2018/029 Politie Den Haag valt woning binnen ondanks aanwezigheid minderjarigen

Arrestatieteam (AT) van de politie-eenheid Den Haag valt 's avonds laat een huis binnen op zoek naar een ontvoerde baby. Het gezin met vijf minderjarige kinderen slaapt. De man klaagt dat toestemming is gegeven voor de inval terwijl men wist dat er minderjarigen in huis waren en over de beschadigingen van zijn eigendommen door de politie. Het snelle handelen in dit geval vindt de Nationale ombudsman noodzakelijk. Wel had de officier van justitie de inzet van het AT beter moeten verantwoorden.

Instantie: Officier van justitie

Klacht:

toestemming verleend voor de inzet van het arrestatieteam

Oordeel: gegrond

Instantie: Officier van justitie

Klacht:

toestemming verleend voor de inzet van het arrestatieteam

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Politiechef regionale eenheid Den Haag

Klacht:

tijdens instap in verzoekers woning veel schade aangericht

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Politiechef regionale eenheid Den Haag

Klacht:

geen initiatief genomen om na de inzet van het arrestatieteam aan verzoekers woonomgeving uitleg te geven over de inzet van het team en het feit dat verzoeker niets met de zaak te maken had

Oordeel: niet gegrond

Verzoeker lag in zijn woning te slapen. Plotseling werd hij opgeschrikt door gewapende en gemaskerde politieambtenaren van een arrestatieteam (AT) die met kabaal de voordeur van zijn woning opentrapten. Volgens verzoeker werd ook in de rest van de woning door het AT schade aangericht. Verzoeker en zijn hoogzwangere vrouw wisten van niets en moesten onder dreiging met een vuurwapen op de bank gaan zitten. Hun jonge kinderen moesten boven in hun slaapkamers blijven. De éénjarige zoon van verzoeker ging huilen en mocht niet direct worden getroost. Verzoekers kinderen hadden, vanwege de grote impact, in de periode daarna psychologische hulp nodig. Verzoeker kon drie weken niet werken en schaamde zich naar zijn woonomgeving.

Verzoeker klaagde erover de officier van justitie toestemming had verleend voor de inzet van een arrestatieteam, ondanks de wetenschap dat er vijf minderjarige kinderen in de woning aanwezig waren.

De Nationale ombudsman achtte de gebrekkige verslagvorming van de officier van justitie niet behoorlijk. Dat gold ook voor het ontbreken van processen-verbaal van het observatieteam in het politie- en OM dossier. Hierdoor was verantwoording achteraf ten aanzien van de inbreuk op verzoekers grondwettelijke huisrecht niet mogelijk. Desondanks achtte de Nationale ombudsman de klacht, op basis van informatie die de Nationale ombudsman zelf via zijn onderzoek had ontdekt, niet gegrond. De Nationale ombudsman was van oordeel dat sprake was van een situatie waarin mocht worden aangenomen dat de politie bij het betreden van de woning van verzoeker op zoek naar de verdachte M en de baby kon stuiten op levensbedreigende omstandigheden, in die zin dat kon worden gevreesd voor het leven van de baby waarnaar zij op zoek waren. Dat rechtvaardigde de inzet van het AT in verzoekers woning, ook al was dit zeer ingrijpend voor verzoekers kinderen. De minister van Justitie en Veiligheid had daarom niet gehandeld in strijd met het evenredigheids-vereiste.

Verzoekers klacht dat de politie tijdens de instap in zijn woning buitensporig veel schade had aangericht en de klacht dat de politie geen initiatief had ondernomen om verzoeker te rehabiliteren richting zijn woonomgeving, achtte de Nationale ombudsman niet gegrond.

1. Aanleiding?

Verzoeker lag in zijn woning te slapen. Plotseling werd hij opgeschrikt door gewapende en gemaskerde politieambtenaren van een arrestatieteam (AT) die met kabaal de voordeur van zijn woning opentrapten. Volgens verzoeker werd ook in de rest van de woning door het AT schade aangericht. Verzoeker en zijn hoogzwangere vrouw wisten van niets en moesten onder dreiging met een vuurwapen op de bank gaan zitten. Hun jonge kinderen moesten boven in hun slaapkamers blijven. De éénjarige zoon van verzoeker ging huilen en mocht niet direct worden getroost. Verzoekers kinderen hadden, vanwege de grote impact, in de periode daarna psychologische hulp nodig. Verzoeker kon drie weken niet werken en schaamde zich naar zijn woonomgeving.

Naar aanleiding van het optreden door het arrestatieteam diende verzoeker bij de politiechef van de eenheid Den Haag een klacht in over de inval door het AT en de schade die daarbij was veroorzaakt. De politieklachtencommissie adviseerde de politiechef om de klacht over de inzet van het arrestatieteam niet-ontvankelijk te verklaren omdat de officier van justitie toestemming had verleend voor de inzet. Ook de klacht over de schade werd niet-ontvankelijk verklaard. De politiechef nam deze adviezen over en verklaarde de beide klachten niet-ontvankelijk.

2. Onderzoek Nationale ombudsman

Omdat verzoeker zich niet met het oordeel van de politiechef kon verenigen, verzocht hij de Nationale ombudsman de zaak te onderzoeken. Voor zover de klachten betrekking hebben op de kinderen van verzoeker is de Kinderombudsman bij het onderzoek betrokken en voor zover in het oordeel de kinderrechten aan bod komen, is dit afgestemd met de Kinderombudsman. De ombudsman stelde een onderzoek in en formuleerde de klacht als volgt:

Verzoeker klaagt erover dat het Openbaar Ministerie toestemming heeft verleend voor de inzet van een arrestatieteam van de politie-eenheid Rotterdam op 26 juni 2014 om 23:30 uur, ondanks de wetenschap dat er vijf minderjarige kinderen in de woning aanwezig waren.

