2013/195: CBR eist aanvullend oog-onderzoek op basis van ongepubliceerde richtlijnen

Rapportnummer
2013/195
Rapport

Voor de verlenging van zijn rijbewijs diende verzoeker een Eigen verklaring in bij het CBR met door de keuringarts geconstateerde visuswaarden (gezichtsscherpte) van 0,65. Voor het CBR was dit aanleiding om verzoeker te verwijzen naar een oogarts voor een aanvullend onderzoek. Verzoeker was het niet eens met de verplichte verwijzing. Volgens hem lagen zijn visuswaarden boven de minimumgrens van 0,5 zoals vermeld in artikel 3.2.1. van de Regeling eisen geschiktheid 2000. Het CBR baseerde de verwijzing op een interne afspraak bij het CBR waarbij sprake is van een doorverwijzing als visuswaarden onder de 0,7 liggen. Het CBR stelt dat publicatie van die interne richtlijn niet nodig is om geldig te zijn. Omdat verzoeker niet bekend is met de interne richtlijn vraagt hij zich af of het CBR mag afwijken van de bepalingen in de Regeling eisen geschiktheid 2000. Als de richtlijn bekend was geweest, dan zou verzoeker vrede kunnen hebben met de doorverwijzing.

Het CBR heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom verzoeker op basis van interne niet gepubliceerde richtlijnen toch verplicht naar een oogarts doorverwezen kon worden.

De Nationale ombudsman vroeg het CBR welke interne richtlijn gehanteerd wordt waarin gesproken wordt van een grens van 0,7 en waarom die richtlijn niet openbaar is. Volgens het CBR is de werkafspraak een procedurele instructie voor de medische adviseurs en is het niet bedoeld als vervanging van de bepalingen in de Regeling eisen geschiktheid 2000. Op basis van de werkafspraak mocht doorverwezen worden. Het CBR vindt dat werkafspraken conform de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak (LJN nummer BG5901) niet gepubliceerd hoeven te worden. Het CBR gaf aan dat een normale gezichtsscherpte tussen de 0,8 en 1,2 ligt, en dat de grens van 0,7 in de werkafspraak daarom een redelijk criterium is om nader onderzoek te doen. Ondanks dat het CBR publicatie niet nodig acht, wordt de noodzaak ingezien de klant te voorzien van goede en zo volledig mogelijke informatie.

De Nationale ombudsman toetst de onderzochte gedraging aan het vereiste van transparantie.In het kader van transparantie had het voor de hand gelegen als de informatie zoals in de richtlijn vermeld staat, bekend was voor verzoeker. Hierdoor had voorkomen kunnen worden dat verzoeker in verwarring werd gebracht en had verzoeker begrip kunnen hebben voor de beslissing om hem door te verwijzen naar de oogarts. De klacht is gegrond wegens strijd met het vereiste van transparantie.

Instantie: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR) te Rijswijk

Klacht:

onvoldoende duidelijk gemaakt waarom verzoeker op basis van interne niet gepubliceerde richtlijnen toch verplicht naar een oogarts doorverwezen kon worden

Oordeel:
Gegrond