2014/190 Gemeente rekent verzekeringsuitkering terecht tot vermogen bij beoordeling kwijtschelding belasting

Een man en een vrouw dienen bij de gemeente Purmerend een verzoek in om bij de berekening van hun vermogen vier vermogensbestanddelen niet mee te tellen, waardoor zij in aanmerking komen voor kwijtschelding van de aanslag gemeentelijke belastingen. Het college van burgemeester en wethouders weigert dit. De Nationale ombudsman vindt het goed dat het college de beleidsregel hanteerde dat alleen reserveringen voor de betaling van zorgkosten een maand niet tot het vermogen gerekend worden. Zolang er maar maatwerk mogelijk blijft.. In het geval van de man en vrouw heeft het college dat maatwerk niet hoeven toepassen op een schadevergoeding en een verzekeringsuitkering voor een geannuleerde vakantie.

Instantie: Gemeente Purmerend

Klacht:

geen verzoek om kwijtschelding verleend voor de aanslag gemeentelijke belastingen 2013.

Oordeel: niet gegrond

Verzoekers hebben verzocht om kwijtschelding van de aanslag gemeentelijke belastingen 2013. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend heeft het verzoek afgewezen. Verzoekers hebben voor een viertal vermogensbestanddelen verzocht deze niet mee te tellen als vermogen. Het college heeft dit geweigerd.

De uitkomst daarvan mag niet onredelijk zijn. Het redelijkheidsvereiste brengt met zich mee dat een overheidsinstantie, in het kader van een verzoek om kwijtschelding, de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 naar de geest toepast, indien een letterlijke toepassing tot een onredelijke en onbedoelde uitkomst leidt.

Als een vermogensbestanddeel met een specifiek doel is verkregen, bijvoorbeeld om aan te wenden voor het herstel van schade, is er een spanningsveld tussen dat doel en de toepasselijke regelgeving voor kwijtschelding. In een dergelijke situatie kan er aanleiding bestaan voor een ruimhartige opstelling van de betrokken overheidsinstantie.

Als een vermogensbestanddeel buiten de vermogenstoets wordt gelaten, betekent dat niet dat dit tot in lengte van jaren zo moet blijven. Te denken valt aan een overgangssituatie, waarin het vermogensbestanddeel geheel of gedeeltelijk niet wordt meegeteld bij de berekening van het vermogen. De lengte van een overgangsperiode is maatwerk. De Nationale ombudsman acht het echter wenselijk dat de betrokken overheidsinstantie inzichtelijk maakt welke criteria zij hanteert bij de afweging hoe en hoelang zij rekening houdt met het specifieke doel van het vermogensbestanddeel. Dit brengt met zich mee dat een invorderingsambtenaar bij de berekening van de betalingscapaciteit bij een verzoek om kwijtschelding of een herzieningsverzoek de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 naar de geest toepast indien een letterlijke toepassing tot een onredelijke en onbedoelde uitkomst leidt.

Het college hanteert als beleidsregel dat uitkeringen die dienen ter voldoening van zorgkosten, zoals uitkeringen op grond van de Wet Tegemoetkoming Chronisch Zieken en gehandicapten en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, in beginsel slechts één maand buiten aanmerking blijven, omdat het geld doorgaans binnen die maand zal zijn besteed. Als het bedrag na een maand nog op de rekening staat is het kennelijk beschikbaar als vermogen, aldus het college. De Nationale ombudsman vindt dit beleid redelijk, te meer daar dit beleid slechts als uitgangspunt wordt gehanteerd en in individuele gevallen maatwerk mogelijk blijft.

Ten aanzien van de verzekeringsuitkering wegens schade aan de woning oordeelde de gemeente dat de uitkering drie maanden voor de beoordeling van het kwijtscheldingsverzoek is ontvangen, zodat het, volgens het college, aannemelijk is dat de uitkering inmiddels is besteed aan de noodzakelijke vervanging en herstel. De Nationale ombudsman kan zich hierin vinden.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat het college de verzekeringsuitkering wegens een geannuleerde vakantie terecht (wel) in de vermogensberekening heeft betrokken.

