1998/571

Rapport
Op 29 juni 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift, gedateerd 26 juni 1998, van de heer K. te Rotterdam met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Registratie en successie Rijswijk/Vestiging Rotterdam. Verzoeker had zich al eerder, bij brief van 20 april 1998, tot de Nationale ombudsman gewend. Zijn verzoek voldeed toen echter niet aan het kenbaarheidsvereiste als neergelegd in artikel 12, tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman, zodat het niet in onderzoek werd genomen. Naar aanleiding van verzoekers brief van 26 juni 1998 werd naar de door verzoeker gestelde gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt over de wijze waarop de Belastingdienst/ Registratie en successie Rijswijk/Vestiging Rotterdam heeft gereageerd op zijn vraag over een vrijstelling successierecht. Volgens verzoeker heeft de Belastingdienst/Registratie en successie zich in een brief van 17 juli 1997 ten onrechte op het standpunt gesteld dat vragen over nog niet opengevallen nalatenschappen in beginsel niet worden beantwoord. Voorts klaagt verzoeker er over dat de Belastingdienst/Registratie en successie te Rotterdam op geen enkele wijze heeft gereageerd op zijn brief van 11 mei 1998, waarin hij op zijn vraag terugkwam.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Belastingdienst/Registratie en successie Rijswijk verzocht op de klacht te reageren. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Zowel de Belastingdienst als verzoeker liet weten zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A. Feiten1. Bij brief van 19 juni 1997 richtte verzoeker zich tot de Belastingdienst/Registratie en Successie te Rotterdam. Hij schreef het volgende:"...Hiermede verzoek ik U vriendelijk mij te willen berichten of naar Uw mening onderstaande verdeling pensioen met verrekening inderdaad tengevolge heeft dat bij mijn overlijden voor mijn weduwe (huidige echtgenote) generlei imputatie op haar vrijstelling successierecht van thans f 577.317 plaatsheeft, zodat zij die dan ten volle geniet. Bij akte van 7.8.84 (...) hebben mijn echtgenote en ondergetekende (...) onze bestaande huwelijkse voorwaarden overeengekomen deelgenootschap gewijzigd in koude uitsluiting. Daarbij is ondanks het arrest van 1981 van de HR toen niet verrekend en gescheiden verdeeld jegens de Stichting Notarieel Pensioenfonds te Den Haag bestaande rechten. (...) Per de dag van mij op medische gronden verleend ontslag 1.12.88 zijn de contante waarden aangegeven in kopie brief van 6.6.97. Scheiding en deling bij op te maken onderhandse ter registratie aan te bieden akte van deze rechten (+ mededeling daarvan aan de Stichting door ons) levert op:(...) Het is niet mogelijk voor de Stichting mede te delen welk deel van de door mij aan de stichting afgedragen pensioenpremies 1.4.84 – 1.12.88 staat voor het weduwepensioen omdat de bijdrage variabel is; verrekening van de aangegeven contante waarden geeft m.i. een zuiver beeld van haar bijdrageplicht (m.i. te meer daar het dekkingspercentage per '88 hoger is dan per '84)..."2. De Belastingdienst/Registratie en successie Rijswijk/Vestiging Rotterdam, reageerde bij brief van 17 juli 1997 als volgt:"...Op de eerste plaats wil ik u er op wijzen, dat vragen over nog niet opengevallen nalatenschappen door mij in beginsel niet worden beantwoord. Ik wil echter bij wijze van uitzondering wel in het algemeen ingaan op de door u gestelde vraag. Aan dit antwoord kunnen echter in concrete situaties geen rechten worden ontleend. Als een echtgenoot overlijdt en een pensioenfonds keert pensioen uit aan de weduwe, dan zijn de regels aangaande pensioenimputatie onverkort van toepassing. Tussentijdse verdeling van pensioenrechten of wijziging van huwelijksvoorwaarden brengen daarin geen verandering. Het betreft hier immers de verdeling van een nog niet ingegaan weduwepensioen. Ik vertrouw er op u hiermede voldoende te hebben ingelicht..."3. Verzoeker richtte zich bij brief van 11 mei 1998 opnieuw tot de Belastingdienst/Registratie en successie/Vestiging Rotterdam. Hij schreef het volgende:

