2015/092 Belastingdienst wijst te laat verzoek om opgelegde aanslag over 2006 ambtshalve te herzien terecht af

Een onderneming dient zijn aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2006 niet op tijd in. De Belastingdienst legt hen voor 2006 daarom een ambtshalve aanslag Vpb op. De onderneming doet in 2012 alsnog aangifte Vpb 2006 en verzoekt de Belastingdienst de opgelegde aanslag van destijds ambtshalve te herzien (verminderen). De ondernemer klaagt erover dat de Belastingdienst dit verzoek afwijst. De ombudsman oordeelt dat de Belastingdienst juist heeft gehandeld. Het verzoek is niet ingediend binnen de daarvoor geldende termijn van vijf jaar en er zijn geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen hiervan af te wijken.

Instantie: Belastingdienst/Noord

Klacht:

afwijzend beslist op het verzoek om voor het jaar 2006 alsnog verliezen in aanmerking te nemen. Het betreft een gewenste herziening van de ambtshalve opgelegde aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) 2006

Oordeel: niet gegrond

Omdat niet tijdig de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) is ingediend, is aan onderneming S. voor het jaar 2006 een ambtshalve aanslag Vpb opgelegd. Op 12 november 2012 diende de gemachtigde van onderneming S. alsnog de aangifte Vpb 2006 in bij de Belastingdienst. De aangifte werd in behandeling genomen als verzoek om de opgelegde aanslag Vpb 2006 ambtshalve te herzien (verminderen).

Onderneming S. klaagt erover dat de Belastingdienst afwijzend heeft beslist op het verzoek om herziening van de ambtshalve opgelegde aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) 2006.

De Nationale ombudsman overwoog dat het verzoek niet was ingediend binnen de daarvoor geldende termijn van vijf jaar. De beslissing van de Belastingdienst was dan ook in overeenstemming met het geldende beleid. Er was verder geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de Belastingdienst in weerwil van de geldende termijn toch gevolg had moeten geven aan het verzoek om ambtshalve herziening

Het vereiste van betrouwbaarheid

Klacht niet gegrond.

Wat is de klacht?

Onderneming S. klaagt erover dat de Belastingdienst/Noord afwijzend heeft beslist op het verzoek om voor het jaar 2006 alsnog verliezen in aanmerking te nemen. Het gaat om een gewenste herziening van de ambtshalve opgelegde aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) 2006.

Wat is er gebeurd?

Omdat niet tijdig de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) is ingediend, is aan onderneming S. voor het jaar 2006 een ambtshalve aanslag Vpb opgelegd.

In vervolg op een telefonische bespreking tussen de gemachtigde van onderneming S. en de Belastingdienst diende de gemachtigde op 12 november 2012 alsnog de aangifte Vpb 2006 in bij de Belastingdienst. De aangifte Vpb 2006 werd op 14 maart 2013 opnieuw aan de Belastingdienst verstrekt omdat de op 12 november 2012 ingediende aangifte niet door de Belastingdienst was ontvangen.

De Belastingdienst nam de alsnog ingediende aangifte Vpb 2006 in behandeling als een verzoek om de opgelegde aanslag Vpb 2006 ambtshalve te herzien (verminderen). Op het verzoek werd op 28 maart 2013 afwijzend beslist. De reden hiervoor was dat het verzoek, ook uitgaande van indiening op 12 november 2012, niet was ingediend binnen de termijn van vijf jaar waarbinnen op grond van het geldende beleid ambtshalve herziening mogelijk is. 1)

Onderneming S. vroeg de Belastingdienst herhaald om op deze beslissing terug te komen. Daarbij werd met name een beroep gedaan op de omstandigheid dat de aangifte Vpb 2006 niet (tijdig) kon worden ingediend omdat de voormalige gemachtigde van onderneming S. de benodigde gegevens pas in september 2012 verstrekte. Gewezen werd op met de Belastingdienst gevoerde correspondentie en plaatsgevonden contacten. De Belastingdienst bleef bij de afwijzende beslissing.

In het bij de Nationale ombudsman ingediende verzoekschrift geeft onderneming S. aan dat de afwijzende beslissing van de Belastingdienst meebrengt dat zij door toedoen van een derde (de voormalige gemachtigde) grote nadelige financiële consequenties ondervindt. Daarmee heeft zij grote moeite. Onderneming S. wijst op de moeilijke economische situatie. Ook wijst onderneming S. er op dat de aangifte Vpb 2006 op 12 november 2012 is ingediend na contact daarover en afstemming met de Belastingdienst. Het had de Belastingdienst op dat moment al duidelijk moeten zijn dat de termijn van vijf jaar al was verlopen. Onderneming S. vraagt zich af of het dan wel redelijk is om op die grond af te wijzen. Ten slotte wijst onderneming S. er op dat in de procedure voor de aanslagregeling Vpb 2011 de rechter liet weten geen 'rechtsingang' te hebben op het punt van de verrekenbare verliezen uit 2006. Wel heeft de rechter volgens onderneming S. de Belastingdienst gevraagd of een compromis mogelijk was. Uiteindelijk is het beroepschrift door onderneming S. ingetrokken en is door de rechter geen uitspraak gedaan.

