1998/167

Rapport
Op 9 mei 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw G. te Dordrecht, met een klacht over een gedraging van buitengewoon opsporingsambtenaren van de Dienst Welzijn van de gemeente Dordrecht. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoekster klaagt over de wijze van optreden door buitengewoon opsporingsambtenaren van de Dienst Welzijn van de gemeente Dordrecht op 20 april 1996. Zij klaagt er met name over dat:- bij haar aanhouding vijf ambtenaren waren betrokken; volgens verzoekster was dit disproportioneel en had zij eerst opgeroepen moeten worden; - zij tijdens de huiszoeking geen telefonische uitleg aan haar moeder mocht geven; - tijdens de huiszoeking en het verhoor bepaalde opmerkingen tegen haar zijn gemaakt, waardoor zij zich onder druk gezet voelde. ACHTERGROND1. Wetboek van Strafvordering artikel 54, lid 1:"Ook buiten het geval van ontdekking op heeter daad is de officier van justitie bevoegd den verdachte van eenig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (...) aan te houden en naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen." artikel 58, lid 2:"Het bevel tot inverzekeringstelling is slechts gedurende ten hoogste drie dagen van kracht. Bij dringende noodzakelijkheid kan het bevel door de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd." artikel 63, lid 1:"Het bevel tot bewaring is van kracht gedurende een door de

rechter-commissaris te bepalen termijn van ten hoogste tien dagen, welke ingaat op het ogenblik der tenuitvoerlegging."2. Het vragenboek "Alles over bijstand", vervolgblad 37 (Voorlichtingsmateriaal van de gemeente Dordrecht, januari 1996) "...WAT DOEN DE SOCIALE RECHERCHEURS? De Sociale Rechercheurs onderzoeken fraudezaken, zoals koppelbaaspraktijken en "zwart" werken, maar bijvoorbeeld ook adressen van cli nten waarvan wordt vermoed dat ze niet op het opgegeven adres verblijven. De Sociale Rechercheurs gebruiken in het algemeen soortgelijke opsporingsmethoden als de politie. Die methoden zijn uiteraard afhankelijk van de zaak die wordt onderzocht. Als er fraude is geconstateerd wordt degene die van fraude wordt verdacht opgeroepen. De bevindingen uit het gesprek en het ingestelde onderzoek worden vastgelegd in een rapport..."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Zij maakten van deze gelegenheid geen gebruik. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Dordrecht over de klacht ge nformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. Tijdens het onderzoek kregen het college van burgemeester en wethouders, de hoofdofficier van justitie en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd een aantal specifieke vragen gesteld aan de hoofdofficier van justitie te Dordrecht en aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De hoofdofficier van justitie deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van verzoekster gaf geen aanleiding het verslag aan te vullen. Het college van burgemeester en wethouders gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:1. De feitenOp 2 april 1996 is verzoekster samen met de heer W. in haar huis aangehouden op verdenking van sociale verzekeringsfraude. Bij deze aanhouding waren vijf ambtenaren van de Dienst Welzijn van de gemeente Dordrecht aanwezig.2. Het standpunt van verzoeksterVoor het standpunt van verzoekster wordt verwezen naar de klachtformulering onder

Klacht

. In haar verzoekschrift liet verzoekster ten aanzien van de opmerkingen die de opsporingsambtenaren tegen haar zouden hebben gemaakt, het volgende weten:"...In het politiebureau aangekomen heb ik met verhoren 36 uur in de cel doorgebracht. Met de woorden: wij weten alles van je, zijn al een jaar bezig, hebben je hele dossier bestudeerd. Wees eerlijk en verklaar alles, dan mag je vanavond naar huis, naar je zoon. Ook werd gezegd 3 dagen + 3 dagen + 10 dagen kunnen wij je hier houden en er moet een gelijkluidende verklaring komen als je partner..."3. Het standpunt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht3.1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht reageerde als volgt op de klacht van verzoekster:"...(Verzoekster; N.o.) heeft op 2 september 1996 bij de gemeente Dordrecht een klacht van vrijwel gelijke strekking ingediend. Op grond van de 'Klachtenregeling voor de gemeente Dordrecht' is betrokkene in de gelegenheid gesteld haar klacht nader toe te lichten, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De klacht is vervolgens, op basis van de aanwezige stukken en na een gesprek met de sociaal rechercheurs, bij brief van 15 januari 1997 afgedaan (zie onder 3.2.; N.o.). De inhoud van dit schrijven kan voor wat betreft onderhavige zaak als ingelast worden beschouwd. (Verzoekster; N.o.) klaagt bij u over het optreden van rechercheurs van de sociale dienst van de gemeente Dordrecht op 20 april 1996. Haar kritiek richt zich in het bijzonder op het feit dat:

