1998/180

Rapport
Op 12 september 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw T. te Rekken, ingediend door mevrouw mr. G.J.J.M.A. Dijkman-Thoen, advocaat te Enschede, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland (de burgemeester van Apeldoorn), werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de namens verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoekster, die op 14 september 1995 betrokken is geweest bij een verkeersongeval, klaagt erover dat twee ambtenaren van het regionale politiekorps Noord en OostGelderland op 27 september 1996 hebben geweigerd om een onjuiste omschrijving van de toestand van het wegdek te wijzigen in het registratieformulier dat zij naar aanleiding van het ongeval hebben opgemaakt.

Achtergrond

Zie de Bijlage.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast legden de twee betrokken ambtenaren een verklaring af. Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens verstrekte een getuige informatie. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De betrokken ambtenaren S. en W. deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De korpsbeheerder berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. De reactie van verzoekster gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. De feiten1. Op 14 september 1995 was verzoekster als bestuurster van een personenauto betrokken bij een verkeersongeval op de S.-weg in de gemeente Eibergen. Verzoekster was in een bocht tegen een haar tegemoetkomend landbouwvoertuig, bestuurd door de heer B., gereden.2. Betrokken ambtenaren S. en W. van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland kwamen ter plaatse en maakten naar aanleiding van dit ongeval een registratieformulier op. In dit registratieformulier was bij "bijzonderheden van de plaats" en bij "tijdelijke omstandigheden" vermeld dat deze onderdelen van het formulier niet van toepassing waren. Tevens was vermeld dat het wegdek ter plaatse nat of vochtig was geweest. Verder was in dit formulier bij punt 18. "Beknopte duidelijke omschrijving van het ongeval" het volgende vermeld:"Be. 14.1. (verzoekster; N.o.) reed met haar voertuig in de richting van de R. te Rekken. In een bocht, gezien haar rijrichting, naar rechts, naderde Be 2 (de heer B.; N.o.) met een landbouwtrekker met aanhangwagen. Be 1 remde met haar voertuig, waarbij haar wielen blokkeerden en zij in de bocht naar rechts rechtdoor gleed, frontaal tegen de voorzijde van de landbouwtrekker. Door de klap sloeg zij met haar hoofd tegen de voorruit en kreeg hierdoor een hersenschudding. Van het voertuig werd het kenteken deel I en III ingenomen."3.1. Op 23 mei 1996 verzocht de heer N. namens verzoekster aan de regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland om heropening van het onderzoek naar de aanrijding. De heer N. deelde in zijn brief onder meer het volgende mee:"Op 14 september 1995, omstreeks 08.30 uur, vond op de S.-weg te Rekken, gemeente Eibergen, een verkeersongeval plaats. Bij dit ongeval waren betrokken T. (verzoekster; N.o.) als bestuurster van een personenauto en B., als bestuurder van een landbouwcombinatie. Van dit ongeval is door uw medewerkers S. en W. (...) een verkeersongevallen-registratieset opgemaakt.. heeft mij verzocht de schade-afhandeling van dit verkeersongeval van haar te willen overnemen. Als noodzaak voor dit verkeersongeval wordt in bovengenoemde registratieset vermeld, dat T. haar personenauto afremde, waarbij de wielen van haar personenauto blokkeerden en zij dien-

