2016/113 Een moeilijke beslissing met veel impact

Medewerkers van Samen Veilig Midden-Nederland (Save) halen samen met de politie Oost-Nederland drie kinderen uit het huis van ene gescheiden vader. Het is vakantie en de vader heeft eerder bij de crisisdienst van Save aangegeven dat het drieweken durende verblijf van de kinderen hem veel financiële zorgen geeft en hij geen geld meer heeft voor eten voor de kinderen. De ombudsman kan niet, gezien voorgeschiedenis en context, met zekerheid stellen of het onnodig ingrijpend is geweest om de kinderen uit huis te halen. Wel vindt hij dat de politie de klacht niet behoorlijk heeft behandeld.

Instantie: Samen Veilig Midden-Nederland

Klacht:

wijze waarop op 28 juli 2015 is gehandeld in verband met de zorgen om verzoekers kinderen

Oordeel: geen oordeel

Instantie: Politie-eenheid Oost-Nederland

Klacht:

wijze waarop de politie assistentie heeft verleend aan Samen Veilig Midden-Nederland

Oordeel: geen oordeel

Instantie: Politie-eenheid Oost-Nederland

Klacht:

wijze waarop met verzoekers klacht is omgesprongen

Oordeel: gegrond

Kinderen, die onder toezicht staan van Samen Veilig Midden Nederland (Save), zijn voor de vakantie een paar weken bij hun vader. De vader had financiële problemen en informeerde Save dat hij niet genoeg geld had om voor de kinderen te zorgen en gaf aan dat dit de nodige stress en spanning bij hem thuis met zich meebracht.

Save maakte zich hierdoor zorgen om de kinderen en heeft uiteindelijk besloten de kinderen onder begeleiding van de politie thuis bij vader op te halen en naar hun moeder te brengen.

De vader klaagt over de wijze waarop Save en de politie die dag hebben gehandeld.

De ombudsman constateert dat er bij Save ernstige zorgen waren om de kinderen. Die zorgen bestonden uit het vermoeden dat er niet genoeg eten was, dat er signalen waren dat de kinderen bij vader weg wilden en dat onduidelijk was in wat voor toestand de man verkeerde. Save had het vermoeden dat de vader agressief kon worden. De ombudsman vindt, gelet op de voorgeschiedenis, dat er voldoende reden voor Save was om aandacht te besteden aan de noodkreten van de man. Dat deze aandacht eruit bestond om naar de man toe te gaan is zeer begrijpelijk en passend/getuigt van professionaliteit.

Het is de ombudsman echter niet duidelijk geworden waarom Save eerst van plan was om de politie een kijkje te laten nemen, maar later heeft besloten om de kinderen die avond met assistentie van de politie op te halen.

In het onderzoek is onvoldoende helder geworden wat er die middag is gecommuniceerd en wat er die avond precies is gezegd en gedaan, Zodoende kan de ombudsman zich niet met zekerheid uitlaten over de vraag of het onnodig ingrijpend is geweest dat Save die avond de kinderen bij hun vader heeft opgehaald en uit voorzorg de politie had ingeschakeld.

De Nationale ombudsman onthoudt zich van een oordeel over de handelwijze van Save en van de politie.

Wel merkt de ombudsman op dat de politie zeer grote waarde mag hechten aan de inschatting die Save maakte en dat de politie zelf geen machtiging binnentreden hoeft te hebben als de politie in het kielzog van Save mee naar binnengaat en Save toestemming had om de woning van de man binnen te gaan.

De ombudsman constateert dat de politiemedewerkers kennelijk in uniform aanwezig waren. Dit acht hij niet kindvriendelijk. Met dit rapport vraagt de Nationale ombudsman dan ook opnieuw aandacht voor een kindvriendelijke invulling van het optreden door de politie.

De ombudsman vindt de wijze van klachtbehandeling door de politie in strijd met het beginsel van fair play.

Wat is er gebeurd?

Drie kinderen van 5, 8 en 10 jaar oud zijn voor de vakantie bij hun vader thuis. Ze staan sinds 2011 onder toezicht van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: Save).

Verzoeker, die een bijstandsuitkering heeft, had er financieel moeite mee dat zijn kinderen drie aaneengesloten weken bij hem zouden zijn. Hij informeerde Save dat hij niet genoeg geld had om voor de kinderen te zorgen en gaf aan dat dit de nodige stress en spanning bij hem thuis met zich meebracht.

Save maakte zich hierdoor zorgen om de kinderen en heeft uiteindelijk besloten de kinderen op 28 juli 2015 en desgevraagd onder begeleiding van de politie bij verzoeker thuis op te halen en naar hun moeder te brengen.

Wat ging er aan vooraf?

Verzoeker en zijn ex-echtgenote zijn ongeveer vier jaar geleden gescheiden. Zij hebben samen het ouderlijk gezag. De kinderen wonen bij zijn ex-echtgenote en zijn om het weekend bij verzoeker. In de vakanties zijn de kinderen afwisselend bij een van beiden. Voor de regeling van de zomervakantie van 2015 konden verzoeker en zijn
ex-echtgenote het niet eens worden. Om die reden had Save op 3 juli 2015 een schriftelijke aanwijzing gegeven dat de kinderen de eerste en laatste twee weken van de zomervakantie bij zijn ex-echtgenote zouden zijn en de tussenliggende drie weken bij verzoeker. Verzoeker was het hier niet mee eens, omdat hij maar 40 euro had voor drie weken, en heeft de rechter gevraagd de aanwijzing vervallen te laten verklaren. De kinderrechter had op donderdag 23 juli 2015 zijn verzoek afgewezen. De kinderen waren toen al bij verzoeker. Verzoeker werd over de beslissing van de rechter die middag telefonisch geïnformeerd door een medewerker van Save. Deze medewerker verving in verband met vakantie de gezinswerker. De verbinding werd plots verbroken en daarna lukte het verzoeker niet meer deze medewerker te spreken.