Aanvullende informatie van de Belastingdienst

De Belastingdienst liet in reactie op vragen van de Nationale ombudsman nog het volgende weten.

Er is met de gemachtigde van Onderneming S. niet expliciet gesproken over de termijn waarbinnen een verzoek om ambtshalve vermindering ingediend moet worden. Omdat de gemachtigde een fiscaal dienstverlener is, werd er van uit gegaan dat hij daarvan op de hoogte was. Omdat tijdens het telefoongesprek met de gemachtigde aan de orde kwam dat kennelijk al een eerder verzoek om ambtshalve vermindering zou zijn ingediend is, zoals steeds gebeurt, de gelegenheid geboden dit aan te tonen. Bij de (her)beoordeling is geconcludeerd dat er geen verzoek binnen de vijfjaarstermijn is ontvangen. Het verzoek is nog voorgelegd aan een collega voor een 'second view'. Dat heeft niet geleid tot andere inzichten en vervolgens is het verzoek afgewezen.

Verder wees de Belastingdienst er nog op dat Onderneming S. op 2 juni 2009 een bezwaarschrift had ingediend tegen de ambtshalve opgelegde aanslag Vpb 2006. Onderneming S is, voordat op 26 januari 2010 op het bezwaar werd beslist, herhaald in de gelegenheid gesteld om de aangifte alsnog in te dienen. Het gaat om een aanslag Vpb 2006 die ambtshalve is vastgesteld naar een belastbare winst van € 2.500. In de alsnog ingediende aangifte Vpb 2006 is een belastbare winst aangegeven van € 1.119 en dus geen verlies. Het financiële belang is daarmee ongeveer € 352. Er waren in 2006 geen verliezen uit eerdere jaren te verrekenen.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Het vereiste van betrouwbaarheid houdt in dat de overheid binnen het wettelijk kader en eerlijk en oprecht handelt, doet wat zij zegt en gevolg geeft aan rechterlijke uitspraken.

Aan onderneming S. is een ambtshalve aanslag Vpb 2006 opgelegd. Dit omdat niet tijdig de vereiste aangifte is ingediend. Op 12 november 2012 heeft onderneming S. alsnog de aangifte Vpb 2006 ingediend.

De Belastingdienst heeft terecht de alsnog ingediende aangifte in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve herziening (vermindering) van de ambtshalve opgelegde aanslag Vpb 2006. Vast staat dat dit verzoek niet is gedaan binnen de termijn van vijf jaar waarbinnen ambtshalve herziening als door onderneming S. gewenst kan plaatsvinden. De beslissing van de Belastingdienst om wegens overschrijding van deze termijn het verzoek af te wijzen is dan ook in overeenstemming met het geldende beleid (Besluit van de Staatsecretaris van Financiën van 16 december 2010, nr. DGB2010/6799M, zie voetnoot 1) dat ook voor de Nationale ombudsman leidend is.

Naar het oordeel van de Nationale ombudsman is verder geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de Belastingdienst in weerwil van de geldende termijn toch gevolg had moet geven aan het verzoek om ambtshalve herziening. Dat de aangifte niet eerder dan 12 november 2012 kon worden ingediend doordat de voormalige gemachtigde pas in september 2012 de benodigde gegevens verstrekte aan de huidige gemachtigde van onderneming S. is een omstandigheid die in de risicosfeer van onderneming S. ligt. Ook de omstandigheid dat het in 2012 alsnog indienen van de aangifte Vpb 2006 kennelijk is afgestemd met de Belastingdienst maakt niet dat de Belastingdienst toch de gevraagde herziening/vermindering had moeten verlenen. Van een toezegging door de Belastingdienst is geen sprake geweest. Wel meent de Nationale ombudsman dat het beter was geweest als de Belastingdienst direct had laten weten dat de termijn voor het verlenen van herziening al was verlopen. Echter dat weegt niet zo zwaar dat dat aanleiding zou moeten geven om af te wijken van de vijfjaarstermijn. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de 'redelijkheid' waarop onderneming S. een beroep doet al is verwerkt in de mogelijkheid om binnen een termijn van vijf jaren terug te kunnen komen op een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag die te hoog blijkt te zijn. En tevens dat uit de nadere informatie van de Belastingdienst volgt dat het financiële belang van het verzoek om ambtshalve herziening gering is.

De conclusie is dan ook dat de Belastingdienst afwijzend kon beslissen op het verzoek om de aanslag Vpb 2006 ambtshalve te herzien/verminderen.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst is niet gegrond.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

1) Zie Besluit van de Staatsecretaris van Financiën van 16 december 2010, nr. DGB2010/6799M, paragraaf 3: "De termijn waarbinnen de belanghebbende aanspraak kan maken op het ambtshalve verlenen van vermindering of teruggaaf van belasting vervalt: (…)b. voor aangiftebelastingen door verloop van vijf jaar na het einde van het belastingjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of waarop de teruggaaf betrekking heeft. "
 
Publicatiedatum
Rapportnummer
2015/092