tengevolge in een bocht rechtdoor gleed en frontaal op de landbouwtraktor botste. Verder staat er in deze registratieset vermeld, dat het wegdek nat, dan wel vochtig was. Van de betrokkene T., alsmede van de getuigen V., (...) en O. (...), welke getuigen spoedig na dit ongeval aldaar ter plaatse kwamen, vernam ik, dat de S.-weg ten tijde van het ongeval glad en glibberig was geworden, doordat landbouwcombinaties van de firma W. doende waren met het kneuzen en transporteren van ma s op een bouwland aan en over de S.-weg. Door het vanaf dat landbouwperceel op en af rijden van die landbouwcombinaties de S.-weg op, werd het wegdek ernstig met zand en ma shaksels vervuild en vanwege het vocht op de weg al gauw tot modder gereden. Het verkeer op de S.-weg werd door plaatsing van verkeersborden of anderszins, op geen enkele manier opmerkzaam gemaakt op het dreigende slipgevaar, waardoor het verkeer op de S.-weg het onmogelijk werd gemaakt, zich aan te passen aan de omstandigheden op deze weg. Op grond van de Wegenverkeerswetgeving is dit echter wel verplicht. U en ik (...) weten dat moeten remmen op modder, praktisch altijd inhoudt, dat wielen van motorvoertuigen blokkeren en het voertuig onbestuurbaar wordt. Van de bijzondere omstandigheid, dat het wegdek van de S.-weg glad was geworden, doordat daar zand en ma shaksels op waren terechtgekomen is echter in de opgemaakte registratieset niets terug te vinden. Nu de firma W., wetende dat zij die werkzaamheden zou gaan uitvoeren en wetende, dat het wegdek daarbij ernstig zou worden vervuild, geen enkele maatregel heeft getroffen het verkeer daarvoor te waarschuwen, heeft deze firma naar mijn stellige overtuiging, willens en wetens het verkeer op de S.-weg in gevaar gebracht, dan wel zeer bewust deze risico's genomen. De firma W. is in ieder geval ernstig in gebreke gebleven. Mijns inziens werpt dit ook een heel ander licht op de aansprakelijkheid voor het ontstaan van dit ongeval, dan dat T. haar voertuig niet onder kontrole zou hebben gehad. Van haar kan immers niet worden verwacht, dat nu de overige weggedeelten van de S.-weg uitstekend berijdbaar waren, rekening te houden met het feit, dat de firma W. toevallig aan de S.-weg haar werkzaamheden uitvoert. Om deze redenen verzoek ik U dan ook te willen bewerkstelligen, dat het onderzoek naar de toedracht van dit onderzoek wordt heropend, waarbij rekening met eerder vermelde bijzondere omstandigheden wordt gehouden."3.2. De verklaring van de getuige O. van 22 mei 1996, waarnaar de heer N. in zijn brief van 23 mei 1996 verwees, hield onder meer het volgende in:

"Ik weet, dat er op 14 september 1995 een verkeersongeval, tussen de personenauto van T. en een landbouwcombinatie van de firma W. heeft plaatsgevonden op de S.-weg te Rekken, gemeente Eibergen. Ik kwam al vrij spoedig, nadat dit ongeval was gebeurd ter plaatse. Ik konstateerde, dat de firma W. met ma skneuswerkzaamheden bezig was op een landbouwperceel aan deze S.-weg. De ma s werd vervolgens met meerdere landbouwtractoren, waarachter aanhangwagens waren gekoppeld, van het landbouwperceel afgevoerd, waarbij over de S.-weg werd gereden. Door het telkens op en afrijden van dit landbouwperceel met die grote tractoren, werd het wegdek van de S.-weg ernstig vervuild, doordat met de wielen van de landbouwcombinaties zand vanaf het landbouwperceel de weg werd opgebracht en bovendien doordat van de aanhangwagens gekneusd ma s afviel en op het wegdek terecht kwam. In de nacht voor deze kneuswerkzaamheden had het geregend en het behoeft dan ook geen nader betoog, dat het op de S.-weg gevallen zand en ma s, doordat daar telkens weer met die landbouwcombinaties overheen gereden werd en bovendien weer opnieuw werd bevuild, al gauw werd tot een glibberige en gladde brei. Hierdoor ontstond gevaar, maar op zijn minst hinder voor het verkeer op de S.-weg. Het overige deel van de S.-weg, alwaar deze ma skneuswerkzaamheden niet plaats vonden, was uitstekend berijdbaar, zodat van de weggebruikers op de S.-weg, anders dan in een algemene situatie, als bijvoorbeeld mist, dan ook niet verwacht kon worden rekening te houden met een bijzondere aktiviteit, als in dit geval een door ma skneuswerkzaamheden plaatselijk vervuilde weg. Ik konstateerde verder, dat er door of vanwege de firma W. geen enkele zorg was ondernomen, om het verkeer op de S.-weg op deze door hen veroorzaakte bijzondere en zeer plaatselijke omstandigheid te wijzen. (...) Het kon dan ook niet uitblijven, dat nu T. haar weg door de tegemoetkomende landbouwcombinatie geblokkeerd zag en zij ongewaarschuwd op het door modder glad geworden wegdek van de S.-weg terecht was gekomen zij, ondanks de door haar voor deze weg zeer verantwoorde gereden snelheid in de problemen geraakte en slipte. Daar komt bij, dat het wegdek van de S.-weg 3.40 meter breed is en de landbouwcombinatie van de firma W. 2.50 meter. Gelet op de stand van de voertuigen heeft de bestuurder van de landbouwcombinatie de weg ten volle benut en niet uiterst rechts gereden."