De volgende dag, begin van de vrijdagavond, belde verzoeker met Save en kreeg de crisis/telefoondienst (CBK: Crisisdienst Buiten Kantooruren) aan de lijn. Hij gaf aan dat hij geen geld meer had voor eten voor de kinderen. De crisisdienst overlegde met de gedragswetenschapper, ondernam geen actie richting verzoeker, maar gaf het door aan het Save-team met het verzoek om dit die maandag na het weekend met spoed op te pakken.

Op dinsdag 28 juli 2015 stuurde verzoeker een e-mail naar Save. Daarin schreef hij dat hij zich voor het blok gezet voelde, eerst door zijn ex-echtgenote en later door Save. Hij had zijn ex-echtgenote, Save en de kinderrechter uitvoerig geïnformeerd over zijn financiële situatie. Hij had gehoopt dat de kinderrechter in het belang van de kinderen anders had beslist. Hij was niet in staat om boodschappen te doen en had vrijdag pas weer een klein beetje geld. Hij lag veel op bed omdat hij al dagen niets had kunnen eten en een van de kinderen had buikpijn. Het eten en geld was op en hij wist niet hoe het verder moest. Save had niks van zich laten horen na zijn telefoontje van vrijdagmiddag. Hij vroeg zich af hoe Save deze situatie kon toestaan.

Die dinsdag is er telefonisch contact geweest tussen verzoeker en een medewerker van Save. In de loop van de middag verzocht Save de politie, in verband met de zorgen om de kinderen, om rond acht uur die avond een kijkje te nemen bij verzoeker thuis. Diezelfde middag besloot Save vervolgens om de kinderen die avond weg te halen bij verzoeker. Save heeft hierover contact opgenomen met de politie voor assistentie. Die avond zijn twee medewerkers van Save samen met medewerkers van de politie naar de woning van verzoeker gegaan. Save heeft de drie kinderen meegenomen.

Wat was de oorspronkelijke klacht bij save?

Verzoeker klaagde er bij Save over dat Save onzorgvuldig heeft gehandeld bij het uit huis halen van zijn kinderen. Hij heeft dit als zeer heftig ervaren en meende dat de zaak onnodig was geëscaleerd.

De klachtencommissie oordeelde dat verzoeker onvoldoende had kunnen onderbouwen dat Save bij het uit huis halen van de kinderen onzorgvuldig had gehandeld. Er waren meerdere redenen tot serieuze zorgen om de kinderen, waaronder de mails en telefonische meldingen van verzoeker zelf. Volgens de klachtencommissie had verzoeker een dramatische situatie geschetst die Save niet kon negeren. De commissie vond dat achteraf duidelijk naar voren is gekomen dat verzoeker had kunnen concluderen en ook geconcludeerd had dat de gedragswetenschapper die middag naar hem onderweg was. Voorts was begrijpelijk dat de Save-medewerkers zich nog meer zorgen maakten toen verzoeker niet thuis was. Naar het oordeel van de commissie had Save voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van de politie uit preventief oogpunt gepast was.

WAT WAS DE OORSPRONKELIJKE KLACHT BIJ de politie?

Verzoeker had ook aangifte bij de politie gedaan en daar een klacht ingediend omdat hij het niet eens was met het ophalen van zijn kinderen. Volgens hem waren ze meegenomen omdat verzoeker uitspraken had gedaan over zijn moeilijke financiële situatie.

Hoe reageerde de politie op de klacht van verzoeker?

De klachtencoördinator liet weten dat hij verzoekers brief niet als klacht in behandeling nam omdat hij de door verzoeker bedoelde gedragingen niet klachtwaardig vond dan wel deze gedragingen van onvoldoende gewicht zijn. Hij schreef dit bij brief van
22 september 2015 en voegde daaraan toe:

"Het feit dat de politie op verzoek van Bureau Samen Veilig uit voorzorg aanwezig is geweest bij het ophalen van uw kinderen door medewerkers van genoemd bureau, is niet ongebruikelijk en past ook geheel binnen de taakstelling en bevoegdheden van politiemedewerkers."

Wat was de aanleiding voor de klachten bij de Nationale ombudsman?

Verzoeker was niet tevreden met de reacties van de klachtencommissie en van de politie en nam Save en de politie kwalijk dat zij zijn kinderen bij hem hebben weggehaald.

Verzoeker wendde zich daarom tot de Nationale ombudsman en stelde dat hij een bezorgde vader was en de situatie wat had aangedikt om (financiële) hulp te kunnen krijgen. Hij klaagde erover dat het weghalen van de kinderen onnodig en traumatisch is geweest voor hem en zijn kinderen. Hij gaf aan dat de kinderen radicaal met veel machtsvertoon zijn meegenomen en dat er niet is gekeken hoe het met de kinderen ging en of er voldoende eten in huis was voor de kinderen. Achteraf bleek hem pas dat Save die middag was langs geweest en hem niet thuis had aangetroffen. Verzoeker vroeg zich af waarom Save hem dan niet op zijn mobiel had gebeld of een berichtje had gestuurd.

Verzoeker vroeg zich af of het op 28 juli 2015 niet anders had gekund. Had de politie niet kunnen wachten in de auto op straat of in burger kunnen komen? Hij gaf aan dat als de politie er bijvoorbeeld voor had gekozen om niet in uniform mee te gaan, óf niet met drie man mee naar binnen te gaan in zijn woning dan wel buiten had gewacht, de traumatische gevolgen voor hem en zijn kinderen een stuk minder zouden zijn geweest. Op 28 juli 2015 werden zij plotseling, en naar zijn mening zonder enige noodzaak, geconfronteerd met het in zijn woning binnentreden van twee voor een ieder onbekende medewerkers van Save en drie geüniformeerde en daarmee dus ook zichtbaar bewapende politieambtenaren die aangaven dat de kinderen direct met hen mee moesten gaan.

Verzoeker vond ook dat hij bij de klachtencommissie niet voldoende gelegenheid had gehad om aan te tonen dat hij Save die dinsdagmiddag 28 juli 2015 duidelijk had gemaakt dat de urgentie van de gewenste hulp door Save was verdwenen. Hij had door verkoop van wat spullen weer wat geld.

