1998/436

Rapport
Op 7 augustus 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer G. te Delft, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Haaglanden te Delft. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden (de burgemeester van 's-Gravenhage), werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt over de wijze waarop ambtenaren van de vreemde-lingendienst Delft van het regionale politiekorps Haaglanden zijn opgetreden nadat zijn vriendin zich daar met persoonlijke problemen had gemeld op 28 november 1996. In dat verband klaagt hij er met name over:- dat hij ondanks herhaalde verzoeken geen contact met zijn vriendin kon krijgen en dat hem geen uitleg over de stand van zaken werd gegeven; - dat hij, toen hij een brief voor haar wilde afgeven op 17 december 1996, onheus werd bejegend; - dat zijn vriendin, die op 16 december 1996 naar Kazachstan is uitgezet, op ongeoorloofde wijze ernstig onder druk is gezet om haar verzoek voor een verblijfsvergunning in te trekken. Dit gebeurde onder meer door met haar te spreken buiten de aanwezig-heid van een tolk. Ook zou druk op haar zijn uitgeoefend om een abortus te laten plegen.

Achtergrond

1. De Vreemdelingencirculaire vermeldt in paragraaf A.4/6.2.5 onder meer:"Een vreemdeling die bereid is om zijn toelatingsprocedure(s) in te trekken kan daartoe ten overstaan van de korpschef een formu-lier D37 invullen en ondertekenen (zie hierna onder 2.; N.o.). Op het formulier D37 dient nadrukkelijk vermeld te worden welke procedure(s) wordt (worden) ingetrokken. De korpschef dient zich ervan te vergewissen dat de vreemdeling de inhoud en de strekking van de door hem te ondertekenen verkla-ring kent en begrijpt. Zonodig wordt een (telefonische) tolk ingeschakeld in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aange-nomen dat de vreemdeling die kan verstaan. De korpschef maakt verder een proces-verbaal op van de reden(en)

van de vreemdeling om tot intrekking over te gaan en van de omstandigheden waaronder de ondertekening van het formulier D37 plaatsvond."2. In het model formulier D37 Verklaring tot intrekking van toela-tingsprocedure(s) zoals die is opgenomen in de Vreemdelingen-circulaire staat onder meer:"Deze verklaring werd voor ondertekening aan mij voorgelezen in de ---- taal , welke taal ik voldoende begrijp. Doel en strekking van deze verklaring is mij daarbij duidelijk gemaakt. (plaats, datum, naam, handtekening: N.o.) Bovenstaande verklaring werd voor de ondertekening voorgelezen in de ---- taal door tussenkomst van de tolk ----, wonende te ----. De reden van de vreemdeling om de aanvra(a)g(en) in te trekken en de omstandigheden waaronder de ondertekening plaatsvond worden in een proces-verbaal vastgelegd. De korpschef namens deze, (Handtekening ambtenaar)"

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Zij maakten van deze gelegenheid geen gebruik. In verband met haar verantwoordelijkheid voor vreemdelingenbeleid werd ook de Staatssecretaris van Justitie over de klacht ge nfor-meerd en in de gelegenheid gesteld haar zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar haar oordeel reden was. De Staatssecretaris deelde mee vooralsnog geen aanleiding te zien tot het geven van een reactie. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd de korpsbeheerder een aantal specifieke vragen gesteld. Daarnaast werden een betrokken ambtenaar en de vriendin van verzoeker gehoord.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker, de korpsbeheerder en de Staatssecretaris van Justitie deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De betrokken ambtenaren K. en S. gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. Feiten1. Verzoeker, die in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, is in de maand juni 1996 gaan samenwonen met zijn vriendin, mevrouw I. Mevrouw I. was op 22 juni 1996 Nederland ingereisd op basis van een toeristenvisum. Op 1 oktober 1996 diende mevrouw I. een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel verblijf bij haar partner. Op 28 november 1996 verliet mevrouw I. de gezamenlijke woning. Zij vroeg de politie te Delft om hulp en werd uiteindelijk in een opvanghuis geplaatst. Tijdens haar aanwezigheid in het politiebureau te Delft verscheen verzoeker. Over de situatie die vervolgens ontstond, diende verzoeker bij brief van 16 april 1997 een klacht in bij de burgemeester van Delft. De klacht werd op 25 april 1997 door de burgemeester doorgeleid aan de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden.2. In de klachtbrief van verzoeker van 16 april 1997 staat onder meer:"Ik heb de Nederlandse nationaliteit. Op 22-06-1996 was mijn vriendin, I., op een toeristenvisum uit Kazachstan naar Nederland gekomen. Zij is bij mij ingetrokken en op 01-10-1996 heeft zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning 'voor verblijf bij partner' ingediend bij de Vreemdelingenpolitie. Op 17 december zou zij haar verblijfsvergunning met de geldigheidsduur van een jaar bij de Vreemdelingenpolitie kunnen ophalen. Het was de bedoeling dat wij zo snel mogelijk in het huwelijk zouden treden. Op 28 november 1996 was mijn vriendin niet thuis toen ik thuis kwam uit mijn werk. Ik begreep uit een aantal zaken (de verlovingsring en de huissleutel had zij op tafel achtergelaten) dat zij mij blijkbaar had verlaten. Ik ben naar haar op zoek gegaan en toen ik bij het politiebureau langs ging zag ik dat zij daar aanwezig was. Ik heb toen gevraagd aan de politie of ik haar

