2018/024 Slachtoffer loopt schadevergoeding mis

Eigenaar van snorfiets doet bij de politie Amsterdam aangifte van diefstal en beschadiging ervan. De jeugdige dader wordt aangehouden en het OM draagt de zaak over aan Bureau Halt, maar vergeet te melden dat er schade is. De Nationale ombudsman vindt dat het OM de fout meteen had moeten erkennen in plaats van te blijven wijzen naar Bureau Halt. Hij vindt dat het OM de schade voor zijn rekening moet nemen.

Instantie: Openbaar Ministerie (arrondissementsparket Amsterdam)

Klacht:

zeer lang geduurd voordat het OM verzoeker uitsluitsel heeft gegeven over de afhandeling van de strafzaak en dat het OM er niet voor heeft gezorgd dat die afhandeling omvatte dat de dader zijn schade moest vergoeden

Oordeel: gegrond

In mei 2015 deed verzoeker aangifte van diefstal en beschadiging van zijn snorfiets. De politie hield een verdachte aan. Verzoeker kreeg enkele dagen later bericht van de officier van justitie dat de rechter de zaak in juni zou behandelen. Bij de brief zat een formulier waarmee verzoeker een verzoek om schadevergoeding door de dader kon indienen. Hij gaf een schadebedrag op van ruim € 460. Op een ander formulier gaf hij aan dat hij op de hoogte gehouden wilde worden van de behandeling van de zaak. Hij stuurde beide formulieren naar terug naar de officier van justitie.

Toen hij ruim een jaar later informeerde naar de zaak, kreeg hij van het Openbaar Ministerie te horen dat de zaak was overgedragen aan Bureau Halt en daar "met een positief resultaat is afgerond". Het OM adviseerde verzoeker zijn schade op de verdachte te verhalen via een civiele procedure.

Verzoeker was het daarmee niet eens en klaagde bij het OM. Het OM wees erop dat Bureau Halt had verzuimd de aangifte van verzoeker op te vragen bij het parket. Daardoor was met de verdachte niets afgesproken over schadevergoeding voor verzoeker. Het OM bood verzoeker een tegemoetkoming aan van bijna € 150.

De Nationale ombudsman oordeelde als volgt.

Op basis van wetgeving en (openbaar gemaakt) beleid van het OM mogen slachtoffers erop rekenen dat het OM hun belang bij schadevergoeding meeweegt bij behandeling van hun aangifte. Het OM heeft deze boodschap in mei 2015 meteen aan verzoeker afgegeven met de uitnodiging om schade op te geven voor de zitting bij de kinderrechter. Die zitting ging niet door. De officier van justitie schreef verzoeker dat het OM zelf straf ging bepalen en dat zijn schadeclaim daarbij zou worden betrokken. Maar de officier van justitie kwam ook daarop terug en seponeerde begin 2016 de strafzaak zonder daaraan een voorwaarde te verbinden van schadevergoeding aan het slachtoffer. Daarmee heeft het Openbaar Ministerie zijn taken richting het slachtoffer niet waargemaakt en niet behoorlijk gehandeld, aldus de Nationale ombudsman.

Ten tijde van de overdracht aan Bureau Halt lag informatie over verzoekers schade bij het parket in Amsterdam. Het ging om een schadeopgave die verzoeker op uitnodiging van het OM had aangeleverd. Het OM had hem in het vooruitzicht gesteld dat deze opgave zou worden betrokken bij de afhandeling van de strafzaak. Toen de zaak naar Bureau Halt ging, had de schadeopgave of andere stukken met informatie over de identiteit van het slachtoffer en diens schade niet mogen achterblijven op het parket.

Het parket is tekortgeschoten op het punt van secuur werken, goede dossiervorming en snel herstellen van eventuele fouten. Dat had het OM meteen moeten erkennen, in plaats van te blijven wijzen naar tekortkomingen bij Bureau Halt, zo oordeelt de Nationale ombudsman. De gedraging van het parket is ook in dit opzicht niet behoorlijk.

Context: slachtoffer, schade en strafzaak

Belangrijke pijlers van wetgeving en beleid over de positie van slachtoffers van misdrijven zijn: het slachtoffer informeren, hem een stem geven en het slachtoffer ondersteunen bij het verkrijgen van schadevergoeding. Aan de officier van justitie is bij wet opgedragen om te zorgen voor correcte bejegening van het slachtoffer. De wettelijke mogelijkheden voor een slachtoffer om via een strafrechtelijk traject of uit een schadefonds schade vergoed te krijgen, zijn in de afgelopen 25 jaar stap voor stap verruimd. De Nationale ombudsman ziet dat verwachtingen van slachtoffers soms hooggespannen zijn. Feit is wel, dat bij de meest voorkomende delicten schadeverhaal op de dader pas in beeld komt als een verdachte wordt opgespoord. En daar strandt het schip nogal eens.

