1998/173

Rapport
Op 4 april 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te Alphen aan den Rijn, ingediend door mevrouw mr. C. Peeck, advocaat te Amsterdam, met een klacht over een gedraging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND) te Hoofddorp. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de namens verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt erover dat de Immigratie en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND) niet onmiddellijk de vreemdelingenbewaring heeft opgeheven nadat de IND op 27 januari 1997 kennis had genomen van de uitspraak van de rechtbank, waarbij het verzoek om een voorlopige voorziening werd toegewezen.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. De Staatssecretaris van Justitie reageerde op de klacht. Tijdens het onderzoek kregen de Staatssecretaris en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Voorts werd de Landsadvocaat om informatie gevraagd. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De Staatssecretaris van Justitie berichtte dat het verslag haar geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. De reactie van de Landsadvocaat gaf aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen. De reactie van verzoekers intermediair gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. De feiten1. Verzoeker, afkomstig uit Bangladesh, diende in mei 1994 bij het Ministerie van Justitie aanvragen in om toelating als vluchteling dan wel op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Nadat die aanvragen waren afgewezen, zijn bezwaarschriften ingediend en is

bij de arrondissementsrechtbank te Den Haag een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend. Toen dat verzoek om een voorlopige voorziening werd ingetrokken is op 21 augustus 1996 door de Staatssecretaris van Justitie een last tot uitzetting gegeven. Vervolgens werd op 24 oktober 1996 een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening in verband met de voorgenomen uizetting ingediend.2. Op 25 oktober 1996 werd verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld. Het tegen die maatregel op 2 november 1996 ingestelde beroep werd door de arrondissementsrechtbank te Den Haag, zitting houdende te Nieuwersluis, op 21 november 1996 ongegrond verklaard.3. Bij besluit van 31 oktober 1996 werden de bezwaren tegen de afwijzende beslissingen ten aanzien van de verlening van een verblijfsvergunning en de toelating als vluchteling door de Staatssecretaris van Justitie ongegrond verklaard.4. Het beroep tegen die afwijzingen en het verzoek om een voorlopige voorziening van 24 oktober 1996 werden op 24 januari 1997 ter zitting van de arrondissementsrechtbank Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, behandeld.5. Op 27 januari 1997 verstuurde de gemachtigde van verzoeker de landsadvocaat (die in de procedure was opgetreden als gemachtigde van de Staatssecretaris van Justitie) een faxbericht met de volgende inhoud:"Hierbij bevestig ik ons telefoongesprek van hedenmiddag waarbij ik u meedeelde van de rechtbank te Amsterdam te hebben vernomen dat inzake bovengenoemde cli nt het verzoek voorlopige voorzieningen is toegewezen en het beroepschrift gegrond is verklaard. Nogmaals verzoek ik u met klem uw cli nt te vragen de vreemdelingenbewaring van cli nt op te heffen."6. Bij uitspraak van 30 januari 1997 werd het door verzoeker ingestelde beroep tegen de afwijzende beslissing op zijn bezwaar door de arrondissementsrechtbank te Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.7. Ter zitting van 4 februari 1997 van de arrondissementsrechtbank te Den Haag werd de vreemdelingenbewaring van verzoeker opgeheven. In de uitspraak, verzonden op 6 maart 1997, overwoog de rechtbank onder meer het volgende:"Bij uitspraak van 30 januari 1997 heeft de rechtbank Amsterdam het besluit van verweerder waarbij eisers bezwaar ongegrond werd