mocht spreken, maar zij gaven mij daarvoor geen toestemming. Wij zagen elkaar slechts even; zij huilde en zei dat zij bij mij terug zou komen. Later heb ik begrepen dat zij naar een (...) opvanghuis (...) is gebracht. Vandaaruit heeft zij mij nog een keer gebeld en heeft mij gezegd dat zij bij mij terug zou komen. Ik heb de politie op 17 december 1996 nog een brief geschreven met het verzoek of zij mijn vriendin zouden willen vragen nog eens kontakt met mij op te nemen. Toen ik de brief overhandigde aan de beambte van de Vreemdelingenpolitie vroeg deze mij 'waarom willen jullie in Nederland wonen, waarom woon je niet in Kazachstan? Misschien heeft je vriendin daar nu een andere man gevonden.' Toen ik hem vroeg wat hij precies bedoelde en zei dat ik hem niet goed begreep, vroeg hij of ik misschien doof was of dat mijn batterijen misschien op waren.' Ik heb nooit een antwoord op de brief ontvangen. Omdat ik geen reden zag om nog verder te leven heb ik vier maal een poging tot su cide gedaan. Vanuit Kazachstan kreeg ik bericht dat mijn vriendin op 6-12-1996 door de Vreemdelingenpolitie het land uit is gezet. Zelf heb ik daar geen bericht over gehad, ook kreeg ik geen antwoorden op mijn vragen aan de Vreemdelingenpolitie. Ik ben daar verschillende malen langs geweest maar keerde onverrichterzake terug. Mijn vriendin heeft op 14 maart 1997 in het Russisch een verklaring afgelegd (vertaald door een be digd vertaler) waaruit blijkt dat zij onder grote spanning stond toen zij zich tot de politie voor hulp wendde. De politie heeft haar min of meer onder druk gezet om haar verzoek voor een verblijfsvergunning in te trekken zonder dat er een tolk bij dat gesprek aanwezig was. Ook heeft men morele druk op haar uitgeoefend om een abortus te plegen. Uiteindelijk is zij op 16 december met geweld op het vliegtuig naar Kazachstan gezet. Inmiddels is er opnieuw een aanvraag voor een verblijfsvergunning in behandeling. Ook is er een verzoek bij afdeling Burgerzaken in behandeling om in het huwelijk te kunnen treden. Afdeling Burgerzaken heeft hiervoor een verklaring nodig van de Vreemdelingenpolitie. Het heeft drie maanden geduurd voordat deze verklaring werd afgegeven. Ik heb hiervoor diverse keren bij de Vreemdelingenpolitie moeten aandringen op spoed. Ik vind dat de Vreemdelingenpolitie zich onbehoorlijk heeft gedragen waardoor mijn vriendin en ik ernstige emotionele en financi le schade hebben opgelopen. Ik wil u, mede namens mijn vriendin, vragen de handelwijze van de Delftse Vreemdelingenpolitie zoals hierboven beschreven te onderzoeken en mij van uw bevindingen op de hoogte te stellen."3. Volgend op de gebeurtenissen van 16 december 1996 had verzoeker op 17 december 1996 een brief geschreven aan de vreemdelingendienst te Delft. Verzoeker wilde deze brief op 17 december 1996 afgeven aan de vreemdelingendienst, maar is daarin niet geslaagd. In deze brief staat onder meer:"Ik heb van mevrouw D. van het Buro voor Rechtshulp begrepen dat u geen enkele informatie kunt verschaffen omtrent het verblijf van mevrouw I. Als u kontakt met haar heeft, wil ik u dringend verzoeken om aan haar te vragen of zij kontakt met mij op wil nemen. Het initiatief kan dan helemaal bij haar liggen. Uit telefonisch kontakt dat ik 16 december 1996 om ongeveer 13.00 uur met haar had, begreep ik dat zij naar uw dienst was gegaan om haar aanvraag tot een verblijfsvergunning in te trekken en dat zij daartoe ook haar handtekening had gezet. Ze zei mij door de telefoon echter dat ze het terug wilde draaien en dat ze er spijt van had. Daarom vraag ik u dit bericht aan haar door te geven met het verzoek aan haar om kontakt met mij op te nemen."4. De advocaat van mevrouw I. verzocht het hoofd van de plaatselijke politie te Delft bij brief van 24 februari 1997 om mevrouw I. een machtiging tot voorlopig verblijf te verstrekken in verband met haar wens terug te keren bij haar aanstaande echtgenoot, verzoeker. In deze brief staat verder onder meer:"Zij heeft reeds eerder in Nederland gewoond. Voordat zij op 17 december 1996 haar D-document in ontvangst kon nemen, werd zij vanwege de ziekte van haar moeder gedwongen onverwijld het land te verlaten. Bovendien had zij vanwege een onverwachte abortus psychische problemen gekregen, zodat zij meteen naar Alma Ata vertrok."5. Mevrouw I. stelde op 14 maart 1997 in het Russisch een verklaring op die zij vervolgens aan verzoeker toezond. In de vertaling van deze verklaring staat onder meer:"Ik heb op 16-12-1996 uit Nederland moeten vertrekken en dit tegen mijn wil. Vanaf het moment dat ik in Nederland aankwam, werd ik geconfronteerd met een reeks problemen. De eerste echtgenote van mijn man liet ons niet met rust, zij belde de

hele tijd, beledigde me voortdurend en begon mij later te bedreigen. Wat wij ook probeerden en hoe vaak wij haar ook van onze kant verzekerden dat wij van goede wil waren, zij bleef ons maar lastigvallen. Tegelijkertijd was ik net een paar maanden zwanger, ik had ernstige toxicose en een zenuwinstorting, en daarbij kwam ook nog het slechte nieuws over de ziekte van mijn moeder. Ik wist niet tot wie ik me moest wenden, ik had geen vrienden of verwanten en heb me daarom tot de politie om hulp moeten wenden teneinde de familieproblemen door hen op te laten lossen. Maar in plaats daarvan heeft de politie leugenachtige informatie over mijn man verstrekt en eiste zij dat ik zonder een vertaling een papier ondertekende, waarbij zij me door louter moreel druk op me uit te oefenen hebben gedwongen een abortus te laten plegen. Ook waren zij erin ge nteresseerd dat ik Nederland zou verlaten. Ik heb tot aan het vertrek van het vliegtuig onder politiebegeleiding gestaan en zij hebben bovendien, zonder dat mijn man over alles was ingelicht en na afwijzing van mijn vraag om hem te kunnen zien, me met geweld in het vliegtuig laten stappen. Daarbij hebben zij niet van een puur humane opstelling jegens mij blijk gegeven. Na alles wat wij hebben meegemaakt verzoek ik U om toe te staan dat wij samen kunnen zijn.--"6. Aan mevrouw I. werd eind 1997 -op haar eigen verzoek- alsnog een verblijfsvergunning voor verblijf bij verzoeker verstrekt.. Standpunt van verzoeker Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder

Klacht

.. Standpunt van de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden 1. Op 7 november 1997 reageerde de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden op de klacht. In de brief van de korpsbeheerder staat onder meer:"Klager heeft op 16 april 1997 een soortgelijk geformuleerde klacht ingediend bij de burgemeester van Delft. Deze heeft de klacht ter verdere behandeling door de chef van de centrale justiti le dienst, onder wie de vreemdelingendienst ressorteert, intern doorgestuurd. Door een administratief misverstand is de behandeling van deze klacht in het ongerede geraakt, hetgeen ik zeer betreur. Klager is hiervan enige tijd geleden, nog v rdat hij zich tot u wendde, in kennis gesteld. Klager koos uiteindelijk voor afdoening van de klacht door uw instantie. In de onderhavige zaak heeft de chef van de vreemdelingendienst een onderzoek laten instellen en mij daarover bij zijn brief van 5 november j.l. gerapporteerd. Ik deel zijn oordeel, dat de klacht niet gegrond is, met uitzondering van de onheuse bejegening op 17 december 1996 waarvoor overigens verzachtende omstandigheden zijn aan te voeren die gelegen waren in het gedrag van klager. Betrokken medewerker is hierop gewezen."2. Bij de reactie van de korpsbeheerder bevond zich het verslag van de afhandeling van de klacht van verzoeker, dat op 5 november 1997 was opgesteld door de chef van het Bureau Vreemdelingendienst. In dit verslag staat onder meer:"De Nationale ombudsman geeft in zijn schrijven van 15 september 1997 drie elementen aan waar inhoudelijk antwoord op dient te worden gegeven. 1.Er zijn moverende redenen, zoals in de rapportage van N. aangegeven, dat klager op zijn verzoek van de vreemdelingenpolitie geen adres c.q. telefoonnummer heeft gekregen om met zijn (ex)vriendin contact te kunnen krijgen. Voor een groot deel zijn zijn gedragingen daar debet aan en is dit tevens indirect op verzoek van zijn ex vriendin, welke ook buiten het beeld van de vreemdelingenpolitie onderdak heeft gehad bij een Blijf-van-mijn-lijf-huis. 2.Uit de rapportage blijkt, dat de door klager genoemde brief nooit is afgegeven, wat ook door klager is bevestigd in het gesprek. Ondanks het feit dat medewerkers van de vreemdelingenpolitie zich dienen te onthouden van opmerkingen welke niet relevant zijn met betrekking tot de zaak, heeft het gedrag van klager hier in zekere zin aanleiding toe gegeven. 3.Niet is gebleken dat de vriendin van klager op ongeoorloofde wijze ernstig onder druk is gezet om haar verzoek voor een verblijfsvergunning in te trekken. In tegenstelling, het intrekken van haar verblijfsvergunning heeft op haar eigen verzoek plaatsgevonden, met name ook omdat zij vanuit de bedreigingen van klager in haar richting, zelf het land wenste te verlaten. De door haar ondergane abortus heeft zich buiten het gezichtsveld van de vreemdelingenpolitie afgespeeld. Uit niets blijkt dat sprake is geweest van enige druk vanuit het politieveld."3. Bij het verslag van afhandeling van de klacht van 5 november 1997 bevonden zich een rapportage van de inspecteur van politie N. van