Maar ook als een verdachte wordt aangehouden, kan het slachtoffer van een koude kermis thuiskomen, bijvoorbeeld doordat iets mis gaat bij een van de instanties die zijn betrokken bij opsporing en strafrechtspleging. Slachtoffers kunnen daarvan de dupe zijn. Hoe reageert de overheidsinstantie dan? Hoe treedt de politie of het Openbaar Ministerie (hierna ook: OM) het slachtoffer dan tegemoet? De Nationale ombudsman bekijkt ook of instanties behoorlijk omgaan met de burger die eerst door een misdrijf schade leed en daarna de dupe werd van miskleunen door de overheid.

Klachten die bij de Nationale ombudsman worden ingediend betreffen vaak relatief lichte, veel voorkomende delicten met enkele honderden of duizenden euro's schade. In dit rapport gaat het over de ervaringen met het OM van een man wiens snorfiets werd gestolen en al snel, maar wel beschadigd, werd teruggevonden. De jeugdige dader is opgespoord, hij bekende.

Het Openbaar Ministerie over slachtoffers van jeugdige daders

Uit een Aanwijzing van het College van procureurs-generaal over de behandeling van strafzaken tegen jeugdigen1:

"Ook in het jeugdstrafrecht ondersteunt het Openbaar Ministerie het slachtoffer in het uitoefenen van de volgende rechten:

  • – erkenning dat het slachtoffer iets is aangedaan;
  • – recht doen aan het slachtoffer;
  • – compensatie van het aangedane leed;
  • – correcte bejegening in de strafrechtelijke procedure.

In het jeugdstrafrecht is het wenselijk om de jeugdige verdachte te laten inzien wat de gevolgen zijn geweest van zijn strafbaar handelen. Zowel voor dader als slachtoffer moet de afdoening zichtbaar, merkbaar en herkenbaar zijn. Door de inzet van herstelbemiddeling kan hieraan worden bijgedragen.

Benadeelden hebben belang bij vergoeding van de geleden schade. Met dit belang dient rekening te worden gehouden bij de afdoening, door de schadevergoeding onderdeel te laten uitmaken van de Halt-afdoening, de OM-afdoening of de strafoplegging ter zitting."

Wat heeft het slachtoffer meegemaakt?

Op 2 mei 2015 werd in Amsterdam een snorfiets gestolen. De jeugdige dader werd aangehouden en de eigenaar (hierna: verzoeker) deed op 3 mei 2015 aangifte van diefstal en beschadiging van zijn snorfiets. Het arrondissementsparket Amsterdam stuurde verzoeker op 4 mei 2015 een brief waarin stond dat de verdachte op 19 juni 2015 voor de kinderrechter moest verschijnen. Bij de brief zat een formulier waarmee verzoeker een verzoek om schadevergoeding door de dader kon indienen. Hij gaf een schadebedrag op van ruim € 460. Op een ander formulier gaf hij aan dat hij op de hoogte gehouden wilde worden van de behandeling van de zaak. Hij stuurde beide formulieren naar het parket terug.

Omdat verzoeker daarna niets meer hoorde, zocht hij op 21 september 2016 contact met het Slachtofferloket van het Openbaar Ministerie (OM). Daar kreeg verzoeker op
6 oktober 2016 te horen dat het OM de zaak had overgedragen aan Bureau Halt en dat de zaak op 20 april 2016 "met een positief resultaat is afgerond, dat wil zeggen dat de verdachte aan alle voorwaarden heeft voldaan".2 Bureau Halt was kennelijk niet op de hoogte van verzoekers schade. Het OM adviseerde verzoeker om te trachten de geleden schade te verhalen via een civiele procedure.