3.3. De verklaring van de getuige V. van 23 mei 1996, waarnaar de heer N. in zijn brief van 23 mei 1996 verwees, hield onder meer het volgende in:"Ik weet, dat er op 14 september 1995, 's morgens omstreeks 08.30 uur een verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de S.-weg te Rekken, gemeente Eibergen. Ik kwam er langs en toen was het ongeval nog maar net gebeurd. Men was nog doende om de politie en de autosleper te alarmeren. De bij het ongeval betrokken voertuigen waren op dat moment nog niet verplaatst. Ook zag ik, dat het wegdek van de S.-weg ernstig met zand vervuild was. Deze vervuiling werd veroorzaakt, door dat men van de firma W. bezig was om met zware landbouwvoertuigen ma s te kneuzen op een landbouwperceel aan de S.-weg. Uit door mij bijgehouden notities blijkt, dat het die nacht 3 mm had geregend, zodat het door de voertuigen van de firma W. op de S.-weg gebrachte zand al gauw tot modder werd. Hierdoor was het wegdek van de S.-weg glad en glibberig geworden, waardoor de veiligheid op deze weg ernstig in gevaar werd gebracht. Het ongeval is dan ook ontstaan, doordat de bestuurster van een personenauto met haar auto in de modder was geslipt, waarna ze tegen een landbouwtraktor van de firma W. tot stilstand kwam. Een dergelijk ongeval kon dan ook niet achterwege blijven. (...) Naar mijn stellige overtuiging had dit ongeval al voorkomen kunnen worden, wanneer aan weerszijden van de vervuilde weggedeelten een simpele gevarendriehoek was geplaatst. Het verkeer was dan op de hoogte gebracht van het dreigende onheil. Zeker nu het overige gedeelte van de S.-weg, waar geen ma skneuswerkzaamheden werden verricht, uitstekend berijdbaar was."4. Bij brief van 13 juni 1996 antwoordden de betrokken ambtenaren W. en S. onder meer het volgende op het verzoek van de heer N. om heropening van het onderzoek:"Naar aanleiding van de brief van 23 mei 1996 (...) met de vraag hierin gesteld, waarom niet is vermeld dat het wegdek van de S.-weg ernstig met zand en ma shaksel was vervuild. Als antwoord hierop kan door ons worden gesteld, dat als het wegdek ernstig vervuild zou zijn geweest, dit zeer zeker vermeld zou zijn geworden in het statistiek formulier. In het statistiekformulier is alleen vermeld dat het wegdek nat of vochtig was. Wij, verbalisanten, hebben geconstateerd dat het wegdek van de S.-weg niet ernstig was vervuild met zand en ma shaksel, zodat het gestelde van plaatsing van verkeersborden hier dan ook ons inziens niet van toepassing was.

Wij, verbalisanten, zien geen redenen om het onderzoek naar de toedracht van dit ongeval te heropenen en blijven bij het gestelde onder punt 18 van het statistiek formulier (zie hiervoor onder A.2.; N.o.)."5. Op 17 september 1996 richtte verzoeksters verzekeringsmaatschappij zich tot de regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, met onder meer de volgende vragen:"Ingesloten treft u een verklaring van de heer O. aan. Hij geeft aan dat de "bijzonderheden van de plaats en de tijdelijke omstandigheden" zoals vermeld in uw rapport met "n.v.t" anders zou zijn, namelijk glad wegdek door zand en gekneusde ma s. Was er sprake van glad wegdek door ma s etc. en diende hiervoor bebording te worden geplaatst? Was dit gladde wegdek wel als oorzaak van het slippen opgegeven door mw T.? Beschikt u nog over de kladverklaringen (wij weten dat deze vraag een jaar na dato komt)?"6. Op dit verzoek van de verzekeringsmaatschappij verwezen de betrokken ambtenaren naar hun brief van 13 juni 1996 aan de heer N., hiervoor vermeld onder A.4, die zij in kopie bijvoegden. Verder antwoordden de betrokken ambtenaren onder meer het volgende:"Op welke wijze de aanrijding heeft plaatsgevonden, is duidelijk omschreven in punt 18 van de statistiek. Omtrent de ruimte die nog overbleef op de plaats van de aanrijding kan worden vermeld, dat na de aanrijding andere traktoren van dezelfde afmetingen de plaats van de aanrijding konden passeren. Zoals gesteld in punt 18, remde bestuurster T. met blokkerende wielen en gleed hierdoor rechtdoor in plaats van door de bocht te sturen. Nogmaals, wij, verbalisanten, vonden het wegdek van de S.-weg ter plaatse niet ernstig vervuild met zand en ma shaksel, wat het noodzakelijk zou maken om verkeersborden te plaatsen.". Het standpunt van verzoekster1. Het standpunt van verzoekster staat samengevat weergegeven onder