21 oktober 1997, waarin een overzicht van de gebeurtenissen was opgenomen, alsmede de verklaringen van betrokken ambtenaren. Bij de rapportage bevond zich een aantal stukken uit het vreemdelingrechtelijk dossier ten aanzien van de vriendin van verzoeker, alsmede een aantal mutaties ten aanzien van de gebeurtenissen op 16 december 1996 in het politiebureau te Delft. De inhoud van deze bijlagen is samengevat weergegeven in de rapportage van 21 oktober 1997. Enkele van de stukken worden hierna, onder C.5., apart weergegeven.4. In de rapportage van 21 oktober 1997 staat onder meer:"Op 22 juni 1996 is I., (...) Nederland ingereisd. Zij is met een visum ingereisd, alleen met de bedoeling voor vakantie in Nederland te verblijven. Op 2 september 1996 heeft betrokkene een afspraak gemaakt bij de vreemdelingenpolitie te Delft om toch een verblijfsvergunning aan te vragen voor verblijf bij partner G.. Nadat zij op 1 oktober 1996 op de afspraak was geweest, bleken nog enkele zaken niet in orde en werd haar een nieuwe afspraak gegeven voor 11 november 1996. Nadat alles in orde was, werd haar medegedeeld dat zij op 16 december 1996 haar verblijfsvergunning kon komen halen. Op 28 november 1996 meldt I. zich aan het politiebureau te Delft met de mededeling dat zij problemen heeft met haar vriend G.. Zij wil terug naar Kazachstan o.m. omdat zij mishandeld wordt en gedwongen zou worden als prostitu e te gaan werken. Hierover werd zowel in het VAS (Vreemdelingen Administratie Systeem; N.o.) als in het dagrapport van het bureau Delft gemuteerd (...). Uit genoemde mutaties blijkt dat zowel door personeel van het bureau Delft als door K. van de vreemdelingenpolitie is bemiddeld. Verder heeft een vriendin en later een tolk, mevr. V. gezorgd voor vertaling. Ook heeft er toen een gesprek plaatsgevonden tussen I. en G.. Op 13 oktober 1997 hoorde ik terzake de klacht, K., medewerker verblijfsregeling aan de vestiging Delft. Hij verklaarde als volgt:"Ik herinner me nog de donderdag 28 november 1997. Mij werd toen door personeel van het bureau Delft gevraagd in de problemen met mevrouw I. te bemiddelen. Ik weet nog dat ik veel later naar huis ging dan gebruikelijk. ik heb toen op 29 november 1997 nog een korte mutatie in het bijzonderhedenscherm van het VAS gemaakt.. was goed overstuur. Zij sprak geen Nederlands en slechts gebrekkig Engels. Haar vriendin die met haar was meegekomen trad op als tolk. I. vertelde dat zij was geschopt en geslagen en dat

zij als prostitu e moest gaan werken. Omdat betrokkene terug wilde naar haar land Kazachstan, maar geen geld had, heb ik nog gebeld met het IOM (terugkeerbureau) om te informeren naar de mogelijkheden. Later bleek dat terugkeer via het IOM niet mogelijk was. (...) Nadat I. op 16 december 1996 naar Kazachstan was vertrokken, is de heer G. diverse keren zonder daarvoor zoals gebruikelijk een afspraak te maken, bij de vreemdelingenpolitie geweest. Een van die keren moet dan zijn geweest op 17 december 1996. Betrokkene wilde o.a. het adres van I. in het buitenland weten. Gezien de problematiek van 28 november 1996 werd geen informatie verstrekt. Op de vraag hoe zijn vriendin weer terug kon keren naar Nederland, werd hem diverse keren geadviseerd, haar zelf in het buitenland een MVV te laten aanvragen. Ook hier speelde de problematiek van 28 november een rol. I. had immers aangegeven dat zij terug wilde vanwege mishandeling e.d. Het was voor ons moeilijk te beoordelen in hoeverre een eventuele aanvraag voor een MVV van de heer G. werd gesteund door zijn vriendin in het buitenland. De heer G. verwijt de ambtenaar van de vreemdelingenpolitie dat hij door het taalgebruik onheus bejegend is. In het contact dat ik met de heer G. op 17 december 1996 had, heb ik mogelijk woorden van soortgelijke strekking als in de brief van de heer G. genoemd, gebruikt, maar eerst nadat ik getracht had uit te leggen hoe hij het beste kon handelen. Het was moeilijk hem ervan te overtuigen het advies op te volgen. Met betrekking tot een aan mij geadresseerde brief die hij mij zou hebben overhandigd, verklaar ik dat ik nooit een brief van hem in ontvangst heb genomen." Op 13 oktober 1997 hoorde ik terzake de klacht, Z. Zij verklaarde:"De gegevens uit het proces verbaal spreken mij wel aan, maar ik kan me de situatie niet meer voor de geest halen. In het door mij opgemaakte proces-verbaal is aangegeven dat I. middels een tolk is gehoord. Op diezelfde dag is de verklaring met betrekking tot het intrekken van de aanvraag voor een verblijfsvergunning getekend (...). Het is gebruikelijk dat de verklaring door de tolk wordt voorgelezen, v rdat de verklaring wordt ondertekend. Ik ga ervan uit dat dat toen ook is gebeurd". Per brief van 14 oktober 1997 heb ik klager, G. uitgenodigd om op woensdag 22 oktober 1997 om 13.00 uur de klacht mondeling toe te lichten. De heer G. heeft van deze mogelijk gebruik gemaakt. Middels een tolk van het tolkencentrum Rotterdam heeft de heer G. de tekst van zijn klacht nog eens mondeling herhaald en toegelicht. Hierbij zijn geen nieuwe feiten aan het licht gekomen met dien verstande dat de heer G. nu verklaart de genoemde brief nooit aan de medewerker van de vreemdelingenpolitie te hebben overhandigd. Ik wil hieraan nog toevoegen dat tijdens het gesprek tussen rapporteur en klager, klager zowel door de tolk als door rapporteur, regelmatig tot de orde moest worden geroepen om zo de tolk de gelegenheid te geven te vertalen wat klager had gezegd. Met betrekking tot het feit dat morele druk zou zijn uitgeoefend op I. om een abortus te laten plegen kan het volgende worden geconstateerd. Op 28 november 1996 wordt betrokkene uiteindelijk door bemiddeling van personeel van het bureau Delft ondergebracht (...). Volgens de verklaring van betrokkene (...) heeft zij op 12 december 1996 een abortus ondergaan. Kennelijk nadat mevrouw P. van de (vrouwenopvang; N.o.) op 13 december 1996 in contact is gekomen met collega Z., werd zij op 16 december 1996 naar Schiphol gebracht en aldaar zoals gebruikelijk overgedragen aan de Koninklijke Marechaussee, die voor begeleiding naar het vliegtuig heeft gezorgd. Tijdens een telefoongesprek dat ik op 3 november 1997 met mevrouw H. van de vrouwenopvang had, blijkt dat I. tussen 28 november 1996 en 16 december 1996 bij die stichting heeft verbleven (...). Zover bekend is er tussen haar en de politie in die tijd geen contact geweest en heeft zij kennelijk zelf besloten een abortus te laten uitvoeren. Met betrekking tot de klacht van de heer G. dat hij geen informatie kreeg over de verblijfplaats van de vrouw, is het niet gebruikelijk dat in dergelijke situaties, wanneer een vrouw is mishandeld en onderdrukt en kennelijk uit vrije wil in een opvanggelegenheid verblijft, er informatie wordt doorgegeven over haar verblijfplaats. Over het algemeen is de verblijfplaats zelfs bij de politie niet bekend. Resumerend kan worden geconcludeerd:Ad 1. Op 28 november 1996 heeft klager nog gesproken met I. Verder is hem om legitieme redenen, geen informatie verstrekt over de verblijfplaats van mevrouw. Wel werd hem diverse malen geadviseerd hoe te handelen inzake een MVV aanvraag. ad 2. De houding en de vasthoudendheid van klager heeft de

