1998/560

Rapport
Op 18 februari 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer K. te Luyksgestel, met een klacht over een gedraging van het arrondissementparket te Roermond. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt erover dat het arrondissementsparket te Roermond, tot het moment waarop hij zich op 16 februari 1998 tot de Nationale ombudsman wendde, onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van het voltooien van het onderzoek naar aanleiding van zijn aangifte op 3 juli 1994 van oplichting en bij de behandeling van zijn aanvragen van een vervangend kentekenbewijs voor zijn motorfiets.

Achtergrond

1. Wetboek van Strafvordering (Sv.) Artikel 12, eerste lid:"Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof, binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging rechtstreeks is genomen."2. PolitiewetArtikel 13:"1. Indien de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel taken verricht ten dienste van justitie, staat zij, tenzij in enige wet anders is gesteld, onder gezag van de officier van justitie.2. De officier van justitie kan de betrokken ambtenaren van politie de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken." Artikel 148, tweede lid Sv.:"Hij (de officier van justitie; N.o.) geeft daartoe (de opsporing van strafbare feiten; N.o.) bevelen aan de overige personen met de opsporing belast."

3. Wegenverkeerswet 1994 (WVW):Artikel 48, eerste lid:"Een kentekenbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daardoor door deze dienst vastgestelde tarief (...) afgegeven..." Artikel 55:"1. De Dienst Wegverkeer geeft overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels voor kentekenbewijzen of delen daarvan, die versleten, geheel of ten dele onleesbaar, verloren geraakt of teniet gegaan zijn, op aanvraag en tegen betaling, op de door deze dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, vervangende bewijzen af.2. Het vervangende bewijs treedt in de plaats van het eerder afgegeven kentekenbewijs of deel daarvan en wordt niet afgegeven dan nadat het versleten of geheel of ten dele onleesbaar geworden kentekenbewijs of deel daarvan, waarvoor het wordt afgegeven, is ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tijdens het onderzoek kregen de Minister en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De Minister van Justitie berichtte dat het verslag geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A. Feiten1. Op 3 juli 1994 deed verzoeker aangifte van oplichting met betrekking tot een uit het buitenland in Nederland ingevoerde motorfiets. In verband daarmee nam het regionale politiekorps Limburg- Noord te Heythuysen het kentekenbewijs van deze motorfiets onder verzoeker in beslag.2. Op 5 juli 1994 verklaarde de Dienst Wegverkeer (RDW) het kentekenbewijs van de motorfiets ongeldig. Op verzoek van de politie te Heythuysen herriep de RDW op 26 juli 1994 de ongeldigverklaring van het kentekenbewijs voor de periode van het strafvorderlijk onderzoek. HERZIEN B&C, onder I.4. Voor de beoordeling van de betrachte voortvarendheid is het van belang dat het twee jaar heeft geduurd voordat de politie het proces-verbaal op 5 juni 1996 naar het arrondissementsparket heeft gestuurd. Voorts is van belang dat verzoeker het arrondissementparket reeds voordat dit het proces-verbaal ontving, per brief van 8 januari 1996, 28 maart 1996 en 19 april 1996 heeft laten weten op de afronding van het onderzoek te wachten. Tegen deze achtergrond en gelet op de voor verzoeker in het geding zijnde belangen moet op grond van de hiervoor onder 3. vermelde gang van zaken worden geconcludeerd, dat van het arrondissementsparket vanaf het moment dat het op de hoogte was van de zaak, een meer actieve opstelling had mogen worden verwacht bij de afronding van het onderzoek. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.3. Per brief van 25 januari 1996 deelde de officier van justitie D. van het arrondissementsparket te Roermond aan verzoeker het volgende mee:"Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 8 januari jl. bericht ik u dat wij afschrift van uw schrijven alsmede afschrift van het proces-verbaal hebben doorgezonden aan de basiseenheid Heythuysen met het verzoek om nadere informatie te verstrekken. Zodra wij met betrekking tot de onderhavige kwestie nader ge nformeerd zijn berichten wij u."4. Per brief van 28 maart 1996 verzocht verzoeker het arrondissementsparket te Roermond hem te laten weten binnen welke termijn het onderzoek kon zijn afgehandeld en of de inbeslagneming van het kentekenbewijs kon worden opgeheven.5. Per brief van 11 april 1996 deelde het arrondissementsparket te Roermond in reactie op de brief van 28 maart 1996 van verzoeker aan hem mee dat zijn motor pas op de weg mocht worden gebruikt, wanneer door de RDW een nieuw kenteken was afgegeven. Daarnaast deelde het parket mee dat pas na afloop van het onderzoek een beslissing ten aanzien van het in beslag genomen kentekenbewijs kon worden genomen. Naar alle waarschijnlijkheid zou het kentekenbewijs dan aan de RDW worden toegezonden, die het dan ongeldig kon verklaren, aldus het arrondissementsparket.6. Per brief van 14 april 1996 herhaalde verzoeker zijn hiervoor onder 3. genoemde verzoek van 28 maart 1996 aan het arrondissementsparket.7. Op 9 mei 1996 werd de verdachte voor de eerste maal verhoord.8. Op 5 juni 1996 zond de politie het ter zake opgemaakte proces-verbaal in naar het Openbaar ministerie te Roermond, waar de zaak werd ingeschreven door een administratief medewerker.9. Bij brief van 7 juni 1996 verzocht een ambtenaar van het regionale politiekorps Limburg- Noord aan de RDW om op voortvarende wijze te bewerkstelligen dat aan verzoeker voor zijn motorfiets een nieuw kentekenbewijs zou worden verstrekt, aangezien het ongewenst was dat hij nog meer zou worden geslachtofferd.