verklaard, vernietigd en heeft de fungerend president bepaald dat het verweerder verboden wordt eiser uit Nederland te (doen) verwijderen zolang niet opnieuw op het bezwaar is beslist. Hiermee is de grondslag aan de bewaring ontvallen. Een nieuwe last tot uitzetting is niet gegeven en had, gelet op de voormelde uitspraak, ook niet gegeven mogen worden. De voortzetting van de bewaring na 30 januari 1997 is dan ook onrechtmatig. Ten overvloede wordt overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat de vreemdeling zich aan toezicht zal onttrekken. Hij heeft zich aan zijn meldingsplicht gehouden, en verbleef in Hoofddorp op een voor verweerder bekend adres. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bewaring van de vreemdeling vanaf 30 januari 1997 onrechtmatig was. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en de bewaring dient te worden opgeheven."8. Op 17 februari 1997 schreef verzoekers gemachtigde aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND) te Hoofddorp onder andere het volgende:"Nadat de rechtbank het beroep gegrond had verklaard en de voorlopige voorziening was toegewezen had de bewaring moeten worden opgeheven. (...) Als gevolg van de onzorgvuldige behandeling van het bezwaarschrift heeft H. vanaf 24 oktober 1996 tot en met 4 februari 1997 in vreemdelingenbewaring gezeten. (...). verzoekt u hem een vergoeding toe te kennen voor de tijd die hij als gevolg van ambtelijke onzorgvuldigheid in bewaring heeft doorgebracht."9. In reactie op de brief van verzoekers gemachtigde van 17 februari 1997 deelde de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 10 april 1997 onder andere het volgende mee:"Uw stelling dat uw cli nt door onzorgvuldig handelen van de Nederlandse Staat van 24 oktober 1996 tot en met 4 februari 1997 in vreemdelingenbewaring heeft gezeten wordt door mij niet gevolgd. De rechtbank te Amsterdam heeft mij, ondanks herhaald aandringen, eerst op 30 januari 1997 per telefax de uitspraak in de bodemprocedure toegezonden. Uw eis tot schadevergoeding is op de zitting van 4 februari 1997 behandeld door de rechtbank te Den Haag met betrekking tot het verzoek om opheffing van de opgelegde maatregel. De rechtbank heeft de schadevergoeding vastgesteld en ik beschouw dit aspect van de zaak hiermee als afgedaan."

B. Standpunt van verzoeker Het standpunt van verzoeker staat, kort samengevat, weergegeven onder

Klacht

.. Standpunt van de Staatssecretaris van Justitie Bij brief van 29 juli 1997 reageerde de Staatssecretaris van Justitie op de klacht. Zij bracht het volgende naar voren:"...Ik acht de klacht gegrond, voorzover deze zich richt tegen het niet onmiddellijk opheffen van de bewaring nadat het vonnis van 30 januari 1997, waarbij de voorlopige voorziening is toegewezen, bekend is geworden. De heer H. is op 25 oktober 1996 in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 21 november 1996, is het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank, waarbij het verzoek om een voorlopige voorziening was toegewezen, dateert van 30 januari 1997 en is op diezelfde datum per fax ter kennis van de IND gebracht. Bij vonnis van 4 februari 1997 heeft de rechtbank te 's Gravenhage de bewaring van de heer H. vanaf 30 januari 1997, in verband met het hiervoor genoemde vonnis van 30 januari 1997, onrechtmatig verklaard. Gelet op deze uitspraak dient te worden geconcludeerd dat de klacht, voorzover deze zich richt tegen het niet reeds op 27 januari 1997 opheffen van de bewaring, ongegrond is...". Reactie van verzoeker Verzoekers gemachtigde wees er bij brief van 2 september 1997 op, dat het de IND naar haar mening op 27 januari 1997 duidelijk had moeten zijn dat de bewaring moest worden opgeheven, omdat zij op die datum telefonisch contact had gehad met respectievelijk de rechtbank en de landsadvocaat (zie ook onder A.5.). Nadere reactie van de Staatssecretaris van Justitie De Staatssecretaris van Justitie reageerde bij brief van 24 november 1997 op hetgeen verzoekers gemachtigde op 2 september 1997 naar voren had gebracht, en deelde onder andere het volgende mee:"In mijn brief van 29 juli jl. heb ik u meegedeeld dat de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam dateert van 30 januari 1997 en dat deze uitspraak op diezelfde datum per fax ter kennis is gebracht van de IND.