1. bij haar aanhouding vijf ambtenaren waren betrokken; zij acht dit disproportioneel en zij had eerst opgeroepen moeten worden;2. zij tijdens de huiszoeking geen telefonische uitleg aan haar moeder mocht geven;3. tijdens de huiszoeking en het verhoor bepaalde opmerkingen zijn gemaakt, waardoor zij zich onder druk gezet voelde. Met betrekking tot de afzonderlijke klachtonderdelen merken wij het volgende op:ad 1. De reden dat vier rechercheurs betrokken waren bij de aanhouding en overbrenging was gelegen in het feit dat het in dit concrete geval om twee verdachten ging. Van de vier rechercheurs zijn er twee feitelijk in de woning van (verzoekster; N.o.) geweest. Bij de aanhouding was tevens met toestemming van verdachte(n) als waarnemer aanwezig het hoofd van de sociale recherche (de heer S.; N.o.). Laatstgenoemde is overigens op geen enkele wijze actief betrokken geweest bij de aanhouding en de daarop volgende verhoren. Het is bij de gemeente Dordrecht staand beleid dat, als verdachten na aanhouding naar het politiebureau worden overgebracht, elke afzonderlijke verdachte door twee rechercheurs wordt begeleid. Omdat bij deze zaak meer verdachten betrokken waren en mede gelet op het karakter van deze zaak is in opdracht van de officier van Justitie direct tot aanhouding overgegaan, zonder voorafgaande ontbieding. ad 2. (Verzoekster; N.o.) is tijdens de zoeking in de woning in de gelegenheid gesteld om contact op te nemen met familieleden. In dit verband verwijzen wij naar de brief van 15 januari 1997. ad 3. Wij betreuren dat (verzoekster; N.o.) zich onder druk gezet heeft gevoeld. Wij hebben echter, na onderzoek onzerzijds, niet kunnen vaststellen dat de rechercheurs opmerkingen van de door betrokkene aangegeven strekking hebben gemaakt. Ook in de strafrechtelijke procedure is op geen enkele wijze naar voren gekomen dat verklaringen van betrokkene onder druk zouden zijn afgelegd..."3.2. Het college van burgemeester en wethouders legde bij zijn reactie een kopie over van de brief van 15 januari 1997, waarin het hoofd Directoraat Sociale Dienst op verzoeksters klacht heeft gereageerd. De inhoud van deze brief luidt als volgt:"...Op dinsdag, 2 april 1996, om 09.30 uur bent u aangehouden ter zake vermoedelijke sociale zekerheidsfraude.

Diezelfde dag heeft tussen 09.40 uur en 11.00 uur een zoeking plaatsgevonden in uw woning (...). Deze zoeking heeft plaatsgevonden in uw aanwezigheid en met uw toestemming. U heeft daartoe een verklaring tot toestemming ondertekend. U bent in de gelegenheid gesteld telefonisch contact op te nemen met familieleden. In het bijzijn van de sociaal rechercheurs heeft u uw moeder en uw schoonzoon gebeld om in verband met uw aanhouding enkele zaken te regelen, waaronder de opvang van uw zoon en de verzorging van uw huisdieren. Na uw aanhouding, bent u omstreeks 11.10 uur overgebracht naar het politiebureau Zuid-Holland-Zuid (...). Daar aangekomen bent u om 11.20 uur voorgeleid aan de hulpofficier van justitie en om 12.15 uur in verzekering gesteld. Op woensdag 3 april 1996 om 19.40 uur heeft u het politiebureau verlaten. De desbetreffende sociaal rechercheurs zijn in de gelegenheid gesteld hun handelen inzake uw aanhouding en uw verblijf in het politiebureau nader toe te lichten. Naar aanleiding hiervan wordt het volgende opgemerkt. In uw brief doet u uw beklag over een aantal opmerkingen die de sociaal rechercheurs tegen u gemaakt zouden hebben. Ik ben het met u eens dat opmerkingen van deze strekking niet geoorloofd of gepast zijn. Ik heb, op basis van informatie bij de betrokken sociaal rechercheurs, niet kunnen vaststellen dat zij dergelijke opmerkingen hebben gemaakt. Voor wat betreft de gevolgde procedure wordt opgemerkt dat er mijns inziens niets onrechtmatigs heeft plaatsgevonden..."4. Het standpunt van de hoofdofficier van justitie4.1. De hoofdofficier van justitie reageerde als volgt op de klacht van verzoekster:"...(Verzoekster; N.o.) werd verdacht van sociale zekerheidsfraude (valsheid in geschrifte). De verdenking bestond dat zij in het pand L.-straat (...) te Dordrecht een gezamenlijke huishouding met de heer W. voerde, terwijl zij hiervan de Dienst Welzijn van de gemeente Dordrecht - mondeling, dan wel schriftelijk, middels vermelding op de inkomsten-hercontroleformulieren - niet in kennis gesteld had. Het vermoeden bestond dat tijdens de aanhouding, waarvoor door de officier van justitie toestemming was verleend, op bovengenoemd

