2009/200

Instantie: Klachtencommissie voor de politieregio Groningen

Klacht: Hoorzitting plaats laten vinden op het politiebureau, ondanks verzoekers bezwaren en de toezegging voor een andere locatie van de secretaris van de klachtencommissie; notulen van beide hoorzittingen door een politieambtenaar laten maken.
Oordeel: niet gegrond

Instantie: Regiopolitie Groningen

Klacht: Verzoekster en diens auto overgebracht naar het politiebureau.
Oordeel: niet gegrond

Instantie: Regiopolitie Groningen

Klacht: Wijze van informeren over de buitengebruikstelling van de auto tijdens telefoongesprek.
Oordeel: gegrond

Instantie: Regiopolitie Groningen

Klacht: Verloop van het telefoongesprek .
Oordeel: geen oordeel

Tussen verzoeker en de politie ontstond bij een controle discussie over de vraag of hij een aantal openstaande boetes had betaald. De kwitanties die verzoeker liet zien gaven onvoldoende duidelijkheid. Omdat gijzeling en buitengebruikstelling van de auto mogelijk waren, werden verzoeker en de geleende auto waarin hij reed meegenomen naar het politiebureau.

Verzoeker klaagde erover dat hij mee moest naar het bureau. Volgens hem had de zaak ook op straat afgehandeld kunnen worden. De Nationale ombudsman hechtte meer waarde aan de lezing van de politieambtenaren dat verzoeker de kwitanties pas liet zien op het moment dat de zaak al te zeer was geëscaleerd om deze ter plaatse nog te kunnen natrekken. Verzoeker had met het betalen van enkele boetes kennelijk zo lang getalmd dat het tot een door de rechter afgegeven machtiging tot gijzeling is gekomen. Doordat die mogelijkheid er was, was het niet onjuist dat de politieambtenaren op het politiebureau zorgvuldig hebben willen nagaan of verzoeker daadwerkelijk had betaald. Deze wijze van handelen was niet in strijd met het evenredigheidsvereiste.

De eigenaresse van de auto, verzoekster, klaagde erover dat haar auto werd meegenomen naar het bureau. De officier van justitie had in vier van de vijf openstaande zaken toestemming gegeven tot buitengebruikstelling van de auto van verzoeker. Verzoeker zat op het moment dat hij door de politie werd aangesproken niet in zijn eigen auto, maar had deze van verzoekster te leen. De politie mocht hieruit afleiden dat verzoeker over de auto vermocht te beschikken, zoals in de wet staat omschreven. De politie was daarom gerechtigd tot buitengebruikstelling van de auto. Gijzeling wordt pas toegepast als buitengebruikstelling niet tot betaling heeft geleid. De Nationale ombudsman overwoog dat de politie de auto heeft meegenomen om de mogelijkheid te hebben het minst zware dwangmiddel te kunnen toepassen. Hiermee was niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste.

Verzoekers klaagden voorts nog over de locatie van de hoorzitting van de klachtencommissie. Deze hoorzitting vond plaats op het hoofdbureau van politie. Dit vonden verzoekers onvoldoende onafhankelijkheid uitstralen. De Nationale ombudsman overwoog dat het voor de uitstraling van onafhankelijkheid voordelen heeft als de klachtencommissie bijeenkomt op een locatie buiten het hoofdbureau. Dit brengt echter niet met zich mee dat als een hoorzitting wel op een politiebureau plaatsvindt, de klachtencommissie niet meer onafhankelijk en onbevangen over een ingediende klacht zou kunnen adviseren. Evenmin levert dit feit op zichzelf in de ogen van de Nationale ombudsman een schijn van vooringenomenheid op. De Nationale ombudsman had geen aanwijzing dat er in deze zaak een schijn van partijdigheid is geweest. Er was geen sprake van strijd met het verbod van vooringenomenheid.

Andere klachten gingen over het verloop van het telefoongesprek tussen verzoekster en een politieambtenaar en het notuleren tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie door een politieambtenaar.