Bureau Halt behandelt de klacht

Verzoeker wendde zich in oktober 2016 eerst met een klacht tot Bureau Halt. Bij de behandeling van zijn klacht door de regiomanager van Bureau Halt bleek dat in het dossier dat het parket had overgedragen aan Halt de aangifte had ontbroken. Vervolgens had Halt nagelaten deze alsnog op te vragen, met als gevolg dat in de registratie van Halt geen slachtoffer/benadeelde bekend was. Waarom de aangifte niet alsnog was opgevraagd, was niet meer te achterhalen. De jeugdige dader had in het kader van de Halt-straf een excuusbrief geschreven, maar deze was niet aan de benadeelde verstuurd, omdat geen naam en adres bij Halt bekend was. De regiomanager vond het zeer spijtig dat de schade niet bij de Halt-afdoening is betrokken en verontschuldigde zich daarvoor. Verzoeker zou zijn schade in een civiele procedure op de dader kunnen verhalen.

Verzoeker schakelde daarna de Klachtencommissie Halt in. Deze merkte op dat in het proces-verbaal van het verhoor van de verdachte wel is vermeld dat er schade was ontstaan aan de snorfiets. Op 1 maart 2017 concludeerde ook de klachtencommissie dat de afhandeling van de schade ten onrechte niet betrokken was geweest bij de Halt-straf en dat Bureau Halt daarmee onzorgvuldig had gehandeld ten opzichte van verzoeker.


Klachtbehandeling OM

Verzoeker diende op 7 december 2016 ook een klacht in bij de Nationale ombudsman. Deze zond de klacht ter interne behandeling door aan het OM. De hoofdofficier van justitie te Amsterdam berichtte verzoeker op 13 februari 2017 als volgt.

Verzoeker was bij het parket geregistreerd als slachtoffer en de beide formulieren met zijn verzoeken waren ontvangen. Het parket had verzoeker op 19 november 2015 geschreven dat de verdachte op een taakstrafzitting zou moeten verschijnen. Twee maanden later heeft de officier van justitie besloten dat de verdachte in aanmerking kwam voor een Halt-afdoening omdat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking was gekomen. Op 26 januari 2016 is de zaak geseponeerd "omdat een verdachte die een Halt-afdoening krijgt niet (meer) strafrechtelijk kan worden vervolgd." Daarvan was dezelfde dag een kennisgeving aan verzoeker gestuurd.

De hoofdofficier schreef verzoeker dat bij de Halt-afdoening abusievelijk geen rekening was gehouden met verzoekers schade en dat Halt had uitgelegd hoe dat had kunnen gebeuren en excuses had aangeboden voor de gang van zaken. De hoofdofficier zag, gelet op de wijze waarop de strafzaak was verlopen, aanleiding om verzoeker uit coulance een tegemoetkoming toe te kennen, omdat een relatief eenvoudige mogelijkheid tot verhaal verloren was gegaan. Die tegemoetkoming moest worden gezien als een (forfaitaire) vergoeding van incassokosten die verzoeker maakt als hij de schade in een procedure op de verdachte wil gaan verhalen. Het OM kende verzoeker een bedrag toe van € 148,74.3 Het bedrag zou worden overgemaakt zodra het OM een door verzoeker ondertekende verklaring van finale kwijting zou ontvangen.4

Het OM benadrukte dat de Staat niet aansprakelijk was voor de volledige schade aan de snorfiets, omdat die schade het gevolg was van het misdrijf dat de verdachte had gepleegd en niet het gevolg was van het handelen van het OM.

De Nationale ombudsman neemt de zaak in onderzoek

Verzoeker was niet tevreden met deze uitkomst en schakelde de Nationale ombudsman in. Hij vertelde begin 2017:

Wat ik het ergste vind, is dat het OM de zaak ruim een jaar geleden heeft afgesloten, zonder mij daarover te informeren. Als er toen gezegd was: ‘We hebben de zaak behandeld, de schuldige is bestraft maar helaas kunnen we niets meer voor u betekenen’, dan had ik een antwoord gehad en had ik dit verhaal zelf ook af kunnen sluiten. Maar ik heb niets gehoord en moest daarom na een jaar zelf aan de bel trekken.

Prima dat de dader misschien een week lang stoepen heeft moeten vegen, maar ik vind het niet meer dan terecht dat hij daarnaast de schade vergoedt: zo’n jongen moet weten dat je niet zomaar wegkomt met dit soort acties. Maar omdat HALT niet heeft gekeken of er nog schade was, was het OM daarvan vervolgens niet op de hoogte.

En dat wekt irritatie op: je doet aangifte, vervolgens wordt er geblunderd en dat is dan jammer voor jou. Je moet het allemaal maar slikken, je staat volkomen machteloos.

