2011/128: Moeder klaagt over partijdigheid in onderzoeken RvdK

Gescheiden moeder van kind klaagt over de Raad voor de Kinderbescherming. Kern van de klachten is dat de Raad zich partijdig heeft opgesteld en het raadsrapport heeft toegeschreven naar een van tevoren vaststaande conclusie, namelijk dat de dochter omgang met de vader moest hebben en dat het door haar vermoedde misbruik niet plaatsgevonden kan hebben. De Nationale ombudsman vindt dat de Raad de schijn van partijdigheid heeft gewekt door in een procedure tussen de ex-echtelieden, waar de Raad niet in betrokken was stukken over de omgangsregeling naar de rechtbank te sturen. Verder vindt de ombudsman dat de stelling van de Raad dat er niet aan waarheidsvinding wordt gedaan, geen vrijbrief is om de mening van één van de strijdende partijen zonder verifiëring in de rapportages op te nemen (zie ook rapport 2011/015). De ombudsman vindt ook dat de Landelijk Directeur een goede belangenafweging heeft gemaakt bij het uitbrengen van het rapport tijdens de rechtszaak.

Instantie: Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar

Klacht:

op eigen initiatief contact opgenomen met de rechtbank

Oordeel: gegrond

Instantie: Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar

Klacht:

rechtbank niet geïnformeerd over de uitkomst van de klachtenprocedure

Oordeel: gegrond

Instantie: Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar

Klacht:

zorgvuldigheid raadsonderzoek

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar

Klacht:

niet willen tegenhouden van het raadsrapport door de Landelijk Directeur van de Raad

Oordeel: niet gegrond

Naar aanleiding van een AMK-melding had de Raad voor de Kinderbescherming eind 2008 een beschermingsonderzoek ingesteld voor de dochter van verzoekster. Naar aanleiding van het verzoek van haar ex-partner, heeft de Raad dit onderzoek begin 2009 uitgebreid met een onderzoek naar het gezag en de verblijfplaats. Deze onderzoeken hebben uiteindelijk geleid tot meerdere klachten over de Raad.

Verzoekster had in het kader van een rechtszaak met haar ex-partner bij de rechtbank een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor ingediend. Zodra de Raad door haar ex-partner hiervan op de hoogte was gesteld, heeft de Raad op eigen initiatief contact opgenomen met de rechtbank. Deze klacht is gegrond verklaard, wegens schending van het vereiste van onpartijdigheid.

Ongeveer in dezelfde periode liep ook de interne klachtenprocedure bij de Raad naar aanleiding van het raadsrapport. Verzoekster heeft de Raad verzocht het raadsrapport nog niet uit te brengen, zolang de klachtenprocedure liep. Deze klacht, getoetst aan het vereiste van redelijkheid, is ongegrond verklaard. Een andere klacht van verzoekster betrof het niet informeren van de rechtbank door de Raad over de uiteindelijke uitkomst van de interne klachtenprocedure. Deze klacht is getoetst aan het vereiste van professionaliteit en gegrond verklaard.

De laatste klacht van verzoekster betrof de zorgvuldigheid van het raadsrapport. Deze klacht is ook getoetst aan het vereiste van professionaliteit en ongegrond verklaard.

Inleiding en verloop onderzoek

Verzoekster, mevrouw W. is getrouwd geweest met heer B. Uit dit huwelijk is in juli 2006 een dochter geboren. Mevrouw W. en de heer B. scheidden in oktober 2007. Bij beschikking van de rechtbank Alkmaar werd op 19 juni 2008 een omgangsregeling vastgesteld. Begin juli 2008 is verzoekster voor het eerst met haar dochter naar een kinderarts gegaan in verband met een vermoeden van seksueel misbruik door de heer B. Op 23 juli 2008 heeft zich in het kader van de omgangsregeling een incident voorgedaan tussen mevrouw W. en de heer B. Beiden hebben hiervan bij de politie aangifte gedaan. Naar aanleiding van dit incident heeft de politie een melding bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) gedaan. Op grond van een melding van het AMK startte de Raad voor de Kinderbescherming op 10 december 2008 met een beschermingsonderzoek. Op 9 februari 2009 ontving de Raad van de rechter tevens het verzoek een onderzoek in te stellen naar het gezag en de verblijfplaats, naar aanleiding van een verzoek van de heer B. Nadat verzoekster op 23 maart 2009 klachten bij de Raad had ingediend, werd het raadsonderzoek tijdelijk stil gelegd. De Raad had ondertussen besloten om een andere raadsonderzoeker aan het onderzoek te koppelen, nu verzoekster geen vertrouwen meer had in de vorige raadsonderzoeker. Op 4 juni 2009 is de Raad verder gegaan met het raadsonderzoek. In de tussentijd had er een multidisciplinair overleg plaatsgevonden. Daarin was besloten dat de inhoud van de eerdere gespreksvoering met de ouders en de reeds opgevraagde informatie bij een informant niet zouden worden gebruikt voor het onderzoek. Ook werd afgesproken dat er opnieuw besluitvorming zou plaatsvinden over de aanpak van het onderzoek. Op 31 augustus 2009 verzocht de rechtbank de Raad om het reeds lopende onderzoek uit te breiden met de vraag of het door verzoekster aangevraagde eenhoofdig gezag in het belang van haar dochter was.