medewerker van de vreemdelingenpolitie er uiteindelijk toe gebracht, uitlatingen te doen die niet passen in een normaal cli nten contact. De vraag blijft of er gezien de omstandigheden nog van een normaal contact kan worden gesproken. ad 3. Volgens het proces verbaal van collega Z., heeft I. middels een tolk in de Russische taal en volle vrijheid verklaard wat er aan de hand was. Het is zeer aannemelijk dat de verklaring met betrekking tot de intrekking van de aanvraag voor een verblijfsvergunning, eerst pas na voorlezing via de tolk werd ondertekend. Met betrekking tot de morele druk welke zou zijn uitgeoefend om een abortus te laten plegen, is het gezien de verklaring van de vrouwenopvang zeer onwaarschijnlijk dat de politie enige invloed heeft gehad in de beslissing die betrokkene uiteindelijk zelf heeft genomen. Uiteindelijk is het verzoek van I., om weer te kunnen terugkeren naar Nederland en naar haar partner G. in behandeling genomen. Tot twee maal toe werd dit verzoek door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) afgewezen. Inmiddels is een nieuw verzoek in behandeling bij de IND."5. Bij de rapportage van 21 oktober 1997 bevonden zich voorts de navolgende bijlagen.5.1. Twee mutaties van 28 november 1996 ten aanzien van de gebeurtenissen in het politiebureau te Delft tussen mevrouw I. en verzoeker, zoals die samengevat zijn weergegeven in de rapportage van 21 oktober 1997. In een van de mutaties staat daarbij nog vermeld dat mevrouw I. alleen de Russische taal machtig was en dat daarom een tolk, mevrouw V., was gebeld.5.2. De verklaring die op 16 december 1996 was ondertekend door de vriendin van verzoeker en die door de vreemdelingendienst was opgesteld. Deze verklaring luidde als volgt:"Ik, I., geboren te Atyrauskaya op 25 juni 1971 en burger van Kazachstan. verklaar dat ik geheel vrijwillig mijn verblijf in Nederland wens te be indigen. Ik heb op 01 oktober 1996 te Delft een verzoek ingediend voor een vergunning tot verblijf met het doel verblijf bij partner G, bij de Vreemdelingenpolitie te Delft. Ik wens zo snel mogelijk terug te keren naar Kazachstan. Ik heb een paspoort. Ik ben niet in het bezit van geld. Ik heb thans geen vaste woon- of verblijfplaats. Aangezien ik mijn aanvraag voor vergunning intrek, begrijp ik dat ik illegaal in Nederland verblijf. Ik wens niet dat mijn advocaat in deze zaak nog enige actie onderneemt."5.3. Een telefoonnotitie van mevrouw Z., medewerkster van de vreemdelingendienst in Den Haag, van 16 december 1996. Het betrof de weergave van een telefoongesprek met een medewerkster van het opvanghuis waar verzoekster verbleef. In de telefoonnotitie staat onder meer:"Betr. verzoekt hulp, schijnt inderdaad mishandeld te worden en zit thans in een (...) huis. Ziet geen mogelijkheden om zelfstandig terug te keren naar Kazachstan. Terugkeer via IOM (terugkeerbureau; N.o.) niet mogelijk."5.4. Het proces-verbaal van 16 december 1996 van het verhoor van vriendin van verzoeker op die datum, opgesteld door hoofdagent Z., medewerker van de vreemdelingendienst van het regionale politiekorps Haaglanden te Den Haag. In dit proces verbaal staat:"Op maandag 16 december 196 te 10.10 uur hoorde ik, Z., hoofdagent van politie Haaglanden, afdeling Toezicht, middels gebruikmaking van een tolk in de Russische taal, de vreemdeling genaamd:

I. geboren op 25 juni 1971, te Kazachstan. Nadat ik haar had meegedeeld waarover ik haar wenste te horen, verklaarde zij:"Op 01 oktober 1996 heb ik bij de Vreemdelingenpolitie te Delft een verzoek ingediend voor een vergunning tot verblijf bij mijn partner G. Ik heb mijn vriend in Kazachstan ontmoet. Op 22 juni 1996 ben ik voor vakantie per vliegtuig naar Nederland gekomen. Ik heb een visum in mijn paspoort voor deze reis. Het visum is op 18 juni 1996 in Almaty afgegeven en was geldig tot 19 september 1996. Ik ben bij mijn vriend gaan wonen. Toen ik hier in Nederland was, veranderde het gedrag van mijn vriend. Hij mishandelde mij diverse malen en wilde mij dwingen om in een bar te werken waar rijke mannen kwamen. Hij had geld nodig omdat zijn zoon aan de drugs is en omdat zijn dochter studeert in Amerika. Ik wilde dit niet. Ik wilde niet als prostitu e gaan werken om zo geld voor hem te verdienen. Ik ben vervolgens bij hem weggegaan. Ik ben uiteindelijk in een blijf van mijn lijf huis terechtgekomen. Ook was ik zwanger van mijn vriend. Afgelopen donderdag 12 december 1996 heb ik een abortus laten plegen. Ik heb geen geld en ik wil zo snel mogelijk terug keren naar Kazachstan. Ik zal mijn verzoek voor vergunning tot verblijf bij mijn partner G. intrekken. Mijn relatie is verbroken en ik wil niets meer met hem te maken hebben." Ik heb dit proces-verbaal op ambtseed opgemaakt, gesloten en ondertekend te Den Haag op 16 december 1996.". Verklaring van mevrouw I. Op 22 januari 1998 verklaarde mevrouw I., de vriendin van verzoeker, tegenover twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman, in aanwezigheid van mevrouw W., be digd vertaler, tevens tolk, in de Russische taal, het volgende:"Ik ben op 22 juni 1996 in Nederland gekomen met een toeristenvisum. Ik kwam om te kijken of het hier beviel en om uiteindelijk bij verzoeker te gaan wonen. In Kazachstan had ik al met hem samengewoond vanaf december 1993. In december 1997 ben ik met verzoeker getrouwd. Ik vond het hier leuk, de Nederlandse mensen zijn aardig. Over het samenwonen met verzoeker in Nederland vanaf 22 juni 1996 vertel ik u het volgende. In het begin was het heel leuk. Maar ik kreeg op een gegeven moment heimwee, ik was ziek van mijn zwangerschap (psychologisch) en ik hoorde dat mijn moeder erg ziek was. Het samenwonen op zichzelf ging goed, maar ik voelde me niet erg goed. Er is tussen mijn man en mij een cultuurverschil, hij is Turk, ik kom uit Kazachstan. Mijn man was al een keer getrouwd geweest. Zijn ex-vrouw belde vaak met hem en met mij. Zij gebruikte woorden die in mijn cultuur erg vernederend zijn. Ik begreep dat niet, en voelde mij daardoor niet goed op mijn gemak. (...) Toen ik mij op 28 november 1996 meldde bij de politie in Delft, was ik in gezelschap van een studente uit Novo-Sibirsk. Zij kende een beetje Engels. Voor zover zij dat kon heeft ze een beetje vertaald. Zij waarschuwde mij dat zij niet echt goed kon vertalen omdat zij het engels niet goed beheerste. Op het moment dat ik naar de politie ging was het volgende aan de hand. Mijn persoonlijke omstandigheden, zoals ik die hiervoor heb uitgelegd, met name de ziekte van mijn moeder (zij moest worden geopereerd aan een gezwel) maakten dat ik naar Kazachstan wilde. Mijn man zei tegen mij dat ik nog niet weg kon voordat ik een D-document had gekregen. Die zou ik volgens hem 16 december 1996 krijgen. Op dat moment zou ik dus een maand moeten wachten. Dat kon ik niet aan, ik dacht dat hij loog dat ik moest wachten. Ik geloofde niet dat ik niet weg zou kunnen. Ik kon het met hem niet oplossen en kreeg over het feit dat ik naar mijn moeder wilde ruzie met mijn man. Ik dacht dat ik mijn moeder zou verliezen en dat was op dat moment voor mij het belangrijkste. Bij de politie heb ik op 28 november 1996 het probleem