adres ook de heer W. aanwezig zou zijn; dit vermoeden bleek juist. Tegen de heer W. bestond gelijke verdenking en ook ten aanzien van hem was toestemming tot aanhouding verleend door de officier van justitie. In strafzaken betreffende verzwegen samenwoning maakt de officier van justitie een afweging of de betreffende verdachten uitge-nodigd worden voor verhoor, dan wel dat in het belang van het strafrechtelijk onderzoek de verdachten worden aangehouden. In de onderhavige kwestie was het in het belang van het opsporingsonderzoek dat tot aanhouding werd overgegaan. (Verzoekster; N.o.) meent dat het disproportioneel was dat bij haar aanhouding vijf ambtenaren betrokken waren. Zoals vermeld betrof het op 2 april 1996 op het adres L.-straat (...) te Dordrecht de aanhouding van twee verdachten, te weten (verzoekster; N.o.) en de heer W.; ik meen, dat van disproportioneel optreden geen sprake is. Op het moment dat een dwangmiddel is toegepast kan in het belang van het opsporingsonderzoek een verdachte geweigerd worden om contact met derden te hebben. Hierbij merk ik nog op dat uit het proces-verbaal blijkt dat (verzoekster; N.o.) tijdens de aanhouding in de gelegenheid is gesteld een persoon in kennis te stellen van haar aanhouding, opdat de in haar woning verblijvende dieren konden worden verzorgd. Mij zijn geen feiten of omstandigheden bekend geworden, noch is mij uit het proces-verbaal gebleken dat (verzoekster; N.o.) tijdens de huiszoeking of tijdens enig verhoor door opsporingsambtenaren onder druk gezet zou zijn..."4.2. Als bijlage bij zijn reactie legde de hoofdofficier van justitie een afschrift van het op 24 april 1996 gesloten proces-verbaal over. In dit proces-verbaal is - voor zover hier van belang het volgende vermeld:"...Bij de aanhouding van verdachten, de zoeking in pand L.-straat (...) te Dordrecht en de verhoren van de verdachten W. (...) was met toestemming van deze verdachten aanwezig de heer S., hoofd bureau bijzondere controle van de Dienst Welzijn te Dordrecht..."5. De reactie van verzoeksterVerzoekster liet in een telefonische reactie op de standpunten van het college van burgemeester en wethouders en van de hoofdofficier van justitie onder meer weten dat zij zich niet kon herinneren of