Verzoekster heeft na 23 maart 2009 nog een aantal klachten bij de Raad ingediend. Een aantal daarvan heeft zij later ook bij de Nationale ombudsman ingediend, waarna deze op 7 oktober 2009 een onderzoek heeft ingesteld naar de gedraging van de Raad. Deze gedraging werd in eerste instantie aangemerkt als een gedraging van de minister voor Jeugd en Gezin. Sinds het opheffen van het ministerie voor Jeugd en Gezin ligt de verantwoordelijkheid voor de Raad bij de staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie. Zowel de Raad, als de minister kregen de gelegenheid om op het onderzoek en elkaars reacties te reageren. Ook zijn er aanvullende vragen aan de partijen gesteld waarop deze hebben geantwoord.

Tijdens dit onderzoek heeft mevrouw W. nieuwe klachten aan de Nationale ombudsman voorgelegd. De kern van de klachten van mevrouw W. is dat de Raad zich partijdig heeft opgesteld en het raadsrapport heeft toegeschreven naar een van tevoren vaststaande conclusie, namelijk dat haar dochter omgang met haar vader moest hebben en dat het door haar vermoedde misbruik niet plaatsgevonden kan hebben. Het definitieve raadsrapport werd op 26 januari 2010 uitgebracht. Verzoekster wendde zich met haar andere klachten over de Raad eveneens tot de Nationale ombudsman. In eerste instantie werd naar deze klachten geen onderzoek ingesteld omdat deze nog niet waren voorgelegd aan de Raad zelf. Nadat hieraan wel was voldaan, werd besloten om naar een deel van haar klachten alsnog onderzoek in te stellen en om dit onderzoek, gezien de aard van de klachten, samen te voegen met het al geopende onderzoek naar haar eerste klacht.

Op 14 oktober 2010 heeft de Nationale ombudsman het verslag van bevindingen op het eerder geopende onderzoek samen met de openingsbrief van het tweede onderzoek en de al opgestelde bevindingen aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de Raad voor de Kinderbescherming en verzoekster toegestuurd. Allen kregen het verzoek om uiterlijk binnen vier weken hierop te reageren.

Omdat van de staatssecretaris en de Raad geen reactie werd ontvangen, heeft er meerdere malen contact plaatsgevonden tussen de Nationale ombudsman en de Raad voor de Kinderbescherming over het uitblijven van de reactie. Uiteindelijk is er op 15 maart 2011 een brief naar de staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie verstuurd. In deze brief werd aangekondigd dat wanneer er op 28 maart 2011 geen reactie was ontvangen het rapport zonder de reactie van het ministerie en de Raad zou worden uitgebracht. Deze reactie is binnengekomen op 28 maart 2011.

De door verzoekster voorgelegde klachten zijn als volgt geformuleerd:

Klacht

Verzoekster klaagt erover dat de regiodirecteur van de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar (hierna: De Raad), nadat verzoeksters ex-echtgenoot de Raad op de hoogte had gesteld van verzoeksters verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, op eigen initiatief contact heeft opgenomen met de rechtbank en deze ongevraagd informatie heeft verstrekt over het lopende raadsonderzoek.

Verder klaagt verzoekster erover dat de Landelijke Directie van de Raad de rechtbank niet heeft geïnformeerd over de uitkomst van de klachtprocedure terwijl een deel van haar klacht over de informatieverstrekking naar de rechtbank gegrond is verklaard.

Tevens klaagt verzoekster erover dat de Raad voor de Kinderbescherming, regio Alkmaar, bij het uitgevoerde raadsonderzoek dit onzorgvuldig heeft gedaan en dit naar een op voorhand vaststaande conclusie heeft toegeschreven. Verzoekster heeft daarover onder meer aangegeven dat de Raad bij het onderzoek geen gebruik heeft willen maken van het door haar ter beschikking gestelde bewijsmateriaal. Enerzijds heeft de Raad aangegeven niet aan waarheidsvinding te doen, maar anderzijds heeft zij wel gesteld dat er geen sprake is geweest van misbruik.

Daarnaast klaagt verzoekster erover dat de Landelijk Directeur van de Raad, hoewel zij daartoe wel bevoegd was, dit raadsrapport niet heeft willen tegenhouden, terwijl verzoekster hierom wel had verzocht en dit raadsrapport inmiddels onderuit was gehaald door contra-expertise van Professor Bullens.