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

De Nationale ombudsman heeft de klachten als volgt geformuleerd:

Verzoeker klaagt over de wijze waarop Samen Veilig heeft gehandeld op 28 juli 2015 in verband met de zorgen om zijn kinderen.

Voorts klaagt verzoeker over de wijze waarop de politie die dag assistentie heeft verleend aan Samen Veilig.

Uit eigen beweging onderzoekt de Nationale ombudsman tevens de wijze waarop de politie de klacht van verzoeker hierover heeft behandeld.

Ook stelde de Nationale ombudsman vragen aan zowel Save als de politie betrekking hebbend op de grondslag, de bevoegdheid, de afwegingen en de wijze waarop het op 28 juli 2015 was gegaan.

VISIE SAVE

Save had op 28 juli 2015 berichten ontvangen dat verzoeker niet in de basale behoeften van de kinderen kon voorzien, dat hij veel op bed lag, dat een van de kinderen buikpijn had van ongezond eten, dat er veel stress en spanningen bij de kinderen was en dat de kinderen het niet gezellig hadden en naar de ex-echtgenote van verzoeker wilden.

Op basis van deze signalen wilde Save een inschatting maken van de situatie en de kinderen spreken. Naar aanleiding van het verzoek van verzoeker om met een voedselpakket te komen, besloot Save dat de gedragswetenschapper en de Save-medewerker naar verzoeker zouden gaan om samen met hem en de kinderen inkopen te gaan doen en met de kinderen te bespreken hoe ze de laatste anderhalve week gezellig konden doorbrengen.

Volgens Save leek verzoeker toen hij door de gedragswetenschapper gebeld werd, aanvankelijk aangenaam verrast, maar toen Save vervolgens aangaf dat zij met twee personen zouden komen, gaf verzoeker nogmaals aan dat de gedragswetenschapper wel, maar de Save-medewerker niet welkom was. Naar de mening van Save was verzoeker hierin erg vasthoudend. Wat hiervan de reden was, werd de gedragswetenschapper niet duidelijk. Save heeft verzoeker meerdere keren verteld dat hij niet in het belang van de kinderen dacht en handelde, en dat Save juist wilde dat hij eten kreeg en dat er ook nog leuke dingen gedaan konden worden.

Toen bij aankomst bij de woning van verzoeker Save niemand thuis trof, kon Save geen inschatting maken van de situatie en evenmin de kinderen spreken. Save heeft geprobeerd contact te krijgen en heeft ook nog bij buren aangebeld, maar nergens was iemand thuis. Terug op kantoor is de stand van zaken besproken en is het besluit genomen om de omgang bij vader af te breken.

Save besloot om die avond terug te gaan naar verzoeker om de kinderen op te gaan halen. Omdat Save verwachtte dat verzoeker niet zou meewerken en niet zou toestaan dat de kinderen naar hun moeder zouden worden gebracht vroeg Save de politie om assistentie. Save had tijdens het uitvoeren van de ondertoezichtstelling de laatste jaren, waarin naar de mening van Save de strijd tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote verhardde, ervaren dat verzoeker zich verwarrend kon uitlaten en fictie als feit kon presenteren. Voor Save was het lastig om een inschatting te maken van de psychische gesteldheid van verzoeker. Volgens Save had hij in het telefonische contact die middag herhaaldelijk gerefereerd aan het feit dat hij vaders die hun kinderen en zichzelf wat aan doen wel begreep, omdat Save en de rechtbank zo'n domme beslissing hadden genomen.

Desgevraagd lichtte Save aan de Nationale ombudsman toe dat het besluit om de kinderen naar de moeder te brengen reeds was genomen op het moment dat Save 's avonds bij verzoeker arriveerde, nadat zij die middag tevergeefs aan de deur bij verzoeker hadden gestaan. De gang van zaken die dag alsmede de aanloop daar naartoe waarin verzoeker volgens Save zich in toenemende mate niet betrouwbaar toonde in uitspraken en samenwerking vormde voor Save geen basis om 's avonds pas ter plekke de afweging te maken.

Save gaf aan dat verzoeker het niet eens was met het ophalen van de kinderen en dat hij emotioneel en boos reageerde toen hem verteld werd dat de kinderen terug naar moeder moesten. Ook de kinderen huilden en reageerden emotioneel. Volgens Save belastte hij zijn kinderen bovendien met de uitspraak dat Save de kinderen van hem afpakte en dat hij ze nooit meer zou zien.

Desgevraagd gaf Save aan bijstand van de politie te vragen in situaties waarin zij kinderen moet meenemen, terwijl te voorzien is dat de ouder hieraan niet zal meewerken. Bij een dergelijke ingreep wil Save doeltreffend kunnen optreden. De op de achtergrond aanwezige politie zorgt er mede voor dat de ingreep van Save meer kans van slagen heeft en werkt dikwijls preventief in het voorkomen van verbale en/of fysieke agressie. Het voorkomen van verbale en/of fysieke agressie is in het belang van een ieder en zeker in het belang van de kinderen, omdat het toch al gaat om een ingrijpende en indrukwekkende gebeurtenis, aldus Save. Redenen om in dit geval in te grijpen waren gelegen in het feit dat er zorgen waren over de kinderen en dat verzoeker niet meewerkte in het zoeken naar een oplossing. Hij had de kinderen volgens Save in een stresssituatie gebracht door snel met de kinderen weg te gaan toen hij wist dat Save onderweg was. Er was sprake van onvoldoende basiszorg, verzoeker bood geen inzicht in de situatie, accepteerde geen hulp of samenwerking en daarom kon Save de veiligheid van de kinderen die avond/nacht onvoldoende borgen. Save heeft bijstand van de politie op 28 juli 2015 helaas noodzakelijk geacht omdat zij die avond/nacht de veiligheid van de kinderen niet konden borgen.