Eerder al, namelijk op 27 januari 1997, heeft de landsadvocaat, mevr. G., het IND-kantoor in Hoofddorp telefonisch bericht dat de rechtbank voornemens was de voorlopige voorziening van betrokkene toe te wijzen en het beroep gegrond te verklaren. Dit is, zoals gezegd, op 30 januari 1997 ook daadwerkelijk gebeurd. Het is vast gebruik om de schriftelijke uitspraak van de rechtbank af te wachten. Alsdan kan immers pas beoordeeld worden of de inhoud van de uitspraak consequenties heeft voor de afhandeling van de onderliggende aanvragen en voor in dit geval de vreemdelingenbewaring. De vreemdelingenbewaring was, gelet op de inhoud van genoemde uitspraak van de rechtbank te Amsterdam, vanaf 30 januari 1997 onrechtmatig. Terecht heeft de heer H. zich erover beklaagd dat de bewaring niet op die dag is opgeheven. Bij vonnis van 4 februari 1997 heeft de rechtbank te 'sGravenhage bevolen om de bewaring op te heffen en aan de heer H. een schadevergoeding toe te kennen van fl 600,--, te rekenen vanaf 30 januari 1997, dat wil zeggen vanaf de datum van de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam. Het was op 27 januari 1997 dus wel bekend dat de rechter zich voor de vreemdeling in positieve zin zou gaan uitspreken, maar de daadwerkelijke uitspraak dateert van 30 januari 1997 en formeel heb ik pas op die datum kennis kunnen nemen van de inhoud van de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam.". Informatie van de Landsadvocaat Op 1 april 1998 deelde de Landsadvocaat, mevrouw G., een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch het volgende mee:"Blijkens de telefoonnotitie in het bij ons aanwezige dossier van de heer H. (verzoeker; N.o.) heb ik inderdaad op 27 januari 1997 een telefoongesprek gevoerd met de advocaat van de heer H. Ik heb haar (verzoekers gemachtigde; N.o.) in dat gesprek – zo blijkt eveneens uit de telefoonnotitie - in ieder geval meegedeeld dat ik de uitspraak van de rechtbank betreffende de voorlopige voorziening en het beroep nog niet kende en dat ik eerst de uitspraak op schrift wilde afwachten. Ik vroeg mij af of de bewaring zo maar kon worden opgeheven, aangezien bewaring was gelast wegens (een bepaald strafbaar feit; N.o.). Wij spraken af dat de uitspraak op schrift zou worden afgewacht."

Beoordeling

1. Verzoeker klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND) niet onmiddellijk de

vreemdelingenbewaring heeft opgeheven nadat de IND op 27 januari 1997 kennis had genomen van de uitspraak van de rechtbank, waarbij het verzoek om een voorlopige voorziening werd toegewezen.2. De Staatssecretaris van Justitie heeft ter zake aangevoerd dat op 27 januari 1997 bij de IND inderdaad al bekend was dat de arrondissementsrechtbank te Den Haag, zitting houdende te Amsterdam voornemens was de voorlopige voorziening toe te wijzen en het beroep gegrond te verklaren. Volgens de Staatssecretaris is het echter vast gebruik om eerst de schriftelijke uitspraak af te wachten, omdat dan beoordeeld kan worden of de inhoud van de uitspraak consequenties heeft voor de afhandeling van de onderliggende aanvraag en, zoals in dit geval, voor de vreemdelingenbewaring. In dit geval was dan ook eerst de schriftelijke uitspraak van de rechtbank afgewacht. Gelet op de vergaande gevolgen die een uitspraak van een rechter kan hebben, is het niet onjuist dat de Staatssecretaris niet wil afgaan op een aankondiging van een uitspraak, maar eerst wil beschikken over de tekst van de uitspraak alvorens eventuele maatregelen te nemen zoals die uit de betreffende uitspraak voortvloeien.3. In dit geval heeft de rechtbank op 30 januari 1997 schriftelijk uitspraak gedaan (zie

Bevindingen

, onder A.6.). In zoverre mist de klacht dat de IND al op 27 januari 1997 van de uitspraak kennis had genomen feitelijke grondslag. Verder is voor de hier te geven beoordeling van belang dat in de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 4 februari 1997 (verzonden op 6 maart 1997; zie

Bevindingen

, onder A.7.) is bepaald dat de voortzetting van de bewaring na 30 januari 1997 onrechtmatig was. Gelet op het voorgaande kan de Nationale ombudsman verzoeker niet volgen in zijn opvatting dat de IND de vreemdelingenbewaring al op 27 januari 1997 had moeten opheffen. De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is niet gegrond.

Instantie: Immigratie- en Naturalisatiedienst

Klacht:

Niet onmiddelijk vreemdelingenbewaring opgeheven na kennisname uitspraak rechtbank (toewijzing voorlopige voorziening).

Oordeel:

Niet gegrond