Verder klaagt verzoeker erover dat de betrokken politieambtenaren tijdens de instap in zijn woning buitensporig veel schade hebben aangericht, waaronder schade aan deuren in de woning, de schoenenkast en kapstok, vloertegels, de trap, de salontafel, een stoel van de eethoek, het kozijn van de keukendeur, negen tapijten en de vaatwasser.

Ten slotte klaagt verzoeker erover dat de politie Den Haag geen initiatief heeft ondernomen om na de inzet van het arrestatieteam aan zijn woonomgeving uitleg te geven over de inzet van dat team en het feit dat verzoeker niets met de zaak te maken had.


3. Wat was er volgens verzoeker gebeurd?

Verzoeker lag op 26 juni 2014 om 23:30 uur te slapen en werd opgeschrikt door gewapende en gemaskerde politieambtenaren die met kabaal de voordeur van zijn woning opentrapten. Deze ging er met kozijn en al uit. De politie had op zijn minst, gelet op het tijdstip en het feit dat zij een woning betraden waarbij zij ervan uit konden gaan dat er minderjarige kinderen aanwezig waren, dienen aan te bellen en daarbij te verzoeken om medewerking van de bewoners, aldus verzoeker.

Verzoeker en zijn hoogzwangere vrouw kregen vervolgens onder dreiging van een vuurwapen van het arrestatieteam de opdracht om in de woonkamer op de bank plaats te nemen. Hun wakker geschrokken kinderen (destijds in de leeftijd van 1, 8, 10, 14 en 16 jaar) moesten van het arrestatieteam boven in hun slaapkamers blijven. Op een gegeven moment ging de éénjarige zoon van verzoeker huilen. Verzoeker noch zijn dochter mocht van de politie naar hem toe gaan om hem te troosten. Hier had verzoeker moeite mee en hij werd er boos over. Na ongeveer tien minuten haalde een van de leden van het arrestatieteam deze huilende zoon naar beneden om hem aan verzoeker over te dragen. Verzoeker vroeg de politie om een ambulance te bellen voor zijn vrouw die zich niet goed voelde. Volgens verzoeker gaf de politie hier geen gehoor aan. De hele politieactie duurde tot 02:00 uur.
Na afloop legde een politieambtenaar aan verzoeker uit dat de politie serieuze aanwijzingen had dat verzoeker of één van zijn gezinsleden informatie had over de verblijfplaats van de vijf maanden oude baby van M., de broer van verzoekers vrouw en diens ex-partner S. en dat het leven van een kind in gevaar was. Verzoeker begrijpt niet waarom de politie bij hem op een ingrijpende manier is binnengetreden. Bij andere familieleden was de 'gewone' politie langs geweest die eerst had aangebeld. Verzoeker wist dat er een conflict was tussen M. en diens vader maar hij was niet op de hoogte van de afspraak die de politie met de vader van M. zou hebben gemaakt over het terugbezorgen van de baby. Hij weet ook niet waar de politie uit zou moeten hebben afleiden dat hij op de hoogte zou zijn geweest van de afspraak die met de vader van M. was gemaakt, terwijl dit wel door de politie wordt gesteld. Verzoeker heeft lange tijd geen contact met M. gehad omdat hun vrouwen (de zus van M. en S.) niet goed met elkaar overweg konden.
Verzoeker zegt nooit duidelijkheid van de politie te hebben gekregen over de vraag waarom de politie dacht dat de baby bij hem thuis zou zijn. De politie-inval heeft een grote impact op verzoekers jonge kinderen gehad. Zij hebben daar nog lange tijd last van gehad. Zij waren een aantal weken niet in staat om naar school te gaan. Verder hadden zij psychologische hulp nodig om de gebeurtenissen van die avond/nacht te kunnen verwerken. Verzoeker kon drie weken niet werken. Als ondernemer is hij hierdoor inkomsten misgelopen en heeft hij reputatieschade opgelopen.
Verzoeker stelt dat het AT tijdens de inval veel materiële schade heeft veroorzaakt (zie bijlage 1). Het verzoek om vergoeding daarvan is afgewezen. De Nationale ombudsman heeft verzoeker diverse keren gevraagd om, indien mogelijk, met behulp van kleurenfoto's, de aard van de beschadigingen in de rest van de woning inzichtelijk te maken. De Nationale ombudsman heeft, behoudens dat er volgens verzoeker boven ook nog schade aan granieten vloertegels was, geen nadere beschrijving of foto's van de aard en omvang van de beschadigingen van verzoeker ontvangen.

4. Wat ging vooraf aan de inval door het AT?

Behalve de informatie uit het klachtdossier van de politie wilde de Nationale ombudsman voor zijn onderzoek meer informatie over de achtergrond van de gebeurtenissen die voorafgingen aan de inval in verzoekers woning. Om die reden heeft een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman bij de politie Den Haag en het arrondissementsparket Den Haag inzage gehad in het dossier dat op deze zaak betrekking heeft. Deze inzagen leverden, voor zover van belang van het onderzoek, het volgende beeld op.