De gevallen waarin een vermogensbestanddeel alsnog buiten de vermogenstoets moet blijven, dienen beperkt te blijven tot uitzonderlijke gevallen. Alleen bij ernstige bezwaren dient tot een dergelijke maatregel te worden overgegaan. Een verzekeringsuitkering wegens een geannuleerde vakantie is hiervoor van onvoldoende gewicht. Met name omdat de uitkering (vooral) bestond uit een terugbetaalde reissom en zodoende betrekking had op uitgaven die reeds waren gedaan. Dit betekent dat het terugontvangen bedrag, anders dan voor de verzekeringsuitkering wegens schade aan de woning waarmee noodzakelijk uitgaven moesten worden gedaan, volledig vrij te besteden was.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat het college het verzoek om kwijtschelding terecht heeft afgewezen. De beslissing is behoorlijk.

WAT IS DE KLACHT?

De klacht is gericht tegen de beslissing van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend om verzoekers (ook na beroep) geen kwijtschelding te verlenen voor de aanslag gemeentelijke belastingen 2013.

WAAR GAAT HET OM?

Mijnheer en mevrouw P (hierna: verzoekers) hebben van de gemeente Purmerend een aanslag gemeentebelastingen 2013 ontvangen. Verzoekers hebben om kwijtschelding van deze aanslag verzocht. Dit verzoek werd afgewezen.

Op grond van artikel 26 van de Invorderingswet 1990 kan kwijtschelding worden verleend als de belastingschuldige niet in staat is zijn belastingaanslag te betalen. Kwijtschelding wordt echter alleen verleend als er geen vermogen of betalingscapaciteit (meer) aanwezig is (artikel 11 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; zie Achtergrond).

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: het college) heeft het verzoek om kwijtschelding (ook na beroep) afgewezen, omdat er vermogen aanwezig bleek om de aanslag uit te voldoen. Het college heeft becijferd dat verzoeker een beschikbaar vermogen (vermogensoverschrijding) had van € 1.723,97. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben de Nationale ombudsman om een oordeel gevraagd.

WAT HEEFT DE NATIONALE OMBUDSMAN ONDERZOCHT?

De Nationale ombudsman heeft onderzocht of de beslissing van de gemeente in overeenstemming is met het landelijke beleid voor invordering en kwijtschelding van (gemeente)belastingen, zoals dat is vastgelegd in de Invorderingswet 1990 en uitgewerkt in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en de Leidraad Invordering 2008.

STANDPUNT VAN VERZOEKERS

Verzoekers zijn het niet eens met de door het college becijferde vermogensoverschrijding. Volgens verzoekers dienen bepaalde ontvangsten op de vermogensoverschrijding in mindering te komen, omdat deze bedragen dienen ter voldoening van andere kosten en daardoor niet beschikbaar zijn voor het betalen van de belastingaanslag.

Als hiermee rekening wordt gehouden, betekent dit dat per saldo geen vermogensoverschrijding resteert. Het betreft de volgende bedragen:

  1. Een verzekeringsuitkering van € 783,75 wegens schade aan de woning;
  2. Uitkeringen i.v.m. zorgkosten:
           € 874,25 (Wet Tegemoetkoming Chronisch Zieken en Gehandicapten);
           € 340,00 (Wet Maatschappelijke Ondersteuning);
  3. Een verzekeringsuitkering van € 1.056,50 wegens een geannuleerde vakantie.

Ten aanzien van laatstgenoemde verzekeringsuitkering hebben verzoekers opgemerkt dat zij een vakantiereis cadeau hadden gekregen van hun kinderen. In verband met ziekte van mijnheer moest de reis worden afgebroken. De reis is in mei 2013 alsnog door mevrouw gemaakt.

Nadat het college het beroep, bij uitspraak van 24 juli 2013, ongegrond had verklaard, hebben verzoekers bij brief van 1 augustus 2013 op deze beslissing gereageerd. Daarin verzochten zij om in een gesprek hun situatie te mogen toelichten. Verzoekers klagen erover dat dit verzoek telefonisch is afgehandeld door de afdeling kwijtschelding, door dezelfde mensen die het beroep hebben behandeld. Er zou zijn geweigerd schriftelijk op het verzoek te reageren.