Ten aanzien van de klacht over het op eigen initiatief contact opnemen met de rechtbank

Visie verzoekster

1. Mevrouw W. was van mening dat er tijdens het raadsonderzoek zoveel mis was gegaan, dat zij het nodig vond alle betrokkenen door de Rechter-Commissaris te laten horen. Zij wilde bepaalde uitspraken in een officieel verhoor laten vastleggen. Het ging verzoekster daarbij met name om de uitspraken van de verschillende deskundigen over het vermeende misbruik. Haar advocaat heeft daartoe op 21 mei 2009 een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank ingediend. Dit verzoek was gericht tegen de heer B. en het ging om het horen van vijf getuigen. Op 2 juli 2009 werd dit verzoek door de rechtbank behandeld.

Nadat haar ex-echtgenoot dit verzoek tot voorlopig getuigenverhoor had ontvangen, heeft hij hierover contact opgenomen met de raadsonderzoekster. Naar aanleiding van dat contact heeft de Raad de rechtbank geïnformeerd over het lopende raadsonderzoek. Verzoekster vindt dat de Raad zich niet in dit verzoek had mogen mengen, omdat zij op dat moment nog geen procespartij was. Zij had dit verzoek alleen aan haar ex-partner en de rechtbank gericht, de Raad wist officieel nog van niets en was dus officieel nog geen procespartij. Verzoekster heeft haar verzoekschrift destijds bewust nog niet naar de verschillende te horen getuigen, waaronder de raadsonderzoekster, verstuurd. Ten eerste omdat het haar vertrouwenspersoon bekend was dat de Raad ook bij strafrechtelijke aangiften tegen raadsmedewerkers direct de Officier van Justitie benadert om een strafrechtelijk onderzoek te voorkomen. Daarnaast wilde zij voorkomen dat de verschillende getuigen hun verklaringen op elkaar af zouden stemmen. Dit verzoek is toen al wel naar haar ex-partner verstuurd omdat hij volgens haar advocaat partij en belanghebbende in deze zaak was. Verzoekster is van mening dat artikel 810 lid 2 Rv, (waarin is bepaald dat de Raad bevoegd is om zijn mening ongevraagd aan de rechter kenbaar te maken, indien de Raad dit met het oog op de belangen van de minderjarige noodzakelijk acht) niet van toepassing was. Het betrof hier niet de positie van de minderjarige, maar het ging om het horen van professionals. De Raad had zich dan ook pas in dit verzoek mogen mengen op het moment dat het voorlopig getuigenverhoor zou zijn toegelaten. Door zich wel in dit verzoek te mengen heeft de Raad partijdig gehandeld. Dit zou ook strijdig zijn met de scheiding der machten, in welk kader ketensamenwerking niet kan passen. Nu de Raad zelf heeft aangegeven contact te hebben opgenomen in het kader van goede ketensamenwerking geeft dit aan dat er van onafhankelijke rechtspraak geen sprake is en / of dat er hele korte lijntjes tussen de Raad en de rechtbank zijn. Dit gevoel wordt nog eens versterkt omdat de rechtbank de stukken van de Raad hieromtrent niet heeft teruggestuurd naar de Raad, maar deze ook niet in kopie heeft doorgestuurd naar haar advocaat.

2. De hele situatie rondom de AMK melding, de totstandkoming van het raadsrapport en de gang van zaken rondom het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, hebben bij verzoekster de indruk gewekt dat de Raad wilde voorkomen dat haar medewerkers die bij de totstandkoming van het raadsrapport de waarheid geweld aan hebben gedaan, onder ede in de problemen zouden komen. Zij is dan ook van mening dat haar verzoekschrift tot een voorlopig getuigenverhoor niet hetzelfde onderzoeksterrein bestreek als het beschermingsonderzoek van de Raad. Het onderzoeksterrein van het verzoekschrift was namelijk om duidelijk te krijgen of het AMK rapport, wat aan de basis lag van het beschermingsonderzoek, op de juiste methoden is gebaseerd, of deze methoden door de wetenschap worden onderbouwd en waarom er geen contra-expertise is ingezet. Dit waren juist zaken die de Raad tot verontwaardiging van verzoekster allemaal voor waar had aangenomen en die geen onderdeel uitmaakten van het beschermingsonderzoek.

Visie Raad voor de Kinderbescherming en de minister voor Jeugd en Gezin

3. De heer B. heeft, nadat hij het verzoek had ontvangen, contact opgenomen met de raadsonderzoekster omdat zij als een van de vijf getuigen in het verzoekschrift stond genoemd. Vervolgens heeft de raadsonderzoekster contact opgenomen met de juridisch deskundige van de Raad, met de vraag wat zij met dit verzoekschrift moest doen. De juridisch deskundige besloot hierop uit eigen beweging en uit zorgvuldigheids­overwegingen contact op te nemen met de Rechtbank om te laten weten dat de Raad bemoeienis met deze zaak had. De Raad is van mening dat het vanuit het oogpunt van correcte ketensamenwerking terecht is geweest dat er contact met de rechtbank is opgenomen. De Raad was op verzoek van de rechtbank namelijk bezig met het uitvoeren van een onderzoek in verband met de mogelijke gezagswijziging.