10. Bij brief van 7 juni 1996 verzocht verzoeker aan de RDW met verwijzing naar de brief van 7 juni 1996 van de politie en een telefoongesprek van dezelfde dag met een afdeling van de RDW, hem zo spoedig mogelijk een nieuw kentekenbewijs toe te zenden in verband met de aankomende zomervakantie.11. Bij brief van 18 juli 1996 verzocht verzoeker de RDW om een schriftelijke bevestiging van het telefonisch contact dat de RDW die dag met zijn echtgenote had gehad. In het bijzonder verzocht verzoeker om een bevestiging dat hij een vervangend kenteken mocht aanvragen, ondanks het feit dat het andere kenteken door de politie in beslag was genomen voor onderzoek.12. Bij brief van 8 augustus 1996 bevestigde de RDW hetgeen verzoeker hem in zijn brief van 18 juli 1996 had verzocht.13. Het strafdossier lag vanaf 29 juli 1996 tot en met 25 november 1996 bij de werkvoorraad van een van de secretariaten van het openbaar ministerie te Roermond.14. Op 26 november 1996 stelde het openbaar ministerie de telastelegging in de conceptdagvaarding op. Naar aanleiding van deze conceptdagvaarding besprak de officier van justitie een aantal malen de zaak met de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en de douane. Dit leidde tot een verzoek van 28 april 1997 van de officier van justitie aan de FIOD om een aanvullend onderzoek te verrichten.15. De FIOD rapporteerde met betrekking tot dit onderzoek op 1 juli 1997. Dit rapport was op 26 september 1997 onderwerp van gesprek tussen de officier van justitie en medewerkers van de FIOD. Voorts werd de zaak aan het einde van 1997 in een driehoeksoverleg door de officier van justitie met medewerkers van de FIOD en de douane besproken.16. In zijn brieven van 22 december 1997 en 18 januari 1998 verzocht verzoeker aan het arrondissementparket te Roermond om uitsluitsel over het strafrechtelijk onderzoek, almede om teruggave van zijn kentekenbewijs.17. Op 16 februari 1998 wendde verzoeker zich tot de Nationale ombudsman.18. De officier van justitie besloot naar aanleiding van het hiervoor onder 14. genoemde overleg geen vervolging in te stellen tegen de verdachte. Hij deelde dit in zijn brief van 20 mei 1998 aan verzoeker mee. De reden van zijn beslissing was dat gelet op de

onduidelijkheid van de destijds geldende regelgeving inzake bouwjaarbepaling, niet kon worden vastgesteld dat strafbare feiten waren gepleegd bij de bouwjaarbepaling bij de invoer van de gebruikte motorfietsen.B. Standpunt verzoekerHet standpunt van verzoeker staat hiervoor samengevat weergegeven onder