Op 25 juni 2014 ontstond tussen M., en zijn ex-partner S. ruzie. Tijdens deze ruzie trok M. hun vijf maanden oude baby uit haar armen en maakte zich snel met de baby uit de voeten. S. meldde dezelfde dag om 16:43 uur bij de politie Den Haag dat M. haar baby had meegenomen en tegen haar had gezegd dat ze de baby nooit meer terug zou zien en hij de baby mee zou nemen naar Turkije.

Het onderzoek naar de verblijfplaats van de baby werd onder leiding van de officier van justitie direct opgepakt door een onderzoeksteam van de politie Den Haag. De officier van justitie gaf aan de politie het bevel tot aanhouding buiten heterdaad van M. Een zoekslag in het politiesysteem leverde op dat M. een aantal antecedenten heeft op het gebied van geweldpleging. S. deed tegen M. aangifte van onttrekking aan het ouderlijk gezag. S. deelde aan de politie mee dat de vader van M. uit een traditioneel deel van Turkije afkomstig was en traditioneel leefde.

Door de rechter-commissaris werd toestemming verleend om een aantal mobiele telefoonnummers af te laten luisteren. Uit de door de politie afgeluisterde gesprekken komt het beeld naar voren dat M. met de baby Nederland wil verlaten en de baby bij familie of kennissen heeft ondergebracht. Op 26 juni 2014 belt de zus van M. met haar vader en zegt dat hij naar haar toe moet komen en dat haar moeder er ook is. Daarna kunnen zij verder gaan. Gelet op de onderzoeksbevindingen werd het door het onderzoeksteam van de politie aannemelijk geacht dat M. werd ondersteund door familieleden.

's Avonds werd de moeder van S. door de moeder van M. gebeld. Tijdens dit gesprek zou de moeder van M. hebben gezegd dat als er geen akkoord kon worden bereikt, de baby zou worden gedood.

De volgende dag belde de zus van M. naar de moeder van S. Tijdens dit gesprek zei de zus van M. (verzoekers echtgenote) dat de baby niet aan S. zou worden teruggeven maar dat hun mannen de baby gingen vermoorden en begraven. S. was getuige van dit telefoongesprek en vernam later van haar moeder wat de zus van M. had gezegd.

Rekening houdend met de etnische achtergrond van M., won het onderzoeksteam advies in bij de Unit Multi-etnisch Politiewerk (MEP). Volgens de Unit MEP zou in dit geval mogelijk sprake kunnen zijn van eergerelateerd geweld1. Vanuit de familie van M. bestond gevaar voor geweld en/of ontvoering van de baby. Het MEP adviseerde het onderzoeksteam om in contact te treden met de patriarch van de familie. Dit was de opa van de baby en de vader van M.

In het verslag van het onderzoeksteam (hierna: het verslag) wordt melding gemaakt van het feit dat het observatieteam van de politie meerdere malen had gezien dat een persoon die voldeed aan de beschrijving van het uiterlijk van verdachte (M.) bij straat XX (de woning van verzoeker) naar binnen was gegaan.

De Nationale ombudsman heeft kennis kunnen nemen van een deel van het verslag dat betrekking heeft op de gebeurtenissen die 's avonds op 26 juni 2014, voorafgaand aan de inval door het AT, plaatsvonden. Het onderzoeksteam werd enerzijds via het observatieteam en anderzijds middels gesprekken die live via de tap werden beluisterd en vertaald, op de hoogte gehouden van de laatste ontwikkelingen. M. werd aldoor door het observatieteam gevolgd.

Politieambtenaar W. sprak op donderdag 26 juni 2014 om 20:30 uur op het politiebureau met de vader van M. Tijdens dit gesprek werd de vader van M. te verstaan gegeven dat hij ervoor moest zorgdragen dat de baby die avond om 21:30 uur naar het politiebureau Jan Hendrikstraat zou worden gebracht. Volgens de vader van M. luisterde niemand naar hem. In reactie hierop gaf politieambtenaar W. aan dat dit als consequentie zou hebben dat, indien het onderzoek naar de baby dit noodzakelijk maakte, op plekken waar dat noodzakelijk was, zou worden binnengetreden waarbij schade aan deuren was te verwachten. W. verzocht de vader van M. de nodige maatregelen te treffen om te bevorderen dat de baby alsnog tijdig naar het politiebureau zou worden gebracht. Hierna verliet de vader van M. het politiebureau. Om 20.53 uur werd in het verslag van het onderzoeksteam de laatste waarneming van de politie dat verdachte M. de woning van verzoeker binnen ging, opgenomen.

Na overleg met de officier van justitie werd besloten om de woning van de zus van M. te betreden met het doel de baby aan te treffen en de verdachte M. aan te houden. Gelet op de complexiteit van de ontzetting van de baby en de aanwezigheid van meerdere personen in de woning werd door de rechercheofficier van justitie toestemming verleend voor de inzet van een arrestatieteam bij het betreden van de woning van de zus van M. en verzoeker. Dit om de veiligheid van de baby zoveel mogelijk te waarborgen. De motivering van de toestemming en de informatie op basis waarvan werd besloten om het huis van verzoeker binnen te vallen, zijn niet op papier vastgelegd.

Om 21:30 uur werd de baby niet op het politiebureau afgeleverd. Om 21.52 uur werd het plan van aanpak met betrekking tot de inval door het AT (beslissing onderzoeksteam en officier van justitie G.) in de woning van verzoeker en het betreden van de overige woningen door andere politie eenheden, in het verslag vermeld. Vervolgens viel het arrestatieteam (AT) om 23:40 uur de woning van verzoeker binnen. Tegelijkertijd ging de politie in Den Haag bij vier andere woningen van familieleden van M. naar binnen. Om 23.45 uur werd in het verslag vermeld dat het AT de instap had gedaan en dat de verdachte en de baby niet waren aangetroffen.