4. Daarnaast is de Raad van mening dat het een ieder, ook de Raad, vrijstaat om een informatieve brief naar de rechter te schrijven als er een dergelijk verzoekschrift is ingediend. Het is vervolgens aan de rechter of hij deze brief bij de behandeling van het verzoekschrift betrekt. De Raad heeft alle betrokken partijen een kopie van deze brief gestuurd om hen hiervan op de hoogte te stellen. De Raad achtte het voor een juiste beoordeling van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor noodzakelijk dat de rechtbank direct op de hoogte werd gesteld over de stand van zaken van het raadsonderzoek, omdat het verzoekschrift hetzelfde onderzoeksterrein bestreek als het beschermings­onderzoek waar de Raad op dat moment mee bezig was. Dit liet onverlet dat de raadsonderzoekster bereid was als getuige te worden gehoord. Daarnaast heeft de Raad op grond van artikel 810 Rv de bevoegdheid om zijn mening ongevraagd aan de rechter kenbaar te maken, indien de Raad dit met het oog op de belangen van de minderjarige noodzakelijk acht. Gezien de samenhang met het raadsonderzoek, was de Raad van mening dat daarvan sprake was.

5. Over de zorgvuldigheid van het raadsrapport (omdat de Raad de AMK-melding niet zou hebben willen toetsen) liet de Raad weten dat het Hof zich daar inmiddels over had uitgesproken. De Raad verwees daarvoor naar de uitspraak van het Hof Amsterdam, van 1 juni 2010:

"Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de Raad in de onderhavige procedure geen onafhankelijke of objectieve rol inneemt of heeft ingenomen, dan wel dat het raadsonderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De stellingen van de moeder zullen in zoverre dan ook worden gepasseerd. "

Beoordeling

6. Het beginsel van onpartijdigheid brengt met zich mee dat de overheidsinstantie zich actief opstelt om elke vorm van een vooropgezette mening of de schijn van partijdigheid te vermijden. De houding van de overheidsinstantie tegenover de partijen en het onderwerp van de handelingen moet vrij zijn van vooringenomenheid en vooroordeel. Het gaat er hierbij ook om dat, ook al ís de overheidsinstantie niet vooringenomen, de betrokken partijen dit gevoel ook niet mogen krijgen.

7. De Raad heeft contact opgenomen met de rechtbank, nadat zij door de heer B. van het verzoek op de hoogte waren gebracht. Op dat moment betrof het nog een verzoek tot het horen van getuigen, de rechtbank had nog geen besluit genomen over dit verzoek. De Raad was op dat moment nog geen partij in dit verzoek. Dit zou pas veranderen op het moment dat het verzoek werd ingewilligd en de Raad als getuige opgeroepen zou worden. Omdat de Raad, danwel de raadsonderzoekster, op dat moment dus zelf nog niet als getuige in de procedure was betrokken, was het logischer geweest dat zij eerst de beslissing van de rechtbank op dit verzoek had afgewacht. Zij is hiervan namelijk door een van de partijen op de hoogte gesteld en niet door de rechtbank. De Nationale ombudsman kan zich voorstellen dat het verzoekster bevreemdde dat de Raad, na hiervan op de hoogte te zijn gesteld door de heer B., contact met de rechtbank heeft opgenomen. De Raad heeft hiertoe als reden aangevoerd dat zij die bevoegdheid hebben wanneer zij van mening is dat dit met het oog op het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Het is de Nationale ombudsman in de loop van het onderzoek niet duidelijk geworden welk belang van de minderjarige dit noodzakelijk heeft gemaakt. Nu dit niet duidelijk is geworden en er ook geen andere redenen naar boven zijn gekomen die dit contact hebben gerechtvaardigd, is de Nationale ombudsman van mening dat de Raad de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Ten aanzien van het niet informeren over de uitkomst van de klachten­procedure

Visie verzoekster

1. Bij de interne klachtenprocedure is de klacht over het contact opnemen met de rechtbank naar aanleiding van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor ook aan de orde geweest. Daarnaast is daar aan de orde geweest dat de Raad de rechtbank in het kader van het verzoek niet alleen op de hoogte heeft gebracht van het lopende onderzoek, maar ook dat de Raad heeft gemeend de rechtbank ongevraagd van advies te moeten dienen. Dit laatste onderdeel van de klacht is door de Landelijke Directie gegrond verklaard, maar de Raad heeft deze uitkomst niet aan de rechtbank laten weten, terwijl verzoekster van mening was dat dat voor de hele procedure wel van belang was geweest.

