2018/067 Politie Limburg biedt voortaan alternatieve zittingsdatum van klachtencommissie aan bij verhindering

Autobestuurder wordt 's nachts op de N281 aangereden terwijl hij linksaf slaat. Hij heeft te veel gedronken en krijgt een boete. Hij klaagt dat de politie Limburg geen oog heeft voor de aanleiding van het ongeval. De ombudsman is het met de politiechef eens dat dit onvoldoende is onderzocht. Wel heeft de politie goed nagedacht over het bellen van een ambulance. Ook heeft de ombudsman er met instemming kennis van genomen dat de politie voortaan een alternatieve datum voor een zitting van de klachtencommissie aanbiedt als verzoeker niet kan.

Instantie: politiechef regionale eenheid Limburg

Klacht:

onvoldoende onderzoeken van het ongeval

Oordeel: gegrond

Instantie: politiechef regionale eenheid Limburg

Klacht:

manier waarop is afgewogen of er proces-verbaal opgemaakt diende te worden

Oordeel: gegrond

Instantie: politiechef regionale eenheid Limburg

Klacht:

niet-oproepen van een ambulance

Oordeel: niet gegrond

Instantie: voorzitter onafhankelijke klachtencommissie regionale eenheid Limburg

Klacht:

niet-wijzigen van de zittingsdatum

Oordeel: gegrond

Verzoeker reed 's nachts op de N281. Hij sloeg met z'n auto linksaf op een kruispunt. Daarbij is zijn auto op het kruisingsvlak aan de rechterzijde hard geraakt door een tegenligger die rechtdoor wilde gaan. Beide auto's waren total loss. Verzoeker bleek te veel te hebben gedronken en kreeg daarvoor een boete.

Verzoeker klaagt erover dat de politie enkel gericht was op het feit dat hij te veel had gedronken en geen oog meer had voor de toedracht van de aanrijding en de fysieke gevolgen voor hem. Volgens verzoeker is er ten onrechte geen proces-verbaal van de aanrijding opgemaakt. Ook heeft de politie volgens hem verzuimd een ambulance te laten komen, terwijl hij hier wel om heeft verzocht. Verzoeker heeft over het gebeuren een klacht ingediend bij de politie Limburg. In het kader van de klachtbehandeling werd hij uitgenodigd voor een hoorzitting bij de onafhankelijke klachtencommissie van de politie-eenheid Limburg. Hij kon niet komen op de datum van de hoorzitting en gaf dat tijdig aan. De klachtencommissie hield echter vast aan de vastgestelde datum. Verzoeker klaagt daarover.

De politie had moeten handelen conform de Instructie afhandeling verkeersongevallen. Daarin staat dat de politie onderzoek moet doen om de toedracht van een ongeval te achterhalen en in welke gevallen een proces-verbaal moet worden opgemaakt van het ongeval. Tijdens het onderzoek door de ombudsman heeft de politiechef al erkend dat het onderzoek naar de toedracht van het ongeval onvoldoende is geweest. De ombudsman onderschrijft dat. Daarnaast vindt de ombudsman dat er onvoldoende sprake is geweest van een professionele afweging om wel of niet een proces-verbaal op te maken. Het klachtpunt over het niet-oproepen van een ambulance vinden we niet gegrond. De politie heeft ter plaatse een gedegen inschatting gemaakt van de gezondheidstoestand waarin verzoeker zich bevond. Daarmee heeft de politie voldaan aan haar zorgplicht ten opzichte van verzoeker.
Wat betreft de zittingsdatum vond de ombudsman dat de klachtencommissie een alternatieve datum had moeten voorstellen, nu verzoeker tijdig aangaf verhinderd te zijn. Met instemming nemen we er kennis van dat de klachtencommissie naar aanleiding van deze zaak inmiddels in beleid heeft vastgelegd dat verzoekers een alternatieve zittingsdatum wordt aangeboden wanneer zij aangeven verhinderd te zijn op de eerst gekozen datum.

Politiechef: professionaliteit > gegrond
Politiechef: bijzondere zorg > niet gegrond
Klachtencommissie: fair play > gegrond

Geen niet beschreven klachtonderdelen.

