Per 1 januari 1997 is het LBIO een zelfstandig bestuursorgaan (Wet LBIO van 23 maart 1995, Stb. 198).2. Burgerlijk WetboekArtikel 1:408, eerste tot en met zesde lid:"1. Een uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, waarvan het bedrag in een rechterlijke beslissing, daaronder begrepen de beslissing op grond van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is vastgelegd, wordt ten behoeve van het minderjarige aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt of aan de voogd onderscheidenlijk aan de meerderjarige betaald.2. Op verzoek van een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid, van een onderhoudsplichtige dan wel op gezamenlijk verzoek van een gerechtigde en onderhoudsplichtige neemt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de invordering van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau. De overhandiging daarvan machtigt het Bureau tot het doen van de invordering, zo nodig door middel van executie.3. Kosten van invordering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen worden verhaald op de onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie. Het verhaal van kosten vindt plaats door wijziging van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.4. Tot invordering op verzoek van een onderhoudsgerechtigde wordt slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter gelegenheid van de indiening van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek de onderhoudsplichtige ten aanzien van ten minste n periodieke betaling tekort is geschoten in zijn verplichtingen. In deze gevallen geschiedt de invordering van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.5. Alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan wordt de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de reden daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten van invordering. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt bevoegd tot invordering over te gaan op de veertiende dag na de verzending van de brief.6. De invordering die op verzoek van de onderhoudsgerechtigde geschiedt, eindigt slechts, indien gedurende ten minste een half jaar regelmatig is betaald aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en er geen bedragen meer verschuldigd zijn als bedoeld in het vierde lid, tweede volzin. De termijn van een half jaar wordt telkens verdubbeld, indien een voorgaande termijn van invordering ook op verzoek van de onderhoudsgerechtigde was aangevangen."3.De Memorie van toelichting (MvT) bij het wetsvoorstel "Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de advisering over en inning van kinderalimentaties" (TK, 1992-1993, 23038, nr.3.) vermeldt met betrekking tot de inningstaak onder meer het volgende:"Algemeen wordt deze taak beschouwd als een wezenlijke taak van de overheid, een primaire zorg om kwetsbare belangen in de samenleving, namelijk die van kinderen, te beschermen. Er bestaat weinig vertrouwen dat ouders na een echtscheiding in voldoende mate deze kwetsbare belangen zelf zullen beschermen. In dat geval is optreden van de overheid gerechtvaardigd. Een inningsinstantie zoals de raad voor de kinderbescherming, vervult in dit opzicht een bufferfunctie." (p. 3) In de MvT wordt ten aanzien van de be indiging van de inning door de raad voor de kinderbescherming onder meer het volgende opgemerkt:"De inning door de raad die op verzoek van de alimentatieplichtige geschiedt kan te allen tijde worden be indigd. Inning op gezamenlijk verzoek kan op verzoek van beiden of van een van hen worden be indigd. De inning die op het enkele verzoek van de gerechtigde geschiedt wordt niet zomaar be indigd. Dat zou ertoe kunnen leiden dat zodra de inning door de raad op zich is genomen, er een verzoek tot be indiging binnen kan komen, aangezien de wanbetaler de aan de inning verbonden kosten niet wil voldoen. Hij betaalt liever rechtstreeks. Op deze wijze zou de bufferfunctie van de raad die juist in deze gevallen moet werken, kunnen worden gefrustreerd. Daarom is bepaald dat een dergelijk verzoek eerst na zes maanden regelmatige inning via de raad wordt ingewilligd, als er dan ten minste geen achterstand is die ook nog moet worden betaald. Vervalt de alimentatieplichtige daarna weer in de oude gewoonte van wanbetaling en neemt de raad de inning opnieuw op zich, dan wordt deze termijn verdubbeld. Het maakt in deze gevallen niet uit wie het verzoek tot be indiging doet. Ook als de be indiging op gezamenlijk verzoek van alimentatieplichtige en –gerechtigde of op verzoek van de gerechtigde geschiedt wordt deze eerst na verloop van zekere tijd van regelmatige inning be indigd. Op zichzelf zou het niet onlogisch zijn om de invordering die op verzoek van de gerechtigde geschiedt op zijn verzoek te be indigen. Dit is niet voorgesteld om te voorkomen dat de verplichte de gerechtigde onder druk zet om een verzoek tot be indiging te doen en hij of zij er op die manier gemakkelijk zou kunnen afkomen." (P. 5).4. Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties(Amvb van 17 november 1993, Stb. 604) Artikel 1:1. Onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie, geschiedt het verhaal van kosten van invordering van uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie door verhoging van de uitkering, zoals deze in een rechterlijke beslissing is vastgelegd, met een bedrag per maand van vijfentwintig gulden dan wel ntiende deel van de uitkering, indien dat deel meer is dan vijfentwintig gulden.2. Indien door een onderhoudsgerechtigde of door een onderhoudsplichtige ten behoeve van meer dan n minderjarige of meerderjarige die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt, een verzoek tot invordering van de uitkering is gedaan, wordt het verhaal van kosten overeenkomstig het eerste lid berekend over het totale bedrag van de uitkeringen" 5. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Artikel 438, eerste en tweede lid:"1. Geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn, of in welker rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden.2. Tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad kan het geschil ook worden gebracht in kort geding voor de president van de volgens het eerste lid bevoegde rechtbank. Onverminderd zijn overige bevoegdheden kan de president desgevorderd de executie schorsen voor een bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist, dan wel bepalen dat de executie slechts tegen zekerheidstelling mag plaatsvinden of worden voortgezet. Hij kan beslagen, al of niet tegen zekerheidstelling, opheffen. Hij kan gedurende de executie herstel bevelen van verzuimde formaliteiten met bepaling welke op het verzuim gevolgde formaliteiten opnieuw moeten worden verricht en te wiens laste de kosten daarvan zullen komen. Hij kan bepalen dat een in het geding geroepen derde de voortzetting van de executie moet gedogen dan wel zijn medewerking daaraan moet verlenen, al dan niet tegen zekerheidstelling door de executant." Artikel 479b: "Het beslag tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud, krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of bij wijze van voorlopige voorziening in verband met een scheidingsgeding verschuldigd, daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding van een minderjarige alsmede het beslag tot verhaal van een uitkering krachtens artikel 85, tweede lid van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek door de man aan de vrouw verschuldigd, worden, indien de beslagen gelegd worden op loon of andere periodieke uitkeringen, welke de ge xecuteerde van een derde te vorderen mocht hebben, gelegd en vervolgd op de wijze en met de gevolgen in de vorige afdeling bepaald, voor zover daarvan in deze afdeling niet is afgeweken." Artikel 479d: "De ge xecuteerde kan te allen tijde overeenkomstig artikel 438 verzet instellen op grond dat de beslissing over de uitkering inmiddels is gewijzigd of ingetrokken of dat het recht op uitkering niet langer bestaat." Artikel 479e, eerste en tweede lid:"1. Van de dag van het beslag af is de derde-beslagene verplicht om, zolang de executant dit verlangt, naar gelang hij loon of andere periodieke uitkeringen aan de ge xecuteerde verschuldigd is het door de executant aangegeven achterstallig bedrag en de termijnen van de uitkering, tot welker verhaal het beslag is gelegd, aan de executant te betalen, tenzij onder hem beslag gelegd mocht worden wegens vorderingen van hogere of gelijke rang.2. Verzet tegen het beslag door de ge xecuteerde schorst de verplichting tot betaling, behoudens de bevoegdheid van de president de voorlopige voortzetting van de betaling te bevelen." Artikel 479g:"1. Indien de raad voor de kinderbescherming executant is dan wel, indien ingevolge het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen is belast met de invordering van onderhoudsgelden, kan hij dit beslag leggen hetzij op de gewone wijze, hetzij door van het vonnis of de beschikking in afschrift mededeling te doen aan de derde-beslagene. In het laatste geval zendt deze die schriftelijke kennisgeving voor "gezien" getekend aan de raad voor de kinderbescherming of het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen terug. Eerst door deze terugzending is het beslag voltooid.2. De raad voor de kinderbescherming en het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kunnen beslag leggen op de dag, volgende op die waarop de uitkering moet geschieden, zonder voorafgaande betekening of bevel tot betaling en zonder overlegging van een verklaring van de griffier, als bedoeld in de artikelen 86 en 432.3. Toezending door de executant van een afschrift der kennisgeving bij aangetekende brief aan de ge xecuteerde binnen zeven dagen na de dag, waarop die kennisgeving, voor "gezien" getekend, door de executant van de derde-beslagene is terugontvangen, geldt als de betekening, bij artikel 475i voorgeschreven."

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen

Klacht:

Niet aangegeven dat op werkloosheidsuitkering beslag zou worden gelegd; brengt ten onrechte 10% opslag in rekening; weigert beslag ongedaan te maken.

Oordeel:

Niet gegrond