2014/152 Gemeente Wageningen berekent aflossing op basis van standaardpercentage in plaats van beslagvrije voet

Een vrouw moet een deel van haar WWB-uitkering terugbetalen aan de gemeente Wageningen. Hiervoor houdt de gemeente maandelijks een standaardpercentage van de lopende uitkering in. De vrouw klaagt bij de gemeente dat het bedrag te hoog is en zij daardoor in de financiële problemen is gekomen. Een door haar ingeschakelde persoon berekent de beslagvrije voet conform de wettelijke regels en hieruit volgt dat met het standaardpercentage de aflossing lange tijd te hoog is geweest. De gemeente reageert niet en blijft het standaardpercentage hanteren. De Nationale ombudsman stelt dan een onderzoek in. De gemeente erkent dat in het geval van mevrouw het hanteren van een standaardpercentage tot een te hoge maandelijkse inhouding had geleid. De gemeente zorgt voor een herberekening van de aflossingscapaciteit en stort de te veel ingehouden uitkering aan mevrouw terug. De gemeente gaat voortaan uit van de beslagvrije voet voor het bepalen van de aflossingscapaciteit.

Instantie: Gemeente Wageningen

Klacht:

in financiële problemen geraakt doordat het maandelijkse bedrag dat de gemeente (terugbetaling gedeelte WWB uitkering) inhield te hoog was

Oordeel: gegrond

Mevrouw moest een deel van haar WWB-uitkering terugbetalen aan de gemeente. De gemeente verrekende de terugvordering met de lopende uitkering door maandelijks een bedrag op die uitkering in te houden. De hoogte van dat maandelijkse bedrag stelde de gemeente vast door aan de hand van een standaardpercentage van de uitkering de aflossingscapaciteit te bepalen.

Mevrouw klaagde erover dat zij in de financiële problemen kwam doordat het maandelijkse bedrag dat de gemeente inhield te hoog was. Mevrouw liet haar aflossingscapaciteit opnieuw berekenen door een gemachtigde. De gemachtigde berekende de beslagvrije voet conform de wettelijke regels en hieruit volgde dat de gemeente, door een standaardpercentage te hanteren, gedurende een lange periode de aflossingscapaciteit te hoog had vastgesteld.

De gemeente reageerde niet op de signalen van de gemachtigde en bleef het standaardpercentage hanteren voor de berekening van de maandelijkse aflossingscapaciteit. De Nationale ombudsman stelde een onderzoek in en vroeg de gemeente waarom zij geen rekening hield met de beslagvrije voet, waar mevrouw recht op had. De gemeente erkende dat in het geval van mevrouw het hanteren van een standaardpercentage tot een te hoge maandelijkse inhouding leidde. De gemeente zorgde voor een herberekening van de aflossingscapaciteit en stortte de teveel ingehouden uitkering aan mevrouw terug. De gemeente gaf verder aan voortaan uit te gaan van de beslagvrije voet voor het bepalen van de aflossingscapaciteit.

De Nationale ombudsman vond de klacht van mevrouw en haar gemachtigde terecht, omdat de gemeente had gekozen voor een makkelijke wijze om de aflossingscapaciteit te berekenen door een standaardpercentage te hanteren en hierbij geen rekening te houden met het recht van mevrouw op behoud van de beslagvrije voet. De gemeente had hiermee gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.

De Nationale ombudsman nam er met instemming kennis van dat de gemeente in de zaak van mevrouw zorgde voor een correctie met terugwerkende kracht; maar ook dat de gemeente in toekomstige gevallen de beslagvrije voet zou gaan respecteren.

Klacht

Bevindingen

Verzoekster ontvangt een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) van de gemeente Wageningen. Over een bepaalde periode heeft zij teveel uitkering ontvangen, waardoor er een vordering van de gemeente op verzoekster ontstond. De gemeente besloot de openstaande vordering maandelijks met de lopende uitkering te verrekenen. Om het maandelijks in te houden bedrag vast te stellen, hanteerde de gemeente een percentage van 6% van de voor verzoekster geldende bijstandsnorm. Dit percentage is vastgelegd in de Beleidsregels van de gemeente (zie Achtergrond onder 1). In verzoeksters situatie leidde dit er toe dat er, in ieder geval vanaf januari 2013, maandelijks ongeveer € 55,00 op haar uitkering werd ingehouden.