Aanleiding

Op 23 april 2016 rond 2.30 uur 's nachts vindt er een ongeval plaats op de N281. Verzoeker, de heer X, is op een kruispunt linksaf geslagen. Daarbij is zijn auto op het kruisingsvlak aan de rechterzijde hard geraakt door een tegenligger die rechtdoor wilde gaan. Er stonden verkeerslichten op het kruispunt. Verzoeker heeft na de aanrijding zelf de politie gebeld. Zijn auto bleek later total loss te zijn. De politie kwam ter plaatse en nam een indicatieve blaastest af bij beide bestuurders. Daaruit bleek dat verzoeker te veel alcohol gedronken had. De politie nam hem daarop mee naar het bureau voor een definitieve blaastest. Daaruit bleek opnieuw dat hij te veel gedronken had. Hij blies 330 Ugl, waar 220 Ugl maximaal is toegestaan. Verzoeker heeft een proces-verbaal ontvangen voor rijden onder invloed, een overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

Verzoeker klaagt erover dat de politie enkel gericht was op het feit dat hij te veel had gedronken en geen oog meer had voor de toedracht van de aanrijding en de fysieke gevolgen voor hem. Volgens verzoeker was hij bij een groen verkeerslicht linksaf geslagen, dus hoe kon het dat hij was getorpedeerd door een tegenligger? Volgens verzoeker is er ten onrechte geen proces-verbaal van de aanrijding opgemaakt. Ook heeft de politie volgens hem verzuimd een ambulance te laten komen, terwijl hij hier wel om heeft verzocht. Volgens verzoeker is de dag na de aanrijding in het ziekenhuis vastgesteld dat hij onder meer een hersenschudding had.

Verzoeker heeft over het gebeuren een klacht ingediend bij de politie Limburg. In het kader van de klachtbehandeling werd hij uitgenodigd voor een hoorzitting bij de onafhankelijke klachtencommissie van de politie-eenheid Limburg. Deze hoorzitting zou plaatsvinden op 16 mei 2017 in Heel. Verzoeker gaf vooraf aan dat hij verhinderd was op die datum en dat hij de locatie te ver vond, maar de klachtencommissie wijzigde de zittingsdatum en -locatie niet. De zitting heeft vervolgens plaatsgevonden in afwezigheid van verzoeker. Verzoeker klaagt erover dat de klachtencommissie de zittingsdatum en –locatie niet wilde wijzigen, waardoor hij zijn klacht niet heeft kunnen toelichten op de zitting. De klachtencommissie adviseerde de politiechef de klacht op alle punten ongegrond te verklaren.

Op 6 november 2017 heeft de Nationale ombudsman formeel het onderzoek naar de klacht geopend op basis van de volgende klachtformulering:

Verzoeker klaagt erover dat de politie Limburg de toedracht van de aanrijding niet voldoende heeft onderzocht en ten onrechte geen proces-verbaal heeft opgemaakt. Ook klaagt hij erover dat de politie heeft verzuimd een ambulance te laten komen.
Daarnaast klaagt verzoeker erover dat de klachtencommissie geweigerd heeft de zittingsdatum en –locatie te wijzigen, hoewel hij meermaals heeft aangegeven verhinderd te zijn op de vastgestelde datum.

Kader

De Instructie afhandeling verkeersongevallen (2015I003) van het College van procureurs-generaal bevat richtlijnen voor de politie hoe te handelen na een verkeersongeval. Hierin staat onder meer beschreven in welke gevallen bij een ongeval een proces-verbaal moet worden opgemaakt. Dat moet als sprake is (geweest) van:

- Een ernstige overtreding van de verkeerswetgeving. Denk hierbij aan rijden met hoge snelheden door de bebouwde kom of met hoge snelheid door een rood verkeerslicht rijden op een onoverzichtelijke kruising. Kortom: ontoelaatbaar gedrag met voorzienbare verkeersonveiligheid;
- Zwaar lichamelijk letsel of dodelijke afloop. Het letsel moet dusdanig zijn dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat;
- Medische behandeling in het ziekenhuis ten gevolge van letsel. Wanneer het verkeersslachtoffer niet meteen naar het ziekenhuis is vervoerd, maar later toch in het ziekenhuis is opgenomen wegens letsel ten gevolge van het ongeval, dient alsnog proces-verbaal te worden opgemaakt;

De Instructie bevat eveneens een stromenschema, waaruit blijkt dat proces-verbaal moet worden opgemaakt ingeval van rood licht-negatie.

Indien het vermoeden bestaat dat het verkeersongeval (mede) te wijten is aan het gebruik van alcohol en/of drugs wordt ten aanzien van de bestuurder altijd proces-verbaal opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet (rijden onder invloed). Van eventuele overige gepleegde (verkeers)delicten wordt proces-verbaal opgemaakt als sprake is geweest van een ernstige overtreding van de verkeerswetgeving.

Als er op de plaats ongeval sprake is van twijfel over de vraag of er een proces-verbaal moet worden opgemaakt, worden het sporenonderzoek en het verhoren van de betrokkenen zo veel mogelijk afgerond. De politieambtenaar kan bij de afweging wel of geen proces-verbaal op te maken vervolgens een aanrijdingsselecteur betrekken. Deze kan op zijn beurt met het Openbaar Ministerie (OM) overleggen.