Klacht

.2. Verder deelde verzoeksters gemachtigde namens verzoekster in haar verzoekschrift nog onder meer het volgende mee:"Als oorzaak voor (...) (het; N.o.) verkeersongeval wordt in de verkeersongevallen registratieset, (...) vermeld dat mevrouw T. haar personenauto afremde, waarbij de wielen van haar personenauto blokkeerden en zij dientengevolge in een bocht rechtdoor

gleed en frontaal op de landbouwtraktor botste. Ook wordt in de registratieset vermeld dat het wegdek nat dan wel vochtig was. Mevrouw T. werd bij het ongeval gewond; het formulier vermeldt een hersenschudding. Zij is naar een ziekenhuis vervoerd voor r ntgenfoto's en heeft drie weken bedrust moeten houden. (...) Van mevrouw T., alsmede van de getuigen V. (...) en O. (...) werd vernomen dat de S.-weg ten tijde van het ongeval glad en glibberig was geworden, doordat landbouwcombinaties doende waren met het kneuzen en transporteren van ma s op een bouwland aan en over de S.-weg. Door het vanaf dat landbouwperceel op en afrijden van die landbouwcombinaties de S.-weg op, werd het wegdek ernstig met zand en ma shaksels vervuild en vanwege het vocht op de weg tot modder gereden. (...) De verbalisanten blijven (...) van mening dat het wegdek van de S.-weg ter plaatse niet ernstig vervuild was; (...). Mijns inziens wordt daarmee aangegeven dat de weg in ieder geval wel vervuild was. (...) De klacht tegen de regiopolitie (...) is (...): Er had niet volstaan kunnen worden met de vermelding dat het wegdek nat of vochtig was.". Het standpunt van de korpsbeheerder1. De beheerder van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland reageerde op 3 december 1997 op de klacht. De korpsbeheerder verwees in zijn reactie naar het door hem bijgevoegde ambtsbericht van de heer M., het hoofd van de uitvoerende dienst van het district Achterhoek van 1 december 1997. Verder deelde de korpsbeheerder mee dat hij van mening was dat van politieambtenaren niet mocht worden verwacht dat zij, in strijd met hetgeen door hen zelf was waargenomen, wijzigingen aanbrachten in het registratieformulier. De korpsbeheerder achtte de klacht ongegrond.2. Het ambtsbericht van politieambtenaar M. van 1 december 1997, waarnaar de korpsbeheerder in zijn reactie verwees, houdt onder meer het volgende in:"Op vrijdag 7 november 1997 hoorde ik, M. (...) de verbalisanten S. (...) en W. (...). (Betrokken ambtenaar S. verklaarde onder meer; N.o.):"Op donderdag 14 september 1995, behandelde ik samen met mijn collega W. een aanrijding in Rekken op de S.-weg. De bestuurster van een personenauto was in een onoverzichtelijke bocht in botsing gekomen met een haar tegemoetkomende bestuurder van een

landbouwtrekker. Daar de bestuurster naar onze informatie een lichte verwonding (hersenschudding) opliep, zij naar ons inzicht de enige verdachte was en er geen schade aan derden was toegebracht, hebben wij van dit ongeval conform de blikschaderegeling een registratieformulier opgemaakt. Op dit formulier vermeldden wij conform onze constatering, dat het wegdek nat of vochtig was. Ik heb beslist niet geconstateerd dat het wegdek bevuild was. Het wegdek was zeker niet glad en glibberig en er was geen aanleiding om voorzorgsmaatregelen voor het verkeer te nemen in de vorm van een waarschuwingsbord. Ook de bij de aanrijding betrokken bestuurders hebben niet gemeld dat een eventuele bevuiling van het wegdek van invloed was geweest op de oorzaak van de aanrijding. Toen wij ongeveer 1 uur na de aanrijding in de woning van mevrouw T. waren, troffen wij daar de heer O., die op 22 mei 1996 een verklaring heeft afgelegd, waarin hij onder meer verklaarde dat het wegdek op de plaats van de aanrijding ernstig vervuild was. Tijdens deze ontmoeting wierp dezelfde heer O. zich niet op als getuige en er werd ook daar niet gesproken over de toedracht van de aanrijding, althans over een mogelijk vervuild wegdek werd ook daar niet gesproken. Pas in mei 1996 werden wij geconfronteerd met het verzoek het onderzoek te heropenen. Daar wij ervan overtuigd waren dat tijdens ons onderzoek ter plaatse van de aanrijding de situatie was zoals wij in het rapport hadden omschreven, zagen wij geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Ik was overtuigd van mijn constatering en heb geen enkele reden te twijfelen aan mijn waarnemingen. Ik zou zeker bereid zijn geweest een manco in het rapport aan te vullen. Ik ben echter niet bereid een verandering in een rapport aan te brengen die naar mijn overtuiging de waarheid geweld aan doet." (Betrokken ambtenaar W. verklaarde onder meer het volgende; N.o.):"Op donderdag 14 september 1995 behandelde ik samen met mijn collega S. een aanrijding op de S.-weg te Rekken. Het was een aanrijding tussen de bestuurster van een personenauto en de bestuurder van een landbouwvoertuig. De aanrijding had plaatsgevonden op een wat smalle landweg in een onoverzichtelijke bocht. De bestuurster van de personenauto was op een nat wegdek gaan remmen, waardoor de wielen van haar voertuig blokkeerden en zij tegen het tegemoetkomend landbouwvoertuig gleed. De bestuurster raakte bij de aanrijding licht gewond en haar voertuig raakte beschadigd. De landbouwtrekker met aanhangwagen liep geen schade op. Wij maakten van deze aanrijding een registratieset conform de blikschaderegeling. Het wegdek was ten tijde van de aanrijding nat c.q. vochtig. Het wegdek was beslist niet ernstig