haar toestemming was gevraagd voor de aanwezigheid van de heer S., hoofd van het bureau bijzondere controle van de Dienst Welzijn, bij haar aanhouding en de zoeking in haar huis. Volgens verzoekster was er over de aanwezigheid van de heer S. niets tegen haar gezegd. De opsporingsambtenaren hadden haar wel meegedeeld: "Wij zijn rechercheurs van de sociale dienst. U bent (verzoekster; N.o.). U bent aangehouden. Mogen wij binnenkomen en mogen wij uw kasten doorzoeken?" Voorts merkte verzoekster op dat zij zich tijdens de verhoren heel sterk onder druk gezet had gevoeld door de gemaakte opmerkingen, bijvoorbeeld over de periode dat de recherche haar vast zou kunnen houden. Ten slotte was het volgens verzoekster niet juist dat zij een familielid in kennis had kunnen stellen van haar aanhouding. Toen haar moeder opbelde tijdens de zoeking, mocht verzoekster niets tegen haar zeggen. Pas vlak voor het vertrek naar het politiebureau, werd zij in de gelegenheid gesteld om haar schoonzoon te waarschuwen.6. Nadere reactie van de hoofdofficier van justitieNaar aanleiding van nadere vragen van de Nationale ombudsman deelde de hoofdofficier van justitie het volgende mee:"...In het op ambtseed/ambtsbelofte opgestelde proces-verbaal is onderstaande passage opgenomen (...):"Bij de aanhouding van verdachten, de zoeking in het pand L.-straat (...) te Dordrecht en de verhoren van de verdachten W. (...) was met toestemming van deze verdachten aanwezig de heer S., hoofd bureau bijzondere controle van de Dienst Welzijn te Dordrecht." Tevens vestig ik uw aandacht op bijlage 115 bij het proces-verbaal waaruit blijkt dat (verzoekster; N.o.) aan de opsporingsambtenaren van de Dienst Welzijn van de gemeente Dordrecht schriftelijk toestemming heeft gegeven teneinde een onderzoek in haar woning L.-straat (...) te Dordrecht in te stellen. Ik leid daaruit af dat aan (verzoekster; N.o.) expliciet om toestemming is gevraagd voor het instellen van een onderzoek in de woning. Mijn bevinding is dat aan (verzoekster; N.o.) wel degelijk is gevraagd of zij er in toestemde dat de heer S. in diens hoedanigheid van hoofd van de sociale recherche bij het onderzoek aanwezig was..."

7. Nadere reactie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht In reactie op nadere vragen van de Nationale ombudsman deelde het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht nog het volgende mee:"...De door u gestelde vragen willen wij als volgt beantwoorden:1. Het vragenboek "Alles over bijstand" heeft de status van algemeen voorlichtingsmateriaal en is, in principe, bestemd voor cli nten van sociale diensten. In de bij het vragenboek behorende vervolgbladen zijn de hoofdlijnen van het eigen gemeentelijk beleid nader ingevuld. In het vragenboek is nadrukkelijk aangegeven dat aan de inhoud geen rechten kunnen worden ontleend. Cli nten van de sociale dienst worden geattendeerd op de publicatie van het (geactualiseerde) vragenboek en de vervolgbladen en kunnen op verzoek hiervan een exemplaar verkrijgen. Het is bij de gemeente Dordrecht uitgangspunt van beleid dat verdachten van een strafrechtelijk onderzoek worden ontboden. Bovendien betreft het in de regel nimmer strafbare feiten in zogeheten heterdaad-situaties, zodat zonder toestemming van de officier van Justitie niet tot aanhouding kan worden overgegaan. In het kader van strafrechtelijke onderzoeken werken sociaal rechercheurs van de gemeente onder leiding van het Openbaar Ministerie. De sociaal rechercheurs hebben over deze zaak overleg gepleegd met de officier van Justitie. In dit overleg met de officier werd besloten niet tot ontbieding over te gaan, doch de officier gaf opdracht om tot aanhouding buiten heterdaad over te gaan, in verband met de bijzondere omstandigheden en het belang van de zaak.2. Aan (verzoekster; N.o.) is door de heer J. expliciet om toestemming gevraagd met betrekking tot de aanwezigheid van de heer S. (Verzoekster; N.o.) verklaarde, in het bijzijn van de heren S. en T., daartegen geen bezwaar te hebben. Dit is als zodanig ook verwoord in het op ambtseed/ambtsbelofte opgestelde proces-verbaal. (Verzoekster; N.o.) is na de aanhouding en tijdens het onderzoek in de woning in de gelegenheid gesteld om contact op te nemen met familieleden, in het bijzonder met haar moeder. In dit verband verwijzen wij u ook naar de brieven van 15 januari en 10 oktober 1997 (zie onder 3.1. en 3.2.; N.o.).

