Rapportbrief: LBIO informeert niet goed over opslagkosten partneralimentatie

Instantie: LBIO (Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen)

Klacht:

ten onrechte innen van opslagkosten

Oordeel: gegrond

Op verzoek van zijn ex-partner inde het LBIO partneralimentatie bij de heer X. Die inning werd voor een periode opgeschort, omdat de heer X aan de rechter had gevraagd om verlaging van het alimentatiebedrag. Kort na de aanpassing van het alimentatiebedrag betaalde de heer X de achterstallige alimentatie aan zijn ex-partner.

De heer X klaagt erover dat het LBIO vanaf de opschorting ten onrechte opslagkosten bij hem inde en na de uitspraak van de rechter te snel de deurwaarder heeft ingeschakeld, waardoor de deurwaarder ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht.

De Nationale ombudsman stelde vast dat het LBIO de heer X niet goed heeft geïnformeerd over de opslagkosten. Het LBIO besloot naar aanleiding van het onderzoek door de Nationale ombudsman de heer X alsnog tegemoet te komen in die zin dat het LBIO de opslagkosten vanaf de opschorting niet langer in rekening brengt bij hem en dat het LBIO het dossier bij de deurwaarder sluit.

Begin dit jaar hebben wij uw klacht over het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: het LBIO) in behandeling genomen. Mijn medewerker heeft hierover contact met u gehad, zowel per e-mail als telefonisch. Op 12 mei 2017 hebben wij u meegedeeld dat wij uw klacht verder gingen onderzoeken en dat wij in dat kader het LBIO om een reactie op uw klacht zouden vragen. In deze brief berichten wij u over de uitkomst van het onderzoek naar uw klacht. Na een weergave van wat er is gebeurd en wat u en het LBIO daarvan vinden, beoordelen wij uw klacht. Wij komen tot de conclusie dat het LBIO u onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de opschorting van de invordering, en over de stappen die het LBIO nam na de uitspraak van de rechter. Ook achten wij de motivering van het LBIO inzake het in rekening brengen van de opslagkosten tijdens de opschorting van de invordering onvoldoende. Met instemming hebben wij er kennis van genomen dat het LBIO de invorderingskosten vanaf 1 juli 2015 niet langer bij u in rekening brengt.

De situatie in het kort

Voorafgaand aan de klacht

Na uw echtscheiding heeft de rechter bepaald dat u partneralimentatie diende te betalen aan uw ex-partner. Op 19 mei 2015 nam het LBIO op verzoek van uw ex-partner de inning van de partneralimentatie over. Vervolgens schakelde het LBIO op 22 augustus 2015 een deurwaarder in om de inning op zich te nemen. Het LBIO heeft de inning van de alimentatie in de loop van 2015 opgeschort met instemming van uw ex-partner. Dit omdat uw inkomsten waren gedaald na uw pensioen, en u de rechter om aanpassing dan wel nihilstelling van de alimentatie ging vragen.

Op 18 mei 2016 heeft de Rechtbank bepaald dat de partneralimentatie vanaf 15 juli 2015 van € 1208 naar € 712 werd verlaagd.

Vervolgens heeft u na overleg met uw advocaat en de advocaat van uw ex-partner de achterstallige alimentatie betaald op 1 juli 2016.

Op 6 juli 2016 berichtte het LBIO u dat u bij was met betaling van de alimentatie tot en met juni 2016. Verder deelde het LBIO u mee dat de voorwaarden voor sluiting van de zaak bij het LBIO waren: zes maanden achtereenvolgens alimentatie met opslagkosten betalen aan het LBIO en de nog openstaande kosten aan de deurwaarder betalen.

Klacht bij het LBIO

Op 1 augustus 2016 heeft u een klacht ingediend bij het LBIO. De kern van uw klacht was dat het LBIO:

  • vanaf juli 2015 ten onrechte opslagkosten bij u inde;

  • na de uitspraak van de rechter te snel de deurwaarder heeft ingeschakeld, waardoor de deurwaarder ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht.