Klacht

C. Standpunt Minister van Justitie1. In haar reactie van 16 juni 1998 op de klacht, verwees de Minister naar een ambtsbericht van 11 juni 1998 van de hoofdofficier van justitie te Roermond. De Minister deelde mee dat zij zich kon verenigen met het oordeel van het College van procureurs-generaal, inhoudende dat de klacht gegrond was voor zover betrekking hebbende op de door verzoeker gestelde onvoldoende voortvarendheid van handelen ten aanzien van het voltooien van het onderzoek naar aanleiding van zijn aangifte van 3 juli 1994. Overigens deelde de Minister mee dat het de voorkeur had verdiend indien de behandelend officier van justitie al in zijn brief van 20 mei 1998 verzoeker had gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (zie

Achtergrond

,onder 1.) over zijn beslissing beklag te doen. Ten aanzien van de bemoeienis van het openbaar ministerie bij de behandeling van de aanvraag van een vervangend kentekenbewijs deelde de Minister mee dat zij zich aansloot bij de visie van de hoofdofficier van justitie in dezen, zoals verwoord in zijn ambtsbericht van 11 juni 1998.2. De Minister van Justitie voegde het aan het College van procureurs-generaal gerichte ambtsbericht van 11 juni 1998 van de hoofdofficier van justitie te Roermond bij haar brief. In dit ambtsbericht staat onder meer het volgende vermeld:"Bij brief van 10 april 1998 heeft de Hoofdofficier van justitie de heer K. (verzoeker; N.o.) reeds bericht dat hij terecht opmerkt dat zijn brieven d.d. 22 december 1997 en 18 januari 1998 niet zijn beantwoord. In de brief van 20 mei 1998 deelt de officier van justitie de heer K. mee dat geen strafvervolging zal worden ingesteld. (...) Ik ben van oordeel dat, hoewel het onderzoek geruime tijd heeft geduurd, niet sprake is van niet voldoende voortvarend handelen

door het arrondissementsparket Roermond ten aanzien van het voltooien van het onderzoek. Daarbij teken ik aan dat ten onrechte de brieven van de heer K. van 22 december 1997 en 18 januari 1998 niet eerder zijn beantwoord en dat de mededeling van de sepot -beslissing aan de heer K. eerder had moeten worden gedaan. (...) De aanvraag van een vervangend kentekenbewijs wordt niet behandeld door het arrondissementsparket maar door de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Derhalve kan er geen sprake van zijn dat het arrondissementsparket deze aanvraag onvoldoende voortvarend heeft behandeld. Wellicht ten overvloede merk ik het volgende op:Uit de stukken die bij de klacht zijn overgelegd leid ik af dat aan de heer K. bij brief van 8 augustus 1996 toestemming is verleend een vervangend kenteken aan te vragen. Deze toestemming is verleend nadat de heer K. aan de Nationale ombudsman had meegedeeld vooralsnog af te zien van zijn klacht. Uit de stukken blijkt niet of vervolgens daadwerkelijk een kenteken is aangevraagd. Op grond van bovenstaande ben ik van oordeel dat de (...) klachten ongegrond zijn."D. Reactie verzoekerIn zijn brief van 31 augustus 1998 deelde verzoeker als zijn reactie op het standpunt van de Minister van Justitie onder meer het volgende mee:"De minister van Justitie acht mijn klacht m.b.t. onvoldoende voortvarend handelen ten aanzien van het voltooien van het onderzoek gegrond. Vervolgens ziet het MvJ geen aanleiding meer om tot verdere actie over te gaan, omdat het parket in haar schrijven van 20 mei haar excuses heeft aangeboden en mij de resultaten van het onderzoek heeft medegedeeld. Ik acht dit dus niet gegrond en erg goedkoop, daar ik bijna vier jaar heb moeten wachten totdat ik een reactie mocht ontvangen. Ik heb steeds geprobeerd om informatie te krijgen, maar de parketsecretaris B. liet mij in haar schrijven van weten, dat ik in het kader van de wet Terwee tijdig van de ontwikkelingen op de hoogte zou worden gehouden.