Visie Raad voor de Kinderbescherming en de minister voor Jeugd en Gezin

2. Hoewel de Raad in deze geen verzoekende of adviserende partij was, betreurt de Raad het dat de werkwijze van artikel 5 en artikel 10 lid 4 van de klachtenregeling van de Raad voor de Kinderbescherming niet is gevolgd. Deze artikelen schrijven voor dat indien een klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover de Raad een verzoek bij de rechter heeft ingediend of de rechter adviseert en de rechter over die aangelegenheid nog geen beslissing heeft genomen, de Raad de rechter onverwijld schriftelijk in kennis stelt van het indienen van de klacht.

Beoordeling

3. Het vereiste van professionaliteit houdt in dat ambtenaren met een bijzondere training of opleiding jegens burgers overeenkomstig de standaarden van hun beroepsgroep handelen. Dit betekent onder meer dat zij handelen volgens interne handleidingen en regelingen.

4. In de klachtenregeling van de Raad is geregeld hoe de klachtbehandeling plaats moet vinden. Ook is daarin geregeld wat er moet gebeuren in situaties waarin de klacht betrekking heeft op zaken die aan de rechter zijn voorgelegd maar waarin nog geen uitspraak is gedaan. In die situaties wordt de rechter in elk geval op de hoogte gesteld van het feit dat er een uitspraak is gedaan over een klacht die betrekking heeft op datgene dat aan hem is voorgelegd. Tenzij de klager daartegen bezwaar heeft wordt de beslissing op de klacht aan de rechter toegestuurd, anders wordt de rechter alleen meegedeeld dat er is beslist op een klacht. (zie Achtergrond onder 1. de Interne klachtenregeling van de Raad voor de Kinderbescherming, artikel 10 lid 4; Nationale ombudsman)

5. Zoals de Raad in de reactie op de klacht heeft laten weten is de werkwijze van artikel 10 lid 4 hier niet gevolgd. Hiermee is niet gehandeld volgens de eigen klachtenregeling en is het vereiste van professionaliteit geschonden. Deze klacht is gegrond.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Ten aanzien van de klacht over de zorgvuldigheid van het raadsonderzoek

Visie verzoekster

1. Verzoekster is het vanaf het begin af aan oneens geweest met de AMK-melding en betwist de juistheid van de inhoud van deze melding. Zij vindt het daarom onbegrijpelijk dat de Raad, alvorens zij onderzoek instelt, de juistheid van de AMK-melding niet eerst onderzoekt. Zij heeft aangegeven dat het AMK de melding van de kinderarts, zoals in de melding opgenomen, niet bij hem heeft geverifieerd. De bewuste kinderarts heeft later op verzoek van verzoekster aangegeven dat hij bepaalde dingen niet heeft gezegd. Zij vindt dan ook dat toen bleek dat de melding niet juist was, de Raad hierover eerst contact met haar had moeten opnemen om een en ander te verifiëren.

2. In juli 2008 kreeg verzoekster het vermoeden dat er sprake was van seksueel misbruik. Zij heeft hierover twee kinderartsen geconsulteerd. Deze hebben foto´s van verzoeksters dochter gemaakt voor in haar medisch dossier. Op advies van een van de kinderartsen heeft verzoekster zelf een DVD opname gemaakt waarop te zien is hoe haar dochter ´s nachts in paniek wakker wordt en aangeeft wat er is gebeurd. Het is voor verzoekster onbegrijpelijk dat de Raad enerzijds zegt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om van misbruik uit te gaan, maar dat de Raad anderzijds weigert het door verzoekster aangedragen beeldmateriaal te bekijken. Zij snapt ook niet hoe de Raad over het beeldmateriaal kan zeggen dat dit niet objectiveerbaar is, terwijl zij dit beeldmateriaal niet eens heeft bekeken.

3. Verzoekster is van mening dat geen enkele instantie haar in de loop van de maanden heeft laten weten dat er geen sprake is geweest van seksueel misbruik. Een van de kinderartsen heeft haar laten weten dat hij zich zorgen maakte. Zij vraagt zich ook af waarom een kinderarts een foto van haar dochter heeft gemaakt, als er niets aan de hand zou zijn. Dan had hij deze foto toch niet gemaakt, is haar idee. Als zij van één van de bij de zaak betrokken professionals, na een gedegen onderzoek, te horen had gekregen dat er niets aan de hand zou zijn had zij zich daarbij neergelegd. Dit heeft niemand haar echter verteld, dus kan zij zich er ook nog niet bij neerleggen.