Na de inval door het arrestatieteam doorzochten twee politieambtenaren verzoekers woning en openden met toestemming van verzoeker in de slaapkamers en op de eerste verdieping enkele kasten. Buiten verzoekers woning was publiek aanwezig. Politieambtenaren van Den Haag handhaafden daar de orde.

4.1 Ontbrekende politie-informatie

Hoewel de officier van justitie een bevel had gegeven voor stelselmatige observatie, heeft de Nationale ombudsman vastgesteld dat zowel in het onderzoeksdossier van de politie als in het procesdossier van het Openbaar Ministerie de processen-verbaal van het observatieteam van de politie ontbreken. De betreffende processen-verbaal konden ook niet meer achteraf door het OT opnieuw worden uitgedraaid. De Nationale ombudsman heeft veel inspanningen moeten verrichten om te kunnen achterhalen wat concreet de aanwijzingen waren geweest op basis waarvan werd vermoed dat M. zich voor de inval door het AT in verzoekers woning bevond. Dankzij een rechercheur die destijds bij het onderzoek betrokken was geweest, kon de Nationale ombudsman uiteindelijk toch nog aanvullende informatie boven water krijgen die betrekking had op de waarnemingen die het observatieteam destijds had gedaan. Deze informatie was opgenomen in een verslag van het onderzoeksteam.

In het kader van het onderzoek verzocht de Nationale ombudsman het Openbaar Ministerie (OM) na te gaan of de toestemming voor de inzet van het AT schriftelijk (gemotiveerd) was vastgelegd. Zonder schriftelijk verantwoorde beslissing kon geen duidelijkheid worden verschaft over de beweegredenen van de rechercheofficier. In reactie op dit verzoek liet een medewerker van het parket Den Haag aan de Nationale ombudsman weten dat er geen schriftelijk bewijs was van de gegeven toestemming. De enige informatie die beschikbaar was betrof een brief van de betreffende officier waarin hij pas een jaar na de inval in verzoekers woning had aangegeven wat zijn beweegredenen waren geweest. De inzet van het AT was in eerste instantie gericht op de - te verwachten- complexiteit van de aanhouding/ ontzetting van de baby. Verder was bekend dat er meerdere mensen in "deze" woning aanwezig waren. Meer argumenten om de beslissing te verantwoorden, werden niet aangevoerd. Ook werd niet aangevoerd waarom het AT alleen bij de woning van verzoeker naar binnen ging en de andere woningen niet door een AT of een andersoortige politie-eenheid werd binnengegaan.

5. Standpunt van de politiechef

De politiechef ging in zijn reactie op het onderzoek niet in op de inval door het AT omdat de officier van justitie hiervoor verantwoordelijk was. De politiechef liet wel weten dat (een deel van) de schade het gevolg is van het betreden van verzoekers woning door het arrestatieteam van de politie eenheid Rotterdam. Door het arrestatieteam is verklaard dat de schade bestond uit een ontzette voordeur en schade aan de sponning van de voordeur. Verder bestaat de mogelijkheid dat de voordeur, bij het verbreken, tegen de toiletdeur is aangekomen. Hierdoor werden mogelijk enkele tegels beschadigd. Ten slotte is het voorstelbaar dat bij het betreden van de woning glassplinters in de vloerbedekking terecht zijn gekomen. De politiechef acht de schade die door het arrestatieteam is toegebracht, proportioneel.

Voor wat betreft de klacht over het niet achteraf informeren van verzoekers woonomgeving, gaf de politiechef aan dat deze klacht niet tijdens de interne klachtbehandeling was onderzocht. Dat verzoeker niets met de zaak te maken heeft of dat er sprake zou zijn van een misverstand, kan volgens de politiechef niet worden gesteld. De politiechef acht deze klacht niet gegrond.

6. Standpunt van de minister van Justitie en Veiligheid

Volgens de minister van Justitie en Veiligheid bleek uit de aangifte en de tapgesprekken dat familieleden van M. (de vader van de baby) op de hoogte waren van de situatie en mogelijk druk uitoefenden op de aangeefster S. (de moeder van de baby). Naar aanleiding van de inhoud van de tapgesprekken ontstond bij de politie en justitie het vermoeden dat de baby in Den Haag bij familie verbleef.
Nadat de baby niet op 26 juni 2014 om 21:30 uur op het politiebureau was afgeleverd, werd besloten om een aantal woningen van familieleden van M. te gaan betreden. Bij de politie bestond het vermoeden dat de baby zich in verzoekers woning bevond. Volgens de minister mag zo nodig ook de woning van een niet-verdachte worden betreden. Gelet op de verklaringen van de aangeefster en de inhoud van de tapgesprekken, bestonden er op dat moment sterke vermoedens dat verzoeker meewerkte aan het verborgen houden van de baby.