In reactie op de klacht berichtte het LBIO u op 9 januari 2017 dat uw klacht de opslagkosten betrof. Die zijn volgens het LBIO terecht in rekening gebracht. Zodra het LBIO de inning overneemt, zijn er opslagkosten verschuldigd.

Verzoekschrift aan de Nationale ombudsman

U was niet tevreden met deze reactie, omdat er volgens u niet inhoudelijk werd ingegaan op uw klachten. Ook ontving u steeds weer berichten van het LBIO en/of de deurwaarder met daarin verschillende bedragen van de schuld die u zou hebben. U richtte zich daarom tot de Nationale ombudsman.

Vervolgens hebben wij enkele vragen gesteld aan het LBIO.

Het LBIO gaf in reactie daarop aan dat het LBIO op grond van artikel 1:408 lid 6 BW een eenmaal overgenomen inning van de alimentatie pas mag beëindigen wanneer aan twee wettelijke criteria is voldaan: er is gedurende tenminste een half jaar regelmatig aan het LBIO betaald en er is geen achterstand in de betaling van de alimentatie en de invorderingskosten. Voor zover bij het LBIO bekend was, had u aan geen van beide criteria voldaan en kon het LBIO niet tot sluiting van het dossier overgaan. Het LBIO stuurde ook een saldo- overzicht met een specificatie van de vordering mee. Daarnaast bedroegen de deurwaarderskosten € 290,62. Zodra het LBIO de zaak heeft overgedragen aan de deurwaarder, dient u aan de deurwaarder te betalen en verloopt het contact ook via de deurwaarder. Verder gaf het LBIO aan bereid te zijn tot sluiting van het dossier over te gaan, zodra geen sprake meer was van een achterstand in de verschuldigde alimentatie, opslag- en executiekosten.

U wilde de zaak niet afsluiten, door de volgens het LBIO nog openstaande bedragen te betalen. U ziet de kwestie als volgt: na de uitspraak van de rechter over de hoogte van de partneralimentatie voldeed u de achterstallige alimentatie en de opslagkosten op 1 juli 2016. Op 6 juli 2016 berichtte het LBIO u dat u bij was met betaling tot en met juni 2016. En in een saldo-overzicht van 19 augustus 2016 wordt wederom bevestigd dat u niets meer verschuldigd was. Op 4 juli 2016 vorderde de deurwaarder het achterstallige bedrag bij u. Omdat u toen al had betaald, achtte u zich niet gehouden om de deurwaarderskosten van die invordering te betalen. Vervolgens heeft u vanaf juli tot en met december 2016 de vastgestelde alimentatie aan uw ex-partner betaald, zoals door de rechter was bepaald, en steeds een betalingsbewijs daarvan naar het LBIO gestuurd. De opslagkosten over die zes maanden heeft u aan het LBIO betaald. Volgens u bent u nu per 1 januari 2017 bij met betalen, en heeft u alleen nog maar met uw ex-partner te maken.

Uw klacht

Wij hebben uw klacht richting het LBIO als volgt geformuleerd.

Verzoeker klaagt erover dat het LBIO:

  1. vanaf juli 2015 ten onrechte opslagkosten bij hem heeft geïnd inzake partneralimentatie;
  2. na de uitspraak van de rechter (te snel) de deurwaarder heeft ingeschakeld, waardoor de deurwaarder ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht.

Ons onderzoek richtte zich met name op het in rekening brengen van opslagkosten en eventuele deurwaarderskosten gedurende de periode dat de inning was opgeschort, en gedurende de periode nadat u de achterstallige alimentatie aan uw ex-vrouw had uitbetaald. Daarnaast richtte het zich ook op de informatieverstrekking door het LBIO hierover.

Reactie van het LBIO op uw klacht

Aangezien het dossier in behandeling was bij de deurwaarder, werd de deurwaarder bericht dat de zaak was opgeschort. Het LBIO heeft u daarvan niet zelf op de hoogte gesteld. Het LBIO heeft u ook niet laten weten dat de opslagkosten bij opschorting door blijven lopen.