"...Bij deze veroorloof ik mij terug te komen op Uw brief van 17.7.97 (...) Het bevreemdt mij ietwat dat U, zelfs in beginsel, inzake nog niet opengevallen nalatenschappen geen vragen beantwoordt; ik meen dat andere Diensten bijvoorbeeld IB dat op voorgenomen rechtshandelingen wel doen. (Dat daaraan geen rechten zijn te ontlenen als na dat overlijden de wet gewijzigd blijkt spreekt m.i. vanzelf). U schrijft dat bij de verkrijging van een weduwepensioen de regels van imputatie onverkort van toepassing zijn; op zich is dit meestal juist maar ik betwijfel toch of dat immer zo is nl. niet als artikel 13 SW "tenzij" van toepassing is. De jurisprudentie geeft dit bijvoorbeeld aan bij een verkochte polis van levensverzekering en Prof (...) in WPNR 98/6296 (...) idem voor renten. Op verdeling van pensioenrechten als door mij beoogd zou dan artikel 13 SW "tenzij" van toepassing moeten zijn en dus geen imputatie. Het verband met een nog niet ingegaan weduwepensioen ontgaat mij (en naar ik moet aannemen ook anderen die ik inmiddels heb geraadpleegd): wat is bijvoorbeeld het verschil met aankoop van een levensverzekering of lijfrente? Ik zou het bijzonder op prijs stellen als U mij duidelijkheid zoudt willen geven..."4. Verzoeker berichtte de Nationale ombudsman op 26 juni 1998 dat hij nog geen reactie had ontvangen van de zijde van de Belastingdienst op zijn brief van 11 mei 1998.5. De Belastingdienst/Registratie en successie/Vestiging Rotterdam beantwoordde verzoekers brief van 11 mei 1998 alsnog tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman. Dit antwoord, gedateerd 10 november 1998, luidt als volgt:"...Ik ben het met u eens dat in het door u beschreven geval - gesteld dat de huidige wetgeving en jurisprudentie van toepassing is - de "tenzij" bepaling van artikel 13 Successiewet 1956 van toepassing is, voorzover de verdeling van de pensioenrechten zodanig is geschied, dat er geen sprake meer is van enige onttrekking aan het vermogen van een van de toekomstige erflaters..." . Standpunt verzoeker Het standpunt van verzoeker is weergegeven onder