Door deze maandelijkse inhouding kwam verzoekster in financiële problemen en zij wendde zich met haar problemen tot Sociaal Raadslieden. Deze gemachtigde verzocht de gemeente op 20 november 2013 per mail niet het standaardpercentage van 6% te blijven hanteren bij het bepalen van de aflossingsruimte, maar een berekening van de beslagvrije voet te maken conform het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (zie Achtergrond onder 2). De gemachtigde legde ook berekeningen van de beslagvrije voet aan de gemeente over, waaruit bleek dat de maandelijkse aflossingsruimte voor verzoekster vanaf 1 januari 2013 geen € 55 zou moeten zijn, maar € 19,00 en vanaf 1 juli 2013 € 12,00. De gemeente bevestigde de ontvangst van het verzoek, maar verdere actie volgde niet. De gemeente bleef maandelijks hetzelfde bedrag inhouden.

Op 26 februari 2014 diende de gemachtigde een klacht in bij de gemeente over het uitblijven van een berekening van de beslagvrije voet ondanks een verzoek daartoe op 20 november 2013. De gemeente bevestigde op 27 februari 2014 de ontvangst van de klacht, maar omdat de gemeente vervolgens niet inhoudelijk op de klacht reageerde, legde de gemachtigde op 22 april 2014 de klacht voor aan de Nationale ombudsman. Hij klaagde er bij de Nationale ombudsman over dat de gemeente nog steeds niet had gereageerd op het verzoek van 20 november 2013 om toepassing van de beslagvrije voet en dus nog steeds teveel per maand inhield op de uitkering van mevrouw.

Op 7 mei 2014 legde de Nationale ombudsman een interventie voor aan de gemeente Wageningen met het verzoek alsnog zo snel mogelijk te reageren op het verzoek van de gemachtigde om de aflossingsruimte niet met een standaardpercentage te berekenen, maar de beslagvrije voet toe te passen. Op 21 mei 2014 liet de gemeente de Nationale ombudsman weten dat de klacht alsnog was opgepakt en dat de aflossingsruimte vanaf 1 januari 2013 opnieuw was berekend. De gemeente had per gelijke post, op 21 mei 2014, een brief naar de gemachtigde gestuurd, waarin de gemeente liet weten de aflossingsruimte vanaf 1 januari 2013 opnieuw berekend te hebben met inachtneming van de beslagvrije voet. Dit resulteerde in een terugbetaling op 13 juli 2014 aan mevrouw van € 474,00 aan teveel ingehouden uitkering over het jaar 2013. Uit de herberekening bleek dat in de periode van 1 januari 2013 tot 1 juli 2013 per maand € 36,00 teveel was ingehouden op de uitkering van verzoekster en in de periode van 1 juli 2013 tot 1 januari 2014 per maand € 43,00 teveel. De gemeente vroeg de gemachtigde in diezelfde brief om aanvullende informatie op te sturen, waarmee ook de maandelijkse aflossingsruimte vanaf 1 januari 2014 opnieuw kon worden berekend.

Bij brief van 26 mei 2014 verstrekte gemachtigde aan de gemeente de gevraagde informatie. Ook op de uitkering over de maand juni 2014, die op 15 juli 2014 werd uitbetaald, verrekende de gemeente nog met het standaardpercentage van 6%. Op 21 juli 2014 drong gemachtigde per e-mail opnieuw bij de gemeente aan om de beslagvrije voet in acht te nemen.

In een e-mail van 26 mei 2014 bevestigde de behandelend ambtenaar van de gemeente aan de Nationale ombudsman dat door de gemeente standaard een percentage van 6% van de geldende bijstandsnorm wordt gehanteerd om de aflossingsruimte te berekenen. De behandelaar erkende echter dat hierdoor geen rekening was gehouden met andere posten zoals woonlasten en zorgkosten.

Eind juli 2014 vroeg de Nationale ombudsman de gemeente waarom zij in de zaak van mevrouw in eerste instantie een standaardpercentage (van 6%) had gehanteerd en niet de berekening van de beslagvrije voet conform het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering had gebruikt voor het bepalen van de maandelijkse aflossingsruimte. De Nationale ombudsman wees de gemeente op een Verzamelbrief van 9 februari 2009 van de toenmalig staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan onder meer alle colleges van burgemeester en wethouders en directeuren Sociale Dienst en hoofden Sociale Zaken (zie Achtergrond onder 3). In die brief had de staatssecretaris aandacht gevraagd voor de juiste berekening van de beslagvrije voet en daarvoor zelfs een rekentool beschikbaar gesteld.

De gemeente Wageningen liet de Nationale ombudsman medio augustus 2014 het volgende weten. Na de klacht van gemachtigde was de gemeente vanaf maart 2014 aan de slag gegaan met het aanpassen van zijn beleid op het punt van het berekenen van de aflossingsruimte. In eerste instantie wilde de gemeente het beleid zo aanpassen dat het hanteren van een standaardpercentage van 6% mogelijk bleef met die kanttekening dat het aflossingsbedrag niet meer mocht bedragen dan hetgeen volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou mogen komen (zie Achtergrond onder 4). In zijn reactie van medio augustus 2014 liet de gemeente echter weten het standaardpercentage van 6% helemaal uit de (nog definitief vast te stellen) beleidsregel te zullen schrappen, omdat de rekenmethodiek zoals beschreven in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van hogere orde is.