Verzoeker klaagt erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Groningen hem op 6 augustus 2007 hebben aangehouden en overgebracht naar het politiebureau om aldaar te controleren of hij een aantal openstaande bekeuringen had voldaan, terwijl hij op dat moment reeds kwitanties had getoond waaruit kon blijken dat hij deze had betaald.

Verzoekster klaagt erover dat de politieambtenaren niet hebben voldaan aan haar verzoek om haar auto te parkeren en ter plekke te laten staan, toen de politieambtenaren de auto in het kader van buitengebruikstelling zonder haar toestemming overbrachten naar het politiebureau.

Tevens klaagt verzoekster erover dat politieambtenaar Z. tegen haar heeft gezegd "dat zij hem niet hoefde te vertellen hoe hij zijn werk moest doen" toen zij hem vertelde dat zij het met de buitengebruikstelling niet eens was. Volgens verzoekster had hij op een rustige manier moeten reageren.

Ten aanzien van de klachtencommissie klagen verzoekers erover dat de hoorzitting met betrekking tot verzoekers klacht op 15 november 2007 plaatsvond op het politiebureau aan de Rademarkt te Groningen, ondanks dat verzoeker had aangegeven dat hij tegen die locatie bezwaren had en de heer K. had aangegeven naar een andere locatie te zullen uitkijken.

Tot slot klagen verzoekers erover dat de notulen van beide hoorzittingen van 4 oktober en 15 november 2007 door de heer S., een politieambtenaar, zijn gemaakt. Dit wekt volgens verzoekers de schijn van partijdigheid.

Beoordeling

Algemeen

Verzoeker had de auto van verzoekster geparkeerd op een stuk gras om foto's van de auto te maken, zodat deze te koop kon worden aangeboden. Twee ambtenaren van het regionale politiekorps Groningen spraken hem erop aan dat hij de auto daar niet mocht neerzetten. Vervolgens vroegen zij hem naar zijn identiteit en de autopapieren. Het bleek dat verzoeker nog boetes had openstaan. Volgens verzoeker had hij deze al betaald en had hij hun direct de kwitanties overhandigd. Volgens de politieambtenaren ontstond er eerst een discussie en overhandigde verzoeker pas veel later de kwitanties. Hieruit bleek hun niet direct dat alle openstaande bedragen waren voldaan. Omdat meer mensen zich ermee dreigden te gaan bemoeien, is verzoeker meegenomen naar het politiebureau om daar nader te bekijken of de boetes waren voldaan, aldus de politieambtenaren. Daarbij is de auto van verzoekster eveneens overgebracht naar het politiebureau. Op het politiebureau bleek dat de boetes allemaal waren voldaan, maar dat de signalering nog niet was verwijderd, en werd verzoeker na een uur in de ophoudruimte te hebben doorgebracht weer met de auto van verzoekster heengezonden.

Verzoekers zijn het met deze handelwijze niet eens en dienden hierover een klacht in bij de beheerder van het regionale politiekorps Groningen. Deze heeft zich laten adviseren door de Klachtenadviescommissie voor de Politieregio Groningen (verder: de klachtencommissie), waarna hij de klachten ongegrond verklaarde. Verzoekers hebben zich toen tot de Nationale ombudsman gewend met klachten over het politieoptreden en over de klachtencommissie.

