1998/177

Rapport
Op 23 december 1996 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw Pr. te Rotterdam, ingediend door de heer mr. R., advocaat te Amsterdam, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond (de burgemeester van Rotterdam), werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de namens verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoekster klaagt erover dat het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond weinig voortvarend is met het instellen van een onderzoek naar de ontvoering van haar dochter tussen 17 mei 1996 en 18 juni 1996. In dit verband klaagt zij erover dat blijkens een mededeling van het arrondissementsparket te Rotterdam op 21 november 1996 nog aan het onderzoek moest worden begonnen.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. De korpsbeheerder reageerde bij brief van 17 maart 1997. Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Op 18 september 1997 werden via het arrondissementsparket te Rotterdam de desbetreffende stukken toegezonden. Verzoekster werd in de gelegenheid gesteld op deze stukken te reageren. Zij maakte van deze gelegenheid geen gebruik. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politie-optreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Rotterdam over de klacht ge nformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De genoemde hoofdofficier maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoekster berichtte dat het verslag haar geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. De beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A.       De feiten1. Op 17 mei 1996 deed verzoekster aangifte van vermissing van haar toen vijftienjarige dochter.2. Omstreeks half juni 1996 is verzoeksters dochter terecht gemeld.3. De behandelend officier van justitie te Rotterdam berichtte de raadsman van verzoekster bij brief van 21 november 1996, in reactie op diens verzoek van 17 oktober 1996 aan de hoofdofficier van justitie te Rotterdam om toezending van het schaduwdossier terzake van vermissing van verzoeksters dochter, als volgt:"Naar aanleiding van uw brief d.d. 17 oktober 1996 is de bevoegde opsporingsinstantie om inlichtingen verzocht. Dhr. B. van de afd. Jeugd & Zedenzaken deelde mij het volgende mede. Het onderzoek naar de ontvoering van het slachtoffer P.(de dochter van verzoekster; N.o.) moet nog plaatsvinden. Het voornemen is er, maar gelet op de prioriteitstelling is er nog niet aan toe gekomen. Indien het onderzoek wordt afgerond zal uw cli nte op de hoogte gesteld worden door het onderzoeksteam van de Politie.". Het standpunt van verzoekster Het standpunt van verzoekster is samengevat weergegeven onder

Klacht

.. De reactie van de korpsbeheerder1. De korpsbeheerder deelde bij brief van 17 maart 1997 mee dat hij van de manager van het district Maas en Rotte van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond een rapportage had ontvangen met betrekking tot de klacht van verzoekster en dat hij zich in diens oordeel kon vinden.2. Het rapport van de manager van het district Maas en Rotte van 20 februari 1997 houdt onder meer het volgende in:"Op 18 mei (1996; N.o.) werd melding gedaan van de vermissing van P. Er volgde een reactie die in dergelijke zaken als de normale procedure kan worden aangemerkt en die in een journaal wordt vastgelegd. Op 22 mei 1996 werd de aangifte op schrift gesteld en vanaf die dag werden getuigen gehoord en verklaringen op papier