Achteraf is Save van mening dat verzoeker op verschillende momenten moedwillig zorgen heeft geuit over de situatie van de kinderen die er niet waren. Volgens Save heeft hij er niet voor gekozen om Save op enig moment duidelijk te maken dat zijn verhaal niet klopte. Save achtte het, mede gelet op de hiervoor omschreven context, noodzakelijk om op 28 juli 2015 per direct in te grijpen om de veiligheid van de kinderen te kunnen waarborgen.

Visie politie

De politie heeft op uitdrukkelijk verzoek van Save geassisteerd bij het ophalen van de kinderen van verzoeker. De betrokken politiemedewerkers waren door Savemedewerkers die dag geïnformeerd over de situatie.

Uit deze informatie maakte de politie op dat de feiten en omstandigheden als zorgelijk konden worden aangemerkt en dat een eventuele escalatie niet kon worden uitgesloten. Gelet op de informatie die de politiemedewerkers tot hun beschikking hadden en het uitdrukkelijke en onderbouwd verzoek van Save is de assistentie verleend aan de medewerkers van Save. Drie politiemedewerkers – waaronder een leidinggevende, tevens hulpofficier van justitie – zijn samen met de medewerkers van Save naar de woning van verzoeker gegaan. Aangekomen bij de woning heeft verzoeker de medewerkers van Save en één politiemedewerker toegelaten in de woning. Er was verwarring en verzoeker was boos op Save dat hij niet gebeld was toen Save die middag voor een dichte deur stond.

De politie gaf aan dat verzoeker meewerkend was, maar erg emotioneel. Zijn boosheid was op dat moment uitsluitend gericht op de medewerkers van Save. De rol van de aanwezige politiemedewerkers is beperkt gebleven tot aanwezigheid in/bij de woning. Verdere acties zijn er door politiemedewerkers niet genomen, aldus de politie.

De politie was die avond van mening dat er bij afwijzing van het verzoek onnodige risico's zouden worden genomen en dat de politie dan in haar hulpverlenende taak tekort zou zijn geschoten. Voor de politiemedewerkers is het duidelijk dat de assistentie van de politie grote impact zou hebben op verzoeker en zijn kinderen. De politie heeft dat aspect dan ook betrokken in de afweging op welke wijze de ondersteuning vorm zou worden gegeven, aldus de politie. Zoals uit het hulpvraagverzoek van Save bleek, was er sprake van een zorgelijke situatie en was uitstel van handelen dan wel kiezen voor een andere aanpak volgens de politie niet aan de orde. Het is voor de politie in het algemeen niet ongebruikelijk om te reageren op hulpvraagverzoeken, zoals de onderhavige.

De politie gaf aan dat hulpvraagverzoeken zorgvuldig worden beoordeeld en indien nodig wordt overlegd met de leidinggevende. In deze zaak is geen afzonderlijk onderzoek verricht naar de bevoegdheid dan wel de betrouwbaarheid van de betrokken medewerkers van Save. Vanuit de ervaring en kennis is door de betrokken politiemedewerkers een inschatting gemaakt. Er was daarbij geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verzoek en/of medewerkers van Save. Dergelijke hulpvragen worden door de politie zelfstandig beoordeeld en daarover vindt geen voorafgaand overleg/afstemming plaats met het bevoegde gezag.

Desgevraagd gaf de politie aan dat zij ingevolge artikel 3 Politiewet 2012 tot taak heeft om in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Ten aanzien van de wijze van klachtbehandeling

De politie heeft het handelen van de politiemedewerkers niet als klachtwaardig bestempeld. Zij is van mening dat de medewerkers correct hebben opgetreden en ook daarna. Naar aanleiding van het voorval had verzoeker de volgende dag contact gezocht met de wijkagent. Deze heeft hem bezocht en hem uitleg gegeven over de rol van de politie in deze kwestie. Tevens heeft de wijkagent een aantal zaken tot tevredenheid van klager uitgezocht, aldus de politie.

De beslissing om de klacht niet in behandeling te nemen impliceert volgens de politie niet dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden. De klachtonderdelen van de aanwezigheid en de vermeende onvermurwbaarheid van de politiemedewerkers is wel degelijk onderzocht. De uitkomst daarvan is verwoord in de brief van 22 september 2015. Deze brief dient volgens de politie dan ook gezien te worden als de beslissing op de klacht. De omschrijving in de brief mag dan als summier worden aangemerkt, maar geeft naar de mening van de politie wel duidelijk weer hoe het handelen van de politiemedewerkers is beoordeeld. Door het niet verder in behandeling nemen van een ingediende klacht werd de interne klachtprocedure beëindigd, aldus de politie.

Visie Verzoeker

Verzoeker heeft Save niet gevraagd om boodschappen te doen of voedsel mee te nemen; dit had Save zelf aangeboden. Ook heeft verzoeker niet gezegd dat hij vaders die hun kinderen en zichzelf wat aan doen wel begreep. Hij heeft tegen Save gezegd dat Save sommige vaders moedwillig met hun rug tegen de muur zette.

Verzoeker betwist dat Save die middag bij hem thuis aan de deur is geweest omdat Save die avond volgens verzoeker eerst voor een andere deur heeft gestaan. Verzoeker is van mening dat Save geen moeite heeft gedaan om hem die middag te bereiken.

Volgens verzoeker had hij Save die middag telefonisch meegedeeld dat hij het wel redde met het eten die avond en was Save er zodoende aan het eind van de middag van op de hoogte dat er die avond geen acute geldzorgen meer bij hem waren.

Ook heeft Save niet bij hem geverifieerd of hij zou toestaan dat de kinderen naar hun moeder zouden worden gebracht.

Voorts zijn er volgens verzoeker die avond drie politieagenten (waaronder een hulpofficier van justitie) zonder machtiging tot binnentreden en tegen de door verzoeker getoonde rechterlijke uitspraak in bij verzoeker thuis binnen geweest.

Ten slotte gaf verzoeker aan dat Save die avond niets tegen hem heeft gezegd en dat de drie politieagenten het woord voerden en zodoende niet op de achtergrond aanwezig waren.