Met betrekking tot het regionale politiekorps Groningen

I. Ten aanzien van het overbrengen van verzoeker naar het politiebureau

Bevindingen

1. Verzoeker had de auto van verzoekster op een grasveld geparkeerd om daar foto's van de auto te maken. Twee vrouwelijke politieambtenaren, F. en B., reden in een auto voorbij en spraken hem daarop aan. Zij vroegen hem op een gegeven moment naar de autopapieren. Daarover beschikte verzoeker niet, wel overhandigde hij hun zijn rijbewijs. Een van de politieambtenaren belde daarna met de meldkamer. Uit dit gesprek leidde verzoeker af dat zij te horen kreeg dat hij nog boetes open had staan. Daarop had hij direct geantwoord dat hij deze al had betaald en dat hij hiervan kwitanties had, aldus verzoeker. Deze overhandigde hij aan haar. Zij telde deze bedragen op, maar kwam niet op het bedrag van ongeveer € 900. Zij deelde hem mee dat hij mee moest naar het politiebureau. Dit weigerde verzoeker en hij verzocht haar aan de hand van de nummers van de kwitanties te controleren of de boetes waren betaald. Zij antwoordde daarop, volgens verzoeker, dat zij daar niets mee te maken had en dat hij mee moest. Al die tijd had verzoeker zich rustig gedragen, volgens eigen zeggen. Pas toen de politieambtenaar hem vertelde dat hij niet alle boetes zou hebben betaald, raakte hij geïrriteerd. Korte tijd later kwam er een tweede politieauto aangereden. Deze politieambtenaar, de heer Z., vertelde verzoeker dat hij mee moest naar het bureau, wat toen ook gebeurde. Op het bureau werd verzoeker gedurende ongeveer een uur in een ophoudruimte gezet tot de politie erachter kwam dat hij de bekeuringen had betaald. Verzoeker vindt dat hij ten onrechte is meegenomen naar het politiebureau.

2.1. De korpsbeheerder reageerde op 9 juli 2008 op de klacht. Hij baseerde zich daarbij op hetgeen de betrokken ambtenaren in het kader van de interne klachtenprocedure bij de klachtencommissie hadden verklaard. Hij schreef dat toen de twee politieambtenaren verzoeker aanspraken op het parkeren op een groenvoorziening, verzoeker direct begon te roepen dat de politie hem altijd moest hebben. Beide politieambtenaren hadden verzoeker echter nog nooit gezien. Nadat zij verzoeker om zijn identiteitsgegevens en het kentekenbewijs hadden gevraagd, vroeg politieambtenaar B. of verzoeker nog bekeuringen had openstaan. Daar antwoordde verzoeker bevestigend op. Mevrouw B. heeft toen telefonisch contact opgenomen met de meldkamer met het verzoek te controleren of er een signalering met betrekking tot verzoeker van kracht was. Zij kreeg te horen dat verzoeker zes bekeuringen had openstaan. Bij niet betaling van de sancties kon worden overgegaan tot uitvoering van de dwangmiddelen gijzeling en buitengebruikstelling van het voertuig, aldus de korpsbeheerder.

Nadat beide politieambtenaren verzoeker hierover hadden geïnformeerd en hem hadden verteld dat hij mee moest naar het politiebureau, begon verzoeker enorm te schreeuwen, vervolgde de korpsbeheerder. Verzoeker wilde beslist niet mee naar het bureau. Door het geschreeuw kwamen er nog enkele mensen omheen staan die zich met de zaak begonnen te bemoeien. Politieambtenaar F. heeft toen de hulp ingeroepen van een collega, de heer Z. Hij kwam ruim tien minuten daarna ter plaatse. Kort voordat Z. arriveerde, vertelde verzoeker plotseling dat hij de bekeuringen had betaald en haalde hij een aantal kwitanties uit zijn portemonnee. Politieambtenaar F. heeft toen geprobeerd de bedragen van de kwitanties bij elkaar op te tellen, maar kwam niet op het door de meldkamer genoemde bedrag. Door het agressieve gedrag van verzoeker, die bovendien steeds wegliep, waren de twee politieambtenaren niet in staat om ter plaatse te controleren of de boetes al waren betaald. Daarom besloten zij verzoeker mee te nemen naar het bureau, aldus de korpsbeheerder. Nadat de heer Z. ter plaatse kwam, werd verzoeker rustiger. Hij heeft verzoeker vervolgens met de politieauto naar het bureau overgebracht. Daar bleek dat alle bekeuringen waren betaald, maar dat de verwerking van die informatie in het geautomatiseerde bestand nog niet had plaatsgevonden. Volgens de korpsbeheerder had verzoeker het aan zijn eigen gedrag te wijten dat hij moest worden overgebracht naar het politiebureau. Als hij niet zo agressief had gereageerd en meteen de kwitanties had getoond, had telefonisch kunnen worden geverifieerd of de boetes waren betaald. De zaak had dan ter plaatse kunnen worden afgedaan.