bevuild. Natuurlijk zijn landwegen als deze nooit brandschoon, echter er was beslist geen sprake van een zodanige bevuiling dat er door de wegbeheerder of door de eventuele bevuiler maatregelen genomen moesten worden. Pas in de maand mei 1996 werden wij geconfronteerd met het verzoek het onderzoek te heropenen. Daar ik de overtuiging had dat wij de situatie in het rapport zo omschreven hadden als wij hadden waargenomen, zagen wij hiertoe geen aanleiding. Ik heb geen enkele reden om te twijfelen aan onze waarneming. Ik zou best bereid zijn een manco in het rapport aan te vullen. Ik verander echter geen gegevens in een rapport waarvan ik zelf de overtuiging heb dat zij niet waar zijn." Naar aanleiding van het verzoek van de Nationale ombudsman om een reactie te geven op de klacht en of deze klacht al dan niet gegrond wordt geacht merk ik het volgende op. Ingevolge de richtlijnen verbaliseringsbeleid bij verkeersongevallen (zie

Achtergrond

; N.o.) is naar mijn mening terecht een registratieset opgemaakt. Bestuurster T. was gewond, er was geen schade aan derden toegebracht en zij was de enige verdachte. Er was tevens geen sprake van uit een oogpunt van verkeersveiligheid een ernstige overtreding van de verkeerswetgeving. (...) Het verzoek aan de betrokken ambtenaren om in hun registratie veranderingen aan te brengen is naar mijn mening terecht geweigerd. (...) De waarnemingen van de ambtenaren, die zij in het registratieset hebben vastgelegd en die zij in bovenstaande verklaringen nog eens herhalen, komen niet overeen met de op een veel later tijstip afgelegde verklaring door getuigen, die zich tijdens of kort na het ongeval niet als getuigen hebben aangediend. Betrokken ambtenaren zijn verantwoordelijk voor de inhoud van het door hen opgemaakte registratieset en gaan daarbij af, daar waar het gaat om de beschrijving van de plaatselijke omstandigheden, op hun eigen waarnemingen. In het onderhavige geval had men naar mijn mening een verzoek moeten richten aan de officier van justitie te Zutphen om een aanvullend onderzoek in te laten stellen en een proces-verbaal te laten opmaken. Gelet op het bovenstaande adviseer ik u de klacht (...) ongegrond te achten.". De verklaring van betrokken ambtenaar W. Op 6 november 1997 verklaarde de heer W., ambtenaar van het regionale politiekorps Noord en Oost Gelderland, telefonisch tegenover een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:"Op 14 september 1995 was ik ter plaatse na een melding van een verkeersongeval. De toestand van het wegdek op de plaats van dat ongeval was zoals in de registratieset staat beschreven: nat of vochtig. Het wegdek was niet ernstig vervuild.