4. Verzoekster is ook van mening dat naast de AMK-melding voorafgaand aan het raadsonderzoek, het raadsonderzoek zelf slecht controleerbaar is. De psychologe van de Raad weigerde zich controleerbaar op te stellen door opnamen te maken van het psycho-diagnostisch onderzoek, zodat verzoekster dat eventueel later in het kader van contra-expertise aan een ander voor had kunnen leggen. Verzoekster betwist dat zij deze opnamen heeft willen laten maken zodat zij ze in haar bezit kon hebben, zij wil namelijk dat zij op het bureau van de Raad worden bewaard.

Visie Raad

5. De Raad is van mening dat zij wel degelijk zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Na klachten van verzoekster is er, zonder dat daartoe inhoudelijk aanleiding bestond, een andere en zeer ervaren raadsonderzoeker op de zaak gezet. Het door verzoekster toegestuurde beeldmateriaal is niet gebruikt omdat het voor de Raad niet objectiveerbaar is. Het is voor de Raad niet mogelijk om te controleren onder welke omstandigheden dit beeldmateriaal tot stand is gekomen. De Raad doet niet aan waarheidsvinding, maar geeft op grond van verklaringen van betrokkenen informatie en advies aan de rechtbank. De Raad doet zijn eigen onderzoek en wil daarin objectief een eigen beeld proberen te vormen. Het uitgangspunt voor het onderzoek was de melding bij het AMK. Deze wordt onderzocht op basis van het oordeel van twee artsen. Deze twee artsen, beide kinderarts, hebben diagnostisch onderzoek verricht bij de dochter van verzoekster om na te gaan of er eventueel misbruik heeft plaatsgevonden. De Raad is van mening dat zij door middel van het raadplegen van verschillende artsen wel is nagegaan of er sprake was van seksueel overschrijdend gedrag. Deze artsen hebben echter geen seksueel misbruik of grensoverschrijdend gedrag kunnen vaststellen.

Beoordeling

6. Ook deze klacht wordt getoetst aan het vereiste van professionaliteit. Bij het doen van onderzoek is het van belang dat de raadsonderzoeker voor het vaststellen van de feiten gebruik maakt van informatie die door derden (terzake deskundigen) wordt aangedragen.

7. De klacht van verzoekster richt zich zowel op de AMK-melding voorafgaand aan het raadsonderzoek, als op het raadsonderzoek zelf. Kern van deze klacht is of er wel of niet voldoende is onderzocht of de dochter van verzoekster is mishandeld en / of misbruikt door haar vader. Zij had een vermoeden van seksueel misbruik. De Raad heeft deze zorgen niet weg kunnen nemen. De Raad heeft in haar ogen hiernaar onvoldoende onderzoek gedaan. Zolang niemand die zorgen weg kon nemen, zag zij geen redenen om deze zorgen los te laten. De Raad daarentegen heeft laten weten dat zij zelf niet aan waarheidsvinding doet, maar heeft wel contact opgenomen met onder andere de twee kinderartsen en de arts van het consultatiebureau die de dochter van verzoekster hebben onderzocht. Hiermee heeft de Raad geprobeerd om duidelijk te krijgen of er al dan niet sprake was van misbruik.

8. De Nationale ombudsman heeft ook in eerdere rapporten (waaronder rapport 2011/015: Nationale ombudsman) voorop gesteld dat de stelling van onder andere de Raad, dat er niet aan waarheidsvinding wordt gedaan, geen vrijbrief is om de mening van één van de strijdende partijen zonder verifiëring in de rapportages op te nemen. Van instanties als de Raad wordt een meer actieve houding verwacht. Indien zij een verklaring belangrijk vinden om daarmee een bepaalde beslissing te rechtvaardigen dan moet zoveel mogelijk de ware toedracht worden onderzocht. Alleen de beweringen die getoetst zijn kunnen als feiten in de rapportages worden opgenomen zodat de rechter zich daarover een gemotiveerd oordeel kan vormen. De Raad is verplicht om niet zonder bevestiging uit een andere bron of hoor en wederhoor stellingen van partijen over te nemen. Om die reden is het naar het oordeel van de Nationale ombudsman terecht en noodzakelijk dat de Raad bij het onderzoeken van de stelling van verzoekster dat er seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, de kinderartsen en de arts van het consultatiebureau heeft geraadpleegd die de dochter van verzoekster hebben onderzocht. Zij zijn terzake deskundig en de Raad mag vertrouwen op de informatie die zij hebben verstrekt.

9. De Raad heeft er naar het oordeel van de Nationale ombudsman in dit geval daarom voldoende aan gedaan om duidelijkheid te verkrijgen over de door verzoekster aangedragen informatie. Er is misschien nooit met 100% zekerheid te concluderen dat er geen mishandeling of misbruik heeft plaatsgevonden, maar de Nationale ombudsman is van mening dat met het raadplegen van meerdere artsen de Raad volgens de eisen die er aan professionals gesteld mogen worden heeft gehandeld.