Samenvattend gaf verzoeker aan dat hij weliswaar wat te zwaar had aangedikt dat het niet goed ging met hem en zijn kinderen, maar hij had daarna wel duidelijk gemaakt dat de geldzorgen er niet meer waren. Zowel Save als politie hadden die avond kunnen constateren dat het goed ging met de kinderen. Verzoeker achtte het optreden van Save en de politie buitenproportioneel en vindt de gevolgen voor hem en zijn kinderen ridicuul.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Ten aanzien van de handelwijze van Save

Het evenredigheidsvereiste houdt in dat de overheid een middel kiest om haar doel te bereiken dat niet onnodig ingrijpt in het leven van de burger en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel Dit vereiste geldt ook voor instanties die overheidstaken verrichten, zoals Save.

Op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dienen bij alle maatregelen betreffende kinderen hun belangen een eerste overweging te zijn. Om deze belangen in kaart te brengen dient onder andere stil gestaan te worden bij de mening van het kind (artikel 12 IVRK), de veiligheid en bescherming van het kind (artikel 3 en 19 IVRK) en het recht op ontwikkeling (artikel 6 IVRK). Ook is er het recht van kinderen om bij hun ouders op te groeien en in geval van scheiding contact met hen te onderhouden, tenzij dit niet in het belang van het kind is (artikel 9 IVRK) en het recht op een toereikende levensstandaard (artikel 27 IVRK). Als de belangen van de kinderen duidelijk zijn, kan vervolgens bepaald worden welke beslissing in het belang van het kind is en wat de minst belastende of ingrijpende beslissing is.

Het evenredigheidsvereiste gecombineerd met het IVRK houdt in dat Save alleen de kinderen meeneemt uit het huis van een ouder die het gezag heeft en bij wie de kinderen op grond van een zorgregeling verblijven als er op basis van een zorgvuldige afweging voldoende aanwijzingen zijn dat dit de belangen van het kind het beste dient (omdat de veiligheid van de kinderen in het geding is). Save vraagt hierbij, als daarvoor voldoende aanleiding bestaat, om assistentie van de politie.

De Nationale ombudsman constateert dat er bij Save ernstige zorgen waren om de kinderen. Die zorgen bestonden uit het vermoeden dat er niet genoeg eten was, dat er signalen waren dat de kinderen bij verzoeker weg wilden en dat de toestand van verzoeker voor Save gissen was. Save had het vermoeden dat verzoeker agressief kon worden. De Nationale ombudsman vindt, gelet op de voorgeschiedenis, dat er voldoende reden voor Save was om aandacht te besteden aan de noodkreten van verzoeker.

Dat deze aandacht eruit bestond om naar verzoeker toe te gaan is zeer begrijpelijk en passend/getuigt van professionaliteit. Tevens constateert de Nationale ombudsman dat Save-medewerkers noch verzoeker wisten wat ze die avond konden verwachten. De twee gezinswerkers die het gezin kenden waren beiden met vakantie en de gedragswetenschapper had die dag korte telefoongesprekken met verzoeker waarbij de nodige ruis in de communicatie was ontstaan. Het is de Nationale ombudsman niet duidelijk geworden waarom Save zijn koers heeft gewijzigd nadat Save verzoeker die middag niet thuis had aangetroffen. Eerst was Save van plan om met verzoeker en kinderen boodschappen te gaan doen en de situatie te peilen. Vervolgens is Save van plan om de politie een kijkje te laten nemen. Uiteindelijk beslissen meerdere Save-medewerkers aan het begin van de avond om de kinderen op te halen en schakelen zij uit voorzorg de politie in.

De vraag rijst of dit middel niet onnodig ingrijpend is geweest voor met name de kinderen. Voor een antwoord hierop zijn de voorgeschiedenis, de context waarbinnen de gedraging heeft plaatsgevonden, de exacte bewoordingen die toen gebruikt zijn, alsmede de intonatie waarop dingen zijn gezegd van onmiskenbaar belang.

De Nationale ombudsman moet helaas constateren dat wat er die middag op 28 juli 2015 (telefonisch) is gecommuniceerd en wat er die avond precies is gezegd en gedaan, gedurende het onderzoek niet voldoende helder is geworden. Zodoende kan de Nationale ombudsman zich niet met zekerheid uitlaten over de vraag of het onnodig ingrijpend is geweest dat Save die avond de kinderen bij verzoeker heeft opgehaald en uit voorzorg de politie had ingeschakeld. De Nationale ombudsman onthoudt zich op dit klachtonderdeel dan ook van een oordeel.

Ten aanzien van de handelwijze van de politie

De Nationale ombudsman constateert dat de politie uit voorzorg naar het huis van verzoeker is gekomen. De politie heeft de grondslag en de bevoegdheid van het verzoek van Save niet gecheckt en heeft vertrouwd op Save dat zij dit mocht doen en verleende om die reden Save assistentie.

Aangezien de ombudsman niet kan beoordelen of Save de kinderen mocht ophalen, kan de ombudsman zich ook niet uitlaten over de vraag of de politie hierbij assistentie had mogen verlenen.

De Nationale ombudsman onthoudt zich dan ook van een oordeel op dit klachtonderdeel over de politie.

Wel merkt de Nationale ombudsman op dat de politie zeer grote waarde mag hechten aan de inschatting die Save maakte en dat de politie zelf geen machtiging binnentreden hoeft te hebben als de politie in het kielzog van Save mee naar binnengaat en Save toestemming had om de woning binnen te gaan.

De Nationale ombudsman constateert dat de politiemedewerkers kennelijk in uniform aanwezig waren. Dit acht hij niet kindvriendelijk. Met dit rapport vraagt de Nationale ombudsman dan ook opnieuw aandacht voor een kindvriendelijke invulling van het optreden door de politie. Eerder heeft de Kinderombudsman (rapport KOM006/2015) de politie aangeraden om bij een uithuisplaatsing van een kind niet-geüniformeerde medewerkers te betrekken. Ook hebben de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman in hun gezamenlijke rapport "Veiligheid voorop - de rol van de politie bij omgangsregelingen" (2015/096) hiervoor aandacht gevraagd.