Dat ik het hele bedrag terug zou krijgen, daar had ik niet op gerekend, maar ik had er wel vertrouwen in dat ik in elk geval de helft zou terugkrijgen. De indruk wordt gegeven dat je wordt geholpen, ‘we gaan erachteraan’, maar uiteindelijk sta je gewoon met lege handen. En dat wekt alleen nog maar meer boosheid, teleurstelling en frustratie op.

De Nationale ombudsman formuleerde de te onderzoeken klacht als volgt:

Verzoeker klaagt er over dat het zeer lang heeft geduurd voordat het Openbaar Ministerie hem uitsluitsel heeft gegeven over de afhandeling van de strafzaak en vooral: dat het Openbaar Ministerie er niet voor heeft gezorgd dat die afhandeling omvatte dat de dader zijn schade moest vergoeden.

Standpunt minister van Veiligheid en Justitie

Het College van Procureurs-generaal deelde namens de minister van Veiligheid en Justitie in reactie op de klacht het volgende mee.

De minister is van oordeel dat het opvragen van de aangifte en het bemiddelen in de geleden schade in de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van de medewerker van Bureau Halt. Dat is in deze zaak niet gebeurd.

Achteraf bezien had de zaak eigenlijk al veel vroeger in het strafrechtelijke traject naar Halt moeten worden verwezen, aldus de minister. De totale behandelduur van acht maanden valt te verklaren doordat de verdachte in eerste instantie was gedagvaard om te verschijnen voor de kinderrechter, welke beslissing kort voor de zitting werd herzien. Op het moment dat de strafzaak op een OM-zitting5 werd behandeld, is deze beslissing alsnog gewijzigd in een Halt-afdoening.

De parketsecretaris heeft de zaak aangemeld bij Halt door via de mail het proces-verbaal van het strafrechtelijke verhoor van de minderjarige aan Halt te sturen. De aangifte en het formulier met de schadeopgave van verzoeker, zijn niet meegezonden. De parketsecretaris heeft erop vertrouwd dat de medewerker van Halt in de afdoening van de zaak de benodigde informatie zou opvragen. Dat blijkt uiteindelijk niet te zijn gebeurd, waardoor er geen schadebemiddeling heeft plaatsgevonden. Uit het strafvoorstel zoals dat is opgesteld door Halt blijkt overigens dat het aanbieden van excuses wel onderdeel uitmaakte van de Haltstraf die aan de minderjarige verdachte is opgelegd.

De aan het slachtoffer gestuurde brieven van 19 november 2015 en 26 januari 2016 over de taakstrafzitting respectievelijk de sepotbeslissing hebben hem, gelet op zijn mail op
21 september 2016 aan het Slachtofferloket, kennelijk niet bereikt. Op die e-mail heeft de parketsecretaris in eerste instantie geantwoord dat de zaak inmiddels was afgedaan door middel van een Halt-straf. En toen verzoeker het Slachtofferloket vroeg wie nu de kosten zou vergoeden van het herstellen van zijn scooter, heeft de parketsecretaris geantwoord dat zij hierover contact op zou nemen met Bureau Halt om na te gaan of bemiddeling alsnog mogelijk was. Na dit te hebben gedaan, heeft zij verzoeker bericht dat de zaak geheel was afgerond zodat Halt geen mogelijkheden meer zag om te bemiddelen in een schadevergoeding. De parketsecretaris heeft verzoeker vervolgens op 6 oktober 2016 gewezen op de mogelijkheid van het voeren van een civiele procedure.

De minister is van oordeel dat er in deze zaak is gehandeld zoals te doen gebruikelijk bij Haltverwijzingen, aI moet achteraf worden vastgesteld dat de besluitvorming rond de afdoening van deze zaak efficiënter had moeten zijn zodat de communicatie richting verzoeker hierover tijdiger had kunnen plaatsvinden. Op dit punt acht de minister de klacht dan ook gegrond.

De minister vermeldde ten slotte dat de hoofdofficier van justitie te Amsterdam aan verzoeker, om redenen van coulance, bij brief van 20 januari 2017 een tegemoetkoming heeft aangeboden. De hoogte daarvan is gebaseerd op een regeling binnen het Openbaar Ministerie, die uitgaat van een forfaitaire vergoeding van 15 % van het schadebedrag en griffierechten voor een eventuele civiele procedure.

De inhoud van de brieven aan verzoeker

De Nationale ombudsman heeft de tekst opgevraagd van de brieven waarmee het parket in Amsterdam verzoeker heeft willen informeren over de behandeling van zijn aangifte.

