2015/039 Belastingdienst dient te lage beslagvrije voet met terugwerkende kracht vast te stellen

De Nationale ombudsman, Frank van Dooren, vindt dat de Belastingdienst een man van wie de beslagvrije voet te laag was vastgesteld, met terugwerkende kracht moet compenseren. Ombudsman Van Dooren: 'Ik maak me al langere tijd zorgen over de toepassing van de beslagvrije voet. Als de burger geen minimaal budget heeft om in zijn dagelijkse onderhoud te voorzien, komt deze burger verder in de problemen maar stijgen ook de kosten voor de hele maatschappij.' De ombudsman ontvangt signalen dat overheidsinstanties de beslagvrije voet nog steeds onvoldoende beschermen.

Instantie: Belastingdienst

Klacht:

beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht aangepast

Oordeel: gegrond

Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst niet met terugwerkende kracht de beslagvrije voet bij loonbeslag wil herzien.

Verzoeker moest nog een aanzienlijk bedrag aan huurtoeslag terugbetalen. De Belastingdienst legde daarvoor beslag op verzoekers loon. De Belastingdienst kondigde het beslag bij verzoeker aan en stelde hem in de gelegenheid zijn bezwaren tegen de hoogte van de beslagvrije voet kenbaar te maken. Verzoeker deed dat op dat moment niet.

Na een paar maanden liet verzoeker de Belastingdienst alsnog weten het niet eens te zijn met de hoogte van de beslagvrije voet. De Belastingdienst paste hierop vanaf dat moment de beslagvrije voet aan. De Belastingdienst liet weten dit niet met terugwerkende kracht te doen. Hij beriep zich hierbij op artikel 19.3.4. van de Leidraad Invordering 2008.

Verzoeker was het hier niet mee eens en wendde zich tot de Nationale ombudsman.

De Nationale ombudsman is het met verzoeker eens. De Belastingdienst had de beslagvrije voet wel met terugwerkende kracht moeten aanpassen. De Nationale ombudsman is van oordeel dat zodra het de Belastingdienst bekend was dat de beslagvrije voet te laag was vastgesteld, hij die met terugwerkende kracht moest herstellen. Hoe ver de terugwerkende kracht gaat, zal van geval tot geval moeten worden bekeken. De Nationale ombudsman adviseert de beslagvrije voet zo nodig te corrigeren vanaf ten hoogste één jaar vóór het tijdstip dat de wijziging aan de Belastingdienst is aangetoond of anderszins is gebleken. De Nationale ombudsman concludeert dat de Belastingdienst in strijd met het redelijkheidsvereiste handelde en acht de klacht gegrond. De Nationale ombudsman doet de aanbeveling aan de minister van Financiën de Leidraad Invordering 2008 overeenkomstig dit oordeel aan te passen, alsmede in het geval van verzoeker alsnog de beslagvrije voet met terugwerkende kracht te corrigeren.

Samenvatting

Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst niet met terugwerkende kracht de beslagvrije voet bij loonbeslag wil herzien.

Wat is de klacht?

Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst de beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht heeft aangepast.

Wat speelt er?

De Belastingdienst legde per maart 2014 loonbeslag op het inkomen van verzoeker in verband met een terugvordering huurtoeslag over het jaar 2007. Het nog te betalen bedrag was op 1 januari 2014 ruim € 1.800. Verzoeker had voor deze schuld in het verleden een betalingsregeling afgesproken, maar sinds februari 2011 werd daar niet meer aan voldaan.
Op 17 januari 2014 stuurde de Belastingdienst verzoeker een waarschuwing loonvordering waarbij de Belastingdienst liet weten de beslagvrije voet voorlopig vast te stellen op € 1.098. De Belastingdienst liet weten dat voor de berekening van de beslagvrije voet meer gegevens nodig waren. Verzoeker werd dan ook in de gelegenheid gesteld vóór 31 januari 2014 het bijgevoegde formulier "Opgave Persoonlijke situatie en inkomsten voor berekening beslagvrije voet" in te vullen en op te sturen. Indien de Belastingdienst het formulier niet tijdig retour zou ontvangen, dan zou de beslagvrije voet op € 1.098 worden vastgesteld. Verzoeker retourneerde het formulier niet.
De Belastingdienst liet verzoeker op 7 februari 2014 weten dat het loonbeslag naar de werkgever was gestuurd en dat hij op basis van de beschikbare gegevens de beslagvrije voet had vastgesteld op € 1.098 per maand