Mondeling werd mij door een medewerker van de politie van Heythuysen, op verzoek van dezelfde parketsecretaris, verzocht om het parket niet steeds te benaderen. Mijns inziens was er tot op heden nog geen excuus geweest als er geen klacht was ingediend bij de Nationale ombudsman. (Dit is geen vooronderstelling, maar gezien de resultaten en snelheid van de afgelopen vier jaar wel gegrond.) Het is mij niet duidelijk waarom het onderzoek vanaf het moment van aangifte, pas op 05 juni 1996 resulteerde in een proces-verbaal. Het uiteindelijke resultaat van het onderzoek is maar mager. De reden waarom geen strafvervolging wordt ingesteld, zal juridisch wel kloppen, maar ik vind het toch maar vreemd dat hier nederlandse staatsburgers de dupe van worden. Het is toch vreemd dat er onduidelijkheid bestond in de regelgeving betreffende de bepaling van het bouwjaar bij invoer van gebruikte en/of overjarige motorvoertuigen en de overheid deze invoer gewoon liet plaatsvinden en vervolgens kentekens af gaf op basis van deze onduidelijke regelgeving. (...) Ik vind het overigens maar vreemd dat er maar enkele andere personen zijn gehoord die een motor hebben gekocht bij (...), terwijl ik begrepen had dat er een omvangrijke groep gedupeerde is die zelfs niet op de hoogte zijn van deze fraude. Ten aanzien van de bemoeienis van het openbaar ministerie bij de behandeling van een aanvraag van een vervangend kentekenbewijs voor mijn motorfiets sluit het MvJ zich geheel aan bij de visie van de hoofdofficier van justitie, zoals verwoord in zijn ambtsbericht van 14 april 1998 (bedoeld is 11 juni 1998; N.o.). Het MvJ gaat hier dan wel voorbij aan het feit dat deze zelfde officier van justitie mijn kenteken inbeslag genomen heeft in verband met het onderzoek, vervolgens heb ik van 03 juli 1994 geen gebruik meer mogen maken van mijn motor, daar ik geen kenteken meer in mijn bezit had. Het parket schrijft mij 11 april 1996 (...) ik citeer "Pas na afronding van het onderzoek zal een beslissing ten aanzien van het inbeslag genomen kenteken worden genomen." De kosten voor de aanvraag van een vervangend kenteken waren voor mijn rekening, deze kon ik aanvragen na bemiddeling door de Nationale ombudsman. Dit hield dus wel in dat ik bijna twee jaar mijn motor niet heb kunnen gebruiken en dit alles omdat justitie niet voortvarend heeft gehandeld, vervolgens wordt de zaak geseponeerd en blijf ik met de financiele gevolgen zitten, ik had mij n.l. partij gesteld.

Ik vind het dan ook SCHANDALIG en van burocratie betonen dat het MvJ mijn klacht ongegrond verklaart."

Beoordeling

I. . Ten aanzien van de voltooiing van het onderzoek1. Op 3 juli 1994 deed verzoeker aangifte van oplichting bij de bouwjaarbepaling van gebruikte ge mporteerde motorfietsen. Hij klaagt erover dat het arrondissementsparket te Roermond, tot het moment dat hij zich op 16 februari 1998 tot de Nationale ombudsman wendde, onvoldoende voorvarend heeft gehandeld ten aanzien van het voltooien van het onderzoek naar aanleiding van deze aangifte.2. De leiding van het opsporingsonderzoek berust bij de officier van justitie. Indien de politie optreedt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, doet zij dat onder gezag van de officier van justitie. Deze kan dan aan de politieambtenaren aanwijzingen geven voor de vervulling van die taak (zie