RAPPORT 2013/093

De Nationale ombudsman heeft het college gevraagd op de klacht te reageren en daarbij gewezen op zijn rapport van 24 juli 2013 (nr. 2013/093).1 In dat rapport heeft de Nationale ombudsman overwogen:

Het redelijkheidsvereiste brengt met zich mee dat een overheidsinstantie in het kader van een verzoek om kwijtschelding de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 naar de geest toepast, indien een letterlijke toepassing tot een onredelijke en onbedoelde uitkomst leidt. Onder omstandigheden kan dat met zich meebrengen dat de overheidsinstantie een bedrag dat door een verzekeringsmaatschappij is uitgekeerd als vergoeding voor brandschade niet meerekent als vermogen. Er is immers een spanningsveld tussen de toepasselijke regelgeving en het feit dat de toegekende vergoeding is bedoeld om aan te wenden voor het herstel van de schade. De Nationale ombudsman vindt dat er in een dergelijke situatie aanleiding bestaat voor een ruimhartige opstelling van de betrokken overheidsinstantie. Dit betekent overigens niet dat het uitgekeerde bedrag tot in lengte van jaren buiten de vermogensberekening moet worden gelaten. Te denken valt aan een overgangssituatie van enkele jaren, waarin de uitkering geheel of gedeeltelijk niet wordt meegeteld bij de berekening van het vermogen.

Duur overgangsperiode
Volgens de Nationale ombudsman behoort de duur van de overgangsperiode, waarin de verzekeringsuitkering bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing kan worden gelaten, maatwerk te zijn. In dit geval kan ervan uit worden gegaan dat verzoeker vier of vijf jaar na de brand ruimschoots in staat moet zijn geweest de schade met behulp van de uitkering te herstellen.

STANDPUNT VAN HET COLLEGE

In zijn reactie heeft het college aangegeven dat het kwijtscheldingsverzoek uitgebreid is getoetst, zowel bij de eerste aanvraag als bij het beroepschrift.

Het is, volgens het college, niet juist dat zij geweigerd zouden hebben schriftelijk te reageren op het verzoek om een gesprek. Het college heeft benadrukt dat er, naar aanleiding van dat verzoek, uitgebreid telefonisch overleg is geweest met mevrouw. Alles is haar toen uitvoerig toegelicht en aan het einde van het gesprek is gevraagd of zij nog behoefte had aan een schriftelijke reactie, maar die behoefte was er toen niet meer. Zij begreep de situatie, maar was er niet blij mee.

Ad. 1. Een verzekeringsuitkering wegens schade aan de woning
Het college heeft aangegeven dat de uitkering wegens schade aan de woning niet direct wordt meegenomen bij de vaststelling van een saldo, maar dat daarvoor een beperkte duur geldt:

De uitkering van de schade heeft reeds plaatsgevonden op 15 november 2012. Het saldo waarmee rekening is gehouden is het saldo per 26 februari 2013, ruim 4 maanden later. Uitgegaan mag worden dat u de schade-uitkering inmiddels heeft gebruikt voor vervanging of reparatie. Indien dit niet gebeurd is kan ervan uitgegaan worden dat u de uitkering niet meer voor dit doel zal gebruiken. In beide gevallen zal dit bedrag niet meer uitgezonderd worden bij de vaststelling van uw vermogen.

Het college heeft voorts opgemerkt dat verzoeker geen stukken van de uitkering zelf heeft overgelegd. Alleen de eigen opgave en de bijschrijving van € 783,75 op 15 november 2012. Daarop is echter ook te zien dat er meteen op 16 november 2012 een betaling van € 583,77 is gedaan aan GAMMA. Het college vermoedt dat de uitkering op dat moment ook daadwerkelijk is gebruikt voor de vervanging of reparatie van hetgeen waar de schade voor is uitgekeerd. Als dat het geval is kan ook dit bedrag niet zonder meer in mindering worden gebracht op het saldo, aldus het college.