De korpsbeheerder acht de klacht ongegrond.

2.2. Hiermee bleef de korpsbeheerder bij zijn eerder in de interne klachtprocedure ingenomen standpunt. Toen nam hij het advies van de klachtencommissie over die stelde dat zij begrip had voor de keuze die de politieambtenaren hadden gemaakt om verzoeker mee te nemen naar het politiebureau. Daar kon dan in alle rust worden uitgezocht of de bewering van verzoeker dat de bekeuringen waren betaald, juist was.

3. Verzoekster reageerde omstreeks 25 juli 2008 op het standpunt van de korpsbeheerder. Zij schreef dat het verhaal naar haar mening steeds verder werd aangedikt, in die zin dat het gedrag van verzoeker in elk stuk erger leek te worden. Volgens haar had verzoeker de kwitanties wel degelijk tijdig overgelegd. Op het moment dat politieambtenaar F. niet op het juiste bedrag uitkwam, had zij dat telefonisch kunnen verifiëren aan de hand van de nummers van de bekeuringen. Dat heeft zij niet gedaan en dus heeft zij de verkeerde conclusie getrokken. Verzoekster wees ook nog op de e-mail van politieambtenaar B. van 15 oktober 2007 aan de klachtencoördinator waarin zij aangeeft dat verzoeker de kans niet had gekregen de kwitanties te laten zien omdat de situatie op dat moment al zo hectisch was.

Verzoekster vervolgde haar betoog door op te merken dat er van alle kanten door de politie op wordt gewezen dat verzoeker zich onbehoorlijk gedroeg en dat het daarom redelijk was hem mee te nemen naar het politiebureau om hun werk te vervolgen. Dit kwam op haar over dat het blijkbaar niet passend was voor een burger om voor zijn rechten op te komen en dat het de politie vrijstaat een burger mee te nemen naar het politiebureau om daar in alle rust haar werk te doen, wanneer die burger zijn rechten iets te duidelijk jegens de politieambtenaren verwoordt.

4. Politieambtenaar B. legde op 10 september 2008 een telefonische verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Zij verklaarde dat verzoeker zich vanaf het moment dat zij hem aansprak over het parkeren van de auto op het gras, recalcitrant gedroeg. Toen zij hem meedeelde dat hij nog boetes had openstaan en dat hij daarvoor gegijzeld kon worden èn dat de auto buiten gebruik gesteld kon worden, zei hij herhaalde malen dat hij niet meeging naar het politiebureau. Hij zei niets over het al betaald hebben van de boetes, wat volgens B. voor de hand had gelegen. Hij schreeuwde en maakte veel armbewegingen. Hierdoor kwamen er meer mensen bij staan. Zij begonnen zich ermee te bemoeien. Dit was intimiderend, aldus B. In afwachting van collega Z. heeft zij verzoeker toen aan de praat gehouden. Ze heeft hem de procedure uitgelegd en geprobeerd hem te kalmeren. Verzoeker bleef steeds weglopen, wat zij trachtte te voorkomen door elke keer weer voor hem te gaan staan en oogcontact met hem te zoeken. Op een gegeven moment heeft zij hem moeten vastpakken. Pas toen maakte verzoeker melding van het feit dat hij al had betaald. Zij waren toen al ongeveer tien minuten bezig, aldus B. Aangezien B. al had besloten dat verzoeker mee zou gaan naar het politiebureau heeft zij hem dat meegedeeld. Ze konden daar dan alles rustig bekijken. B. kon zich niet herinneren dat haar collega kwitanties van verzoeker had aangenomen en had nagerekend of dit het bedrag was wat openstond. Collega Z., die assistentie kwam verlenen, heeft hem uiteindelijk rustiger gekregen en hem verteld dat hij toch echt mee moest naar het politiebureau. Daar bleek dat de boetes inderdaad waren betaald. In verband met de vakantieperiode was de signalering nog niet uit het systeem verwijderd. Dat was iets waar verzoeker niets aan kon doen, maar zij ook niet. B. verbaasde zich erover dat verzoeker niet eerder had verteld dat hij de boetes had betaald. Als hij daar direct melding van had gemaakt, had dat ter plaatse kunnen worden gecontroleerd. Dan was er volgens haar ook geen reden geweest om verzoeker mee te nemen naar het politiebureau.