gezet. Daarmee kan gesteld worden dat de zaak zeker serieus is genomen en dat er een forse investering is gepleegd om P. terug te vinden. (...) De heer R. (raadsman van verzoekster; N.o.) geeft aan dat hij op 21 november 1996 het ontstellende bericht ontving dat nog moest worden begonnen met het onderzoek naar de ontvoering. Dit is feitelijk onjuist. Het onderzoek begon vanaf het moment van de melding en werd kort daarna in volle omvang ingezet tot het moment van de terechtmelding van P. In overleg met de officier van justitie, mevrouw M., werd, gelet op het grote aanbod van zaken en de prioriteitstelling daarin, besloten vooralsnog in deze zaak niet verder te investeren."3. Op 18 september 1997 werd de Nationale ombudsman het journaal over de periode van 17 mei 1996 tot en met 15 juli 1996 en het proces-verbaal dat de politie op 30 juni 1997 terzake van de vermissing van verzoeksters dochter opmaakte, toegezonden. Deze stukken geven een overzicht van de activiteiten die de politie heeft ondernomen naar aanleiding van de vermissing van de dochter van verzoekster. Voor zover van belang voor de klacht komt daarin het volgende naar voren. Op 18 mei 1996 werd verzoeksters dochter door de politie gesignaleerd in het opsporingsregister. In de periode vanaf 22 mei 1996 tot de terechtmelding van verzoeksters dochter sprak de politie met verschillende mensen, die mogelijk iets konden verklaren omtrent haar verdwijning, zoals bijvoorbeeld schoolvriendjes en familieleden. Vervolgens werden de verkregen inlichtingen en de tips over de verblijfplaats van de dochter van verzoekster nagetrokken. Voorts probeerde de politie in contact te komen met M., iemand op wie familieleden van verzoeksters dochter de aandacht hadden gevestigd. De politie benaderde hem telefonisch en stelde een onderzoek in op zijn woonadres en tevens meermalen op de adressen waar zijn bedrijven waren gevestigd. Verder won de politie informatie over hem in bij de Kamer van Koophandel, de sociale dienst, de recherche en een voormalige kennis van M. Ook op de adressen van de (ex)-echtgenotes en vriendinnen van M. stelde de politie een onderzoek in. Met twee van hen sprak de politie herhaaldelijk. Om te voorkomen dat verzoeksters dochter eventueel via Schiphol naar het buitenland zou worden vervoerd, benaderden de betrokken politieambtenaren op 24 mei 1996 de Centrale Inlichtingen Dienst van de politie en de Koninklijke Marechaussee. Op 31 mei 1996 werd voorts een telefoontap geplaatst op verzoeksters telefoon om de verblijfplaats van haar dochter te kunnen achterhalen, wanneer die haar zou opbellen. Op 3 juni 1996 voerde de politie overleg over het opstellen van een persbericht.

Vanaf 4 juni 1996 tot en met 17 juni 1996 had de politie onder meer regelmatig contact met de jeugdhulpverlening te Utrecht. Daar had de dochter van verzoekster zich op 3 juni 1996 gemeld, waarna zij vervolgens weer was weggegaan. Verder onderhield de politie in die periode contacten met de raad voor de kinderbescherming, de officier van justitie, de familie van de dochter van verzoekster en de advocaat van verzoekster. Op 9 juni 1996 en 13 juni 1996 had verzoeksters dochter telefonisch contact met haar familie. Zij meldde zich op 13 juni 1996 opnieuw bij de jeugdhulpverlening te Utrecht. Op 18 juli 1996 nam de politie een verklaring van de dochter van verzoekster over haar vermissing op. Ten slotte staat in het proces-verbaal vermeld dat de politie op 30 juni 1997 terzake vier verdachten aanhield, waarna zij werden gehoord.. De reactie van verzoekster Verzoekster deelde in haar reactie van 11 april 1997 op de brief van de korpsbeheerder van 17 maart 1997 onder meer het volgende mee:"In die brief (de rapportage van de districtsmanager; N.o.) werd onder meer gesteld dat na het moment van de terechtmelding van P., er besloten werd niet verder in de zaak te investeren gezien het grote aanbod van zaken en de prioriteitstelling daarin. De ontvoerders van P. lopen nog vrij rond. De familie en het kind zien hen nog vrijwel dagelijks rondlopen. Met hun gevoel voor rechtvaardigheid kunnen zij door de zogenaamde 'prioriteitsstellingen' van de politie geen kant uit. (...) Dat er tussen het moment van aanmelding en de terechtmelding van P. volgens de politie al het mogelijke is gedaan om haar terug te vinden is nog aannemelijk te achten, maar dat men vervolgens het zoeken naar de daders staakt is ronduit een schande voor het Nederlandse rechtsysteem en alles waar zij voor staat."