Achtergrond

, onder 2.)3. Vast staat dat verzoeker het arrondissementsparket te Roermond herhaaldelijk heeft verzocht om informatie over de voortgang in de strafzaak waarin hij aangifte had gedaan. Op 9 mei 1996 werd de verdachte voor de eerste keer door de politie verhoord. Op 5 juni 1996 zond het regionale politiekorps Limburg- Noord het proces-verbaal in naar het openbaar ministerie te Roermond. Daar werd de zaak ingeschreven, waarna het dossier van 29 juli 1996 tot 25 november 1996 bij de werkvoorraad van het secretariaat van het arrondissementsparket te Roermond behoorde. Op 26 november 1996 is de telastelegging in de conceptdagvaarding opgesteld. Naar aanleiding van deze conceptdagvaarding heeft de officier van justitie een aantal malen de zaak besproken met de Fiscale Informatie- en Opsporingsdienst (FIOD) en de douane. Dit heeft geleid tot een verzoek van 28 april 1997 aan de FIOD om een aanvullend onderzoek te doen. De FIOD heeft met betrekking tot dit onderzoek op 1 juli 1997 gerapporteerd. Dit rapport is vervolgens op 26 september 1997 onderwerp van gesprek geweest tussen de officier van justitie en medewerkers van de FIOD. Voorts is de zaak eind 1997 in een zogenoemd driepartijen-overleg door de officier van justitie met medewerkers van de FIOD en de douane besproken. Bij brief van 20 mei 1998 deelde de behandelend officier van justitie aan verzoeker mee dat de zaak werd geseponeerd.4. Voor de beoordeling van de klacht op dit punt is het van belang dat het twee jaar heeft geduurd voordat de politie, op 5 juni 1996, het proces-verbaal naar het arrondissementsparket heeft gestuurd.

Voorts is van belang dat verzoeker het arrondissementsparket al voordat dit het proces-verbaal ontving, per brief van 8 januari 1996, 28 maart 1996 en 19 april 1996 heeft laten weten dat hij wachtte op de afronding van het onderzoek. Tegen deze achtergrond en gelet op de voor verzoeker in het geding zijnde belangen moet, gezien de hiervoor onder 3. vermelde gang van zaken, worden geoordeeld dat van het arrondissementsparket, vanaf het moment dat het op de hoogte was van de zaak, een meer actieve opstelling had mogen worden verwacht bij de afronding van het onderzoek. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk. II. Ten aanzien van de behandeling van de aanvraag van een vervangend kentekenbewijs. 1. Op 3 juli 1994 nam het regionale politiekorps Limburg-Noord te Heythuysen in het kader van een onderzoek naar gepleegde oplichting met betrekking tot ingevoerde motoren het kentekenbewijs van verzoeker in beslag. Verzoeker klaagt er ook over dat het arrondissementsparket te Roermond onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de behandeling van de aanvraag van een vervangend kentekenbewijs voor zijn motorfiets.2. De Minister van Justitie achtte de klacht op dit punt niet gegrond, aangezien aanvragen van vervangende kentekenbewijzen niet door het arrondissementsparket worden behandeld.3. De aanvraag van een vervangend kentekenbewijs wordt behandeld door de RDW (zie

Achtergrond

, onder 2.). Van enige bemoeienis van het arrondissementsparket Roermond bij de behandeling van een aanvraag van verzoeker is niet gebleken. Inzoverre mist de klacht feitelijke grondslag. In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementparket te Roermond, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is gegrond ten aanzien van de voltooiing van het onderzoek en niet gegrond ten aanzien van de behandeling van de aanvraag van een vervangend kentekenbewijs.

Instantie: arrondissementsparket Roermond

Klacht:

Onvoldoende voortvarend gehandeld in onderzoek naar aangifte van oplichting en bij behandeling aanvragen vervangend kentekenbewijs motorfiets.

Oordeel:

Niet gegrond