3. Zoals u bekend heeft (verzoekster; N.o.) bij de gemeente Dordrecht een klacht van vrijwel gelijke strekking ingediend als zij bij de Ombudsman heeft ingediend. In het kader van de voorbereiding van de afhandeling van deze klacht heeft het hoofd van de afdeling juridische zaken een aantal gesprekken met de heren S. en J. gevoerd. In deze gesprekken is in het bijzonder ingegaan op de opmerkingen die volgens (verzoekster; N.o.) jegens haar zouden zijn gemaakt. Op grond van de informatie uit deze gesprekken hebben wij niet kunnen vaststellen dat sociaal rechercheurs opmerkingen van de door (verzoekster; N.o.) aangegeven strekking hebben gemaakt. Van deze gesprekken zijn geen verslagen gemaakt..."

Beoordeling

1. Ten aanzien van verzoeksters aanhouding1.1. Op 2 april 1996 is verzoekster samen met de heer W. in haar woning aangehouden op verdenking van sociale verzekeringsfraude. Bij deze aanhouding waren vijf ambtenaren van de Dienst Welzijn van de gemeente Dordrecht aanwezig. Verzoekster klaagt erover dat dit aantal disproportioneel was en dat zij bovendien eerst had moeten worden opgeroepen.1.2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht heeft naar aanleiding van verzoeksters klacht op dit punt laten weten dat er vier ambtenaren met opsporingsbevoegdheid betrokken waren geweest bij de aanhouding en overbrenging. De reden daarvan was gelegen in het feit dat het om twee verdachten ging, namelijk verzoekster en de heer W. Volgens het college is het bij de gemeente Dordrecht beleid dat als verdachten na aanhouding naar het politiebureau worden overgebracht, iedere verdachte door twee rechercheurs wordt begeleid. Voorts bleek volgens het college uit het proces-verbaal dat verzoekster toestemming had gegeven voor de aanwezigheid van S., hoofd van het bureau bijzondere controle van de Dienst Welzijn, bij de aanhouding. S. was overigens op geen enkele wijze actief betrokken geweest bij de aanhouding. De reactie van de hoofdofficier van justitie komt op dit punt in grote lijnen met die van het college overeen.1.3. Verzoekster kon zich niet herinneren of haar toestemming was gevraagd voor de aanwezigheid van de heer S. Volgens verzoekster was er over zijn aanwezigheid niets gezegd.1.4. Gelet op onder meer de veiligheid van de betrokken ambtenaren, ziet de Nationale ombudsman geen reden voor kritiek op de praktijk in de gemeente Dordrecht dat de aanhouding en overbrenging van een verdachte door twee ambtenaren wordt verricht. In deze zaak heeft

dit ertoe geleid dat er vier ambtenaren bij de aanhouding en overbrenging van verzoekster en W. betrokken zijn geweest. Gesteld noch gebleken is dat er in dit geval sprake was van omstandigheden die tot een andere aanpak hadden moeten leiden. Wat betreft de aanwezigheid van S. staat, nu niet anderszins is gesteld of gebleken en wat er ook zij van de vraag of er toestemming voor zijn aanwezigheid was gevraagd, voldoende vast dat hij niet actief bij de aanhouding betrokken is geweest. Ook in zoverre ziet de Nationale ombudsman geen reden voor kritiek.1.5. Het voorlichtingsmateriaal van de gemeente Dordrecht (zie

Achtergrond

, onder 2.) vermeldt dat een verdachte van fraude wordt opgeroepen voor verhoor. Dit neemt echter niet weg dat de officier van justitie steeds de afweging toekomt of een verdachte wordt uitgenodigd voor verhoor, dan wel dat de verdachte in het belang van het strafrechtelijk onderzoek dient te worden aangehouden. In zijn reactie naar aanleiding van verzoeksters klacht liet de hoofdofficier van justitie op dit punt weten dat in deze zaak in het belang van het opsporingsonderzoek tot aanhouding was overgegaan. De betrokken ambtenaren hebben in deze gehandeld op bevel van de officier van justitie. Ook in zoverre treft hun geen verwijt1.6. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.2. Ten aanzien van de klacht dat verzoekster tijdens de huiszoeking geen telefonische uitleg aan haar moeder mocht geven2.1. Verzoekster klaagt er voorts over dat zij tijdens de huiszoeking geen telefonische uitleg aan haar moeder mocht geven.2.2. Het college van burgemeester en wethouders deelde op dit punt mee dat verzoekster in het bijzijn van de betrokken ambtenaren haar moeder en haar schoonzoon had gebeld om in verband met haar aanhouding enkele zaken te regelen, waaronder de opvang van haar zoon en de verzorging van haar huisdieren. De hoofdofficier van justitie voegde hier nog aan toe dat het in het belang van het onderzoek kan zijn om, op het moment dat een dwangmiddel (de aanhouding) is toegepast, de verdachte te weigeren contact met derden te hebben.2.3. Verzoekster heeft in haar reactie op de standpunten van het college en de hoofdofficier van justitie naar voren gebracht dat zij haar moeder, toen deze tijdens de huiszoeking opbelde, niets had mogen zeggen. Voorts was zij pas vlak voor het vertrek naar het politiebureau in de gelegenheid gesteld om haar schoonzoon te waarschuwen.2.4. De hoofdofficier wordt gevolgd in zijn stelling dat het, op het moment dat een dwangmiddel is toegepast, in het belang van het onderzoek kan zijn om een verdachte te weigeren contact met derden