Voorafgaand aan de beslissing om een AT in te zetten, wordt altijd een zorgvuldige afweging gemaakt. In dit geval was sprake van een verdenking van een ernstig misdrijf, onttrekking aan het ouderlijk gezag, met als strafverzwarende omstandigheid dat het een minderjarige betrof beneden de leeftijd van twaalf jaar. Verder bestond er vrees voor het leven van de baby aangezien de verdachte M. tegen S. had gezegd dat zij haar baby nooit meer terug zou zien. Ten slotte bestond de vrees dat M. met de baby naar Turkije zou vertrekken.
Alle inspanningen van de politie waren er op gericht om de baby weer veilig bij moeder S. terug te brengen. Daarbij is ook de veiligheid van alle betrokkenen in overweging genomen. Om die reden is ervoor gekozen om een arrestatieteam in te zetten. Door middel van overrompeling zijn zij als geen ander in staat om ervoor te zorgen dat alle aanwezigen in een woning een inval veilig kunnen doorstaan.

Tijdens het onderzoek heeft de Nationale ombudsman de minister van Justitie en Veiligheid verzocht om concreet aan te geven waaruit naar zijn mening bleek dat er voldoende aanwijzingen waren om te vermoeden dat de baby zich in verzoekers woning bevond. De betrokken officier van justitie heeft geprobeerd om meer gedetailleerde informatie te achterhalen maar kon daarover geen duidelijkheid verschaffen. Om te voorkomen dat de baby in Turkije zou belanden en niet terug zou kunnen keren bij haar moeder, was snelle actie nodig. Daarom was besloten om die avond bij meerdere familieleden binnen te vallen om het kind te zoeken, omdat niet duidelijk was waar het kind zich bevond. Omdat verzoeker ook over de tap kwam en betrokken was bij de situatie, werd ook bij hem binnengetreden. Volgens de minister is hierbij een zorgvuldige belangenafweging gemaakt.

Beoordeling

1. Ten aanzien de toestemming voor de inzet van het arrestatieteam

Algemeen

Een arrestatieteam (AT) treedt op als een operationele eenheid en maakt daarbij gebruik van specifieke aanhoudingstechnieken en - tactieken die zijn vastgelegd in procedures. De werkwijze van het AT is gebaseerd op snelheid van handelen en het element van verrassing waardoor potentieel gevaarlijke personen nauwelijks gelegenheid krijgen om een gevaar te vormen. Deze overrompelende werkwijze van een AT houdt veelal een ernstige inbreuk in op de grondrechten van de betrokken burger(s) zoals het huisrecht en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het is een zwaar middel waarmee terughoudend moet worden omgegaan. Om die reden is voor de inzet van een AT toestemming vereist van een functionaris van het Openbaar Ministerie. De hoofdofficier van justitie, die op zijn parket maximaal twee officieren van justitie kan aanwijzen ter vervanging, is bevoegd om toestemming te geven voor de inzet van een arrestatieteam. Daartoe kan slechts worden besloten wanneer "redelijkerwijs mag worden aangenomen" dat bij een geplande aanhouding "levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen". 2

Behoorlijkheid

Uit het vereiste van behoorlijkheid dat de overheid grondrechten respecteert, vloeit niet alleen voort dat voorafgaand aan toepassing van ingrijpende dwangmiddelen een zorgvuldige afweging plaats vindt, maar ook dat deze wordt vastgelegd, opdat het overheidshandelen toetsbaar is. Zo'n verantwoording biedt een procedurele waarborg tegen een onterechte inbreuk op grondrechten.

Gebrekkige onderbouwing van beslissing officier van justitie

Tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman bleek dat er geen schriftelijk stuk bestond met de oorspronkelijke gemotiveerde beslissing van de officier van justitie om toestemming te verlenen voor de inzet van het AT. De inbreuk op een grondrecht moet achteraf toetsbaar zijn. Dit geldt nog meer bij een zo ingrijpende beslissing om een woning onaangekondigd door een AT te laten binnenvallen.

Toen daar in het kader van de interne klachtbehandeling bij de politie naar werd gevraagd, heeft de officier van justitie - één jaar na de actie - zijn overwegingen bij het verlenen van toestemming op papier gezet. Daarbij verwijst hij naar "nader" onderzoek. Die overwegingen kunnen wel verklaren dat de politie en de officier van justitie de huizen van M. en/of zijn (schoon)familie wilden (laten) doorzoeken om verdachte M. op te sporen en om de baby te ontzetten. Maar een deugdelijke verantwoording voor de keuze omeen ATin te zetten bij het huis van verzoekeris het niet. Dit betekent dat ten tijde van de klachtbehandeling door de politie, maar ook toen verzoeker zijn klacht aan de Nationale ombudsman voorlegde, niet kon worden vastgesteld op welke informatie de officier van justitie zich baseerde en welke afweging hij heeft gemaakt alvorens toestemming te verlenen.

Op het punt van onderbouwing en verantwoording van de inzet van vergaande bevoegdheden was het optreden van de officier van justitie niet behoorlijk.

Nog op een ander punt was de verantwoording niet goed vastgelegd.

Naast het feit dat een verantwoording van de toestemming van de officier van justitie voor de inzet van het AT ontbrak, heeft de Nationale ombudsman vastgesteld dat de processen-verbaal van het observatieteam niet alleen in het onderzoeks- maar ook in het procesdossier ontbraken. De Nationale ombudsman acht dit zeer kwalijk, temeer omdat verdachte M. door het observatieteam is gevolgd. In processen-verbaal wordt verslag gedaan en daarmee verantwoording afgelegd van de inbreuk die is gemaakt op M.'s grondwettelijke recht op privacy. Daarnaast boden deze processen-verbaal achteraf bezien mede een basis voor de beslissing van de officier van justitie om verzoekers woning door het AT te laten betreden.

Ook deze onzorgvuldigheid maakt een objectieve controle van die inbreuk op het grondwettelijke recht op privacy achteraf bijzonder moeilijk. De Nationale ombudsman acht ook dit niet behoorlijk.