voorgelegd. Ik vroeg of ik weg kon, de politie zei dat dat kon. De studente was er ongeveer 10 tot 15 minuten bij het gesprek aanwezig. Na een minuut of tien was er een Nederlandse man, geen politie, die in eenvoudige woorden Russisch met mij sprak. Ik was van plm. 17.00 uur tot plm. 22.00 uur bij de politie. Mijn man is die dag ook naar het politiebureau gekomen. Ik heb niet echt met hem gesproken. Ik heb wel tegen hem gezegd dat ik over drie dagen naar huis zou komen. Tussen 28 november 1996 en 17 december 1996 heb ik geslapen in een opvangtehuis (...). Daar heeft de politie mij naar toe gebracht. Ze zeiden dat ik daar voorlopig moest blijven. Ik moest tot rust komen. Ze zouden met mijn man praten, daarna zouden ze met mij praten. Ik ben met de politie meegegaan omdat ik er van uit ging dat zij het bij het rechte eind hadden dat ik rust nodig had. Ik wilde na drie dagen naar huis. Het opvanghuis was een weerzinwekkende omgeving om in te wonen. Het was niet goed schoongemaakt en er liepen muizen rond. Het was er donker. Er zaten tien vrouwen in n ruimte. Alles was vochtig. Ik kreeg medicijnen. Ik ben er langer dan drie dagen gebleven, omdat de vaste Turkse medewerkster van het opvanghuis, mij vertelde dat mijn man een aanklacht tegen mij zou hebben ingediend bij de Rotterdamse politie. Ik weet niet op grond waarvan. Ik vroeg waarom hij dat had gedaan. Ze zei tegen mij dat mijn man gek was. De medewerkster zei: "Hoe kan hij dat nu doen, jij bent zwanger en hij is moslim". Ik wilde weten wat de beschuldiging was, maar ze zei dat de politie mij dit toch niet zou vertellen en dat ik beter niet naar huis kan gaan.     De medewerksters van het opvanghuis zeiden vanaf dat moment dat als mijn man een aanklacht tegen mij indiende, dan was hij mij niet waard. Ik kon volgens hen abortus plegen. Zij raadden mij dat ook aan. Ze zeiden ook dat de politie in Delft mij zou steunen en dat ze beschuldiging van mijn man niet zouden onderzoeken. Ze zeiden dat de aanklacht van mijn man door de politie niet tegen mij gebruikt zou worden. De politie belde elke dag naar het opvanghuis om te horen hoe het ging met mij. Op 16 december was ik bij de politie in Den Haag. U houdt mij de verklaring van die datum voor, waarin ik het verzoek om een verblijfsvergunning intrek. Ik wist niet wat ik ondertekende. Ik zag mijn naam en mijn geboortedatum staan. Ik wilde vragen of ze het voor mij wilden vertalen, maar ik wist het Nederlandse woord voor tolk niet. Er was een grote, stevige man van hogere leeftijd. Daarnaast was er een meisje die aan de computer werkte. Het papier werd aan mij

voorgehouden. Het geboortejaar was verkeerd geschreven. U toont mij een fotokopie van de verklaring. Ik herken mijn handtekening. Er was geen tolk bij. De man en de vrouw met wie ik sprak hebben veel mensen werkten. De man hield mij het papier voor en ik moest tekenen. Ik kon alleen nog de geboortedatum verbeteren, verder niets. U deelt mij mee dat u informatie heeft gekregen van een andere strekking dan de verklaring die ik nu geef. Ik vertel u dat ik meteen na het ondertekenen van de verklaring op 16 december 1996 in een gesloten auto naar Amsterdam  Schiphol - ben gebracht. In Amsterdam werd ik in een cel gezet. Ik wilde weer terug naar mijn man en heb geprobeerd weg te lopen, maar ik ben toen door de politie in een vliegtuig gezet. Ik voelde mij behandeld als een crimineel. Ik kreeg in Nederland en in het vliegtuig erg weinig eten en drinken. Ik wist niet dat ik gedeporteerd werd. Daar ben ik pas achtergekomen toen ik in Kazachstan was aangekomen bij de douane. Ik ben in Kazachstan door de politie gehoord en kon toen aantonen dat ik geen asielverzoek had gedaan, maar een toeristenvisum had gehad. De politie in Kazachstan heeft uiteindelijk excuses aangeboden. U houdt mij voor dat mijn man de burgemeester van Delft een brief heeft gestuurd op 16 april 1997. Daarin staat onder meer dat mijn man had begrepen dat ik hem verlaten had omdat mijn ring en mijn sleutel op tafel lagen toen hij thuis kwam. Daarnaast vermeldt een proces-verbaal van de politie Delft van 28 november 1996 dat ik had gezegd dat mijn man wilde dat ik als prostitu e zou gaan werken en dat hij mij sloeg. Daar klopt niets van. Ik was zwanger van hem, dus hoe kon hij van mij verlangen dat ik als prostitu e ging werken, terwijl hij een kind van mij wilde? Als hij mij had geslagen, dan had dat zichtbaar moeten zijn. Het is niet waar. De studente uit Novo-Sibirsk heeft alleen vertaald wat ik tegen de politie heb gezegd, niet wat de politie tegen mij heeft gezegd. De politie heeft alleen maar naar mij geluisterd, niet tegen mij gesproken. De Nederlandse man die een beetje Russisch sprak heeft alleen maar gezegd dat ik naar het opvangtehuis ging. Ik ga er van uit dat de politie begreep waarom ik daar was en waar ik het over had, anders hadden ze mij wel weggestuurd. De ring en de sleutel had ik laten liggen omdat ik wilde informeren of mijn man loog over het niet naar Kazachstan kunnen gaan voor een bezoek aan mijn moeder. Ik wilde wel naar hem terug, maar als ik had ontdekt dat hij had gelogen dan had ik hem daarmee geconfronteerd. Bovendien kon hij dan van die ring een ticket voor mij kopen. Ik wist dat een ticket voor Kazachstan tweeduizend gulden zou

kosten, en ik dacht dat hij dat niet wilde geven voor een bezoek aan mijn moeder. U houdt mij voor dat verzoeker op 28 november 1996 ook in het politiebureau kwam en heel erg over zijn toeren raakte. Uit een proces-verbaal van de politie blijkt dat er een gesprek was tussen mijn man en mij. Dat klopt niet. Hij zag mij door een glazen wand of raam en begon erg te huilen. Hij vroeg de politie of hij met mij kon spreken, maar de politie duwde hem weg. Door een open deur heb ik hem gezegd dat ik over drie dagen thuis zou zijn. Verder was er geen gesprek. U houdt mij de in het Russisch gestelde verklaring van 14 maart 1997 voor (zie hierv r onder A.5.; N.o.). Ik heb deze verklaring geschreven. Mijn man belde mij in Kazachstan en vroeg mij kort op te schrijven wat er gebeurd was. Dat heb ik gedaan. De verklaring is door mij en mijn zus samen, met de computer geschreven. De verklaring is vervolgens per fax aan mijn man gestuurd. In mijn verklaring van 14 maart 1997 staat dat de politie mij gedwongen heeft abortus te plegen. De politie belde iedere dag en de vrouwen van het opvangtehuis vertaalden dat dan. Ik heb abortus gepleegd en drie dagen later werd ik uitgezet. De politie heeft nooit van gezicht tot gezicht gezegd dat ik abortus moest plegen. De vrouwen vertaalden de telefonische mededelingen van de politie. Zij hebben niet gezegd dat de politie adviseerde om abortus te plegen. U houdt mij voor dat de politie in een proces-verbaal van 16 december 1996 heeft meegedeeld dat bij het verhoor van 16 december 1996 gebruik is gemaakt van een tolk in de Russische taal. Dat klopt niet. U houdt mij de inhoud van het desbetreffende proces-verbaal voor. Ik zat toen op de R.-school en had Nederlandse les en had geen werk. Hij sloeg mij niet. Ik heb die verklaring dan ook niet afgelegd. Ik kon niet praten met die politiemensen, we verstonden elkaar niet. De politie heeft die dag geen verklaring van mij opgenomen. Deze verklaring is aan mij in het Russisch voorgelezen en door mij goedgekeurd." E. Nadere inlichtingen van de korpsbeheerder1. Naar aanleiding van de verklaring van mevrouw I. stelde de Nationale ombudsman bij brief van 10 februari 1998 de volgende vragen aan de korpsbeheerder:

"Mevrouw I. heeft onder meer verklaard dat tijdens haar aanwezigheid in de bureaus van politie op 28 november 1997 en 16 december 1997 geen tolken aanwezig waren, anders dan de door haar genoemde personen. Uit het proces-verbaal van 28 november 1996 komt naar voren dat telefonisch contact is gelegd met een tolk uit Rotterdam, mevrouw V. Het proces-verbaal van 16 december 1996 vermeldt dat mevrouw I. is gehoord met gebruikmaking van een tolk in de Russische taal. Ik verzoek u mij nadere stukken over te leggen waaruit blijkt welke werkzaamheden op deze data door deze tolken zijn verricht ten behoeve van een gesprek tussen politieambtenaren en mevrouw I., zoals een nota voor de werkzaamheden van deze tolk. Daarnaast verzoek ik u de adresgegevens van deze tolken aan mij bekend te maken." 2. Op 23 maart 1998 zond de korpsbeheerder onder meer het rapport van 13 maart 1998, waarin verslag werd gedaan van het onderzoek dat was gedaan naar aanleiding van de hiervoor opgenomen vragen van de Nationale ombudsman. In dit rapport staat onder meer:"In het proces verbaal van 28 november 1996 (zie hiervoor onder C.4.; N.o.) wordt gemeld dat mevrouw V. op die dag tolkwerkzaamheden heeft verricht. Voor die werkzaamheden heeft zij later een declaratie ingediend. (...) Wat betreft het gebruik maken van een tolk op 16 december 1996, heb ik telefonisch navraag gedaan bij het tolkencentrum te Rotterdam. Daar kon niet worden bevestigd dat op 16 december 1996 ten behoeve van de vreemdelingenpolitie Haaglanden, van een tolk in de Russsische taal gebruik is gemaakt. In verband met het vorenstaande hoorde ik op donderdag 12 maart 1998, mevrouw Z. nader. Zij verklaarde:"Ik blijf bij hetgeen ik in mijn proces verbaal van 16 december 1996 heb opgesteld. Ik wil daaraan nog toevoegen dat ik altijd een tolk gebruik als er geen communicatie in goed Nederlands of Engels mogelijk is. Ik kan me de situatie niet precies meer herinneren. Ik ga er nog steeds van uit dat ik toen gebruik gemaakt heb van een tolk van het tolkencentrum Rotterdam, alhoewel er incidenteel ook wel gebruik gemaakt wordt van particuliere tolken als er bij het tolkencentrum geen tolk beschikbaar is." Verder onderzoek heeft niet geleid tot duidelijkheid omtrent het tolken op 16 december 1996 inzake mevrouw I.."3. Bij het rapport was een fotokopie gevoegd van de nota van de tolk V. De nota was gericht aan de politie te Delft, ter attentie van de heer S. De nota betrof een tolkdienst op 28 november 1996 ten behoeve van een mishandelde vrouw, Russisch.4. Naar aanleiding van de verstrekte informatie stelde een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman op 14 april 1998 telefonisch de vraag aan een medewerker van de korpsbeheerder of bij het opstellen van het rapport van 13 maart 1998 ook onderzoek was gedaan in de financi le administratie van het korps, met als doel vast te stellen of ten aanzien van het verhoor van 16 december 1996 een nota van een tolk was ontvangen. Dit onderzoek was niet verricht. De korpsbeheerder werd daarom gevraagd dit aspect alsnog te onderzoeken. Op 15 april 1998 deelde de medewerker van de korpsbeheerder mee dat naar aanleiding van deze vraag van de Nationale ombudsman onderzoek was gedaan naar de eventuele ontvangst van tolkenrekeningen in de periode van 16 december 1996 tot en met eind januari 1997. Dit betrof de periode waarbinnen naar verwachting een dergelijke nota zou moeten zijn ontvangen. Het resultaat van het onderzoek was dat geen rekening was ontvangen voor het verrichten van een tolkendienst op 16 december 1996 ten behoeve van een gesprek tussen een vreemdeling en de vreemdelingendienst. F. Verklaring van betrokken ambtenaar S. Op 19 februari 1998 en 14 april 1998 verklaarde betrokken ambtenaar S. telefonisch tegenover medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman het volgende:"Op 28 november 1996 was ik op het politiebureau te Delft als mentor werkzaam in de opvangdienst. Ik werd toen geconfronteerd met mevrouw I. Ik heb geregeld dat ze in een (opvanghuis, N.o.) kon worden opgenomen. Op haar verzoek regelde ik de tolk mevrouw V. Die wist volgens mevrouw I. overal van. De tolk mevrouw V. heeft enige tijd aan de telefoon getolkt. Daarna kwam de echtgenoot van mevrouw V., die eveneens tolk is in de Russische taal, naar het bureau om in het gesprek tussen mevrouw I. en mijzelf te tolken. Op een gegeven moment kwam verzoeker het bureau binnen om aangifte te doen van verdwijning van zijn vrouw. Mevrouw I. hoorde de stem van verzoeker die in de hal zat. Verzoeker wilde een gesprek met mevrouw I. Mevrouw I. gaf aan dat zij dat niet wilde. Ik weet niet meer of de tolk op dat moment ook aanwezig was. De politie heeft betrokkenen toen via de open deur (verzoeker zat in de hal, mevrouw I. in de gang) met elkaar laten praten. Het

gesprek ging in een voor mij vreemde taal. Ik heb daarvan niets kunnen verstaan. Mevrouw I. gaf aan dat zij door haar man geslagen werd en dat hij wilde dat zij met zijn vrienden naar bed zou gaan. Zij wilde dat niet en zei dat zij daarom niets meer in Nederland had te zoeken. Zij wilde haar echtgenoot verlaten en naar Kazachstan terugkeren. Zij heeft niet als hoofdreden van vertrek aangegeven dat zij een bezoek wilde brengen aan haar zieke moeder. Na 28 november 1996 ben ik nog diverse malen benaderd via het Meldpunt Discriminatie te Den Haag om te bemiddelen in een gesprek tussen mevrouw I. en verzoeker. Verzoeker was naar het Meldpunt gegaan. Ik heb diverse keren gebeld met het opvanghuis (...) waar mevrouw I. verbleef. Telkens werd hem meegedeeld dat Mevrouw I. geen gesprek wilde. Mevrouw I. heb ik nooit meer gesproken. Via het opvanghuis vernam ik wel dat mevrouw I. zwanger was en aangaf een abortus te willen. Mevrouw I. heeft aangegeven dat zij door verzoeker was mishandeld. Het was mij via de wijkagent bekend dat verzoekers vorige vrouw ook om die reden bij hem was weggegaan.". Reactie van verzoeker1. Op 12 februari 1998 reageerde verzoeker telefonisch op het stand-punt van de korpsbeheerder (zie hierv r, onder C.). Hij was het in het geheel niet eens met de korpsbeheerder en verwees naar hetgeen hij reeds eerder naar voren had gebracht. Hij benadrukte dat hij door deze kwestie ernstige psychologische problemen ondervond. Verzoeker reageerde niet op de verklaring van mevrouw I.2. Op 6 mei 1998 deelde verzoeker telefonisch mee geen nadere reactie te zullen geven op de nadere informatie van de korpsbeheerder. Hij handhaafde zijn eerder ingenomen standpunten.