Klacht

. Met betrekking tot het antwoord dat de Belastingdienst hem op 17 juli 1997 had gegeven, merkte hij nog op dat hij daar weinig aan had. In dat verband stelde hij het volgende:"...de constatering dat als een echtgenoot overlijdt een weduwepensioen aan imputatie (Successiewet) onderhevig is, is in zijn algemeenheid even juist als onjuist en of een weduwepensioen al dan niet is ingegaan treft m.i. geen doel aangezien bij bijvoorbeeld een polis van levensverzekering in de jurisprudentie is uitgemaakt dat bij (re le) verkoop van zo'n polis wel degelijk werd rekening gehouden met de koopprijs (i.c. artikel 13 SW eerste zin slot "tenzij niets is onttrokken"). Ik vermag niet in te zien waarom bij een verdeling van pensioenrechten en integrale betaling daarvan iets anders zou gelden. Ik heb sedertdien getracht bij een aantal deskundigen enige duidelijkheid te verkrijgen maar dat valt niet mee. Zelfs Prof (...) was over dit onderwerp desgevraagd niet zo duidelijk en er zijn natuurlijk hier ook wel argumenten tegen aan te voeren, maar naar mijn mening minstens evenveel voor..." C. Standpunt Belastingdienst1. De Belastingdienst/Registratie en successie Rijswijk reageerde bij brief van 19 november 1998 in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman als volgt op verzoekers klacht:"...Het eerste klachtonderdeel behelst een verwijt aan de inspecteur dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat vragen over nog niet opengevallen nalatenschappen in beginsel niet worden beantwoord. Het is niet gebruikelijk om vooraf een standpunt in te nemen over de heffing van successierecht met betrekking tot een nog niet opengevallen nalatenschap. Wel wordt op een dergelijk verzoek ingegaan indien het een reeds opengevallen nalatenschap betreft. Verzoeker trekt een parallel met de inkomstenbelasting, waar wel vooraf het standpunt van de inspecteur gevraagd en verkregen kan worden. Dit is echter niet zonder meer analoog toe te passen bij vragen over de toepassing van de Successiewet in een concrete situatie waarin de nalatenschap nog niet is opengevallen. Voor wat betreft de inkomstenbelasting zal een voorgenomen handeling immers – ervan uitgaande dat die handeling ook wordt uitgevoerd – op korte of zeer korte termijn gevolgen hebben voor de belastingheffing. Zonder bezwaar kan dan een standpunt onder de geldende belastingwetgeving worden ingenomen. Het openvallen van een nalatenschap kan in de verre toekomst liggen. Het is niet ondenkbaar dat op het moment van openvallen van de nalatenschap een geheel andere wet- en regelgeving c.q. jurisprudentie geldt dan op het moment waarop de concrete vraag ten aanzien van de heffing van successierecht wordt gesteld. Het kan dus voorkomen dat een door de inspecteur ingenomen standpunt naar aanleiding van een gestelde vraag volkomen blijkt te zijn achterhaald op het moment dat de nalatenschap openvalt en het eerder door de inspecteur geformuleerde standpunt zijn uitwerking zou moeten krijgen. Overigens ontgaat mij het belang van klager bij dit klachtonderdeel. Klager is notaris geweest en zal in het vorenstaande niets nieuws ontdekken. Verder is het zo dat de inspecteur in zijn brief van 17 juli 1997 weliswaar heeft vermeld dat in beginsel dit soort vragen niet worden beantwoord doch voor de specifiek door klager aangedragen situatie heeft deze wel antwoord ontvangen. Dat dit antwoord hem mogelijk niet welgevallig is, doet daaraan niet af. In het tweede klachtonderdeel wordt de inspecteur verweten dat hij op geen enkele wijze heeft gereageerd op de brief van klager van 11 mei 1998. Dit verwijt treft doel. Inmiddels is bedoelde brief door de inspecteur beantwoord op 10 november 1998. (...). Ik vraag mij af of dit "vergrijp" wel van voldoende gewicht is om hieraan een onderzoek te wijden. Voorzover bij klager irritatie of ongenoegen is ontstaan door de – ook in mijn ogen – te late reactie bied ik daarvoor verontschuldigingen aan..."2. Voorts ging de Belastingdienst in zijn reactie nader in op de door verzoeker aan de orde gestelde problematiek.