Hoewel de nieuwe beleidsregel nog niet in werking was getreden medio augustus 2014 had de gemeente de werkinstructies voor de medewerkers op het punt van het berekenen van de aflossingsruimte al enkele maanden daarvoor aangepast, zodat medewerkers vanaf juni 2014 daadwerkelijk de rekenmethodiek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gaan volgen en niet meer het standaardpercentage van 6% hanteren.

Beoordeling

Behoorlijk overheidsoptreden houdt onder meer in dat de gemeente voldoet aan het redelijkheidsvereiste. De gemeente dient de verschillende belangen tegen elkaar af te wegen voordat zij een beslissing neemt. De uitkomst hiervan mag niet onredelijk zijn.

Voor de gemeente is het hanteren van een standaardpercentage een eenvoudige wijze om de maandelijkse aflossingsruimte vast te stellen. Hier tegenover staat het belang van de burger om een bepaald bestaansminimum te behouden. Dit bestaansminimum wordt in de wet gegarandeerd doordat is vastgelegd hoe de beslagvrije voet en daarmee de aflossingsruimte moet worden berekend.

In het geval van verzoekster is ongeveer € 40,00 per maand teveel ingehouden op haar uitkering doordat de beslagvrije voet niet is gerespecteerd. Op jaarbasis (2013) ging het om een bedrag van € 474,00 dat verzoekster tekort kwam. De keuze van de gemeente een standaardpercentage te hanteren pakt in verzoeksters situatie nadelig uit. Daarmee is de uitkomst van de belangenafweging onredelijk geweest. De garantie op een bestaansminimum moet namelijk prevaleren; het bestaansminimum is niet voor niets in de wet gegarandeerd. Het is bedoeld om te voorkomen dat mensen in – nog grotere – financiële nood komen. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de onderzochte gedraging van het college van burgemeester en wethouders van Wageningen niet behoorlijk is.

Slotbeschouwing

Hoewel de gemeente naar aanleiding van de klacht van de gemachtigde haar werkinstructies en beleidsregels is gaan aanpassen op het punt van het berekenen van de maandelijkse aflossingsruimte, heeft de gemeente verzuimd de gemachtigde hiervan op de hoogte te stellen en aan te geven op welk moment dit voor verzoekster effect heeft. Omdat de gemachtigde na indiening van zijn klacht geen reactie kreeg van de gemeente, wist hij niet dat de gemeente bezig was met het aanpassen van de werkinstructies en het beleid en dat dit ook tot een correctie in de zaak van zijn cliënte zou gaan leiden. Hierdoor zag de gemachtigde zich genoodzaakt zich tot de Nationale ombudsman te wenden. Dit is een gemiste kans voor de gemeente.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het college van burgemeester en wethouders van Wageningen is gegrond wegens schending van het redelijkheidsvereiste.

Instemming

De Nationale ombudsman heeft met instemming ervan kennisgenomen dat het college van burgemeester en wethouders van Wageningen de maandelijkse aflossingsruimte opnieuw heeft berekend conform het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het teveel ingehouden bedrag aan verzoekster heeft teruggestort. En tevens heeft de Nationale ombudsman met instemming ervan kennisgenomen dat het college van burgemeester en wethouders naar aanleiding van de klacht de werkinstructies voor zijn medewerkers heeft aangepast en de beleidsregels gaat aanpassen op het punt van berekening van de aflossingsruimte.

De Nationale ombudsman,

mr. F.J.W.M. van Dooren,

Waarnemend ombudsman

Onderzoek

Op 23 april 2014 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van Sociaal Raadslieden uit Wageningen, namens mevrouw M. uit Wageningen, met een klacht over een gedraging van de gemeente Wageningen.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van het college van burgemeester en wethouders van Wageningen, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het college van burgemeester en wethouders van Wageningen verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Achtergrond

Beleidsregels Terugvordering van de gemeente Wageningen (oud)

Artikel 15 onderdeel a tot en met d

Berekening aflossingsbedrag

De aflossingsbedragen worden vastgesteld volgens de actueel geldende bijstandsnormen.

In afwijking van het gestelde onder onderdeel a wordt het aflossingsbedrag bij een inkomen uit studiefinanciering vastgesteld op € 15,00 per maand.