In de brief van 19 november 2015 staat dat de officier van justitie de verdachte heeft opgeroepen voor een niet-openbare taakstrafzitting op 19 januari 2016. En verder:

"Op de taakstrafzitting kan ik beslissen om de verdachte een taakstraf of boete op te leggen. Heeft u een verzoek tot schadevergoeding ingediend? Dan neem ik dit eveneens mee in mijn voorstel. Als de verdachte niet met mijn voorstel akkoord gaat, zal ik de verdachte dagvaarden om voor de strafrechter te verschijnen."

In de brief van 26 januari 2016 informeert de officier van justitie verzoeker over zijn beslissing om de verdachte niet verder te vervolgen.

"De reden hiervan is dat de zaak is doorverwezen naar een halt afdoening.

Omdat ik niet tot strafvervolging overga, kunt u uw geleden schade niet binnen het strafproces vergoed krijgen."

In de brief staat geen uitleg waarom wordt afgezien van strafvervolging, ten gunste van een Halt-afdoening. Wel wordt gewezen op de mogelijkheid van een beklagprocedure bij het gerechtshof tegen de beslissing van de officier van justitie en op de mogelijkheid van schadeverhaal via een civiele procedure tegen de verdachte.

Beoordeling door de Nationale ombudsman

Voor verzoeker waren de vooruitzichten op vergoeding van schade aan zijn snorfiets gunstig toen hij begin mei 2015 aangifte deed: er was een verdachte aangehouden, een week of zes later zou de zaak door de rechter worden behandeld. De officier van justitie had bij verzoeker naar zijn schade geïnformeerd en zou op de zitting van de kinderrechter zijn verzoek om vergoeding daarvan "meenemen". Maar vervolgens duurde het nog ruim 8 maanden voordat het OM een definitieve beslissing nam over afhandeling van de zaak, met een tegenovergestelde strekking: geen strafvervolging en voor schadevergoeding moest verzoeker maar een civiele procedure aanspannen tegen de verdachte.

Tijdsverloop tot aan afhandeling strafzaak

Het vereiste van voortvarendheid houdt in dat overheidsinstanties snel en slagvaardig handelen.

Twee maal heeft het OM op het laatste moment voor een andere wijze van zaaksbehandeling gekozen. Kort voor de rechtszitting trok het OM de dagvaarding in. Een half jaar later besloot het OM pas tijdens een zitting waarop het zelf straffen wilde bepalen, dat strafvervolging niet de juiste aanpak was. De minister spreekt over onvoldoende efficiënte besluitvorming waardoor verzoeker laat werd geïnformeerd en vindt de klacht gegrond.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat het OM niet heeft gehandeld in overeenstemming met het vereiste van voortvarendheid en vindt de onderzochte gedraging op dit punt niet behoorlijk.

Positie van het slachtoffer in de uiteindelijke afdoeningsbeslissing

Het behoorlijkheidsvereiste van betrouwbaarheid gaat over "doen wat je zegt", over gewekte verwachtingen honoreren en afspraken nakomen. Op basis van wetgeving en (openbaar gemaakt) beleid van het OM mogen slachtoffers erop rekenen dat het OM hun belang bij schadevergoeding meeweegt bij behandeling van hun aangifte.

Het OM heeft deze boodschap in mei 2015 meteen aan verzoeker afgegeven, onder andere met de uitnodiging om schade op te geven voor de zitting bij de kinderrechter. Als verzoeker de brief van de officier van justitie uit november 2015 had ontvangen, dan had hij gelezen dat het vooruitzicht op een vergoeding nog altijd gunstig was. Er was weer een zitting gepland. Verzoeker mocht daar niet bij zijn, maar de officier van justitie zette zich in om de schadeclaim van verzoeker te betrekken in een strafvoorstel. Maar twee maanden later was de strafzaak afgesloten, verzoeker stond met lege handen en de officier van justitie verwees hem een voor vergoeding van schade naar de civiele procedure.