Verzoeker verzond op 28 mei 2014 een formulier naar de Belastingdienst om de beslagvrije voet aan te passen. Verzoeker stelde zich op het standpunt dat de Belastingdienst een veel te lage beslagvrije voet hanteerde.
In reactie hierop liet de Belastingdienst bij brief van 19 juni 2014 weten de beslagvrije voet met ingang van 17 juni 2014 aan te passen tot een bedrag van € 1.328. De Belastingdienst hield daarbij rekening met de in het verzoek vermelde gegevens.

Wat stond er in verzoekers klacht?

Verzoeker was het er niet mee eens dat de beslagvrije voet pas per medio juni 2014 werd aangepast. Hij wilde aanpassing met terugwerkende kracht per 1 maart 2014. Verzoeker diende hierover op 8 juli 2014 een klacht in bij de Belastingdienst.
Verzoeker wees er op dat er een groot verschil zit tussen de oude en nieuwe beslagvrije voet. Hierdoor waren er bij verzoeker veel problemen ontstaan, zoals achterstanden in de betaling van primaire lasten en het voorzien in levensonderhoud van het gezin met minderjarige kinderen. Verzoekers intermediair merkte op dat zij op 8 juli 2014 de Belastingdienst telefonisch had verzocht om de beslagvrije voet met terugwerkende kracht vast te stellen. De reactie van de betreffende medewerker was dat dit niet wordt gedaan omdat verzoeker eerder gegevens had kunnen aanleveren.
De sociaal raadsvrouw van verzoeker wees erop dat haar cliënt erg zijn best doet om zijn financiën op orde te brengen. Vanwege verschillende tegenslagen verloopt niet alles nog naar wens.

Hoe reageerde de Belastingdienst op de klacht?

De Belastingdienst liet weten dat verzoeker ooit een betalingsregeling had. Hij heeft daar echter sinds februari 2011 niet meer aan voldaan. De Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat de beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht zou worden aangepast. De Belastingdienst liet weten dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 19.3.4. van de Leidraad Invordering 2008 (zie Achtergrond, onder 1.) geen terugwerkende kracht werd verleend, aangezien verzoeker een waarschuwing voorafgaande aan de loonvordering had ontvangen.

Wat was de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

Verzoeker kon zich niet vinden in het standpunt van de Belastingdienst dat de beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht werd aangepast en diende hierover een klacht in bij de Nationale ombudsman.

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

De Nationale ombudsman heeft in het kader van zijn onderzoek de Belastingdienst, het Ministerie van Financiën en verzoeker zijn verslag van bevindingen gestuurd. De Nationale ombudsman stelde hierbij aan de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën nog een vraag over het genoemde artikel in de Leidraad Invordering 2008.

Wat was de reactie van de Belastingdienst en de staatssecretaris van Financiën?

De gezamenlijke reactie van de Belastingdienst en de staatssecretaris van Financiën luidde als volgt.
Wanneer de ontvanger van de Belastingdienst de schuldenaar vooraf raadpleegt over de elementen die van belang zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet en de schuldenaar blijft in gebreke met de beantwoording van de voor de ontvanger in dat verband gestelde vragen, zal wel reparatie plaatsvinden, maar niet met terugwerkende kracht. In de Leidraad Invordering 2008 wordt in dat verband genoemd de situatie waarin de schuldenaar geen informatie verstrekt over het inkomen van de partner. Steun voor die opvatting wordt gevonden in het tweede lid van artikel 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (zie Achtergrond, onder 3.) waarin is geregeld dat "zo lang de schuldenaar desgevraagd niet aan de beslaglegger (…) opgeeft of en hoeveel inkomen toekomt aan degene aan wie samen met hem gezinsverband zou kunnen toekomen, de beslagvrije voet wordt gehalveerd". De Leidraad trekt deze wettelijke bepaling ("zo lang") door voor de andere elementen die samen de beslagvrije voet bepalen. Zo lang de gevraagde informatie niet is verstrekt, wordt uitgegaan van de vastgestelde beslagvrije voet.
Wanneer de schuldenaar ervoor kiest de gevraagde informatie niet te verstrekken zal de ontvanger de bedoelde elementen van de beslagvrije voet zo goed mogelijk inschatten op basis van de bij hem aanwezige informatie. Over het resultaat van die inschatting informeert de ontvanger de schuldenaar vooraf. Over het algemeen, uitzonderingen daargelaten, – bijvoorbeeld wanneer het niet beantwoorden de schuldenaar niet valt aan te rekenen – is het in zo'n geval niet onredelijk en ook in lijn met de wettelijke regeling, terugwerkende kracht aan een reparatie te onthouden. Van een dergelijke uitzondering is niet gebleken.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Verzoekers klacht was erop gericht dat de Belastingdienst niet met terugwerkende kracht de beslagvrije voet ten aanzien van het gelegde loonbeslag wilde herzien.

