Nationale ombudsman start onderzoek naar uitzettingsvluchten

Nieuwsbericht
vliegtuig voor vertrek

De Nationale ombudsman is een onderzoek gestart naar uitzettingsvluchten van uitgeprocedeerde migranten. Hij gaat in kaart brengen hoe in Nederland toezicht wordt gehouden op uitzettingsvluchten en hoe de mensenrechten bij die vluchten worden gewaarborgd. De aanleiding voor het onderzoek is een vraag van de Europese ombudsman om informatie over de Nederlandse situatie. Soortgelijk onderzoek wordt gelijktijdig in ruim twintig EU-landen uitgevoerd, door de ombudsmannen in die landen.

Uitgeprocedeerde migranten die ons land moeten verlaten, worden gedwongen uitgezet naar het land van herkomst, als zij niet op eigen gelegenheid Nederland verlaten. Uitzettingsvluchten kunnen plaatsvinden onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid met een (speciale) vlucht. Uitzettingsvluchten kunnen ook ondersteund worden door het Europese agentschap Frontex. De praktische organisatie van die vluchten ligt steeds  bij één van de lidstaten.

Onafhankelijk toezicht noodzakelijk

Bij gedwongen terugkeer-operaties bestaat het risico dat mensenrechten geschonden worden. Soms worden ingrijpende dwangmiddelen ingezet. De vraag is of de uitzettingsvluchten zo zijn ingericht dat schendingen van mensenrechten niet, of zo min mogelijk, plaatsvinden. Een noodzakelijk waarborg hierbij is dat er onafhankelijk toezicht is op de vluchten.

Inspectie V&J toezichthouder in Nederland

De Nationale ombudsman onderzoekt hoe de uitzetting in de praktijk gaat en hoe het toezicht hierop is geregeld. In Nederland houdt de Inspectie Veiligheid en Justitie toezicht op de vluchten. De Koninklijke Marechaussee begeleidt uitgeprocedeerde migranten op een vlucht. De Dienst Terugkeer en Vertrek bereidt de mensen voor op hun uitzetting. Deze drie instanties worden in het onderzoek bevraagd.

De resultaten van de verschillende onderzoeken in de EU-landen worden later dit jaar naast elkaar gelegd om eventuele knelpunten en good practices te verzamelen, en de onderlinge samenwerking te bevorderen.