De aanrijding had plaatsgevonden nabij een bocht naar rechts, gezien vanuit verzoeksters rijrichting. Een tractor was uit de bocht gekomen. Verzoekster was in de bocht naar rechts rechtdoor gegleden. Ik herinner mij nog dat toen ik ter plaatse was, niemand van de aanwezige getuigen op mij is afgekomen met mededelingen over de gladheid van het wegdek. Geen van de getuigen heeft gezegd dat het wegdek vervuild was. Na de aanrijding ben ik nog in de woning van verzoekster geweest. De heer O. was daarbij aanwezig. Voor zover ik mij kan herinneren heeft hij gezegd dat hij politieambtenaar was. Ik kende hem niet. Ik heb hem nadien niet nog eens ontmoet. Deze getuige heeft tegen mij geen opmerkingen gemaakt over de toestand van het wegdek. Verzoekster had een hersenschudding als gevolg van de aanrijding. Ik kan mij niet herinneren of ik veel met haar heb gesproken. Zij heeft mij verteld dat zij had geremd, en dat daarop de wielen van de auto waren geblokkeerd. Zij heeft mij niet verteld dat het wegdek glad was. Ik kan mij niet herinneren dat men bezig was met ma skneuzen. Ik kan mij wel herinneren dat er een tractor langskwam toen wij bezig waren. Ik was geconcentreerd op de aanrijding. Ik kan mij nog wel herinneren wat ik in de registratieset heb opgenomen. Als het wegdek vervuild was geweest met zand of ma shaksels, dan zou ik dat zeker in de registratieset hebben vermeld. Daar had ik echter geen aanleiding voor. Het wegdek was wel nat. Gevoelsmatig zou ik zeggen dat een remweg van een voertuig met geblokkeerde wielen op nat wegdek langer is dan een remweg op droog wegdek, maar wetenschappelijk onderbouwen kan ik dat niet. De mededeling in de getuigenverklaringen dat het wegdek was vervuild, was de eerste keer dat ik vernam dat het wegdek volgens die getuigen was vervuild. Ik vond het merkwaardig om ongeveer acht maanden na het ongeval te vernemen dat het wegdek volgens getuigen vervuild en daardoor glad was geweest.". De verklaring van betrokken ambtenaar S. Op 13 november 1997 verklaarde de heer S., ambtenaar van het regionale politiekorps Noord en Oost Gelderland, telefonisch tegenover een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:"Samen met mijn collega, de heer W., ben ik op 14 september 1995 naar aanleiding van een melding van een aanrijding ter plaatse gegaan.

De auto van verzoekster was op de voorzijde gebotst van een tractor met daarachter een aanhangwagen met ma s. Verzoekster was, gezien haar rijrichting, in een bocht naar rechts rechtdoor gegleden. Haar auto had schade. De tractor had nauwelijks schade. De bocht waarin de aanrijding had plaatsgevonden was niet overzichtelijk. Er was een brede berm met begroeiing en bomen. Wij hebben haar auto weg laten slepen. Terwijl wij bezig waren, kwam er een andere tractor langs. De weg was dus niet zodanig geblokkeerd dat er geen verkeer meer langs kon. Vervolgens zijn wij naar de woning van verzoekster gegaan. Verzoekster had een hersenschudding. Ik kan mij niet herinneren dat ik bij de aanrijding getuigen heb gezien. In verzoeksters woning heb ik, meen ik, de heer O. ontmoet. Ik meen mij te herinneren dat hij mij toen een hand gaf en zich aan mij voorstelde, zodat ik denk dat ik hem daar voor het eerst heb ontmoet. Er zijn toen geen opmerkingen gemaakt over de toestand van het wegdek. Wij hebben in de woning het kentekenbewijs ingenomen van verzoeksters auto. Verzoekster reed in een auto, die zij van de garage in gebruik had. Voor zover ik mij kan herinneren heeft zij verteld dat zij in Duitsland een auto had gekocht, maar dat zij nog op afgifte van het kenteken wachtte. Het kenteken van de auto waarin zij had gereden stond overigens op haar naam. Ik heb evenals mijn collega W. ervaring in het afhandelen van dit soort zaken. Wanneer het wegdek zodanig vervuild zou zijn geweest dat dat van invloed was geweest op de aanrijding, dan had ik die omstandigheid zeker in het registratieformulier opgenomen. Ik heb immers geen enkele reden om een dergelijke omstandigheid niet te vermelden. Ik wil een aanrijding altijd graag zo op papier zetten dat alle feiten goed zijn vermeld. Het wegdek was echter niet vervuild. Daarom heb ik dat niet opgenomen. Het was wel nat en vochtig. Dat heb ik dan ook opgenomen. Als ik had gedacht dat ik mij had vergist in de invulling van het registratieformulier, dan had ik dat toegegeven. Ik ga echter geen dingen veranderen wanneer daarvoor geen aanleiding bestaat. Overigens kan men door te sturen soms beter een aanrijding voorkomen dan door te remmen. Het verbaasde mij dat ik in mei 1996 nog eens werd geconfronteerd met de stelling dat het wegdek zou zijn vervuild en daardoor glad zou zijn geweest. Ik kan mij niet herinneren dat ik ten tijde van het ongeval de getuige V. heb gesproken.". De reactie van verzoekster Verzoeksters gemachtigde deelde op 26 januari 1998 in reactie op de informatie van de korpsbeheerder en de betrokken ambtenaren onder meer het volgende mee:

"S. merkt op: ook de bij de aanrijding betrokken bestuurders hebben niet gemeld dat een eventuele bevuiling van het wegdek van invloed was geweest op de oorzaak van de aanrijding. Van een gewonde na een verkeersongeval mag en kan niet verwacht worden dat hij/zij direkt zelf met een dergelijke melding komt. Dat mag wel verwacht worden van de verbalisant die het registratieformulier opmaakt. Ook van de heer O., die de verbalisanten ongeveer n uur na het ongeval in de woning van cli nte aantroffen, hoefde niet verwacht te worden dat hij het bewuste registratieformulier ging verifi ren om ter plekke te constateren dat nagelaten was te vermelden dat het wegdek – ernstig – vervuild was en zich vervolgens als getuige te presenteren. Juist is dat de basiseenheid BREN in mei 1996 verzocht werd het onderzoek te heropenen. Dat dat tot mei 1996 geduurd heeft, is niet merkwaardig, maar is gelegen in het feit dat er tot die tijd getouwtrek was met de verzekeraar en dat in de correspondentie tussen verzekeraar en cli nte pas bleek dat de politie e.e.a. niet juist had afgewerkt; in april 1996 werd de aansprakelijkheid uiteindelijk afgewezen. Voorts valt het volgende op in de aanvullende verklaring van de heer W., telefonisch aan u op 6 november jl. afgelegd. Hij verklaart: het wegdek was niet ernstig vervuild. Daarmee geeft W. impliciet aan dat het wegdek w l vervuild was. De discussie gaat zich hiermee toespitsen op de begrippen "vervuild" en "ernstig vervuild". Het is echter een feit van algemene bekendheid dat een landbouwvoertuig, bezig met kneuzen van ma s, op en af rijdende uit een landbouwperceel, zorgt voor een vervuild wegdek. Het is voorts een feit van algemene bekendheid, dat wanneer een wegdek nat c.q. vochtig is, dat de aarde van deze werkzaamheden met zich meebrengt dat de grote schubben op de wielen van het landbouwvoertuig daarbij landbouwgrond op de weg brengen. Daarmee ontstaat een kans op gevaar. (...) Cli nte wenst dat de bestuurder van de landbouwtraktor (de heer B.; N.o.) benaderd wordt teneinde van hem te kunnen vernemen dat:- hij doende was met het kneuzen van ma s (...) - de aard van deze werkzaamheden met zich meebrengt dat de grote schubben in de wielen van de landbouwtraktoren daarbij landbouwgrond op het wegdek brengen.". De verklaring van de getuige B. In reactie op vragen van de Nationale ombudsman liet de heer B. op 26 maart 1998 onder meer het volgende weten. Het was volgens hem juist dat men op 14 september 1995 bezig was geweest met het kneuzen van ma s. Het was niet zo dat door het grove

profiel van de landbouwvoertuigen landbouwgrond op het wegdek was terechtgekomen. Verder was het wegdek niet vervuild, maar schoon, en onder het houtopstand vochtig geweest. Het land was droog geweest en er had geen zand op de weg gelegen, aldus de heer B.

Beoordeling

1. Verzoekster was op 14 september 1995 betrokken bij een verkeersongeval. Zij was op de S.-weg in de gemeente Eibergen in, gezien haar rijrichting, een bocht naar rechts, remmend rechtdoor gegleden en was tegen een landbouwtractor, bestuurd door de heer B., aangereden. Twee ambtenaren van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland kwamen ter plaatse en maakten van het ongeval een registratieformulier op. Zij vermeldden in het registratieformulier dat het wegdek nat en vochtig was. Zij vermeldden hierin niet dat het wegdek glad was.2. Verzoekster heeft erover geklaagd dat de betrokken ambtenaren W. en S. hebben geweigerd om een volgens haar onjuiste omschrijving van de toestand van het wegdek in het opgemaakte registratieformulier te wijzigen. Volgens verzoekster hadden de betrokken ambtenaren W. en S. ten onrechte niet aangegeven dat het wegdek ter plaatse glad was geweest. Volgens haar was dit gladde wegdek er de oorzaak van geweest dat zij was geslipt, in de bocht rechtdoor was gereden, en op de landbouwtractor was gebotst. Verzoekster heeft daartoe aangevoerd dat twee getuigen, O. en V., op 22 respectievelijk 23 mei 1996 hebben verklaard dat zij kort na het ongeval ter plaatse waren gekomen en hadden gezien dat het wegdek zodanig glad was geworden door de vervuiling met zand en ma shaksel, dat een ongeval niet kon uitblijven.3. Gelet op het feit dat het registratieformulier onder meer dient voor de civielrechtelijke afwikkeling van een ongeval (zie