Ten aanzien van het niet in behandeling nemen van de klacht door de politie

Het beginsel van fair play houdt voor overheidsinstanties in dat zij burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten. De overheid zorgt daarbij voor een eerlijke gang van zaken. Dit houdt in dat de politie klachten in behandeling neemt, en de klager gelegenheid geeft om zijn visie naar voren te brengen tenzij er een goede (wettelijke) grond is om dat niet te doen.

In hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn regels neergelegd voor de klachtbehandeling door bestuursorganen. De klachtencoördinator van de politie heeft de klacht niet in behandeling genomen omdat hij de gedraging niet klachtwaardig/van onvoldoende gewicht achtte. De Nationale ombudsman mist een deugdelijk gemotiveerde beslissing van/namens een bevoegde functionaris waarom en welke uitzondering op de plicht tot klachtbehandeling, als bedoeld in artikel 9:8 van de Awb hier van toepassing is.De Nationale ombudsman acht het van groot belang dat een bestuursorgaan niet te lichtvaardig besluit om van klachtbehandeling af te zien.

In het kader van het onderzoek door de Nationale ombudsman heeft de politiechef een andere insteek gekozen, die met het voorgaande niet (goed) te rijmen valt: naar aanleiding van de klacht is er wel intern onderzoek gedaan naar de desbetreffende politiemedewerkers en daaruit is gekomen dat deze correct hebben gehandeld. Hiermee is niet voldaan aan de vereisten van klachtbehandeling van de Awb en de Uitvoeringsregeling klachtbehandeling. De Nationale ombudsman acht het van groot belang dat een burger in het kader van klachtbehandeling in de gelegenheid wordt gesteld om zijn klacht toe te lichten. De toelichting van verzoeker zou mogelijk nieuwe informatie hebben opgeleverd, waardoor de klacht wel van voldoende gewicht zou zijn geweest en in behandeling zou zijn genomen.

Nu de klacht kennelijk wel intern tot een onderzoek heeft geleid, maar verzoeker geen gelegenheid heeft gehad om zijn klacht verder toe te lichten, heeft de politie gehandeld in strijd met het beginsel van fair play.

De wijze van klachtbehandeling is niet behoorlijk.

Conclusie

De Nationale ombudsman onthoudt zich van een oordeel ten aanzien van de klacht over de onderzochte gedraging van:

- Samen Veilig Midden-Nederland;

- de politie-eenheid Oost-Nederland, die wordt toegerekend aan de politiechef van die eenheid, voor zover het betreft het assistentie verlenen aan Save.

Voorts is de klacht over de wijze waarop met verzoekers klacht is omgesprongen, gedragingen die worden toegerekend aan de politiechef van politie-eenheid
Oost-Nederland, gegrond wegens strijd met vereiste van fair play.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

ACHTERGROND/BIJLAGEN

Brief van de klachtencoördinator van politie Oost-Nederland van 22 september 2015:

"Op 14 september 2015 heb ik via de politie eenheid Midden-Nederland uw brief ontvangen waarin u onder andere klaagt over het optreden van medewerkers van de politie eenheid Oost-Nederland naar aanleiding van het bezoek op 28 juli jl. te (…).

Ik heb kennis genomen van de inhoud van uw brief en de bijgevoegde documenten en deze vervolgens getoetst aan de Algemene wet bestuursrecht en de Uitvoeringsregeling klachtbehandeling politie. Op grond van deze stukken alsmede de relevante verslaglegging in het geautomatiseerde systeem van de politie, stel ik vooralsnog vast dat de door u bedoelde gedragingen niet als klachtwaardig worden aangemerkt dan wel van onvoldoende gewicht zijn. Derhalve neem ik uw brief niet als klacht in behandeling.

Het feit dat de politie op verzoek van Bureau Samen Veilig uit voorzorg aanwezig is geweest bij het ophalen van uw kinderen door medewerkers van genoemd bureau, is niet ongebruikelijk en past ook geheel binnen de taakstelling en bevoegdheden van politiemedewerkers.

Indien u het niet eens bent met mijn beslissing attendeer ik u op de mogelijkheid om uw klacht voorleggen aan de Nationale ombudsman (www.nationaleombudsman.nl).

In dat geval adviseer ik u vooraf telefonisch contact op te nemen met de Nationale ombudsman via het gratis telefoonnummer 0800-335 55 55.

Ik vertrouw erop u met het bovenstaande voldoende te hebben geïnformeerd

Met vriendelijke groet,

Eenheid Oost-Nederland

(…)

Klachtencoördinator."

Rapport Nationale ombudsman en Kinderombudsman "Veiligheid voorop" 2015/096 over de rol van de politie bij problemen bij de nakoming van een omgangsregeling tussen ouders en kind(eren)

5.2.1 Politieoptreden als de veiligheid in het geding is

Uit dit onderzoek is gebleken dat er binnen de politie verschillende meningen bestaan over de vraag of, en zo ja wanneer optreden van de politie aangewezen is. Waar de een van mening is dat de politie ver bij omgangsproblemen vandaan moet blijven, is een ander van mening dat de taak van de politie zo ver gaat om omgang op het politiebureau plaats te laten vinden. De meesten zijn van mening dat de politie in ieder geval moet optreden als de veiligheid in het geding is.

 Vanuit de behoorlijkheid bezien en in lijn met de kinderrechten, stellen de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman voorop dat politieoptreden bij problemen bij de omgang noodzakelijk is als de veiligheid van de kinderen en/of van andere betrokkenen in het geding is. Bij dit politieoptreden staat het belang van het kind centraal. Als de veiligheid in het geding is, kan het optreden van de politie zelfs inhouden dat kinderen door de politie worden overgebracht naar een veilige plek.