Op 14 juni 2016 ontving het LBIO van uw advocaat een nieuwe beschikking van de rechter, naar aanleiding van uw verzoek tot nihilstelling of verlaging van de alimentatiebijdrage. Het LBIO had de invordering eerder opgeschort naar aanleiding van het door u ingediende verzoekschrift. De rechter had op 18 mei 2016 de bijdrage vastgesteld op € 712,53 per maand. Deze uitspraak ging per
15 juli 2015 in. U werd een specificatie van de vordering toegezonden.

Aangezien er nog sprake was van een vordering, zette het LBIO het inningstraject voort. Dit werd niet expliciet aan u gemeld.

In reactie op onze vraag op basis waarvan het LBIO vanaf juli 2015 opslagkosten in rekening bracht, verwees het LBIO naar twee bepalingen:

Artikel 1:408 lid 3 BW:

Kosten van invordering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen worden verhaald op de onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie. Het verhaal van kosten vindt plaats door wijziging van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

Artikel 1 lid 1 van het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties en partneralimentaties:

Onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie, geschiedt het verhaal van kosten van invordering van uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie door verhoging van de uitkering, zoals deze in een rechterlijke beslissing is vastgelegd, met een bedrag per maand van 19,00 dan wel vijftienhonderdste deel van de uitkering, indien dat deel meer is dan 19,00.

Het LBIO heeft de deurwaarder niet opnieuw ingeschakeld, maar enkel aan de deurwaarder doorgegeven dat er uitspraak was gedaan en dat de inning werd voortgezet. Dit is niet door het LBIO aan u medegedeeld. Het LBIO noemde wederom de twee wettelijke criteria voor afsluiting van inning via het LBIO en constateerde dat daaraan niet was voldaan.

Het LBIO acht uw klachten gegrond. U bent niet gewezen op de gevolgen van het opschorten van de inning voor het verdere verloop van de zaak en u bent er niet op gewezen dat de zaak door zou lopen bij de deurwaarder. Het LBIO besloot u alsnog tegemoet te komen in die zin dat het LBIO de opslagkosten vanaf juli 2015 niet langer in rekening brengt bij u en dat het LBIO het dossier bij de deurwaarder sluit.

Beoordeling van uw klacht

Het LBIO heeft u niet geïnformeerd over de gevolgen van de opschorting van de invordering, en over de stappen die het LBIO nam na de uitspraak van de rechter. Nadat u kort na de rechtszaak de alimentatie na overleg met uw ex-partner alsnog had betaald, werd u daarom vervolgens compleet verrast, doordat het LBIO opslagkosten van u vorderde. Dat was niet juist en in strijd met het vereiste van goede informatieverstrekking.

Het onderzoek van de Nationale ombudsman heeft ertoe geleid dat het LBIO de invorderingskosten vanaf 1 juli 2015 niet langer bij u in rekening brengt. Wij laten in deze zaak in het midden of de opslagkosten terecht in rekening werden gebracht. De motivering van het LBIO daarvoor, enkel een verwijzing naar wetsartikelen, achten wij niet toereikend. Omdat het door u beoogde resultaat (het niet verschuldigd zijn van de opslagkosten) is bereikt, zien wij reden om deze zaak nu af te doen met een rapportbrief. Bovengenoemde kwestie zal opnieuw aan de orde komen in een ander onderzoek van de Nationale ombudsman.

Tot slot

Met deze brief beëindigen wij de behandeling van uw klacht. Wij hebben een kopie van deze brief gestuurd naar het LBIO. In onze brief aan het LBIO (zie bijlage) hebben wij het LBIO ook verzocht om de informatieverstrekking richting betalingsplichtigen in het vervolg te verbeteren over de gevolgen van de opschorting van de invordering, en over de stappen die het LBIO neemt richting een deurwaarder. Een geanonimiseerde versie van deze brief vindt u op onze website www.nationaleombudsman.nl. Om uw privacy te waarborgen verwijderen wij uw naam en adresgegevens uit de te publiceren tekst.

Met vriendelijke groet,

de Nationale ombudsman,
Reinier van Zutphen

Publicatiedatum
Rapportnummer
Brief