Achtergrond

), behoren op dat formulier alle gegevens te worden vermeld die van belang zijn voor de vaststelling van de schuld aan de aanrijding. De bij de afwikkeling van de aanrijding betrokken politieambtenaren dienen ter verkrijging van die gegevens het nodige onderzoek te verrichten, voor zover zij daartoe ter plaatse in redelijkheid in staat zijn.4. Het staat vast dat ten tijde van de aanrijding ter plaatse werkzaamheden, te weten het kneuzen van ma s, werden verricht die in beginsel zouden hebben kunnen veroorzaken dat het wegdek was vervuild. De betrokken ambtenaren waren echter, zoals zij naderhand ook in het onderzoek van de Nationale ombudsman hebben laten weten, van mening dat het wegdek niet zodanig was vervuild dat dit als omstandigheid in het registratieformulier diende te worden vermeld.

Zij hebben daarbij onweersproken gesteld dat noch verzoekster, noch de getuigen na de aanrijding over eventuele gladheid van het wegdek hebben gesproken. De getuige B. heeft bevestigd dat het wegdek niet was vervuild. Uit het onderzoek van de Nationale ombudsman is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de toestand van het wegdek zoals die door verzoekster is gesteld alsnog is komen vast te staan. Nu niet is gebleken dat hun weergave van de toestand van het wegdek in het registratieformulier onjuist was, konden de betrokken ambtenaren zich op het standpunt stellen dat zij hun weergave niet zouden wijzigen. De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland (de burgemeester van Apeldoorn), is niet gegrond. BIJLAGE ACHTERGROND1. Ingevolge de Richtlijn verbaliseringsbeleid bij verkeersongevallen van 10 mei 1995, in werking getreden op 1 juli 1995 (Stcrt. 1995, 122) zendt de politie zowel van verkeersongevallen waarvan proces-verbaal zal worden opgemaakt als van verkeersongevallen die alleen geregistreerd worden, een registratieformulier aan het Verbond voor Verzekeraars (voorheen de NVVA; Nederlandse Vereniging Van Automobielassuradeuren; N.o.) Bij verkeersongevallen waarbij meer dan licht letsel of meer dan zeer lichte schade is veroorzaakt dient een registratieformulier te worden opgemaakt. In die gevallen is ook het onderzoek door de politie naar het ongeval niet uitgebreid, omdat de afwikkeling van het ongeval in de regel civielrechtelijk, via de verzekeringsmaatschappijen van betrokkenen, plaatsvindt. Zo wordt in die gevallen in de regel geen diepgaand onderzoek naar zogenoemde stille getuigen (krassporen op het wegdek, rem-, schuif- of slipsporen, glasscherven, lakschilfers enz.) gedaan. Op het registratieformulier is een beperkte ruimte beschikbaar voor een situatieschets. In de regel wordt op die plaats een schets gemaakt, waaruit de plaats van het ongeval, de verkeerssituatie en de richting van de voertuigen blijkt. Er worden voor zo'n schets in het algemeen geen metingen verricht.2. In de hiervoor genoemde Richtlijn staat verder onder meer vermeld:"In geval van een verkeersongeval dient steeds proces-verbaal te worden opgemaakt:1. Wanneer uit een oogpunt van verkeersveiligheid sprake is van een ernstige overtreding van de verkeerswetgeving, waarbij de verdachte in de gegeven situatie een ontoelaatbare mate van voorzienbaar gevaar heeft doen ontstaan. (...)2. Ook indien 1. niet van toepassing is dient proces-verbaal te worden opgemaakt:a. wanneer het verkeersongeval de dood van een der betrokkenen tot gevolg heeft; (...) b. wanneer het verkeersongeval letsel tot gevolg heeft waardoor enige betrokkene in het ziekenhuis een medische behandeling moet ondergaan, behoudens die gevallen waarin er slechts een slachtoffer is en is komen vast te staan dat dit slachtoffer de enige verdachte is."

Instantie: Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland

Klacht:

Geweigerd onjuiste omschrijving toestand wegdek in registratieformulier ongeval te wijzigen.

Oordeel:

Niet gegrond