Beoordeling

. Ten aanzien van het antwoord op verzoekers brief van 19 juni 19971. Verzoekers klacht betreft in de eerste plaats het antwoord dat de Belastingdienst/Registratie en successie Rijswijk/Vestiging Rotterdam hem op 17 juli 1997 heeft gegeven op zijn brief van 19 juni 1997. Verzoeker acht het niet juist dat de Belastingdienst hem in dat antwoord heeft meegedeeld dat de Belastingdienst vragen over nog niet opengevallen nalatenschappen in beginsel niet beantwoordt. Daarnaast plaatst verzoeker vraagtekens bij de inhoudelijke reactie van de Belastingdienst op zijn brief van 19 juni 1997.2. In zijn brief van 19 juni 1997 vroeg verzoeker de Belastingdienst of een door hem beschreven pensioenverdeling bij zijn overlijden met zich mee brengt dat het bedrag tot welk zijn echtgenote recht heeft op vrijstelling van betaling van successierecht ongewijzigd blijft.3. De Belastingdienst reageerde op 17 juli 1997 met de mededeling dat hij vragen over nog niet opengevallen nalatenschappen in beginsel niet beantwoordt. Vervolgens ging hij toch in op verzoekers vraag, en gaf hij aan dat als een echtgenoot overlijdt en een pensioenfonds pensioen uitkeert aan de weduwe, de regels aangaande pensioenimputatie onverkort van toepassing zijn. Hij wees er voorts op dat tussentijdse verdeling van pensioenrechten of wijziging van huwelijksvoorwaarden daar geen verandering in brengt, aangezien het hier gaat om de verdeling van een nog niet ingegaan weduwepensioen.4. De Belastingdienst stelde in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman dat het niet gebruikelijk is om vooraf een standpunt in te nemen over de heffing van successierecht met betrekking tot een nog niet opengevallen nalatenschap. In dat verband wees de Belastingdienst er op dat het openvallen van een nalatenschap in de verre toekomst kan liggen, en dat het niet ondenkbaar is dat wet- en regelgeving of jurisprudentie dan aanzienlijk verschillen van die van het moment waarop om informatie wordt gevraagd. Het door een inspecteur naar aanleiding van een vraag ingenomen standpunt kan dan geheel achterhaald blijken te zijn.5. Gezien de frequente, en soms ingrijpende, wijzigingen in de (fiscale) regelgeving is het op zichzelf niet onbegrijpelijk dat de Belastingdienst niet ingaat op gedetailleerde en specifieke vragen over nog niet opengevallen nalatenschappen. Dit laat echter onverlet dat van de Belastingdienst wel mag worden verwacht dat hij in algemene zin een antwoord geeft, ook indien de vraag een nog niet opengevallen nalatenschap betreft. In de antwoordbrief kan dan tevens worden aangegeven dat dit antwoord wordt gegeven onder het voorbehoud van gelijkblijvende regelgeving en jurisprudentie, en dat het in verband met de mogelijkheid van wijziging van regelgeving en/of jurisprudentie niet zinvol wordt geacht om in te gaan op details.6. Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat de Belastingdienst in zijn brief aan verzoeker van 17 juli 1997 ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat vragen over nog niet opengevallen nalatenschappen in beginsel niet worden beantwoord. In zoverre is de onderzochte gedraging op dit onderdeel niet behoorlijk.7. In zijn antwoord van 17 juli 1997 gaf de Belastingdienst niettemin enige algemene informatie over de toepasselijkheid van de regels met betrekking tot pensioenimputatie. Daarbij maakte hij het voorbehoud dat aan zijn antwoord in concrete situaties geen rechten konden worden ontleend.8. Verzoeker had een specifieke vraag gesteld over een ingewikkelde materie, en het betrof een situatie die zich pas in de, wellicht verre, toekomst zou voordoen. Daarom is het, gelet op hetgeen onder 5. is overwogen, niet onjuist dat de Belastingdienst met een globaal antwoord heeft volstaan. In zoverre is de onderzochte gedraging op dit punt behoorlijk.9. Aan het vorenstaande doet niet af dat de Belastingdienst er wel beter aan had gedaan om in zijn antwoord van 17 juli 1997 aan te geven om welke reden hij zich terughoudend opstelt bij de beantwoording van vragen over nog niet opengevallen nalatenschappen.II. . Ten aanzien van het uitblijven van een reactie op verzoekers brief van 11 mei 19981. Verzoeker heeft in de tweede plaats geklaagd over het uitblijven van een reactie op zijn brief aan de Belastingdienst van 11 mei 1998. In deze brief had hij de Belastingdienst gevraagd om duidelijkheid ten aanzien van het eerder door hem aan de orde gestelde punt van pensioenimputatie.2. De Belastingdienst heeft in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman erkend dat dit verwijt van verzoeker doel treft. Pas op 10 november 1998, een half jaar nadat verzoeker zijn brief aan de Belastingdienst had gestuurd en pas nadat de Nationale ombudsman de klacht van verzoeker aan de Belastingdienst had voorgelegd, werd de desbetreffende brief van verzoeker beantwoord.3. De Belastingdienst behoort vlot te reageren op aan hem gerichte verzoeken. Ook eventuele vervolgcorrespondentie dient vlot te worden beantwoord. Aangezien verzoekers brief van 11 mei 1998 pas na een half jaar werd beantwoord, kan in dit geval niet worden gesproken van een vlotte behandeling van die brief. Op dit onderdeel is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst/Registratie en successie Rijswijk/Vestiging Rotterdam, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, is deels gegrond en deels niet gegrond ten aanzien van de beantwoording van verzoekers brief van 19 juni 1997, en gegrond ten aanzien van de beantwoording van verzoekers brief van 11 mei 1998. Met instemming heeft de Nationale ombudsman kennisgenomen van de nadere reactie van de Belastingdienst op de door verzoeker aan de orde gestelde problematiek.                           

Instantie: Belastingdienst/Registratie en successie Rijswijk

Klacht:

Reactie op vraag over vrijstelling successierecht.

Oordeel:

Niet gegrond