De Nationale ombudsman gaat niet in op de beslissing van de officier van justitie om niet te dagvaarden of een strafbeschikking op te leggen, maar af te zien van (verdere) vervolging.6 Hier gaat het om de inkleding van die beslissing: heeft het Openbaar Ministerie zijn taken richting het slachtoffer waargemaakt, zoals die bijvoorbeeld voortvloeien uit de Aanwijzing slachtofferzorg?7 Mogelijkheden daarvoor waren het verbinden van een voorwaarde (strekkend tot schadevergoeding) aan het sepot, of uitstel van de sepotbeslissing tot na succesvolle afronding van een Halt-traject inclusief schadebemiddeling.8 Er is niet gebleken van bijzondere redenen waarom het OM het

slachtoffer niet op deze manier heeft kunnen ondersteunen. Door in deze situatie een (afdwingbare) voorziening ten behoeve van verzoeker achterwege te laten, heeft het OM het vertrouwen van het slachtoffer beschaamd.

Op dit punt is de onderzochte gedraging niet behoorlijk wegens schending van het vereiste van betrouwbaarheid.

Overdracht van de zaak aan Bureau Halt

Ten tijde van de overdracht aan Bureau Halt lag informatie over verzoekers schade bij het parket in Amsterdam. Het ging om een schadeopgave die verzoeker op uitnodiging van het OM had aangeleverd. Het OM had hem in het vooruitzicht gesteld dat deze opgave zou worden betrokken bij de afhandeling van de strafzaak. Toen de zaak naar Bureau Halt ging, had de schadeopgave of andere stukken met informatie over de identiteit van het slachtoffer en diens schade niet mogen achterblijven op het parket. Waarom niet zelf de relevante informatie aanleveren, maar erop "vertrouwen" - zoals de minister schrijft - dat Bureau Halt wel bij het parket zal aankloppen als er iets in het dossier ontbreekt?

Het vereiste van goede organisatie houdt in dat de overheid er voor zorgt dat haar organisatie en haar administratie de dienstverlening aan de burger ten goede komt. Concreter: secuur werken, goede dossiervorming en snel herstellen van eventuele fouten. Op dit punt is het parket tekortgeschoten. Dat had het OM meteen moeten erkennen, in plaats van te blijven wijzen naar tekortkomingen bij Bureau Halt.

De gedraging van het parket is ook op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klachten over de onderzochte gedragingen van het arrondissementsparket te Amsterdam, welke gedragingen worden toegerekend aan de minister van Justitie en Veiligheid, zijn gegrond wegens strijd met de vereisten van voortvarendheid, betrouwbaarheid en goede organisatie.

Aanbeveling

Op de drie punten die hierboven zijn besproken, heeft het OM het laten afweten met als gevolgen voor verzoeker:

- lang wachten en uiteindelijk toch met lege handen staan, terwijl het OM de indruk had gegeven, dat het achter schadevergoeding aan zou gaan

- gefrustreerd en machteloos achterblijven, terwijl de dader ermee weg komt.

Hier heeft het OM iets goed te maken. In een geval als dit kan dat met geld.

De Nationale ombudsman geeft de minister van Justitie en Veiligheid in overweging om aan verzoeker een bedrag uit te betalen dat overeenkomt met wat verzoeker aan het OM had opgegeven als schade aan de snorfiets.

De Nationale ombudsman,
 

Reinier van Zutphen

Achtergrondinformatie

A. Wetboek van Strafrecht artikel 77e ( wettelijke basis van de Halt-afdoening)

"1. De opsporingsambtenaar die daartoe door de officier van justitie is aangewezen, kan na verkregen toestemming door de officier van justitie aan de verdachte voorstellen dat deze deelneemt aan een project. De deelneming strekt tot voorkoming van toezending van het opgemaakte proces-verbaal aan de officier van justitie. (…)

3. De officier van justitie geeft algemene aanwijzingen omtrent de wijze van afdoening ingevolge het eerste lid. Deze aanwijzingen betreffen in ieder geval:

  • a. de projecten en de categorieën van strafbare feiten die, gelet op de aard van deze projecten, in aanmerking komen voor deze wijze van afdoening;
  • b. de duur van de deelneming, afhankelijk van de aard van het strafbare feit en het project en
  • c. de wijze waarop de toestemming van de officier van justitie kan worden verkregen.

(…)

5. Indien de opsporingsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de verdachte naar behoren aan een project heeft deelgenomen, stelt hij de officier van justitie en de verdachte hiervan schriftelijk in kennis. Daarmee vervalt het recht tot strafvordering, behalve indien een bevel wordt gegeven als bedoeld in artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering. (…)".