De Instructie vermeldt dat hoge eisen moeten worden gesteld aan het veiligstellen van sporen en de kwaliteit van het opsporingsonderzoek door de politie. In de bijlage bij de Instructie getiteld 'De opsporing' staan nadere aanwijzingen voor de manier waarop adequaat sporenonderzoek dient plaats te vinden om de toedracht van een ongeval zo goed mogelijk vast te kunnen stellen. Het is van groot belang dat het onderzoek op de plaats ongeval zo snel mogelijk wordt uitgevoerd. Het onderzoek moet erop gericht zijn dat de informatie die van belang is controleerbaar en reproduceerbaar wordt vastgelegd. Daarbij gaat het dan om alle ter plaatse aangetroffen sporen, eindposities van de voertuigen, enzovoort. Ook de voertuigen zelf moeten worden onderzocht en de betrokkenen moeten worden ondervraagd over de toedracht. Aanbevolen wordt om direct foto's te nemen van de ongevalssituatie, de sporen, de schade en de positie van de voertuigen.

Bevindingen

Feiten
Uit de stukken die de ombudsman door verzoeker en de politie ter hand zijn gesteld, komen de volgende feiten naar voren, voor zover van belang voor het onderzoek.

De aanrijding vond plaats op een kruisingsvlak van de N281 ter hoogte van de oprit van de A76. Voor verkeer komende uit de richting Heerlen is ter hoogte van het kruisingsvlak een digitale flitscamera geplaatst. Deze wordt geactiveerd als een auto door rood rijdt dan wel harder rijdt dan de toegestane snelheid van 70 kilometer per uur. Bestuurders komende uit de rijrichting Bocholtz kunnen niet geflitst worden, want daar is géén camera geplaatst. Verzoeker kwam uit de richting Bocholtz (geen flitscamera) en de andere auto kwam uit de richting Heerlen (wel een flitscamera).

Uit het journaal van de klacht blijkt dat de politie de klacht van verzoeker op 14 februari 2017 heeft ontvangen. Op 27 februari 2017 neemt de klachtencoördinator contact op met de operationeel expert (opex) verkeer voor een advies over de casus. Dit is een politiemedewerker met specifieke expertise op het gebied van de afhandeling van verkeersongevallen. De opex verkeer wijst op de Instructie afhandeling verkeersongevallen. Daarin staat in welk geval een proces-verbaal moet worden opgemaakt van een aanrijding. In dit geval had dat inderdaad gemoeten volgens de opex verkeer, onafhankelijk van een mening / beslissing door een officier van justitie hierover.

Op dezelfde dag laat de klachtencoördinator nagaan bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) of er ten tijde van het ongeval sprake was van het negeren van een rood verkeerslicht, waarvoor een boete is uitgeschreven. Het CJIB laat hierop weten dat de flitscamera op het moment van het ongeval niet heeft geflitst, hetgeen betekent dat er niet te hard of door rood licht is gereden door de tegenligger. De tegenligger heeft zelf verklaard dat hij door oranje is gereden.

Op 13 mei 2016 stuurt verzoeker een e-mailbericht aan betrokken ambtenaar M. Hierin klaagt hij voor het eerst over het feit dat er geen ambulance is gekomen en stelt hij dat er de dag na het ongeval in het ziekenhuis letsel aan het licht is gekomen. In een eerdere e-mail aan M., van 6 mei 2016, klaagt hij niet over letsel. Gedurende het onderzoek heeft de Nationale ombudsman meermaals verzoeker gevraagd om een verklaring van een arts te overleggen, waarin staat welk letsel bij hem is geconstateerd de dag na de aanrijding. Verzoeker heeft een dergelijk document niet aangeleverd.

Bij brief van 18 april 2017 is verzoeker door de secretaris van de klachtencommissie uitgenodigd voor een hoorzitting op 16 mei 2017 in Heel. Op 20 april 2017 laat verzoeker in reactie hierop weten dat hij op 16 mei 2017 is verhinderd. De voorgestelde locatie vindt verzoeker daarnaast te ver rijden (1,5 uur). Het stoort hem dat de datum en de locatie eenzijdig door de politie bepaald worden.

Op 2 mei 2017 reageert de secretaris van de klachtencommissie op de opmerkingen van verzoeker. Zij schrijft dat de zittingen altijd plaatsvinden op een centrale locatie in de eenheid Limburg, namelijk in Heel. Daarnaast vinden de zittingen plaats conform de vastgestelde jaarplanning. Ook daarop wordt geen uitzondering gemaakt. De commissie hoopt dat verzoeker alsnog kan komen, maar laat die keuze aan verzoeker.

Verzoeker reageert op 2 mei en 8 mei 2017 nog op het bericht van de secretaris. Hij is verbaasd en ontstemd over het feit dat er geen overleg plaatsvindt over een andere datum voor de zitting. Op 11 mei 2017 laat de secretaris nogmaals aan verzoeker weten dat de vastgestelde zittingsdatum blijft staan.