Beoordeling

I. Algemeen1. Verzoeker, die in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, is in de maand juni 1996 in Nederland gaan samenwonen met zijn vriendin, mevrouw I. Mevrouw I. was op 22 juni 1996 Nederland ingereisd op basis van een toeristenvisum. Op 1 oktober 1996 diende mevrouw I. een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel verblijf bij partner. Op 28 november 1996 verliet mevrouw I. de gezamenlijke woning. Zij vroeg de politie te Delft om hulp en werd uiteindelijk in een

opvanghuis geplaatst. Tijdens haar aanwezigheid in het politiebureau te Delft verscheen verzoeker, die haar aan het zoeken was. Verzoeker en mevrouw I. raakten in een emotioneel gesprek waarbij zij verzoeker uiteindelijk meedeelde na drie dagen weer bij hem te zullen komen.2. Verzoeker klaagt over de wijze waarop ambtenaren van de vreemdelingendienst Delft van het regionale politiekorps Haaglanden zijn opgetreden nadat zijn vriendin zich daar met persoonlijke problemen had gemeld op 28 november 1996.3. Uit de beschrijvingen die de politie en mevrouw I. hebben gegeven van de gebeurtenissen op 28 november 1996 komt naar voren dat mevrouw I. op die dag niet bij verzoeker, maar elders wilde verblijven. Tussen de beschrijvingen die door mevrouw I. en de betrokken ambtenaren zijn gegeven bestaan aanzienlijke verschillen omtrent de door mevrouw I. opgegeven redenen voor dat verzoek. Uit de onderlinge samenhang tussen die beschrijvingen is echter voldoende aannemelijk geworden dat er tussen haar en verzoeker problemen waren gerezen en dat zij ook overigens persoonlijke problemen had. Dit wordt bevestigd door de omstandigheid dat mevrouw I. met haar instemming is ondergebracht in een opvanghuis voor vrouwen en dat zij daar heeft verbleven van 28 november 1996 tot 16 december 1996. II. Ten aanzien van de weigering contact tot stand te brengen tussen verzoeker en mevrouw I. en verzoeker te informeren over de stand van zaken1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat hij - in de periode van 28 november 1996 tot en met 16 december 1996 - ondanks herhaalde verzoeken geen contact met mevrouw I. kon krijgen en dat de politie hem geen uitleg over de stand van zaken wilde geven.2. Bij geschillen tussen burgers dient de politie zich terughoudend op te stellen bij het verstrekken van informatie aan ( n van de) betrokkenen, met name wanneer, zoals in dit geval, n van de betrokken partijen hulp vraagt bij de politie in verband met dat conflict. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de aard en de ernst van het conflict.3. Uit de beschrijving van alle betrokkenen blijkt dat mevrouw I. op 28 november 1996 in het politiebureau te Delft heeft aangegeven een conflict te hebben met verzoeker en die dag niet met hem naar de gezamenlijke woning te willen terugkeren. In de daaropvolgende periode is er geen rechtstreeks contact geweest tussen mevrouw I. en de politie, maar wel tussen de politie en medewerksters van het opvanghuis waar mevrouw I. in die periode verblijf had. Uit de ver

klaring van mevrouw I. komt naar voren dat de medewerksters van het opvanghuis haar hadden verteld dat de politie belangstelling had voor haar welbevinden en dat zij er verstandig aan deed niet naar huis terug te keren. Uit de verklaring van betrokken ambtenaar S. komt naar voren dat hem telkens werd meegedeeld dat mevrouw I. geen contact wenste.4. Het is gelet op het voorgaande voldoende aannemelijk dat de politie door te weigeren verzoeker in contact te brengen met mevrouw I., heeft gehandeld conform de wensen van mevrouw I. De politie heeft daarmee een juiste afweging van belangen gemaakt. Tegen de achtergrond van deze belangenafweging was het bovendien niet onjuist om verzoeker geen nadere informatie over mevrouw I. te verstrekken. In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk. III. Ten aanzien van de bejegening van verzoeker op 17 december 19961. Voorts klaagt verzoeker erover dat hij, toen hij een brief voor zijn vriendin wilde afgeven op 17 december 1996, onheus werd bejegend. Verzoeker had zijn vriendin door middel van deze brief willen vragen bij hem terug te keren. Volgens verzoeker had een medewerker van de vreemdelingendienst hem vervolgens toegevoegd "waarom willen jullie in Nederland wonen, waarom wonen jullie niet in Kazachstan?" en had deze medewerker hem gevraagd of hij misschien doof was en of zijn batterijen misschien op waren. Uit de klachtbrief van verzoeker aan de burgemeester van Delft van 16 april 1997 komt naar voren dat de vreemdelingendienst te Delft hem niet had verteld dat zijn vriendin het land was uitgezet en dat hij geen antwoord had gekregen op de door hem gestelde vragen.2. Betrokken ambtenaar K. erkende dat hij mogelijk woorden had gebruikt van de strekking zoals die door verzoeker waren beschreven. Hij gaf in zijn verklaring aan dat het moeilijk was geweest verzoeker te overtuigen. In zijn reactie op dit klachtonderdeel deelde de korpsbeheerder mee dat de klacht gegrond was, maar dat er verzachtende omstandigheden hadden bestaan, gelegen in het gedrag van verzoeker. De korpsbeheerder deelde mee dat de betrokken medewerker hierop was gewezen.3. Verzoeker en K. hebben beiden aangegeven dat het gesprek op 17 december 1996 voor hen niet op een bevredigende wijze was verlopen. Verzoeker kreeg geen antwoord op zijn vragen en K. slaagde er niet in verzoeker te overtuigen. Hoewel niet vast staat hoe het gesprek precies is verlopen, staat vast dat K. zich op enig moment heeft ge rgerd aan de opstelling van verzoeker en de gewraakte

uitlatingen heeft gedaan, althans woorden van die strekking heeft geuit.4. Op zichzelf zijn situaties denkbaar waarin politieambtenaren worden geconfronteerd met burgers met wie zij niet tot een vergelijk kunnen komen en waarin - al dan niet over en weer - irritaties ontstaan. Ook dan behoort de betrokken politieambtenaar blijk te geven van een professionele houding zoals die van de politie jegens een burger mag worden verwacht. De gebezigde bewoordingen passen niet binnen deze professionele houding. De onderzochte gedraging is, zoals de korpsbeheerder terecht heeft aangegeven, op dit punt dan ook niet behoorlijk. IV. Ten aanzien van de bejegening van mevrouw I.1. Verzoeker klaagt er ten slotte over dat zijn vriendin, die op 16 december 1996 naar Kazachstan is uitgezet, op ongeoorloofde wijze ernstig onder druk is gezet om haar verzoek voor een verblijfsvergunning in te trekken. Dit gebeurde onder meer door met haar te spreken buiten de aanwezigheid van een tolk. Ook zou de politie druk op haar hebben uitgeoefend om een abortus te laten plegen.2. In het geval van een intrekking door een vreemdeling van diens toelatingsprocedure dient de vreemdelingenpolitie (optredend namens de korpschef) zich ervan te vergewissen dat de vreemdeling de inhoud en de strekking van de door hem te ondertekenen verklaring kent en begrijpt. Zonodig wordt een (telefonische) tolk ingeschakeld in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling deze kan verstaan (zie

Achtergrond

, onder 1). De vreemdelingenpolitie (korpschef) maakt verder een proces-verbaal op van de reden(en) van de vreemdeling om tot intrekking over te gaan en van de omstandigheden waaronder de ondertekening van het formulier D37 plaatsvond (zie