  1. Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt

Rechtskarakter: Aanwijzing i.d.z.v. artikel 130, lid 4, Wet RO

Van: College van procureurs-generaal

Aan: Hoofden van de OM-onderdelen

Registratienummer: 2014R005

Datum inwerkingtreding: 01-04-2014

"4.2 Halt

De Halt-afdoening biedt de mogelijkheid om bij licht delictgedrag van jeugdigen, het kenmerkend grensoverschrijdend gedrag van pubers, wel een interventie toe te passen en recht te doen aan de gevolgen voor slachtoffers, zonder mogelijk negatieve gevolgen van registratie in justitiële documentatie.

Een Halt-afdoening bestaat uit één of meerdere gesprekken met de jeugdige en zijn ouder(s), het tenminste oefenen van excuus aanbieden aan het slachtoffer en het daadwerkelijk excuus aanbieden aan het slachtoffer of in voorkomende gevallen een herstelgesprek, het vergoeden van de door de jeugdige aangerichte schade en het uitvoeren van een leeropdracht en/of een werkopdracht. De duur van de deelname aan de Halt-afdoening is in elke combinatie maximaal 20 uren (…). Elke Halt-afdoening sluit zo veel mogelijk aan bij de aard van het desbetreffende strafbare feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd. De officier van justitie kan daartoe aanwijzingen geven.

(….)

5. OM-afdoening

Indien de officier van justitie een strafbeschikking wil uitvaardigen of een transactie wil aanbieden worden de verdachte en de ouders uitgenodigd voor een OM-zitting. Bij deze zitting worden het delict en de persoonlijke omstandigheden besproken. Er wordt een aanbod gedaan, waarbij voorwaarden kunnen worden gesteld bestaande uit het verrichten van een taakstraf, het betalen van eventuele schade of het voldoen aan andere voorwaarden. Door de officier van justitie kan jeugdreclasseringstoezicht voor de duur van 6 maanden worden opgelegd, vanaf 16 jaar kan eventueel reclasseringstoezicht worden opgelegd.

6. Normering doorlooptijden

Voor de onderscheiden trajecten in de jeugdstrafrechtsketen zijn normen vastgesteld voor de doorlooptijden. Dit zijn de zogenoemde Kalsbeek-normen.5 Op basis van de wettelijke termijnen, de noodzakelijke bewerkingstijd en de tijd die nodig is voor overleg en overdracht van de ene naar de andere instantie zijn streeftijden geformuleerd. Doelstelling is om 80% van de zaken binnen de gestelde termijnen af te handelen.

Politie/Halt

Tussen eerste verhoor door de politie en de ontvangst van de Halt-verwijzing (kerndeel PVM) door Halt geldt een maximale termijn van 7 dagen;

De doorlooptijd tussen ontvangst verwijzing en het startgesprek bij Halt is maximaal 30 dagen. Na de Halt-afdoening bericht Halt de politie binnen 7 dagen door middel van een afloopbericht. Bij een negatieve Halt-afdoening stuurt de politie binnen 14 dagen na ontvangst daarvan het PVM naar het OM.

Politie

Tussen eerste verhoor en ontvangst van het proces-verbaal op het parket geldt een maximale termijn van 30 dagen. (…)

Voor het bijvoegen van aangiften, verklaringen en overige documenten kan het nodig zijn een ruimere termijn te nemen, zolang de totale termijn niet de maximale termijn van 30 dagen overschrijdt. Zolang het PVM niet gecompleteerd is, loopt de doorlooptijd van de politie dóór.

Zaken die ten opzichte van het eerste verhoor ouder zijn dan 3 maanden, worden niet meer door het parket in behandeling genomen, anders dan na uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie.

OM

Tussen eerste verhoor en afdoeningsbeslissing door het OM geldt een maximale duur van 3 maanden ten behoeve van de OM-afdoening. Het gaat hierbij om de door het OM afgedane zaken (overdracht, sepot, strafbeschikking, transactie, voeging) die binnen 3 maanden na het eerste verhoor door de politie voor de eerste maal door het OM zijn beoordeeld. Aanbeveling voor het OM is om na ontvangst van het PVM te streven naar een eerste beoordeling binnen 40 dagen.

C. Aanwijzing slachtofferzorg (zoals deze luidde in 2016)

"1.1. sepot

Als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd, informeert het OM het slachtoffer schriftelijk over de reden van sepot, licht deze beslissing afdoende toe en wijst hem uitdrukkelijk op de mogelijkheid om een klacht ex artikel 12 Wetboek van strafvordering bij het gerechtshof in te dienen. Bij het nemen van een sepotbeslissing moeten de belangen van het slachtoffer uitdrukkelijk worden meegewogen."

noot 8: Het noemen van alleen de sepotcode is onvoldoende; toegelicht moet worden wat de sepotcode inhoudt en waarom deze sepotcode van toepassing is. In bepaalde gevoelige zaken dient een aanbod tot mondelinge toelichting te worden gedaan.