Standpunt verzoeker
Verzoeker is verontwaardigd over het gebrek aan onderzoek naar de toedracht van het ongeval. Hij meent dat de aanrijding levensgevaarlijk was en dat het politieoptreden daar geen reflectie van is. Volgens verzoeker is de tegenligger door oranje of door rood gereden, maar is daar niets mee gedaan door de politie. De toedracht van de aanrijding is hierdoor niet aan het licht gekomen. Volgens verzoeker had er meer onderzoek moeten worden gedaan ter plaatse, zoals onderzoek naar de sporen op het wegdek en naar de schade aan de betrokken auto's. Ook had er een proces-verbaal opgemaakt moeten worden van het ongeval, vindt hij. Verzoeker is het niet eens met de motivering van de politie voor het niet-opmaken van een proces-verbaal, zoals de stelling dat beide partijen al genoeg gestraft zijn omdat hun auto's total loss waren.

Verzoeker stelt dat de verzekeraar er later achter is gekomen dat de tegenligger met een gestolen kenteken reed dat niet op de auto thuishoorde. Ook bleek de identiteit van de bestuurder niet te herleiden te zijn. Verzoeker meent dat de politie hier ter plekke achter had moeten komen door beter onderzoek te doen.

Verzoeker stelt dat hij 112 heeft gebeld voor een ambulance, maar dat de politie kwam. Betrokken politieambtenaar M. meende toen dat er geen ambulance nodig was. Verzoeker vindt dat M. die inschatting niet had mogen maken, omdat hij daartoe niet is opgeleid. Volgens verzoeker heeft M. zijn letsel onderschat en daarmee een fout gemaakt. Door de shock en adrenaline voelde hij eerst weliswaar minder pijn, maar later kwam wel degelijk letsel aan het licht.

Verzoeker meent dat hij in zijn belang is geschaad door de weigering van de klachtencommissie om de zittingsdatum en –locatie te wijzigen op zijn verzoek. Hierdoor kon hij zijn klacht niet mondeling toelichten en is het advies mogelijk anders uitgevallen.

Verklaring betrokken politieambtenaar M. en mutatierapport
Tijdens de interne klachtbehandeling heeft de heer M. schriftelijk zijn zienswijze op de klacht kenbaar gemaakt bij de klachtencoördinator. Op 30 november 2017 en op 19 februari 2018 heeft hij ook verklaard tegenover de Nationale ombudsman. Tenslotte heeft hij een mutatierapport bijgehouden dat de ombudsman ter hand is gesteld. Uit deze bronnen tezamen komt het volgende naar voren.

M. stelt dat hij op de bewuste avond samen met een collega aankwam op de plaats van het ongeval. Direct na zijn komst vroeg hij aan verzoeker hoe het ging. Verzoeker klaagde over pijn in zijn onderrug. Hij wilde een ambulance. Op dat moment maakte de politie een zelfstandige inschatting of dat nodig is. Verzoeker zei 'dat het wel ging'. Er was ook geen zichtbaar letsel. Voor M. was er dus geen aanleiding om een ambulance te laten komen.

Een collega was bezig met de andere bestuurder. Er was geen reden om op dat moment het chassisnummer van diens voertuig te controleren.

Verzoeker moest na de indicatieve blaastest mee naar het bureau. Onderweg bleef hij steeds vragen waarom de politie geen onderzoek deed naar het ongeval. Hij vond het vreemd dat hij mee moest naar het bureau terwijl de andere bestuurder door rood moest hebben gereden. Op het bureau blies verzoeker 330 Ugl en dit werd hem volgens de procedure medegedeeld. M. heeft tegen verzoeker gezegd dat hij naar de huisarts moest gaan als hij ergens pijn hield. Hij heeft al die tijd niet echt geklaagd over pijn. Na het invullen van het schadeformulier is verzoeker naar huis gebracht.

Ongeveer twee weken later kreeg M. een e-mail van verzoeker. Hierin vroeg hij of er al camerabeelden waren opgevraagd en of de flitspalen en remsporen onderzocht waren. M. verklaart dat hij daarop met het CJIB heeft gebeld om te vragen om beeldmateriaal. Hij kreeg toen te horen dat hij die beelden niet kon krijgen als er geen proces-verbaal werd opgemaakt. Dat verbaasde hem. Later heeft iemand anders alsnog die beelden opgevraagd, maar M. weet niet wie dat precies was.