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de verschillende belangen tegen elkaar afwegen voordat zij een beslissing nemen. De uitkomst daarvan mag niet onredelijk zijn.

Eerdere rapporten van de ombudsman
In het rapport "In het krijt bij de overheid, verstandig invorderen met het oog voor maatschappelijke kosten" 1), beschouwt de Nationale ombudsman het "als de maatschappelijke plicht van deurwaarders en overheidsinstanties dat zij al het mogelijke doen om de burger een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet te garanderen. Desnoods achteraf: als blijkt dat zij de beslagvrije voet te laag hebben vastgesteld, behoren zij deze fout met terugwerkende kracht te herstellen en het teveel geïnde bedrag aan de burger terug te betalen".

De Nationale ombudsman heeft in zijn rapport "Met voeten getreden, schendingen van de beslagvrije voet door gerechtsdeurwaarders" 2) onder meer geoordeeld dat met de invoering van de beslagvrije voet het de bedoeling van de wetgever is geweest om mensen met schulden een bestaansminimum te garanderen. Uit de wetsgeschiedenis en uit de tuchtrechtspraak voor gerechtsdeurwaarders blijkt dat als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan of als de beslagvrije voet in onwetendheid van de beslagene in de voorliggende periode onjuist was vastgesteld, dit onverwijld en met terugwerkende kracht dient te worden gecorrigeerd.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat dit ook geldt voor de Belastingdienst.

Leidraad Invordering 2008
Artikel 19.3.4. Leidraad Invordering 2008 gaat uit van de aanname dat – als de Belastingdienst een schuldenaar een brief stuurt met een geschatte beslagvrije voet en hem verzoekt om in een formulier nadere gegevens te verstrekken – de schuldenaar daarna niet meer onwetend is van het feit dat de Belastingdienst teveel inhoudt op zijn loon of uitkering. De ombudsman kan de staatssecretaris van Financiën niet in deze aanname volgen.

Personen die niet reageren op deze brief en dit formulier zijn zich vaak niet bewust van het feit dat er sprake is van een te hoog beslag op hun loon of uitkering. Zij zijn er niet van op de hoogte gesteld dat de beslagvrije voet in vrijwel al die gevallente laag is vastgesteld door twee oorzaken:

  1. als de schuldenaar een partner heeft wordt de beslagvrije voet vastgesteld op 45 procent van de bijstandsnorm, of de partner nu inkomen heeft of niet;
  2. de beslagvrije voet wordt niet verhoogd in verband met woonkosten en kosten zorgverzekering en de bijtelling in verband met het kindgebonden budget 3).

Met andere woorden: de Belastingdienst dient de beslagvrije voet in principe met terugwerkende kracht aan te passen tenzij hij duidelijke aanwijzingen heeft dat de schuldenaar goed op de hoogte is van de te laag vastgestelde beslagvrije voet en van het te hoge beslag en er voor kiest dat zo te laten.