 Als de veiligheid niet in het geding is, dan zien de Nationale ombudsman en Kinderombudsman een beperkte rol voor de politie weggelegd. Het politieoptreden is terughoudend en gericht op de-escalatie. Ook kunnen ouders worden doorverwezen naar andere ketenpartners zoals jeugdzorg. Het optreden van de politie bij omgangsproblemen kan namelijk, zoals vele gesprekspartners tijdens het onderzoek ook aangaven, voor kinderen traumatiserend zijn. Ook werkt politieoptreden verdere escalatie van de problemen tussen ouders in de hand en lost het het uiteindelijke probleem – tussen de ouders – niet op.

5.2.2 Sterke arm

Aparte aandacht vragen de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman voor de situaties waarin één van de ouders beschikt over een beslissing van de rechter waarin het dwangmiddel ‘sterke arm’ is opgenomen om de omgang af te dwingen. Uit de gesprekken is gebleken dat iedereen van mening is dat de inzet van dit dwangmiddel bij omgangszaken tot het minimum moet worden beperkt. De politie gaat hier in de praktijk op verschillende manieren mee om. Waar de een van mening is dat het de taak van de politie is om een beslissing van de rechter – die een afweging heeft gemaakt – uit te voeren, maken andere politiemensen een eigen afweging of politieoptreden (op dat moment) gewenst is.

 Vanuit de behoorlijkheid bezien en in lijn met de kinderrechten stellen de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman dat, als één van de ouders beschikt over een beslissing van de rechter waarin 'de sterke arm' is opgenomen om de omgang af te dwingen, de politie de ruimte en de verantwoordelijkheid heeft om een eigen afweging te maken over het politieoptreden. Het ligt in deze situaties eerder in de rede om de ouders op het bureau uit te nodigen, dan dat de kinderen bij het politieoptreden worden betrokken. Ook in deze situaties geldt dat de politie alleen 'aan kinderen trekt' als de veiligheid van de kinderen in het geding is.

Aanbeveling aan Nationale politie

Ontwikkel aan de hand van deze uitgangspunten (5.2.1 en 5.2.2) een visie over al het politieoptreden bij problemen in de nakoming van de omgang.

5.2.3 Verbeter de praktische uitvoering van het politieoptreden

Verder is uit dit onderzoek gebleken dat, als de politie optreedt naar aanleiding van een melding over problemen bij nakoming van de omgangsregeling, het feitelijke politieoptreden verschilt tussen de politiemedewerkers. Vragen die hierbij spelen en die op dit moment zijn onbeantwoord zijn: Op welke manier verzamelt de politie informatie en op welke manier wordt deze gewogen? Hoe borg je hoor- en wederhoor bij de verschillende betrokkenen? Hoe borg je dat de specialistische kennis die binnen de politie beschikbaar is door andere politiemedewerkers wordt benut? Is er voldoende specialistische kennis en vaardigheden binnen de politie beschikbaar? Welke informatie wordt in een mutatie neergelegd en al dan niet gedeeld met een wijkagent om het vervolg op te pakken? Hoe treedt een politiemedewerker feitelijk op, bijvoorbeeld in burger of in uniform, en hoe gaat hij/zij om met aanwezige kinderen?

 Vanuit de behoorlijkheid bezien en in lijn met de kinderrechten benadrukken de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman het belang van adequate informatievergaring en -afweging, toepassing van hoor- en wederhoor en adequate kennis en vaardigheden bij de politiemedewerkers. Juist in die situaties waarin het politieoptreden aangewezen is, is het belangrijk dat het voor de politiemensen duidelijk is op welke manier ze moeten optreden, waar ze de relevante informatie kunnen vinden (ook binnen de politie) en dat de burger duidelijke en eenduidige informatie ontvangt van de politie.

Aanbeveling aan de Nationale politie

Zorg ervoor dat bij de visieontwikkeling ook wordt nagedacht over het verbeteren van de praktische uitvoering, waarbij aandacht is voor adequate informatievergaring en -afweging, toepassing van hoor- en wederhoor en adequate kennis en vaardigheden bij de politiemedewerkers.

5.2.4 Samenwerking bij decentralisatie van jeugdzorg

Uit dit onderzoek is verder gebleken dat het belangrijk is dat de ketenpartners politie, medewerkers jeugdzorg en OM goed samenwerken en elkaar weten te vinden. Hierbij valt te denken aan het delen en terugkoppelen van informatie over en weer over zorgmeldingen die de politie bij het voormalig AMK, nu Veilig thuis, heeft gedaan. Politiemedewerkers geven aan deze terugkoppeling wel eens te missen. Medewerkers van jeugdzorg geven aan dat de politie niet altijd zorgmeldingen doet. Het OM geeft aan dat het cruciaal is om elkaar te kunnen vinden en om te weten wat je van elkaar kunt verwachten. Tegelijkertijd leven er ook vragen over de wenselijkheid en toelaatbaarheid van het verstrekken van (welke) informatie aan elkaar. Uit de gesprekken is gebleken dat door de recente decentralisatie van de jeugdzorgtaken per 1 januari 2015 naar gemeenten, medewerkers jeugdzorg, OM en de politie elkaar niet altijd goed weten te vinden. En de Taskforce kindermishandeling benadrukt juist dat het niet delen van informatie er nu soms toe leidt dat kinderen niet de juiste hulp krijgen.

Aanbeveling aan de Nationale politie

Zorg ervoor dat juist na de decentralisatie de politie, medewerkers jeugdzorg en het OM elkaar (weer) vinden en verken welke mogelijkheden er zijn om de samenwerking te verbeteren en de informatie-uitwisseling voor zover mogelijk te optimaliseren.

 Start hiervoor een pilot in een politie-eenheid, in samenwerking met het OM en de gemeentelijke wijkteams in de betreffende regio.

5.2.5. Verbeter de informatie richting de ouders en kinderen

Uit het onderzoek is verder gebleken dat ouders vaak niet weten wat ze van de politie mogen en kunnen verwachten. Hierdoor zijn ouders achteraf teleurgesteld of boos over de politie en (de wijze van) optreden.

Aanbeveling aan de Nationale politie

Nadat de politie een visie heeft ontwikkeld, moet duidelijk aan ouders en kinderen worden gecommuniceerd wat zij van de politie kunnen en mogen verwachten. Dit kan in een persoonlijk gesprek op het politiebureau en bijvoorbeeld door folders en/of informatie op een website.