M. stelt dat hij het schema van de Instructie afhandeling verkeersongevallen grotendeels gevolgd heeft. Hij vond zelf dat er wel van kon worden afgezien om een proces-verbaal op te maken, hoewel alle informatie aanwezig was om dat wél te doen. De andere bestuurder had er geen problemen mee als er verder geen proces-verbaal zou worden opgemaakt en verzoeker had te veel gedronken. In de mutatie noemt hij als redengevende omstandigheden dat beide auto's total loss waren, dat er sprake was van een 'gering strafbaar feit (rood licht)' en dat er geen letsel was. Omdat hij dacht dat hij mogelijk afweek van de Instructie als hij geen proces-verbaal zou opmaken, belde hij de officier van justitie. Achteraf gezien weet M. niet precies aan te geven waar die afwijking met de Instructie dan in zou zitten. Het zou kunnen dat hij twijfelde omdat nog niet duidelijk was welk letsel er was. Het kan ook te maken hebben gehad met het feit dat een van beiden mogelijk door rood was gereden, aldus M. De officier van justitie die hij belde was het in elk geval met hem eens dat het gezien de omstandigheden niet nodig was een proces-verbaal op te maken. Op basis van dat gesprek heeft hij toen besloten om het zo te laten.

M. deelde zijn beslissing geen proces-verbaal op te maken mede aan verzoeker. M. stuurt verzoeker een e-mail waarin hij opsomt dat er geen proces-verbaal wordt opgemaakt:
- omdat er geen sprake was van zwaar letsel;
- omdat het strafbare feit dat mogelijk ten grondslag lag aan de aanrijding (rood licht negatie) enkel een overtreding is;
- omdat de auto van de tegenligger total loss was, hetgeen straf genoeg was, zeker voor een overtreding. Dit naast de boete die eventueel zou zijn uitgeschreven als hij geflitst was.

M. stelt dat er op het kruispunt onderzoek is gedaan naar de toedracht van de aanrijding. Er zijn foto's van de schade gemaakt. Het was voor hem wel duidelijk wat er gebeurd was. Verzoeker was op het kruispunt in de rechterzijkant geraakt door de tegenligger. M. meent dat iemand wel door rood moet zijn gereden, omdat zich anders zo'n ongeval niet zou moeten kunnen voordoen.

Standpunt politiechef tijdens de interne klachtbehandeling
De onafhankelijke klachtencommissie heeft op 7 juni 2017 een advies uitgebracht aan de politiechef over de klacht van verzoeker. De klachtencommissie onderscheidt een vijftal klachtonderdelen:

  1. De betrokken politiemedewerkers hebben geen / onvoldoende onderzoek gedaan naar de toedracht van de aanrijding en geen ambulance laten komen;
  2. Politiemedewerker M. was niet voldoende deskundig om de aanrijding goed af te handelen;
  3. Er is ten onrechte geen proces-verbaal opgemaakt van de aanrijding;
  4. Politiemedewerker M. was niet objectief en had alleen aandacht voor het feit dat verzoeker te veel gedronken had;
  5. Bejegening, houding en gedrag van politiemedewerker M.

De commissie stelt het te betreuren dat verzoeker niet bij de hoorzitting aanwezig was. De heer M. heeft wel zijn verhaal gedaan op de hoorzitting. De commissie adviseert de politiechef om de klacht op alle punten ongegrond te verklaren. Bij brief van 12 juni 2017 laat de politiechef weten de overwegingen van de klachtencommissie over te nemen.

Standpunt politiechef tijdens het onderzoek door de Nationale ombudsman
Met een brief van 2 januari 2018 heeft de (plaatsvervangende) politiechef gereageerd op de opening van het onderzoek door de Nationale ombudsman en de hem gestelde vragen. In deze reactie ontbreekt het standpunt van de politiechef over de klacht en worden de vragen van de ombudsman niet afdoende beantwoord. Om die reden heeft de ombudsman nadere vragen gesteld en opnieuw gevraagd om een standpunt van de politiechef over de klacht. Bij brief van 22 maart 2018 heeft de politiechef hierop gereageerd. Uit de brieven van 2 januari en 22 maart tezamen komt het volgende naar voren.

Wat betreft het onderzoek naar het ongeval en het niet-opmaken van een proces-verbaal
De politiechef stelt vast dat de daadwerkelijke toedracht van het ongeval ter plaatse niet is vastgesteld. Daarom is dus ook niet objectief vast komen te staan of er sprake is geweest van een ernstige verkeersovertreding die had moeten leiden tot het opmaken van een proces-verbaal. Volgens de instructie moet bij twijfel over het opmaken van een proces-verbaal het sporenonderzoek ter plaatse en het verhoren van betrokkenen en getuigen zo veel mogelijk worden afgerond. Ook kan dan een aanrijdingsselecteur worden geconsulteerd. Dat is niet gebeurd. Tijdens de klachtbehandeling is gebleken dat de aanwezige flitscamera niet heeft geflitst. Dat zou betekenen dat de tegenligger niet te hard of door rood heeft gereden. Echter is niet onderzocht of de verkeerslichteninstallatie goed heeft gewerkt. Anderzijds, zou het ook kunnen dat juist verzoeker een rood verkeerslicht heeft genegeerd. Hoe dan ook is de politiechef van mening dat de politie in dit geval haar verantwoordelijkheid voor een kwalitatief onderzoek naar de toedracht van de aanrijding – conform de Instructie - niet in voldoende mate is nagekomen.