Welke informatie was bij de politie bekend op de avond van de AT-inzet?
M. had de vijf maanden oude baby aan het ouderlijk gezag van S. onttrokken door de baby uit haar handen te rukken, mee te nemen en vervolgens voor de buitenwereld
verborgen te houden. Verder was de politie onder andere via het afluisteren van telefoongesprekken van familieleden van M., te weten gekomen dat er sprake was van een conflict waarbij de familie-eer een rol leek te spelen. Deze indruk werd, na raadpleging, door de unit Multi-etnisch politiewerk (MEP) bevestigd.
Vanuit de familie van M. werd gezinspeeld op het doden en begraven van de baby. Daarnaast werd door M. gedreigd met het overbrengen van de baby naar Turkije. Een zoekslag in het politiesysteem had daarnaast opgeleverd dat M. een aantal antecedenten had op het gebied van geweldpleging. De baby was niet voor het afgesproken tijdstip overgedragen aan de politie.
Het onderzoek van de Nationale ombudsman heeft extra informatie opgeleverd. Het gaat om niet in een proces-verbaal vastgelegd/ niet in dossiers opgenomen informatie van een observatieteam dat op zoek was naar de plaats waar M. zich, mogelijk in aanwezigheid van de baby, verschool. De politie schatte uiteindelijk op basis daarvan in dat van alle woningen die in beeld waren gekomen, de kans het grootst was dat M. op de avond van de inval mogelijk met de baby in de woning van verzoeker verbleef.

Afweging Nationale ombudsman
Het evenredigheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties voor het bereiken van een doel een middel aanwenden dat voor de betrokkenen niet onnodig bezwarend is en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel.

De Nationale ombudsman concludeert op basis van de bovenstaande informatie dat in het belang van de baby, snel optreden geboden was. Verder is de Nationale ombudsman van oordeel dat sprake was van een situatie waarin mocht worden aangenomen dat de politie bij het betreden van de woning van verzoeker op zoek naar M. en de baby kon stuiten op levensbedreigende omstandigheden, in die zin dat kon worden gevreesd voor het leven van de baby. Dat rechtvaardigde de inzet van het AT in verzoekers woning, ook al was dit zeer ingrijpend voor zijn kinderen. Verzoeker heeft de inval door het AT een vreselijke ervaring voor zijn kinderen genoemd. De Nationale ombudsman is van oordeel dat dat in dit geval geen reden hoefde te zijn om af te zien van de AT-inzet; het leven en welzijn van een ander kind, de baby, stond immers op het spel.

In zoverre was het optreden van de officier van justitie behoorlijk.

Zorg voor kinderen bij een AT-optreden

Artikel 3.1 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (zie Achtergrond, onder 5) brengt echter wel mee dat het AT, wanneer het bij een actie kinderen of jongeren onder 18 aantreft, moet nagaan op welke manier en waar mogelijk de impact op de aanwezige minderjarige kinderen kan worden beperkt. Het AT past hierbij maatwerk toe, voor zover de omstandigheden dat toelaten en de veiligheid van zowel het AT als de overige aanwezigen daardoor niet in gevaar wordt gebracht. In dit geval heeft het AT dit gedaan door de éénjarige zoon van verzoeker naar verzoeker te brengen, zodra de situatie onder controle was.

De Nationale ombudsman heeft eerder in zijn rapport 2017/137 de aanbeveling gedaan om de werkwijze die in de praktijk al door alle AT's in Nederland op dit vlak werd gevolgd, formeel vast te leggen. Naar aanleiding van dit rapport gaan de landelijke AT-organisatie en AT-opleiding een meer eenduidige instructie opstellen hoe om te gaan bij het aantreffen van minderjarige kinderen.

De minister heeft niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

2. Ten aanzien van de schade die was aangericht

In de tweede plaats klaagt verzoeker erover dat door het binnentreden door het AT buitensporige materiële schade is ontstaan in zijn woning. De Nationale ombudsman toetst deze gedraging aan het hierboven genoemde evenredigheidsvereiste.

Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat bij een optreden van een AT waarbij een woning wordt betreden, forse schade wordt aangericht op de plaats (meestal een deur of een raam) waar het AT binnentreedt. Dit is inherent aan het optreden van het AT dat immers is gebaseerd op snelheid van handelen en het verrassingseffect om de aan te houden persoon geen gelegenheid te bieden om (levensbedreigend) geweld tegen het AT of derden te gebruiken.

Gelet op de constateringen van verzoeker en de sectiecommandant van het AT, staat in ieder geval vast dat bij het betreden van verzoekers woning schade aan de toegangsdeur en mogelijk ook aan de toiletdeur (in de gang) is veroorzaakt. Verder is er volgens de sectiecommandant van het AT aan de rest van verzoekers woning geen schade toegebracht door het AT. De Nationale ombudsman acht het aannemelijk dat een deel van de beschadigingen in de gang verband zou kunnen houden met de deur die na het forceren bepaalde goederen in de gang bij de voordeur, zoals een kapstok of tegels kan hebben geraakt. Omdat een deel van de voordeur van verzoekers woning uit glas bestond, acht de Nationale ombudsman het verder aannemelijk dat gedurende het forceren van deze deur, glas op de vloer van de gang terecht is gekomen. Kleine versplinterde glasscherfjes kunnen via de schoenzolen van AT'ers door de rest van de woning zijn verspreid en daarbij in tapijten zijn beland. De Nationale ombudsman is van oordeel dat dit niet aan het AT kan worden aangerekend omdat hun snelheid van handelen dit als onontkoombaar risico met zich meebrengt.