Rapport Kinderombudsman KOM 006/2015

Normen die bij een uithuisplaatsing in acht moeten worden genomen:

1. De wijze waarop een kind feitelijk uit huis wordt geplaatst moet met de grootste zorgvuldigheid en op kindvriendelijke wijze worden uitgevoerd. De plaatsing moet goed worden voorbereid en begeleid, zodat het kind en zijn/haar ouders goed weten waar ze aan toe zijn. Het belang van het kind is bij de feitelijke uithuisplaatsing hierbij de voornaamste overweging;

2. De medewerkers die betrokken zijn bij een uithuisplaatsing moeten hiervoor geschikt zijn (speciaal opgeleid);

3. In beginsel zijn bij een uithuisplaatsing niet-geüniformeerde medewerkers betrokken.

Relevante wet- en regelgeving

Verdrag inzake de Rechten van het Kind

Artikel 3

Het belang van het kind

1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.

Artikel 6

1. De Staten die partij zijn, erkennen dat ieder kind het inherente recht op leven heeft.

2. De Staten die partij zijn, waarborgen in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind.

Artikel 9

Scheiding kind en ouders

1. De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.

2. In procedures ingevolge het eerste lid dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.

3. De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.

(…)

Artikel 12

1. De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.

2. Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.

Artikel 19

1. De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.

2. Deze maatregelen ter bescherming dienen, indien van toepassing, doeltreffende procedures te omvatten voor de invoering van sociale programma’s om te voorzien in de nodige ondersteuning van het kind en van degenen die de zorg voor het kind hebben, alsmede procedures voor andere vormen van voorkoming van en voor opsporing, melding, verwijzing, onderzoek, behandeling en follow-up van gevallen van kindermishandeling zoals hierboven beschreven, en, indien van toepassing, voor inschakeling van rechterlijke instanties.

Artikel 27

1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele,

zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma’s voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

4. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen.

Politiewet

Artikel 3

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Artikel 70

(…)

2. De politiechef van de regionale of landelijke eenheid draagt zorg voor de behandeling van de klacht die is ingediend over een gedraging van een ambtenaar van politie die bij die eenheid is tewerkgesteld.

(…)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 9:8

(…)

2. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.

Uitvoeringsregeling klachtbehandeling politie 2013

Artikel 3

De klachtencoördinator en de klachtbehandelaar

1. Het bevoegd gezag wijst een ambtenaar aan die is belast met de coördinatie van de klachtbehandeling in de informele en formele fase en met de registratie en analyse van klachten, de daarop genomen beslissingen en de geconstateerde tekortkomingen/ leermomenten.

2. Het bevoegd gezag wijst ambtenaren aan die belast zijn met klachtbehandeling.

Artikel 4

Aannemen klacht

(…)

7. Indien het bevoegd gezag concludeert dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht dan wel dat toepassing gegeven moet worden aan artikel 9:8 Awb, dan deelt hij dit klager mede binnen de daartoe door de Awb gestelde termijn.

Artikel 5

Informele klachtbehandeling

1. Zo snel mogelijk na ontvangst van de klacht wordt door de klachtbehandelaar overleg gevoerd met de klager. Dit overleg dient er in ieder geval toe om de klachtbehandeling toe te lichten, om vast te stellen welke klachtelementen klager heeft aangevoerd, wat het doel is van de klacht, in hoeverre de klacht voor verdere behandeling in aanmerking komt en om vast te stellen of bemiddeling kan bijdragen aan het naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet komen. De klager wordt erop gewezen dat gebruikmaking van de informele fase niet afdoet aan zijn recht op behandeling van de klacht in de formele fase.

2. De betrokken medewerker en zijn leidinggevende worden zo spoedig mogelijk mondeling of schriftelijk op de hoogte gesteld van de klacht en ontvangen een afschrift daarvan. Indien het in lid 1 bedoelde gesprek met klager heeft plaatsgevonden, worden zij tegelijkertijd geïnformeerd over het resultaat van dat gesprek. Zij geven hun zienswijze op de klacht.

3. In de informele fase wordt er naar gestreefd een (bemiddelings-)gesprek met klager te voeren. Dit vindt in beginsel plaats onder leiding van de klachtbehandelaar, bij voorkeur in aanwezigheid van de betrokken medewerker.

4. De klachtbehandelaar maakt een rapport op omtrent de klachtbehandeling in de informele fase.

5. Klager en de betrokken medewerker worden schriftelijk geïnformeerd over de afronding van de informele fase, in beginsel door de na het bevoegd gezag hoogste leidinggevende. Indien overleg of bemiddeling leidt tot tevredenheid van de klager, is de klachtbehandeling daarmee afgerond.

6. Van (delen van) de informele fase kan worden afgezien:

a. indien het bevoegd gezag van oordeel is dat dit in het desbetreffende geval niet of niet meer wenselijk is;

b. indien de klager geen informele behandeling wenst.

7. Indien in de informele fase niet naar tevredenheid van de klager aan de klacht tegemoet wordt gekomen, wordt de klachtbehandeling voortgezet in de formele fase. De artikelen 6 en 7 van deze regeling zijn dan van toepassing op de verdere behandeling van de klacht.

8. Indien de klager aangeeft geen behoefte te hebben aan klachtbehandeling in de formele fase, dan wordt dit schriftelijk aan de klager bevestigd en wordt hem medegedeeld dat de klachtbehandeling daarmee ten einde is gekomen.

Artikel 6

Advisering

1. In de formele fase vraagt het bevoegd gezag de klachtencommissie de klacht te behandelen en hem te adviseren over de afhandeling van de klacht, overeenkomstig de bepalingen betreffende klachtbehandeling in de Politiewet 2012, de Awb en de Regeling klachtbehandeling politie.

2. Het bevoegd gezag stelt de burgemeester en de hoofdofficier van justitie een redelijke termijn waarbinnen zij over een klacht advies kunnen uitbrengen.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/113