Wat betreft het niet-opmaken van een proces-verbaal, merkt de politiechef nog het volgende op. De Instructie is bindend en hiervan mag alleen na overleg met het OM worden afgeweken. Ook in geval van twijfel dient het OM geconsulteerd te worden. In dit geval heeft er inderdaad overleg met de officier van justitie plaatsgevonden. De officier van justitie heeft daarbij beslist dat er geen proces-verbaal van de aanrijding opgemaakt hoefde te worden. Het standpunt van de politiechef is daarom dat de politie terecht geen proces-verbaal heeft opgemaakt en kon volstaan met een kenmerkenmeldingPLUS. Ook op basis van het gestelde letsel van verzoeker had geen proces-verbaal hoeven worden opgemaakt, meent de politiechef. Verzoeker heeft gesteld een hersenschudding gehad te hebben. Dit letsel zou vallen in de categorie 'meer dan licht letsel' van de Instructie. Bij zodanig letsel hoeft alleen proces-verbaal te worden opgemaakt indien er daarbij ook sprake is geweest van ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Het is echter niet vast komen te staan dat daar sprake van was.

Ten aanzien van niet laten komen van een ambulance
Een politiemedewerker dient een ambulance te waarschuwen indien daar aanleiding toe is. Dit kan zijn bij zichtbaar letsel, maar ook met het oog op de aard en de toedracht van een incident dat letsel kan hebben veroorzaakt. Daarnaast speelt mee welke informatie de betrokkene zelf geeft. In dit geval is de initiële 112-melding van verzoeker aangenomen door de meldkamer van de ambulancedienst. De meldkamer van de ambulancedienst heeft de politie in kennis gesteld. Er is geen ambulance gestuurd. Vaststaat dat verzoeker wel om een ambulance heeft verzocht bij betrokken politiemedewerker M., gezien de verklaring van M. hieromtrent. M. zag evenwel geen aanleiding om een ambulance te laten komen, omdat er geen zichtbaar letsel was en verzoeker zei dat het wel ging. De politiechef is van mening dat politiemedewerker M. daarin een goede afweging heeft gemaakt. Verzoeker klaagde weliswaar over rugpijn en vroeg om een ambulance, maar was verder goed ter been, helder, hij reageerde alert en was normaal aanspreekbaar. Hij heeft de blaastesten ook zonder problemen ondergaan en zei dat 'het wel ging'. M. heeft verzoeker ook aangeraden om eventueel later een huisarts te raadplegen. Verzoeker heeft later aan het licht gekomen letsel pas in zijn e-mail van 13 mei gemeld en niet onderbouwd met stukken. Ook heeft hij dit klachtpunt niet benoemd in zijn initiële klacht bij de politie.

Standpunt voorzitter klachtencommissie
In reactie op de opening van het onderzoek en vragen van de Nationale ombudsman heeft de voorzitter van de klachtencommissie gereageerd per brief van 12 december 2017. De voorzitter schrijft dat de klachtencommissie bestaat uit personen die deze rol vervullen als nevenfunctie. Er wordt een jaarrooster gemaakt voor de hoorzittingen. Tijdens iedere zitting worden er maximaal twee zaken behandeld. De data van de zittingen staan vast en de zittingen vinden altijd plaats op één neutrale plaats in Midden-Limburg (Heel).

De voorzitter wijst erop dat verzoeker een vertegenwoordiger naar de zitting had kunnen sturen, nu hij zelf verhinderd was. Dit heeft hij nagelaten. De betrokken politiemedewerker was wel aanwezig. Op basis van de vergaarde informatie vond de commissie dat zij voldoende kennis had om zich een oordeel te vormen over de klacht.

De casus is voor de commissie echter wel reden geweest om van gedachten te wisselen in haar halfjaarlijkse overleg. Daarbij is toen afgesproken dat, in voorkomende gevallen, aan de verzoeker een alternatieve zittingsdatum (volgens de jaarplanning) wordt voorgesteld, indien mogelijk de eerstvolgende datum. De zittingslocatie blijft echter ongewijzigd.

De commissie is van mening dat de toen geldende (interne) afspraken zijn gevolgd in de onderhavige casus. De sindsdien aangepaste werkwijze zorgt voor iets meer flexibiliteit, maar zal wel leiden tot overschrijding van de vastgestelde termijnen voor klachtbehandeling.

Geen reactie hoofdofficier van justitie
De hoofdofficier van justitie van het arrondissement Limburg heeft de mogelijkheid gekregen om op de klacht te reageren in verband met zijn verantwoordelijkheid voor het handelen van de officier van justitie die betrokken was bij de zaak. De hoofdofficier heeft geen reactie gegeven.