Ad. 2. Uitkeringen i.v.m. zorgkosten
De uitkering op grond van de Wet Tegemoetkoming Chronisch Zieken en Gehandicapten is (alleen) zichtbaar op een bankafschrift van 2 april 2013. Dit bedrag stond ten tijde van het bepalen van het saldo dus niet op de rekening. Als een dergelijke storting ook heeft plaatsgevonden in december 2012, zoals verzoekers hebben gesteld, dan is hier geen enkel stuk van overgelegd. Het is dus niet te bepalen of dit uit het saldo gehaald moet worden of niet, omdat er niet bekend is wat voor soort storting dit betreft. Bovendien heeft die storting dan al ruim twee maanden vóór het indienen van het verzoek plaatsgevonden. Het college benadrukt dat er alleen in de maand van ontvangst geen rekening wordt gehouden met een dergelijke storting.

De uitkering op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning is ontvangen op 15 januari 2013, dit is ongeveer binnen een maand vóór indiening van het verzoek op 27 februari 2013, zodat dit bedrag normaal gesproken van het saldo zou zijn afgehaald. Het college gaat ermee akkoord dit bedrag daarom eventueel alsnog van het saldo af te halen. Het college maakt hierbij de kanttekening, dat het niet vanzelfsprekend is dat de betaling van het saldo afgehaald diende te worden, omdat de uitkering zag op een vergoeding 'achteraf' van reeds gemaakte autokosten.

Ad. 3. Een verzekeringsuitkering van € 1.056,50 wegens een geannuleerde vakantie.
Het rapport 2013/093 gaat niet over schade-uitkeringen in verband met reizen. Het college ziet daarom geen aanleiding, ook niet ‘naar de geest toegepast’ om zijn uitspraak te wijzigen. Het college vindt het terecht dat dit bedrag in het saldo zit begrepen. De verzekeringsuitkering is op 22 februari 2013 bijgeschreven en was beschikbaar om de belasting van te betalen. Verzoekers hebben immers de keuze om wel of niet daadwerkelijk op vakantie te gaan en/of de belasting te betalen, aldus het college.

REACTIE VAN VERZOEKERS

Verzoekers zijn in de gelegenheid gesteld op de reactie van het college te reageren. In hun reactie hebben zij aangegeven dat zij in hun brief van 1 augustus 2013 hadden gevraagd om een gesprek met de wethouder; de brief was gericht aan het college van burgemeester en wethouders. Toch werden verzoekers gebeld door de ambtenaar die de kwestie steeds heeft behandeld. Deze man vertelde mevrouw dat de wethouder er niet over wil praten en vindt dat de ambtenaar het juist beslist heeft. Tevens deelde hij mee dat de schriftelijke beslissing er al lag en er niet nog een schriftelijke reactie van de gemeente komt.

Ten aanzien van de vakantiereis hebben verzoekers toegelicht dat zij in mei 2012 een reis naar Turkije cadeau hadden gekregen van hun kinderen. Deze reis moest worden geannuleerd i.v.m. ziekte. Vervolgens werd op 18 december 2012 een reis geboekt en betaald naar Gran Canaria. Mijnheer kwam op de eerste vakantiedag ten val en belandde in het ziekenhuis. Verzoekers zijn daarna zo snel mogelijk naar huis gegaan. Mijnheer is na terugkomst in Nederland opgenomen in een verpleeghuis.

In mei 2013 is mevrouw alsnog alleen op vakantie geweest. Zij is zelf ernstig ziek en heeft jarenlang als mantelzorger voor haar man gezorgd. Verzoekers vinden de opmerking van de gemeente dat zij de keuze had om op vakantie te gaan of de gemeentelijke belasting te betalen beneden alle peil.

Desgevraagd hebben verzoekers aangegeven dat het klopt dat zij tweemaal een uitkering van de reisverzekering hebben ontvangen, maar daar staat tegenover dat er driemaal een vakantiereis is betaald. Wanneer het geld niet aan de vakantie was besteed, zou het aan de kinderen zijn teruggegeven.