Achtergrond

, onder 2.).3. Verzoeker heeft aangevoerd dat mevrouw I. in de periode van 28 november 1996 tot en met 16 december 1996 onder grote spanning had gestaan toen zij zich voor hulp tot de politie had gewend. Hij verwees voorts naar de verklaring van mevrouw I. van 14 maart 1997, waarin zij een beschrijving gaf van de druk die op haar was uitgeoefend. Deze druk had er onder meer in bestaan dat de politie had ge ist dat zij een verklaring ondertekende zonder dat die verklaring voor haar werd vertaald en dat er morele druk op haar was uitgeoefend om abortus te plegen.4.1. De chef van het Bureau Vreemdelingendienst heeft aangevoerd dat mevrouw I. niet onder druk was gezet om haar verzoek om een verblijfsvergunning in te trekken. Zij had zelf het land willen

verlaten om aan de bedreigingen van verzoeker te ontsnappen. Daarnaast was uit niets gebleken dat mevrouw I. onder druk was gezet om abortus te plegen. Betrokken ambtenaar Z. heeft verklaard zich de omstandigheden van het verhoor van mevrouw I. op 16 december 1996 niet te kunnen herinneren. Zij wees erop dat het door haar opgestelde proces-verbaal van die datum er melding van maakt dat mevrouw I. met behulp van een tolk in de Russische taal was gehoord. Zij deelde ten slotte mee dat het gebruikelijk is dat een verklaring tot intrekking van een vergunningsaanvraag door de tolk wordt voorgelezen, voordat de verklaring wordt ondertekend. Zij ging er daarom van uit dat dat ook in dit geval was gebeurd.4.2. De korpsbeheerder heeft in aanvulling op de onder 4.1. weergegeven informatie naar voren gebracht dat het tolkencentrum niet kon bevestigen dat er op 16 december 1996 een tolkendienst was verricht ten behoeve van de vreemdelingendienst. Z. heeft naar aanleiding van deze informatie verklaard dat er nog steeds van uit te gaan dat zij op 16 december 1996 van een tolk van dat tolkencentrum gebruik had gemaakt. Zij wees er op dat incidenteel, wanneer het tolkencentrum geen tolk beschikbaar heeft, gebruik wordt gemaakt van particuliere tolken. De korpsbeheerder heeft vervolgens onderzocht of in de financi le administratie een nota aanwezig was ten aanzien van een tolkendienst door een particuliere tolk op 16 december 1996. Een dergelijke nota was in de administratie niet aanwezig.5. Uit de verklaring die mevrouw I. tijdens het onderzoek heeft afgelegd, komt naar voren dat zij op 16 december 1996 niet wist dat ze werd uitgezet. Zij had een verklaring ondertekend die zij niet kon lezen en die niet aan haar was uitgelegd in een voor haar begrijpelijke taal. Zij wilde weliswaar naar Kazachstan, maar had de bedoeling aldaar haar zieke moeder te bezoeken. Ze gaf aan dat ook persoonlijke problemen er toe hadden bijgedragen dat zij naar Kazachstan wilde reizen, maar zij had niet de bedoeling gehad definitief te vertrekken. Ten slotte heeft mevrouw I. verklaard dat zij geen rechtstreekse adviezen van de politie had gekregen over het plegen van abortus. Medewerksters van het opvanghuis hadden volgens mevrouw I. in een andere context opmerkingen gemaakt over de mogelijkheid abortus te plegen.6. Voor de beoordeling van de vraag of op de vriendin van verzoeker druk is uitgeoefend om haar ertoe te bewegen de aanvraag voor een verblijfsvergunning in te trekken wordt allereerst het volgende vastgesteld. Mevrouw I. heeft in vervolg op haar schriftelijke verklaring van 14 maart 1997 een nadere uitleg gegeven over de omstandigheden waaronder haar abortus tot stand was gekomen. Deze uitleg

sluit uit dat er door de politie druk op haar is uitgeoefend om deze abortus te laten plegen. In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.7. Daarmee resteert de vraag of de vreemdelingendienst mevrouw I. ertoe heeft gebracht een verklaring tot intrekking van de vergunningaanvraag te ondertekenen, zonder dat deze verklaring voor haar werd vertaald. Op dit punt is voldoende komen vast te staan dat mevrouw I. de Nederlandse taal niet voldoende beheerste om zonder tolk te kunnen worden gehoord. Dit komt naar voren uit de omstandigheid dat zij op 28 november 1996 een vriendin mee nam naar het politiebureau om voor haar te vertalen, en uit het op die datum inschakelen van een tolk door de ambtenaar S. Overigens is dat ook duidelijk gebleken uit het gehoor van de vriendin door twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman, op 22 juni 1998, welk gehoor moest worden uitgevoerd met behulp van een tolk. Gelet op hetgeen onder III.4.2 en III.5. is weergegeven, in samenhang bezien, moet de Nationale ombudsman het ervoor houden dat de vreemdelingenpolitie op 16 december 1996 niet een tolk heeft ingeschakeld bij het verhoor van mevrouw I. Bepalend in dit verband is allereerst dat de korpsbeheerder van het verhoor op 16 december 1996, anders dan van het gesprek op 28 november 1996, geen nota heeft kunnen overleggen. Verder heeft het de aandacht getrokken van de Nationale ombudsman dat in dit geval, blijkens de tekst van de intrekkingsverklaring, geen gebruik is gemaakt van het voor deze intrekking voorgeschreven formulier D37 (zie

Achtergrond

, onder 2.). Dat is te meer opmerkelijk omdat als wel een tolk zou zijn ingeschakeld op 16 december 1996, er alle reden was geweest om daarvan, conform de standaardtekst van formulier D37, melding te maken in de verklaring. Het feit dat dergelijke informatie niet is opgenomen, tast bepaald de geloofwaardigheid aan van de stelling van de politie dat wel een tolk aanwezig is geweest. Aldus moet, alles bijeen, ondanks de inhoud van het proces-verbaal van 16 december 1996, ervan worden uitgegaan dat bij het verhoor van mevrouw I. en bij de ondertekening van de intrekkingsverklaring geen tolk aanwezig is geweest. Daarmee is geen toepassing gegeven aan de op dit punt toepasselijke voorschriften uit de Vreemdelingencirculaire (zie

Achtergrond

). Gegeven de persoonlijke omstandigheden van mevrouw I., die bij de vreemdelingendienst bekend waren geworden door tussenkomst van de medewerksters van het opvanghuis, klemt deze constatering temeer omdat verzoekster daarmee als mogelijk slachtoffer van mishandeling geen passende behandeling heeft ontvangen. Dit is niet juist. In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.8. Hetgeen hierv r, onder IV.7., is opgemerkt over het feit dat in dit geval niet het formulier D37 is gebruikt, geeft aanleiding tot

de aanbeveling om, voor zover nodig, te bevorderen dat dit formulier te allen tijde wordt gebruikt in de situaties waarvoor het is voorgeschreven. Met zo'n praktijk wordt immers gewaarborgd dat naderhand geen discussie kan ontstaan over de vraag of al dan niet een tolk is ingeschakeld, omdat het formulier op dat punt bewijs biedt, en tevens informatie over de naam van de eventueel ingeschakelde tolk. Een en ander is in het belang van de rechtszekerheid van de betrokken vreemdeling.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Haaglanden, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden (de burgemeester van 's-Gravenhage), is niet gegrond ten aanzien van de weigering verzoeker na 28 november 1996 met zijn vriendin in contact te brengen of informatie over haar te verstrekken en ten aanzien van het uitoefenen van druk op zijn vriendin om haar abortus te laten plegen, en gegrond ten aanzien van de bejegening van verzoeker op 17 december 1996 en het op 16 december 1996 laten ondertekenen door de vriendin van verzoeker van een verklaring zonder dat deze door een tolk werd vertaald.

Aanbeveling

De beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden wordt, gelet op IV.8. van de

Beoordeling

, in overweging gegeven om, voor zoveel nodig, te bevorderen dat het formulier D37 te allen tijde wordt gebruikt in de situaties waarvoor het is voorgeschreven.

Instantie: Regiopolitie Haaglanden

Klacht:

Optreden nadat vriendin verzoeker zich met persoonlijke problemen bij de politie had gemeld (contact met verzoeker afgehouden; hem onheus bejegend; vriendin onder druk gezet om verzoek om verblijfsvergunning in te trekken en abortus te plegen).

Oordeel:

Niet gegrond