10. Verzoekster is van mening dat er nooit tegen haar is gezegd dat er geen sprake is geweest van misbruik. Daarom heeft zij zich niet neer kunnen leggen bij de conclusies van de artsen. Mogelijk had de Raad hieromtrent duidelijk naar verzoekster kunnen zijn, toen bleek dat verzoekster haar twijfels bleef houden. Ook was het wenselijk geweest als de Raad (nogmaals) aan verzoekster had uitgelegd waarom zij geen gebruik wilde maken van de door verzoekster aangedragen DVD. Dit is echter niet van zodanige aard dat daarmee niet is voldaan aan de eisen die aan professionals gesteld mogen worden.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Ten aanzien van de klacht dat de Landelijk Directeur van de Raad het rapport niet heeft willen tegenhouden

Visie verzoekster

1. In verband met de door verzoekster ingediende klachten over het raadsrapport was er vóór eind februari 2010 een klachtgesprek gepland, terwijl de zitting waarvoor het raadsrapport werd uitgebracht op 11 februari 2010 zou plaatsvinden. Verzoekster was het oneens met de planning van het klachtgesprek ten opzichte van de datum van de rechtszaak. Vervolgens heeft haar vertrouwenspersoon hierover op 29 januari 2010 bij de Landelijk Directeur het verzoek ingediend om het raadsrapport tegen te houden zolang er nog geen uitspraak op haar klacht was. Verzoekster is het er niet mee eens dat de Landelijk Directeur van de Raad negatief heeft beslist op dit verzoek. Zij is van mening dat de Landelijk Directeur als lid van de Landelijke Directie van de Raad naar aanleiding van de door haar ingediende klachten voldoende aanleiding had om haar verzoek in te willigen.

Visie Raad voor de Kinderbescherming

2. De Landelijk Directeur van de Raad heeft hierover op 14 juni 2010 (ontvangen op 6 juli 2010; Nationale ombudsman) per brief aan de Nationale ombudsman laten weten dat op dat moment de behandeling van die klacht nog aanhangig was bij de minister van Justitie. Zodra de beoordeling over die klacht was ontvangen, zou de directeur deze aan de Nationale ombudsman toesturen. Na die datum heeft de Nationale ombudsman hierover geen informatie meer ontvangen. Uit het verslag van de hoorzitting van 20 mei 2010 bij het ministerie van Justitie blijkt wel de visie van de Raad op deze klacht. De Landelijke Directie kan zich een oordeel vormen of de Raad in specifieke zaken zorgvuldig heeft gehandeld. Hiertoe heeft zowel de jurist van het landelijk bureau van de Raad vooronderzoek gedaan en de Landelijk Directeur heeft contact opgenomen met de regiodirecteur om te beoordelen of de Raad in deze zaak zorgvuldig heeft gehandeld. De Landelijk Directeur is tot de conclusie gekomen dat er zorgvuldig is gehandeld en zag geen reden om in te grijpen. Dit behoort wel tot de bevoegdheden, maar dan moeten er zwaarwegende gronden zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid. Dat was in deze zaak niet het geval en daarom heeft de Landelijk Directeur besloten om het raadsrapport niet tegen te houden. In een reactie van 25 maart 2011 heeft de minister laten weten dat aan de eerdere beslissing op de interne klacht over dit onderwerp niets toe te voegen valt.

Beoordeling

3. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties, zoals de Raad, de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

Dit betekent dat een overheidsinstantie voorafgaand aan elk handelen alle relevante feiten en omstandigheden dient te achterhalen teneinde deze te kunnen vertalen in belangen om zodoende de verschillende belangen tegen elkaar af te kunnen wegen. De uitkomst van deze afweging mag niet onredelijk zijn

4. De belangen die in deze situatie tegen elkaar moesten worden afgewogen waren die van verzoekster en het doorgang kunnen vinden van de zitting van 11 februari 2010 (waarvoor het bewuste rapport was uitgebracht). Daarnaast speelde ook het belang van haar dochter een rol. Het belang van verzoekster hield in dat zij klachten had ingediend over het raadsrapport en van mening was dat dit een onzorgvuldig rapport was. Zij wilde voorkomen dat de rechter een beslissing ging nemen op basis van dit rapport. Daartegenover stond het belang van het doorgaan van de zitting. Zonder het rapport zou deze waarschijnlijk moeten worden aangehouden. Vervolgens zou er dan moeten worden gewacht op de planning van een nieuwe zitting, dat betekent een aanzienlijke vertraging. Het belang van de dochter van verzoekster is daarmee niet gediend omdat dringend nodig was dat er duidelijkheid komt over of er sprake is van misbruik en of mishandeling. Er bestond wel het risico op een beslissing op basis van foutieve informatie, dat is ook niet in het belang van het kind. Een rechterlijke beslissing op basis van verkeerde informatie kon door verzoekster echter zelf - deels - worden voorkomen. Zij kon tijdens de zitting haar mening op het raadsrapport geven en daarnaast ook meedelen dat zij hierover een klacht had ingediend. De rechter zou daarmee dus bij de beslissing rekening kunnen houden. De gevolgen die uitstel van de zitting met zich mee zou brengen konden niet op enigerlei wijze worden voorkomen. Haar dochter had zowel belang bij het vinden van de waarheid als ook op het verkrijgen van duidelijkheid over de verblijfplaats en de omgang met haar ouders.