Beoordeling

De Nationale ombudsman zal de klachtpunten beoordelen aan de hand van de behoorlijkheidsvereisten die daarop van toepassing zijn.

Onderzoek naar toedracht ongeval en niet-opmaken proces-verbaal
De klachtpunten betreffende het onderzoek naar de toedracht van het ongeval en het niet-opmaken van een proces-verbaal worden getoetst aan het vereiste van professionaliteit. Het vereiste van professionaliteit houdt in dat de overheid er voor zorgt dat haar medewerkers volgens hun professionele normen werken. De burger mag van hen bijzondere deskundigheid verwachten. In dit specifieke geval betekent dat dat de burger van de politie had mogen verwachten dat, nu zich een serieus verkeersongeval heeft voorgedaan, de politie handelt in overeenstemming met de Instructie afhandeling verkeersongevallen. Uit die Instructie blijkt dat de politie ter plaatse gedegen onderzoek moet verrichten naar de toedracht van het ongeval en haar bevindingen in bepaalde gevallen moet vastleggen in een proces-verbaal.

De ombudsman heeft met instemming kennisgenomen van het oordeel van de politiechef dat de politie in dit geval haar verantwoordelijkheid voor een kwalitatief onderzoek naar de toedracht van de aanrijding - conform de Instructie - niet in voldoende mate is nagekomen. Verzoeker had van de politie mogen verwachten dat er meer moeite zou worden gedaan om te achterhalen hoe het ongeval heeft kunnen gebeuren. De politiechef stelt terecht vast dat de daadwerkelijke toedracht nu nooit is vastgesteld. Het is niet uit te sluiten dat dat wél mogelijk was geweest als direct, conform de Instructie afhandeling verkeersongevallen, moeite was gestoken in de het sporenonderzoek. Politiemedewerker M. stelt wel enige foto's te hebben gemaakt ter plaatse, maar het onderzoek had duidelijk weinig om het lijf. Ook later is het onderzoek niet serieus opgepakt. Dat blijkt uit het feit dat M. in overleg met de officier van justitie besloot om geen proces-verbaal van de aanrijding op te maken, terwijl hij net van het CJIB had gehoord dat in dat geval geen beelden van de aanwezige flitscamera zouden worden verstrekt. Pas later, tijdens de interne klachtbehandeling, werd alsnog inhoudelijke informatie verstrekt door het CJIB. Door beter onderzoek te doen had de politie wellicht ook eerder achterhaald dat de auto van de tegenligger niet van het juiste kenteken was voorzien. Het klachtpunt is gegrond.

Nu de toedracht van het ongeval niet vast is komen te staan, is het niet goed mogelijk om te beoordelen of conform de Instructie afhandeling verkeersongevallen een proces-verbaal van de aanrijding opgemaakt had moeten worden. We weten immers niet met zekerheid of er sprake is geweest van een ernstige overtreding van de verkeerswetgeving, zoals negatie van een rood verkeerslicht op (te) hoge snelheid. De politiechef heeft het standpunt ingenomen dat de medische situatie van verzoeker niet dusdanig was dat reeds op grond hiervan proces-verbaal diende te worden opgemaakt. Dit oordeel komt de ombudsman niet onjuist voor. Het is de ombudsman ook niet duidelijk geworden op basis waarvan de opex verkeer tijdens de interne klachtbehandeling van de politie heeft gesteld dat proces-verbaal opgemaakt had moeten worden.

De betrokken politieambtenaar heeft naar het oordeel van de ombudsman conform de Instructie gehandeld door contact op te nemen met de officier van justitie om het geval te bespreken, nu er twijfel kon zijn over het opmaken van een proces-verbaal. De officier van justitie meende kennelijk dat het opmaken van een proces-verbaal niet nodig was. Maar, als meer duidelijk was geworden over de toedracht van het ongeval, had diens afweging anders uit kunnen pakken. Het valt de ombudsman bovendien op, dat de redenen voor het niet-opmaken van een proces-verbaal die de betrokken politieambtenaar heeft benoemd, niet passen bij het afwegingskader van de Instructie. Voor de beslissing al dan niet proces-verbaal op te maken is niet relevant dat beide voertuigen total loss zijn. Ook wordt rood licht-negatie in de Instructie zeker niet als gering strafbaar feit gezien, maar onder omstandigheden juist als voorbeeld van een ernstige overtreding van de verkeerswetgeving waarvan een proces-verbaal moet worden opgemaakt. Op basis van het bovenstaande concludeert de ombudsman dat onvoldoende sprake is geweest van een professionele afweging om wel of niet een proces-verbaal op te maken. Het klachtpunt is, in die zin, gegrond.