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
De Belastingdienst en de staatssecretaris van Financiën gaven in hun gezamenlijke reactie aan dat er geen sprake van terugwerkende kracht kan zijn. Zij wezen in dit kader op het tweede lid van artikel 475g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat – "zo lang de schuldenaar desgevraagd niet aan de beslaglegger (…) opgeeft of en hoeveel inkomen toekomt aan degene aan wie samen met hem gezinsverband zou kunnen toekomen, de beslagvrije voet wordt gehalveerd". De Leidraad Invordering 2008 trekt deze wettelijke bepaling ("zo lang") door voor de andere elementen die samen de beslagvrije voet bepalen. Zo lang de gevraagde informatie niet is verstrekt, wordt uitgegaan van de vastgestelde beslagvrije voet, aldus de reactie.

De Nationale ombudsman is het in zoverre met de Belastingdienst/staatssecretaris eens dat – zolang de beslagene zijn gegevens niet of onvolledig verstrekt – het voor de Belastingdienst niet mogelijk is om de beslagvrije voet correct vast te stellen. Hij heeft in die situatie bijvoorbeeld het recht om de beslagvrije voet te halveren als betrokkene geen gegevens verstrekt over zijn partner. Ook kan de Belastingdienst geen bijtellingen doen zoals hiervoor vermeld, onder meer in verband met het kindgebonden budget.
Maar zodra de beslagene zelf wél alle relevante gegevens verstrekt, ontstaat er een andere situatie en is bijvoorbeeld artikel 475g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet meer aan de orde. In die situatie kan de Belastingdienst de beslagvrije voet wel correct berekenen en is de vraag aan de orde met ingang van welke datum deze moet worden aangepast. Daarover heeft de tuchtrechtspraak en de wetsgeschiedenis voldoende duidelijkheid geschapen.

Preadvies Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders
In het Preadvies "Naar een nieuwe beslagvrije voet" van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders van juni 2014 wordt voorgesteld om "zo nodig met terugwerkende kracht van ten hoogste één jaar vanaf het tijdstip dat de wijziging aan de beslaglegger (…) is aangetoond of anderszins is gebleken" in de wet vast te leggen. De Nationale ombudsman kan zich in deze termijn vinden.

Absolute bestaansminimum
De beslagvrije voet is het absolute bestaansminimum. Deze dient te allen tijde te worden gerespecteerd. De Nationale ombudsman ziet het dan ook als verantwoordelijkheid van de Belastingdienst om – zodra bekend is dat de beslagvrije voet te laag is vastgesteld – bij de schuldenaar te informeren of dit in de voorliggende periode ook zo was. Als dat inderdaad het geval is, dan dient hij de beslagvrije voet met terugwerkende kracht te corrigeren.

In dit geval heeft de Belastingdienst geen terugwerkende kracht toegepast omdat verzoeker niet tijdig reageert op een verzoek om informatie voor het juist vaststellen van de beslagvrije voet. De Nationale ombudsman ziet geen aanleiding om dat gevolg te verbinden aan het niet voldoen aan het verzoek om inlichtingen. Door niet te reageren op de te laag vastgestelde beslagvrije voet, heeft de burger zichzelf te kort gedaan en daarmee blijk gegeven van zijn onwetendheid.

De Nationale ombudsman is derhalve van oordeel dat de beslagvrije voet in dit geval ten onrechte niet met terugwerkende kracht is vastgesteld. Dit oordeel geeft aanleiding tot het doen van een aanbeveling tot het aanpassen van Leidraad Invordering 2008 en ook om de beslagvrije voet van verzoeker met terugwerkende kracht te corrigeren

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk, omdat de Belastingdienst handelde in strijd met het redelijkheidsvereiste .

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst is gegrond wegens schending van het redelijkheidsvereiste.

Aanbeveling

De minister van Financiën wordt in overweging gegeven te bevorderen dat de Leidraad Invordering 2008 zo wordt aangepast dat de beslagvrije voet die geldt voor loonvordering op verzoek met terugwerkende kracht, zo nodig vanaf ten hoogste één jaar vóór het tijdstip dat de wijziging aan de Belastingdienst is aangetoond of anderszins gebleken, wordt gecorrigeerd. De minister wordt tevens in overweging gegeven de beslagvrije voet met terugwerkende kracht in verzoekers geval toe te passen.