Het bedrag van € 1.056,50 is ontvangen op 22 februari 2013 en heeft betrekking op de tweede reis. Dit bedrag is in het banksaldo begrepen waarop de vermogenstoets is toegepast.

WAT IS HET OORDEEL VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN?

Redelijkheidsvereiste
Het redelijkheidsvereiste houdt in dat de overheid de verschillende belangen tegen elkaar afweegt voordat zij een beslissing neemt. De uitkomst daarvan mag niet onredelijk zijn.

Het redelijkheidsvereiste brengt met zich mee dat een overheidsinstantie, in het kader van een verzoek om kwijtschelding, de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 naar de geest toepast, indien een letterlijke toepassing tot een onredelijke en onbedoelde uitkomst leidt.

Als een vermogensbestanddeel met een specifiek doel is verkregen, bijvoorbeeld om aan te wenden voor het herstel van schade, is er een spanningsveld tussen dat doel en de toepasselijke regelgeving voor kwijtschelding. In een dergelijke situatie kan er aanleiding bestaan voor een ruimhartige opstelling van de betrokken overheidsinstantie.

De Nationale ombudsman heeft in een aantal gevallen geoordeeld dat een vermogensbestanddeel buiten de vermogenstoets diende te blijven:

  1. Rapport 2013/093 ging om een bedrag dat door een verzekeringsmaatschappij was uitgekeerd als vergoeding voor brandschade.
     
  2. Rapport 2014/025 betrof een vergoeding voor immateriële schade (smartengeld) dat betrokkene was toegekend vanwege een ernstig ongeval.
     
  3. Rapport 2013/030 betrof zowel een uitkering op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten als een uitgekeerde langdurigheidstoeslag.
     

Maatwerk
Als een vermogensbestanddeel buiten de vermogenstoets wordt gelaten, betekent dat niet dat dit tot in lengte van jaren zo moet blijven. Te denken valt aan een overgangssituatie, waarin het vermogensbestanddeel geheel of gedeeltelijk niet wordt meegeteld bij de berekening van het vermogen. De lengte van een overgangsperiode is maatwerk.

De Nationale ombudsman acht het echter wenselijk dat de betrokken overheidsinstantie inzichtelijk maakt welke criteria zij hanteert bij de afweging hoe en hoelang zij rekening houdt met het specifieke doel van het vermogensbestanddeel. Dit beleid dient algemeen en individueel kenbaar en toegankelijk te worden gemaakt. Bijvoorbeeld door het op de website te publiceren of door betrokkenen in het individuele geval vooraf te informeren over dit beleid en wat dat voor hen concreet betekent. Dit brengt met zich mee dat een invorderingsambtenaar bij de berekening van de betalingscapaciteit bij een verzoek om kwijtschelding of een herzieningsverzoek de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 naar de geest toepast indien een letterlijke toepassing tot een onredelijke en onbedoelde uitkomst leidt.

Kwijtscheldingsverzoek
Verzoekers hebben voor een viertal vermogensbestanddelen verzocht deze niet mee te tellen als vermogen. Het college was het met verzoekers eens dat de verzekeringsuitkering wegens schade aan de woning en de uitkeringen op grond van de Wet Tegemoetkoming Chronisch Zieken en gehandicapten en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning in beginsel buiten de berekening diende te blijven. Het college maakte daarbij echter de kanttekening dat hiervoor een beperkte duur geldt.

Het college hanteert als beleidsregel dat uitkeringen die dienen ter voldoening van zorgkosten, zoals uitkeringen op grond van de Wet Tegemoetkoming Chronisch Zieken en gehandicapten en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, in beginsel slechts één maand buiten aanmerking blijven, omdat het geld doorgaans binnen die maand zal zijn besteed. Als het bedrag na een maand nog op de rekening staat is het kennelijk beschikbaar als vermogen, aldus het college. De Nationale ombudsman vindt dit beleid redelijk, te meer daar dit beleid slechts als uitgangspunt wordt gehanteerd en in individuele gevallen maatwerk mogelijk blijft.