Niet-oproepen ambulance
Het klachtpunt betreffende het niet-oproepen van een ambulance zal de ombudsman beoordelen aan de hand van het vereiste van bijzondere zorg. Dit vereiste houdt in dat overheidsinstanties aan personen die onder hun hoede zijn geplaatst de zorg verlenen waarvoor deze personen, vanwege die afhankelijke positie, op die overheidsinstanties zijn aangewezen. Toegepast op deze casus betekent dat dat de burger van de politie mag verwachten dat na een verkeersongeval een gedegen inschatting wordt gemaakt van de noodzaak tot het inschakelen van medische professionals.

De ombudsman constateert dat verzoeker stelt dat later aan het licht is gekomen dat hij letsel aan de aanrijding heeft overgehouden, waaronder een (lichte) hersenschudding. Hoewel de ombudsman verzocht heeft om stukken die deze stelling onderbouwen, heeft verzoeker die nimmer aangeleverd. Ook tegenover de politie heeft verzoeker nooit hardgemaakt dat hij concreet letsel had dat aanleiding had moeten zijn voor het laten komen van een ambulance. Hij heeft dit klachtpunt ook niet consistent naar voren gebracht tijdens zijn contacten met politieambtenaar M. en tijdens de interne klachtbehandeling bij de politie. Op de avond van het ongeval heeft hij bovendien kennelijk zonder veel problemen meegewerkt met het ademonderzoek door de politie en het invullen van de schadeformulieren. De betrokken politiemedewerker stelt dat hij verzoeker heeft gevraagd hoe hij zich voelde en dat deze zei 'dat het wel ging'. Er was geen zichtbaar letsel en verzoeker reageerde normaal. Dit alles maakt dat de ombudsman tot het oordeel komt dat de betrokken politiemedewerker M. een gedegen inschatting heeft gemaakt van de gezondheidstoestand waarin verzoeker zich bevond. Daarmee heeft de politie voldaan aan haar zorgplicht ten opzichte van verzoeker. Het klachtpunt is niet gegrond.

Zittingsdatum en -locatie
Het klachtpunt betreffende de zittingsdatum en –locatie van de onafhankelijke klachtencommissie van de politie Limburg ten slotte, beoordeelt de ombudsman aan de hand van het vereiste van fair play. Dit houdt in dat de overheid de burger de mogelijkheid geeft om zijn procedurele kansen te benutten en daarbij zorgt voor een eerlijke gang van zaken. In dit geval betekent dat dat de klachtencommissie de burger ruime en eerlijke gelegenheid moet bieden om zijn kant van het verhaal toe te lichten op een hoorzitting, zodat daar een uitgebalanceerd beeld van de klacht naar voren kan komen.

De ombudsman concludeert dat de klachtencommissie in dit geval te rigide is geweest door de zittingsdatum aan te houden, terwijl verzoeker tijdig en meermaals aangaf verhinderd te zijn. Gezien het belang van een evenwichtige hoorzitting waarbij verzoeker de kans krijgt zijn verhaal te doen, had de klachtencommissie meer kunnen en moeten doen om het probleem op te lossen, bijvoorbeeld door een alternatieve zittingsdatum vast te stellen. Het feit dat verzoeker een vertegenwoordiger had kunnen sturen, maakt dat niet anders, omdat verzoeker begrijpelijkerwijs zelf het woord wilde doen. De ombudsman heeft er evenwel begrip voor dat de zittingen plaatsvinden op een vaste locatie die centraal in het eenheidsgebied is gelegen. Ook van verzoeker mag iets worden verwacht in het kader van klachtbehandeling, waaronder het zich begeven naar een zittingslocatie op enige afstand van zijn woning, als hij er prijs op stelt zijn klacht toe te lichten op de hoorzitting. Het klachtpunt is derhalve gegrond voor zover dit ziet op de zittingsdatum.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de politiechef van de regionale eenheid Limburg is:

- Gegrond wat betreft het onvoldoende onderzoeken van de toedracht van het ongeval, getoetst aan het vereiste van professionaliteit;
- Gegrond wat betreft de manier waarop is afgewogen of er proces-verbaal opgemaakt diende te worden, getoetst aan het vereiste van professionaliteit;
- Niet gegrond wat betreft het niet-oproepen van een ambulance, getoetst aan het vereiste van bijzondere zorg.

De klacht over de onderzochte gedraging van de voorzitter van de onafhankelijke klachtencommissie van de regionale politie-eenheid Limburg is gegrond wat betreft het niet-wijzigen van de zittingsdatum, getoetst aan het vereiste van fair play.


De Nationale ombudsman heeft er met instemming van kennisgenomen dat de klachtencommissie van de politie Limburg sindsdien in beleid heeft vastgelegd dat verzoekers een alternatieve zittingsdatum wordt aangeboden wanneer zij aangeven verhinderd te zijn op de eerst gekozen datum.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Publicatiedatum
Rapportnummer
2018/067