D. Informatie over het werkproces van Bureau Halt

Passages ontleend aan: Toetsingskader Halt van de IGZ (2015, gepubliceerd op www.igj.nl) blz 17-18

"Strafvoorstel

De Halt-medewerker dient een strafvoorstel voor te bereiden aan de hand van de delict- en achtergrondgegevens van de jongere. In dit strafvoorstel staat bijvoorbeeld het voorstel voor het aantal uren dat de werkopdracht zal bedragen. Jongeren en ouders dienen dit te ondertekenen, bij voorkeur in het startgesprek. Voor jongeren van 16 jaar of ouder geldt dat de ouder het strafvoorstel niet hoeft te ondertekenen. Een ondertekend exemplaar moet in het dossier worden bewaard.

De schaderegeling die wordt getroffen, dient in het strafvoorstel te staan.

Excuus aanbieden

De excuusopdracht is een verplicht onderdeel van de Halt-afdoening. De Halt-medewerker dient contact op te nemen met het slachtoffer van de jongere om na te gaan of deze bereid is persoonlijk het excuusgesprek te voeren, of - indien dit al is gebeurd - om de door de jongere gemaakte excuses te evalueren. (…)

De excuusopdracht dient te bestaan uit het schrijven van een excuusbrief, het voorbereiden en daadwerkelijk aanbieden van het excuus. (…)

Als de Halt-medewerker niet aanwezig was bij het aanbieden van het excuus, dient hij contact op te nemen met het slachtoffer om te horen hoe het verlopen is.

Schadevergoeding

Bij Halt-zaken is regelmatig sprake van schade voor het slachtoffer of de samenleving. Door middel van de schaderegeling biedt Halt de jongere de kans dit te herstellen. Een schaderegeling via Halt zal niet plaatsvinden wanneer het een civielrechtelijk gecompliceerde zaak betreft.(…).

Bij de voorbereiding van de Halt-afdoening dient de Halt-medewerker vast te stellen of er

mogelijk sprake is van schade en, zo ja, wie het/de slachtoffer(s) is/zijn. De medewerker dient contact op te nemen met het/de slachtoffer(s) van de jongere om tot een schaderegeling te komen. De medewerker stelt de schade vast en met jongere en slachtoffer de schadevergoedingsovereenkomst op. ( …)

Jongeren tot 14 jaar kunnen niet worden verplicht schade te vergoeden (artt 6:162 lid 1 en 6:164 BW). Bij deze jongeren dient Halt zich vanuit pedagogisch standpunt toch in te spannen tot een schaderegeling in overleg met het slachtoffer en de ouder. Een schaderegeling maakt dan echter geen deel uit van het strafvoorstel."

Notes

[←1]

"Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt". Bij de geciteerde passage wordt in een voetnoot verwezen naar de Aanwijzing slachtofferzorg, die ook in jeugdzaken van belang is. Relevante passages uit deze Richtlijn en Aanwijzing zijn opgenomen aan het slot van dit rapport.

[←2]

Aan het slot van dit rapport is informatie opgenomen over de Halt-afdoening

[←3]

Over de berekening van dit bedrag staat hierna iets meer aan het slot van de tekst onder het kopje "Standpunt minister (…) "

[←4]

Dit betekent dat verzoeker, om het aangeboden bedrag uitbetaald krijgen, ervoor moest tekenen dat hij bij de (rijks)overheid geen aanspraak zal maken op meer geld.

[←5]

In sommige situaties wordt een verdachte gehoord voordat de officier van justitie overgaat tot vaststelling van een strafbeschikking waarbij de officier straf oplegt aan een verdachte.

[←6]

Het slachtoffer kan deze beslissing laten toetsen door het gerechtshof (artikel 12 Sv). Omdat deze weg open stond, is de Nationale ombudsman niet bevoegd om een klacht hierover te behandelen.

[←7]

Zie blz. 2 van dit rapport.

[←8]

Dat laatste is de crux van de Halt-afdoening; de jeugdige verdachte krijgt de kans buiten het strafrechtelijke traject te blijven, mits hij de Halt-straf goed uitvoert. Zie de achtergrondinformatie aan het slot van dit rapport.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2018/024