5. De Raad heeft laten weten het uitbrengen van een rapport te kunnen tegenhouden, maar dan moeten er wel zwaarwegende redenen zijn om in te grijpen. Gezien de belangenafweging die de Landelijk Directeur daarin heeft moeten maken en de door beide partijen aangedragen informatie, vindt de Nationale ombudsman het niet onredelijk dat bij de belangenafweging deze beslissing is genomen. De Nationale ombudsman is van oordeel dat er geen zwaarwegende redenen om in te grijpen zijn geweest en oordeelt de beslissing van de Landelijk Directeur dan ook terecht. De klacht van verzoekster is niet gegrond.

Deze gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klachten over de Raad voor de Kinderbescherming zijn gegrond voor wat betreft:

De klacht over het op eigen initiatief contact opnemen met de rechtbank wegens schending van het beginsel van onpartijdigheid;

De klacht over het niet informeren van de rechtbank over de uitkomst van de klachtenprocedure wegens schending van het vereiste van professionaliteit.

De klachten zijn niet gegrond ten aanzien van de klacht over de zorgvuldigheid van het raadsonderzoek en ten aanzien van het niet willen tegenhouden van het raadsrapport door de Landelijk Directeur.

De Nationale ombudsman,

dr. A.F.M. Brenninkmeijer

Achtergrond

1. Interne klachtenregeling van de Raad voor de Kinderbescherming

Definitieve versie, 2006

Artikel 5

1. De raad bevestigt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken de ontvangst van het klaagschrift schriftelijk. Bij deze bevestiging wordt tevens meegedeeld dat de klager zich bij de behandeling van de klacht kan doen bijstaan door een raadsman of een vertrouwenspersoon.

2. Indien de klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover de raad een verzoek bij de rechter heeft ingediend of de rechter adviseert en de rechter over die aangelegenheid nog geen beslissing heeft genomen, stelt de raad de rechter onverwijld schriftelijk in kennis van het indienen van de klacht.

Artikel 10

1. De raad stelt de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht en zijn beslissing. De raad maakt er hierbij tevens melding van dat de klager, indien hij zich niet kan vinden in de beslissing van de raad, zijn klacht binnen zes weken na ontvangst van de beslissing kan voorleggen aan de externe klachtencommissie dan wel kan voorleggen aan de Nationale Ombudsman.

2. Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden, wordt tevens meegedeeld of en zo ja, welke gevolgen daaraan binnen de raad worden verbonden.

3. Degene over wiens gedraging is geklaagd, de algemeen directeur en de directeur ontvangen een afschrift van de beslissing.

4. Indien de rechter nog geen beslissing heeft genomen in de aangelegenheid, waarmee de klacht verband houdt, zendt de raad de rechter onverwijld de beslissing op de klacht, tenzij klager hiertegen gemotiveerd bedenkingen heeft dan wel redelijkerwijs kan worden

aangenomen dat deze beslissing geen invloed zal hebben op de aangelegenheid waarover de rechter nog moet beslissen. In deze gevallen deelt de raad de rechter mee dat op de klacht is beslist. Op verzoek van de rechter stelt de raad de rechter in kennis van de inhoud van de klacht en van de beslissing.

2. Burgerlijke rechtsvordering

Artikel 810

1.De rechter kan in zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd die welke zijn levensonderhoud betreffen, indien hij dit met het oog op de beoordeling van de belangen van de minderjarige noodzakelijk acht, het advies van de raad voor de kinderbescherming inwinnen. Hij kan de raad daartoe in elke stand van de zaak oproepen.

2.De raad voor de kinderbescherming kan in deze zaken eigener beweging zijn mening schriftelijk aan de rechter kenbaar maken of ter terechtzitting verschijnen, indien de raad dit met het oog op de beoordeling van de belangen van de minderjarige noodzakelijk acht.

3.De raad voor de kinderbescherming ontvangt daartoe onverwijld een afschrift van het verzoekschrift, en wordt tijdig van het tijdstip van de terechtzitting op de hoogte gesteld.

4.Indien de zaak evenwel de ondertoezichtstelling van een minderjarige betreft, de toepassing of overeenkomstige toepassing van de artikelen 259 en 260, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek daaronder niet begrepen, dan wel de ontheffing of ontzetting van het ouderlijk gezag of van de voogdij, beslist de rechter niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping daartoe van de raad voor de kinderbescherming.

2

2010.04967

de Nationale ombudsman

Publicatiedatum
Rapportnummer
2011/128