Ten aanzien van de verzekeringsuitkering wegens schade aan de woning oordeelde de gemeente dat de uitkering drie maanden voor de beoordeling van het kwijtscheldingsverzoek is ontvangen, zodat het, volgens het college, aannemelijk is dat de uitkering inmiddels is besteed aan de noodzakelijke vervanging en herstel. Het college heeft daarbij erop gewezen dat uit de bankoverzichten blijkt van een aanzienlijke besteding bij GAMMA kort na ontvangst van de verzekeringsuitkering. De Nationale ombudsman kan zich hierin vinden. Daarbij neemt hij in overweging dat verzoekers, zoals het college heeft gesteld, niet aannemelijk hebben gemaakt dat een en ander anders is.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat het college de verzekeringsuitkering wegens een geannuleerde vakantie redelijkerwijs terecht (wel) in de vermogensberekening heeft betrokken.

De gevallen waarin een vermogensbestanddeel alsnog buiten de vermogenstoets moet blijven, dienen beperkt te blijven tot uitzonderlijke gevallen. Alleen bij ernstige bezwaren dient tot een dergelijke maatregel te worden overgegaan. Een verzekeringsuitkering wegens een geannuleerde vakantie is hiervoor van onvoldoende gewicht. Met name omdat de uitkering (vooral) bestond uit een terugbetaalde reissom en zodoende betrekking had op uitgaven die reeds waren gedaan. Dit betekent dat het terugontvangen bedrag, anders dan voor de verzekeringsuitkering wegens schade aan de woning waarmee noodzakelijk uitgaven moesten worden gedaan, volledig vrij te besteden was.

Hieraan doet niet af dat verzoekers het geld hadden bestemd voor een vervangende vakantie. Immers kan deze situatie op één lijn gesteld worden met degene die een deel van zijn spaargeld heeft bestemd voor een vakantiereis. Dat vermogen zou net zo goed in aanmerking zijn genomen.

Voor verzoekers zal het wrang overkomen dat dit betekent dat zij worden 'gedwongen' met het geld dat zij van hun kinderen hebben gekregen voor een reis de aanslag gemeentebelastingen te betalen. Verzoekers hebben echter onvoldoende aangetoond dat, hoe en onder welke voorwaarden de schenking precies heeft plaatsgevonden, zodat het redelijk is dat het college daar geen rekening mee heeft gehouden.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat het college het verzoek om kwijtschelding terecht heeft afgewezen. De beslissing is behoorlijk.

CONCLUSIE

De klacht over het college van burgemeester en wethouders van Purmerend is niet gegrond.
 

De Nationale ombudsman,
 

mr. F.J.W.M. van Dooren,
waarnemend ombudsman

ONDERZOEK

Op 16 september 2013 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mijnheer en mevrouw P. uit Purmerend (hierna: verzoekers). Het verzoekschrift, dat is ingediend door H. Karels, vrijwilliger van de Regionale Stichting WonenPlus te Purmerend, bevat een klacht over een gedraging van de heffingsambtenaar van de gemeente Purmerend. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: het college), werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het college op 13 januari 2014 verzocht op de klacht te reageren en zijn aan het college enkele vragen gesteld. Het college heeft op 31 januari 2014 aan dit verzoek voldaan. Op 27 februari 2014 hebben verzoekers hierop gereageerd.

Op 9 juli 2014 zijn nog enkele specifieke vragen gesteld aan verzoekers, voorts is aan het college gevraagd afschriften van de onderliggende stukken te overleggen. Verzoekers hebben de vragen beantwoord op 14 juli 2014. Het college heeft op 21 juli 2014 aan het verzoek voldaan.

In het kader van het onderzoek is op 3 oktober navraag gedaan bij het college en zijn enkele vragen gesteld. Deze zijn op 6 oktober, per e-mail, beantwoord.

Op 15 oktober 2014 zijn nog enkele vragen aan verzoekers gesteld. Deze zijn op 29 oktober beantwoord.

In het kader van het onderzoek kregen betrokkenen op 10 november 2014 gelegenheid om op de bevindingen te reageren.