Bij wijzigingen van het minimumloon en de daaraan gekoppelde bijstandsnorm worden voor de debiteuren die een bijstandsuitkering van de gemeente Wageningen ontvangen de aflossingsbedragen opnieuw vastgesteld.

De aflossingsruimte voor debiteuren met een inkomen/uitkering ter hoogte van de bijstandsnorm is gelijk aan 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld.

(…)

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Artikel 475 d onderdeel 1 en 5

1.De beslagvrije voet bedraagt voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:

a. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van Wet werk en bijstand die beiden 21 jaar of ouder zijn: negentig procent van de norm genoemd in artikel 21, onderdeel c, respectievelijk artikel 22, onderdeel c en d, van die wet;

b. een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand die 21 jaar of ouder zijn, maar nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt:

1°. indien het periodieke inkomen bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van dat inkomen inclusief de vakantie-aanspraak, doch ten minste 90 procent van de norm genoemd in artikel 21, onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand en ten hoogste 90 procent van die norm nadat deze eerst is verhoogd met het bedrag genoemd in artikel 25, tweede lid, van die wet;

2°. indien het periodieke inkomen niet bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van de norm genoemd in artikel 21, onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand;

c. een alleenstaande en een alleenstaande ouder vanaf het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt: negentig procent van de norm genoemd in artikel 22, onderdeel a en b, van die wet.

(…)

5. De beslagvrije voet wordt verhoogd met:

a. de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en vierde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt;

b. de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft.

(…)

Verzamelbrief SZW van 9 februari 2009 met kenmerk RUA/RB/2009/684

Paragraaf 18 Beslagvrije voet bij verrekening en beslaglegging – Rekentool

"Op 11 maart 2008 heeft mijn ambtsvoorganger tijdens het in ontvangst nemen van het rapport ‘Mensen met schulden in de knel’ van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR), toegezegd het punt van de beslagvrije voet bij verrekening en beslaglegging nog eens bij u onder de aandacht te brengen.

Uit de bevindingen van de steekproef die de LOSR heeft uitgevoerd onder gemeenten blijkt dat sociale diensten problemen hebben met het correct toepassen van de beslagvrije voet. SZW wil de sociale diensten graag behulpzaam zijn bij het opvolgen van de wettelijke voorschriften op dit punt. Temeer daar het hier gaat om een kwetsbare groep. Door onjuiste berekening van de beslagvrije voet houden uitkeringsgerechtigden een te laag besteedbaar inkomen over. Uit de steekproef van de LOSR is gebleken dat er in voorkomende gevallen op jaarbasis tot € 500,- teveel verrekend wordt. Armoedebestrijding staat hoog op de agenda. Een onjuiste berekening van de beslagvrije voet kan afbreuk doen aan uw gemeentelijk armoedebeleid.

Om u te ondersteunen in het correct berekenen van de beslagvrije voet heb ik in samenwerking met Stimulansz en de LOSR een rekentool hiervoor ontwikkeld. Deze rekentool wordt met ingang van 1 februari 2009 gratis aan u beschikbaar gesteld."

"De rekentool is te vinden op http://wwb-beslagvrijevoet.nl. Met deze rekentool kunt u binnen enkele minuten de beslagvrije voet en daarmee de incassoruimte voor bijstandsgerechtigden berekenen. De rekenhulp hanteert de systematiek zoals die in de wet is vastgelegd. De ‘kale’ beslagvrije voet van 90% wordt verhoogd met de woonkosten en de premie zorgverzekeringen conform artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze werkwijze impliceert dat u bij de uitkeringsgerechtigden de hoogte van de (reken)huur en de premie ziektekostenverzekering (incl. aanvullende verzekeringen) uitvraagt, voordat u beslag legt of gaat verrekenen. De hoogte van de huurtoeslag en de zorgtoeslag kunnen door de rekentool automatisch worden berekend. Ik adviseer u deze rekenhulp ter beschikking te stellen aan uw medewerkers.

Daarnaast roep ik u op om de bestaande beslagleggingen en verrekeningen tegen het licht te houden en te actualiseren. Mogelijk wordt er teveel ingehouden, waardoor mensen verder in de knel komen. Periodiek (per 1 januari en 1 juli) dient de beslaglegging of verrekening aangepast te worden aan de indexering van de bijstandsnorm, huur, huurtoeslag, zorgtoeslag en premie ziektekostenverzekering. Ook daarvoor kunt u de rekentool gebruiken."

Beleidsregels Terugvordering van de gemeente Wageningen (concept)

Artikel 13 eerste lid

Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering

Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de WWB, de IOAW of de IOAZ, bedraagt de aflossingsverplichting 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de maximale toeslag, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende, van de IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking komt.

(…)

Publicatiedatum
Rapportnummer
2014/152