Door verzoeker wordt verder gesteld en door het AT weersproken, dat ook nog schade zou zijn toegebracht aan andere deuren in de woning, een schoenenkast, vloer- en muurtegels, de trap, de salontafel, een stoel van de eethoek, het kozijn van de keukendeur en ten slotte een vaatwasser. Uit de lijst die verzoeker heeft opgesteld, kan de Nationale ombudsman niet opmaken of het om aanzienlijke of kleine beschadigingen gaat. Verzoeker heeft de Nationale ombudsman, ook niet na daartoe te zijn uitgenodigd, geen nadere beschrijving noch foto's daarvan overgelegd. Niet kan worden vastgesteld of überhaupt schade is toegebracht en of die schade verband zou kunnen houden met het optreden van het AT. De politiechef heeft niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

3. Ten aanzien van het ontbreken van initiatief om achteraf uitleg te geven aan de woonomgeving van verzoeker

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de verschillende belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is. Dit vereiste brengt met zich mee dat de politie in voorkomende gevallen de afweging maakt of er een noodzaak bestaat om een persoon of groep van personen na een politieoptreden actief in diens woonomgeving te rehabiliteren.

De inzet van het AT kan voor verzoekers woonomgeving niet onopgemerkt zijn gebleven. Op een omstander zal de aanwezigheid van- en het optreden door het AT optreden en de politie-inzet daarom heen zeker indruk hebben gemaakt.

De Nationale ombudsman stelt vast dat verzoekers vrouw tijdens het conflict contact heeft gehad met haar familieleden onder wie met haar vader en dat zij en haar familie wetenschap hebben gehad dat M. de baby aan het ouderlijk gezag van S. had onttrokken.
Hoewel verzoeker stelt dat hij destijds van de hele kwestie niet op de hoogte was, acht de Nationale ombudsman dit niet aannemelijk. Het observatieteam van de politie heeft namelijk voorafgaand aan de inval door het AT waargenomen, dat een persoon die voldeed aan het signalement van M. meerdere malen verzoekers woning was binnen gegaan, voor het laatst om 26 juni 2014 om 20:53 uur en daarna niet meer was waargenomen dat hij deze woning had verlaten. Het feit dat noch baby H. noch de verdachte M. in verzoekers huis werden aangetroffen, brengt niet met zich mee dat, achteraf bezien, het AT zijn woning niet had mogen betreden. In dit geval was er sprake van een terechte inval die achteraf niet het resultaat heeft gehad dat werd beoogd.
De Nationale ombudsman is op grond van bovenstaande bevindingen van oordeel dat niet van de politie eenheid Den Haag mag worden verwacht dat zij achteraf aan verzoekers woonomgeving uitleg zou geven over de, in verzoekers ogen, onterechte AT inval in zijn woning. Dat zou namelijk hebben geïmpliceerd dat zij helemaal geen enkele wetenschap van of betrokkenheid bij de onttrekking aan het ouderlijk gezag van baby H. en het onderdak bieden aan verdachte M. zouden hebben gehad. De politiechef heeft niet gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klachten over de onderzochte gedraging van de politiechef van de regionale eenheid Den Haag en de minister van Justitie en Veiligheid zijn deels gegrond, deels niet gegrond.

- De klacht over de gedragingen van de officier van justitie te Den Haag bij de inzet van het AT, welke worden toegerekend aan de minister van Justitie en Veiligheid, is deels gegrond, wegens schending van het vereiste dat grondrechten moeten worden gerespecteerd en deels niet gegrond;

- De klachten over de gedragingen van de politie Den Haag, die worden toegerekend aan de chef van de regionale eenheid Den Haag, zijn niet gegrond.

De Nationale ombudsman,
 

Reinier van Zutphen

Achtergrond

1. Wetboek van Strafrecht

Artikel 279

1. "Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is."

2. Algemene wet op het binnentreden (Awbi)

Artikel 1

1. "Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft.

2. Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd."

3. Regeling beheer politie

Artikel 17

"De regionale eenheden beschikken zelfstandig of samen met één of meer andere regionale eenheden over één of meerdere onderdelen die uitsluitend tot taak hebben, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen, de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a. het verrichten van planmatige aanhoudingen;

(…)"

4. Circulaire Aanhoudings- en ondersteuningseenheden (AOE 'en)

"De belangrijkste taak van de AOE’en is het verrichten van aanhoudingen in situaties waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen. De inzet van een AOE is erop gericht om geweld te voorkomen of te beheersen. Door snel en verrassend op te treden wordt bij de aanhoudingen van gevaarlijke verdachten het gevaar voor de politie en voor derden tot een minimum beperkt."

In artikel 8, eerste lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (hierna: Bbrp) is aangegeven dat een AOE uitsluitend tot taak heeft op te treden indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen. Hetzelfde artikel bepaalt vervolgens welke werkzaamheden de eenheid ter uitvoering van zijn taak mag uitvoeren. Dat betreft het verrichten van planmatige aanhoudingen, het bewaken en beveiligen van politie-infiltranten, het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden, het assisteren bij het bewaken en beveiligen van objecten en andere werkzaamheden waarvoor toestemming is verkregen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie. Voor de uitoefening van deze werkzaamheden is een AOE geoefend in het gebruik van bijzondere technieken en tactieken en kan deze worden uitgerust met bijzondere bewapening.