Verzoekers hebben op 19 november 2014 enkele redactionele opmerkingen gemaakt. Deze opmerkingen zijn in dit rapport verwerkt. Het college heeft op 24 november laten weten geen aanleiding te zien voor een verdere inhoudelijke reactie.

INFORMATIEOVERZICHT

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

  • Verzoekschrift van 16 september 2013, met bijlagen:
       - Beroepschrift van verzoekers van 23 april 2013;
       - Uitspraak op beroepschrift van 24 juli 2013;
  • Reactie en standpunt van het college van 31 januari 2014;
  • Reactie verzoekers van 27 februari 2014;
  • Reactie verzoekers van 14 juli 2014;
  • Reactie van het college van 21 juli 2014;
  • Kort schriftelijk onderhoud met het college op 3 en 6 oktober 2014;
  • Reactie verzoekers van 29 oktober 2014 en 10 november 2014.

ACHTERGROND

Invorderingswet 1990

Artikel 26, lid 1:
"Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend."

Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990

Artikel 11
"Kwijtschelding wordt verleend voor:
a. het gehele op de belastingaanslag openstaande bedrag indien geen vermogen en geen betalingscapaciteit aanwezig is;
b. het openstaande bedrag van de belastingaanslag dat resteert nadat:
1°. het aanwezige vermogen is aangewend ter voldoening van de belastingaanslag;
2°. ten minste 80 percent van de betalingscapaciteit is aangewend;
een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 8 en artikel 18."

Artikel 12, lid 1
"Onder vermogen als bedoeld in artikel 11 wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en van zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Wet werk en bijstand, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en deze persoon die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen."

SAMENVATTING RAPPORT 2013/093 (24 JULI 2013)

Verzoeker vroeg Hefpunt om kwijtschelding van de belasting die hem over 2012 in rekening was gebracht. Hefpunt wees het verzoek om kwijtschelding af omdat verzoeker volgens de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 voldoende vermogen had om de belasting te betalen.
Verzoeker diende een klacht in bij de Nationale ombudsman. Verzoeker bracht naar voren dat de hoogte van zijn banksaldo werd veroorzaakt door het restbedrag van de schade-uitkering, die hij in 2008 had ontvangen van een verzekeringsmaatschappij ter vergoeding van brandschade aan zijn woning.
De Nationale ombudsman overwoog het volgende. Het redelijkheidsvereiste brengt met zich mee dat ene overheidsinstantie in het kader van een verzoek om kwijtschelding de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 naar de geest toepast. Onder omstandigheden kan dat betekenen dat de overheidsinstantie een bedrag dat door een verzekeringsmaatschappij is uitgekeerd als brandschade niet meerekent als vermogen. Er bestaat in zo'n situatie aanleiding voor een ruimhartige opstelling van de overheidsinstantie. Dat betekent niet dat het uitgekeerde bedrag tot in lengte van jaren buiten de vermogensberekening moet worden gelaten. Te denken valt aan een overgangssituatie van enkele jaren, waarin de uitkering geheel of gedeeltelijk niet wordt meegeteld bij de berekening van het vermogen. Volgens de Nationale ombudsman behoort de duur van de overgangsperiode maatwerk te zijn. In dit geval kon Hefpunt ervan uitgaan dat verzoeker vier of vijf jaar na de brand ruimschoots in staat was geweest de schade te herstellen. En dat hij in zou zien dat de kwijtschelding niet onbeperkt gedurende de loop der jaren zou worden voortgezet.

Zie voor het volledige rapport: http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/2013/093
 

SAMENVATTING RAPPORT 2013/030 (10 APRIL 2013)