te hebben. Nu verzoekster echter in de gelegenheid is gesteld om enkele zaken in verband met haar aanhouding te regelen, hebben de betrokken ambtenaren voldoende oog voor haar belangen getoond. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.3. Ten aanzien van de klacht dat tijdens de huiszoeking en het verhoor bepaalde opmerkingen tegen verzoekster zijn gemaakt waardoor zij zich onder druk gezet voelde3.1. Ten slotte klaagt verzoekster erover dat de betrokken opsporingsambtenaren tijdens de huiszoeking en het verhoor bepaalde opmerkingen tegen haar hebben gemaakt, waardoor zij zich onder druk voelde gezet. In haar verzoekschrift stelde verzoekster in dit verband dat de volgende opmerkingen waren gemaakt: "wij weten alles van je, zijn al een jaar bezig, hebben je hele dossier bestudeerd. Wees eerlijk en verklaar alles, dan mag je vanavond naar huis, naar je zoon. Ook werd gezegd 3 dagen + 3 dagen + 10 dagen kunnen wij je hier houden en er moet een gelijkluidende verklaring komen als je partner".3.2. Zowel het college van burgemeester en wethouders als de hoofdofficier van justitie lieten naar aanleiding van dit klachtonderdeel weten dat niet kon worden vastgesteld dat dergelijke opmerkingen waren gemaakt.3.3. De wettelijke termijnen van inverzekeringstelling en bewaring zijn ten hoogste 2 x 3 dagen en 1 x 10 dagen (zie

Achtergrond

, onder 1.). De door verzoekster op dit punt gedane mededeling valt te herleiden tot deze termijnen. Het vermelden van deze termijnen veronderstelt een zekere strafvorderlijke kennis, terwijl niet is gebleken dat verzoekster over deze kennis beschikt. Daarom is het aannemelijk dat de betrokken ambtenaren verzoekster in ieder geval hebben meegedeeld dat ze gedurende het genoemde aantal dagen kon worden vastgehouden. Deze opmerkingen waren inhoudelijk niet onjuist. Door verzoekster is niet naar voren gebracht, en ook anderszins is niet gebleken, dat deze opmerkingen zijn gemaakt op een zodanige wijze dat zij zich daardoor onder druk gezet kon voelen. De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.3.4. Indien de betrokken ambtenaren tegen verzoekster zouden hebben gezegd dat er van haar een gelijkluidende verklaring moest komen als die van haar partner, zou dat niet juist zijn geweest. De feiten op dit punt kunnen echter niet worden vastgesteld, nu niet gebleken is van feiten of omstandigheden die verzoeksters lezing op dit punt ondersteunen, en het college van burgemeester en wethouders en de hoofdofficier van justitie hebben aangegeven dat uit niets was gebleken dat verzoekster onder druk zou zijn gezet. In zoverre wordt over de onderzochte gedraging op dit punt geen oordeel gegeven. CONCLUSIE De klacht over de onderzochte gedraging van buitengewoon opsporingsambtenaren van de Dienst Welzijn van de gemeente Dordrecht, die wordt aangemerkt als een gedraging van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, is niet gegrond, met dien verstande dat ten aanzien van een deel van de door verzoekster gestelde opmerkingen geen oordeel wordt gegeven.

Instantie: buitengewoon opsporingsambtenaren Dienst Welzijn gemeente Dordrecht

Klacht:

Wijze van optreden rond aanhouding, huiszoeking en verhoor.

Oordeel:

Geen oordeel