Gelet op de situaties waarin wordt opgetreden en de wijze waarop een AOE opereert, zal veelal sprake zijn van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De inzet kan dan ook worden beschouwd als het toepassen van een zwaar geweldmiddel, waarvoor toestemming van het bevoegd gezag nodig is conform artikel 6, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: de Ambtsinstructie).

Inzet van een AOE zal – gelet op de aard en ernst van het middel – in de regel plaatsvinden ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

Aangezien de toestemming tot inzet van een AOE een zwaarwegende beslissing is, die verstrekkende gevolgen kan hebben, dient in beginsel de hoofdofficier van justitie, onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt deze toestemming te verlenen. Over de inzet van de AOE-KLPD beslist de (landelijk) hoofdofficier van justitie. De hoofdofficier van justitie draagt zorg voor vervanging voor het geval dat hij zelf niet in staat is op een verzoek tot inzet te beslissen. Hij kan daartoe de plaatsvervangend of fungerend hoofdofficier van justitie aanwijzen of een officier van justitie in de rang van officier eerste klasse van zijn parket. Wie de toestemming heeft verleend, zal tot uitdrukking dienen te komen in de registratie die door het parket wordt gevoerd.

De verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie, onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt, brengt mee dat, in het geval een AOE moet worden ingezet in een ander arrondissement, hij – alvorens toestemming daartoe te verlenen – overleg pleegt met zijn ambtgenoot of diens plaatsvervanger. Dit overleg betreft de veiligheid ter plaatse waar de AOE moet optreden, niet de noodzaak van de inzet van de AOE. Daarbij zijn de navolgende aspecten van belang:

– is de politie ter plaatse waar de AOE zal optreden afdoende geïnformeerd over dit optreden en;

– zijn openbare orde en veiligheid ter plaatse waar de AOE moet optreden afdoende gewaarborgd (zulks gelet op de juiste verhouding met de betrokken burgemeester die de ambtgenoot in acht zal dienen te nemen).

Er kunnen omstandigheden zijn die overleg vooraf met de ambtgenoot niet mogelijk maken omdat er geen indicatie te geven is waar de AOE zal moeten gaan optreden. In deze gevallen dient de hoofdofficier van justitie, die toestemming tot de inzet van de AOE geeft, ervoor te zorgen dat in ieder geval op operationeel niveau de lokale politie geïnformeerd wordt zodra de AOE zal gaan optreden. Tevens dient hij zijn ambtgenoot achteraf zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van zijn toestemming tot de inzet van de AOE.

In geval één of meer aanhoudingen verricht moeten worden in een ander arrondissement dan dat waar het onderzoek plaatsvindt, zal in de registratie tot uitdrukking dienen te komen dat er ter zake (vooraf of spoedshalve achteraf) contact is opgenomen met de desbetreffende ambtgeno(o)t(en)."

5. Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)

Artikel 3

"3.1 Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

3.2 De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

3.3 De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de

veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht."

Artikel 6

"6.1 De Staten die partij zijn, erkennen dat ieder kind het inherente recht op leven heeft.

6.2 De Staten die partij zijn, waarborgen in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind."

Artikel 16

"16.1 Geen enkel kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige

inmenging in zijn of haar privéleven, in zijn of haar gezinsleven, zijn of haar woning of zijn of haar correspondentie, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn of haar eer en goede naam.

16.2 Het kind heeft het recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting."


Bijlage 1

overzicht materiele schade (opgave van verzoeker)

  1. "Buitendeur compleet kapot met kozijnen, gordijn en accessoires;
  2. Buitenmuur gebarsten;
  3. Binnendeur is gebarsten en de tegels aan de muur zijn kapot;
  4. De deur van de elektriciteitskast is beschadigd;
  5. De WC deur is beschadigd;
  6. De schoenenkast en kapstok zijn beschadigd;
  7. Het kozijn van de keukendeur is beschadigd;
  8. De woonkamerdeur is beschadigd;
  9. De vloertegels zijn beschadigd;
  10. De stoel van de eethoek is kapot en de eethoek zelf is ook beschadigd;
  11. De trap beneden is beschadigd;
  12. De trap boven is beschadigd;
  13. De salontafel is beschadigd;
  14. De vaatwasserdeur is beschadigd;

De deur is kapot gemaakt waardoor er overal glasscherven zaten. Ze hebben met schoenen en al op die glasscherven gedrukt en over alle tapijten gelopen in het huis waardoor de tapijten vol met glas zitten en vervuild zijn.

De afmetingen van de tapijten

1. 150x 350 cm

2. 200 x 300 cm

3. 150 x 200 cm

4. 100 X 200 cm

5. 100 X 300 cm

6. 150 X 350 cm

7. 150 X 200 cm

8. 200 X 300 cm

9. 150 X 350 cm"

Notes

[←1]

Eergerelateerd geweld omvat elke vorm van geestelijk of lichamelijk geweld in reactie op een (dreiging van) schending van de eer van een man of een vrouw en daarmee van zijn of haar familie waarvan de buitenwereld op de hoogte is of dreigt te raken.

(Bureau Beke, 2005)

[←2]

De vereisten voor de inzet van een arrestatieteam zijn neergelegd in artikel 17 van de Regeling Beheer Politie (zie Achtergrond, onder 3), alsook in de Circulaire aanhoudings- en ondersteuningseenheden van het Openbaar Ministerie (zie Achtergrond, onder 4).

Publicatiedatum
Rapportnummer
2018/029