Verzoekster had de gemeente Delft verzocht om kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen. De gemeente heeft haar verzoek niet ingewilligd, omdat zij over teveel vermogen op haar banksaldo beschikte. Op haar bankrekening was recent een bedrag aan langdurigheidstoeslag en een bedrag tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten gestort. Nadat de Nationale ombudsman hierover contact met de gemeente had opgenomen, zijn deze bedragen alsnog buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het vermogen. De Nationale ombudsman acht dit terecht.
Verzoekster had de gemeente Delft verzocht om kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen. De gemeente heeft haar verzoek niet ingewilligd, omdat zij over teveel vermogen op haar banksaldo beschikte. Op haar bankrekening was recent een bedrag aan langdurigheidstoeslag en een bedrag tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten gestort. Nadat de Nationale ombudsman hierover contact met de gemeente had opgenomen, zijn deze bedragen alsnog buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het vermogen. De Nationale ombudsman acht dit terecht.
Verzoekster had de gemeente Delft verzocht om kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen. De gemeente heeft haar verzoek niet ingewilligd, omdat zij over teveel vermogen op haar banksaldo beschikte. Op haar bankrekening was recent een bedrag aan langdurigheidstoeslag en een bedrag tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten gestort. Nadat de Nationale ombudsman hierover contact met de gemeente had opgenomen, zijn deze bedragen alsnog buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het vermogen. De Nationale ombudsman acht dit terecht.
Redelijkheidsvereiste. Klacht gegrond.

Verzoekster had de gemeente Delft verzocht om kwijtschelding van de gemeentelijk heffingen. De gemeente heeft haar verzoek niet ingewilligd, omdat zij over teveel vermogen op haar banksaldo beschikte. Op haar bankrekening was recent een bedrag aan langdurigheidstoeslag en een bedrag tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten gestort. Nadat de Nationale ombudsman hierover contact met de gemeente had opgenomen, zijn deze bedragen alsnog buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het vermogen. De Nationale ombudsman acht dit terecht. Redelijksheidsvereiste. Klacht gegrond.

Zie voor het volledige rapport: http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/2013/030

SAMENVATTING RAPPORT 2014/025 (27 MAART 2014)

Verzoekster heeft na een verkeersongeluk in 2009 voor opgelopen lichamelijk letsel smartengeld gekregen van € 20.000. Dat bedrag heeft zij apart gezet op een bankrekening. Verzoekster ontvangt bijstand en tot 2012 kwijtschelding van haar lokale heffingen. Op 21 februari 2013 meldt de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, dat verzoekster niet meer in aanmerking komt voor automatische kwijtschelding. Haar vermogen staat daaraan in de weg. Ook in beroep blijft de Belastingsamenwerking bij de afwijzing en verzoekster benadert de Nationale ombudsman.

Zij klaagt erover dat de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland de lokale heffingen voor 2013 niet kwijtscheldt. Tijdens het onderzoek door de Nationale ombudsman trekt de Belastingsamenwerking Gouwe Rijnland de reeds toegekende kwijtschelding voor 2012 in.

De Invorderingswet kent de mogelijkheid om in schrijnende gevallen kwijtschelding toe te passen. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman is hier sprake van een schrijnende situatie. Het smartengeld is toegekend voor het lichamelijk letsel dat verzoekster heeft opgelopen. In dat geval is het redelijk dat zij dit bedrag had gereserveerd voor voorzieningen op het moment dat de gevolgen van het opgelopen letsel daarom zouden vragen. Het is dan niet redelijk om van haar te verwachten dat zij het bedrag aanwendt voor dagelijkse verplichtingen, zoals het betalen van de lokale heffingen. Volgens de Nationale Ombudsman kan al sprake zijn van redelijk handelen wanneer bij de beoordeling van kwijtschelding een ontvangen smartengeld voor een aantal jaren buiten beschouwing wordt gelaten, mits de betrokken burger daar van te voren over wordt geïnformeerd.

De Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland heeft dat niet gedaan en daarom het redelijkheidsvereiste geschonden.

De Nationale Ombudsman heeft er met instemming van kennisgenomen dat de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland lopende het onderzoek bij de Nationale Ombudsman alsnog heeft afgezien van intrekking van de al verleende kwijtschelding over 2012 en alsnog voor de helft kwijtschelding heeft verleend over 2013.

De Nationale Ombudsman geeft de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland in overweging om kenbaar beleid te formuleren voor de beoordeling van kwijtscheldingsverzoeken in gevallen waarin sprake is van immateriële schadevergoeding of daarmee vergelijkbare uitkeringen.

Zie voor het volledige rapport: http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/2014/025

Publicatiedatum
Rapportnummer
2014/190