De Nationale ombudsman,

 

mr. F.J.W.M. van Dooren,
waarnemend ombudsman

Achtergrond

1. Leidraad Invordering 2008

Artikel 19.3.4.:

"Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet

De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens die bij de ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de beslagvrije voet niet tot een juist bedrag kan vaststellen zonder nadere informatie van de belastingschuldige, stelt hij – op basis van artikel 28 van de wet – de belastingschuldige in de gelegenheid die nadere informatie te verstrekken, bijvoorbeeld in de situatie dat de belastingschuldige een partner heeft en het inkomen van de partner bij de ontvanger niet bekend is. Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet verstrekt, wordt de beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de bijstandsnorm. Als de belastingschuldige vervolgens de gevraagde informatie alsnog verstrekt, wijzigt de ontvanger de beslagvrije voet en past deze toe vanaf de eerstvolgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. In situaties waarin de ontvanger de beslagvrije voet heeft vastgesteld zonder vooraf informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de belastingschuldige, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet als door de belastingschuldige wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld. Als de belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een eerder moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met terugwerkende kracht."

2. Invorderingswet 1990

Artikel 19

"1. derde die:

a. loon;

b. uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook;

c. pensioen en lijfrente, waaronder mede worden verstaan uitkeringen ingevolge een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001;

d. uitkeringen uit levens-, invaliditeits-, ongevallen- of ziekengeldverzekering;

e. uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , of tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud;

f. uitkeringen of buitengewone pensioenen op grond van een wettelijke regeling voor oorlogsgetroffenen of voor degenen die hun vervangende dienstplicht vervullen;verschuldigd is aan een belastingschuldige, is op vordering van de ontvanger verplicht de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag. Voor zover één en ander niet vatbaar is voor beslag is de derde op vordering van de ontvanger verplicht ten hoogste een tiende gedeelte daarvan aan te wenden voor betaling van de belastingaanslagen van de belastingschuldige.

2. Het eerste lid, tweede volzin, vindt alleen toepassing indien de belastingschuldige op het tijdstip waarop de vordering wordt gedaan, meer dan één belastingaanslag waarvan de enige of laatste betalingstermijn met ten minste twee maanden is overschreden, niet heeft betaald en hij met betrekking tot deze belastingaanslagen:

3. Een huurder, een pachter, een curator in een faillissement en een houder van penningen is op vordering van de ontvanger verplicht uit de gelden die hij aan de belastingschuldige verschuldigd is of uit de gelden of de penningen die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. Een curator in een faillissement van de belastingschuldige is voorts bevoegd uit eigen beweging uit de gelden die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen.

7. Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen afwachten. De eerste volzin vindt geen toepassing in zoverre onder hem beslag is gelegd of verzet is gedaan ter zake van schulden waaraan voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.

9. Het eerste tot en met achtste lid zijn niet van toepassing op belastingaanslagen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen werkt.

10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de wijze waarop het vierde lid toepassing kan vinden. "

3. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Artikel 475g, tweede lid:

"Zo lang als de schuldenaar desgevraagd niet aan de beslaglegger of diens vertegenwoordiger opgeeft of en hoeveel inkomen toekomt aan degene aan wie samen met hem gezinsbijstand zou kunnen toekomen, wordt de beslagvrije voet gehalveerd."

4. "Met voeten getreden. Schendingen van de beslagvrije voet door gerechtsdeurwaarders", met rapportnummer 2013/150 van 2 november 2013

De Nationale ombudsman heeft in zijn rapport "Met voeten getreden, schendingen van de beslagvrije voet door gerechtsdeurwaarders" onder meer geoordeeld dat met de invoering van de beslagvrije voet het de bedoeling van de wetgever is geweest om mensen met schulden een bestaansminimum te garanderen. Dit betekent dat als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan of als de beslagvrije voet in de voorliggende periode onjuist was vastgesteld, dit onverwijld en met terugwerkende kracht dient te worden gecorrigeerd.

1) Rapportnummer 2013/003, datum 17 januari 2013, met name blz. 11 en 12.

2) Rapportnummer 2013/150, datum 2 november 2013, met name blz. 20 t/m 22.

3) Deze bijtelling geldt sinds 1 januari 2015.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2015/039