Beoordeling

1. Verzoekster klaagt erover dat de politie weinig voortvarend is met het instellen van een onderzoek naar de ontvoering van haar dochter tussen 17 mei 1996 en 18 juni 1996. In dit verband klaagt zij er tevens over dat op 21 november 1996 nog met het onderzoek moest worden begonnen.

2. Uit de door de korpsbeheerder verstrekte informatie blijkt dat de politie nadat verzoeksters dochter op 18 mei 1996 al werd gesignaleerd in het opsporingsregister, op 22 mei 1996, op de vijfde dag nadat verzoekster aangifte had gedaan, is begonnen met het feitelijke opsporingsonderzoek.3. Voordat de politie een strafvorderlijk opsporingsonderzoek instelt, moet er eerst een vermoeden zijn dat er sprake is van een strafbaar feit. Het komt immers voor dat met name personen in de leeftijd van de dochter van verzoekster, die vijftien jaar was toen zij vermist werd, 's avonds te laat thuiskomen, een nacht van huis wegblijven of van huis weglopen. In dat opzicht is het begrijpelijk dat de politie een aantal dagen heeft gewacht alvorens daadwerkelijk over te gaan tot het instellen van een opsporingsonderzoek.4. Zoals uit het overgelegde proces-verbaal en het journaal blijkt, heeft de politie het onderzoek op serieuze wijze ter hand genomen. Zo zijn inlichtingen ingewonnen bij schoolvriendjes en familieleden, die vervolgens zijn nagetrokken. De politie heeft een telefoontap geplaatst op verzoeksters telefoon. Voorts heeft zij op verschillende manieren getracht in contact te komen met een mogelijke verdachte, M. Er is zoveel mogelijk informatie over M. verzameld, onder andere via zijn (ex)-echtgenoten en vriendinnen. De politie heeft op verschillende adressen een onderzoek ingesteld. Verder is er contact opgenomen met onder meer de Koninklijke marechaussee, de jeugdhulpverlening te Utrecht, de officier van justitie en de Raad voor de Kinderbescherming.5. Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de politie voldoende voortvarend is geweest met het instellen van een onderzoek naar de ontvoering van verzoeksters dochter tussen 17 mei 1996 en 18 juni 1996. Voor zover de klacht van verzoekster zich richt op de periode tot het moment dat haar dochter terecht is gemeld, is de onderzochte gedraging behoorlijk.6. Zoals uit de reactie van verzoekster op de brief van de korpsbeheerder van 11 maart 1997 naar voren komt, richt de kritiek van verzoekster zich ook op het feit dat de politie het onderzoek niet heeft voortgezet nadat haar dochter terecht was gemeld.7. Blijkens de berichtgeving van de betrokken districtsmanager van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond is na de terechtmelding van verzoeksters dochter in overleg met de officier van justitie besloten niet verder in de zaak te investeren, gezien het grote aanbod van zaken en de prioriteitsstelling daarin.

8. Uit het overgelegde journaal en het proces-verbaal volgt dat de politie op 30 juni 1997, ongeveer een jaar nadat verzoeksters dochter een verklaring aflegde terzake van haar vermissing, is overgegaan tot aanhouding en verhoor van een aantal verdachten. In de periode tussen eind juni 1996 en eind juni 1997 heeft de politie verder geen onderzoek verricht. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de politie deze personen in juni 1996 ook al als verdachten beschouwde. Niet duidelijk is waarom de politie desondanks pas op 30 juni 1997 is overgegaan tot aanhouding en verhoor van deze verdachten. Mede met het oog op de ernst van de strafbare feiten waar het in deze zaak mogelijk om gaat, zijn het grote aanbod van zaken en de prioriteitstellingen geen afdoende verklaringen voor deze handelwijze. In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond (de burgemeester van Rotterdam), is niet gegrond ten aanzien van de periode tot het terecht melden van de dochter van verzoekster, en gegrond voor de periode daarna.

Instantie: Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond

Klacht:

Weinig voortvarend met instellen onderzoek naar ontvoering dochter verzoekster.

Oordeel:

Niet gegrond