5. Politieambtenaar F. legde op 17 september 2008 per telefoon een verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Zij verklaarde dat verzoeker, op het moment dat zij hem aanspraken op het parkeren op het gras, hun meteen begon tegen te spreken. Hij werd witheet en begon direct te schreeuwen. Toen uit controle bij de meldkamer bleek dat verzoeker nog boetes open had staan (waarvoor verzoeker kon worden gegijzeld en de auto buiten gebruik kon worden gesteld), bevestigde verzoeker dat dat inderdaad het geval was, aldus F. Hij zei niet dat hij deze al had betaald of dat hij over kwitanties beschikte. Zij en haar collega B. hebben verzoeker toen gezegd dat hij mee moest om daar de openstaande boetes te betalen. Verzoeker riep dat hij niet mee zou gaan. Omdat er door het lawaai dat verzoeker maakte, meer mensen bij waren komen staan, vonden F. en B. de sfeer niet prettig. Verzoeker kwam op haar bedreigend over, aldus F. Daarom hebben zij assistentie gevraagd. Het duurde lang voordat collega Z. arriveerde. Al die tijd dat zij op hem wachtten was verzoeker opstandig en probeerde hij weg te lopen. Pas toen de collega ter plaatse kwam, liet verzoeker zijn kwitanties aan haar zien, volgens F. Zij heeft toen getracht de bedragen op de kwitanties bij elkaar op te tellen, maar zij kwam niet op het openstaande bedrag uit. Bovendien was de situatie ter plaatse te hectisch om dit rustig te kunnen doen. Ook omdat verzoeker steeds had proberen weg te lopen, hebben zij en haar collega B. besloten verzoeker mee te nemen naar het politiebureau. Collega Z. had vrij snel contact met verzoeker en hij heeft hem meegenomen naar het politiebureau. Aldaar hebben zij de kwitanties vergeleken met de informatie die zij van de meldkamer per fax hadden ontvangen, aldus F. Op dat moment bleek dat verzoeker de boetes inderdaad had voldaan. Terwijl zij met verzoeker stond te wachten tot de auto van verzoekster door collega B. naar het politiebureau werd gebracht, heeft zij nog met hem gesproken. Zij vertelde hem dat als hij meteen de kwitanties had laten zien, ze op straat alles hadden kunnen uitzoeken. Daartoe waren zij absoluut bereid geweest.

6. Op 29 september 2008 legde verzoeker een telefonische verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Hij verklaarde dat op het moment dat hij van het grasveld wilde afrijden hij door twee politieambtenaren werd aangesproken over het niet mogen parkeren op het gras. Er ontstond een korte dialoog over het al dan niet doodmaken van het gras door het parkeren. Vervolgens vroeg een van de politieambtenaren om zijn rijbewijs en autopapieren. Toen zij zijn gegevens had gecontroleerd, vertelde ze dat hij nog boetes open had staan. Daarop antwoordde verzoeker dat dat niet mogelijk was, omdat hij er net (volgens de kwitanties op 31 juli 2007) een aantal had betaald. Hiervan had hij kwitanties en deze heeft hij, volgens eigen zeggen, direct overhandigd met de mededeling dat zij die maar moest controleren. Volgens de politieambtenaar zou er een bedrag van bijna € 1000 openstaan, hetgeen volgens verzoeker niet kon kloppen, omdat hij de week ervoor ongeveer € 700 had betaald. De politieambtenaar telde de bedragen op en zei dat de kwitanties op een lager bedrag uitkwamen. Verzoeker vroeg haar de kwitanties te controleren, maar dat wilde ze niet op straat doen. Ze vertelde dat ze naar het politiebureau zouden gaan om het daar uit te zoeken. Meteen werd om assistentie gevraagd. Verzoeker gaf aan dat hij geen tijd had om naar het politiebureau te gaan. Daarop kreeg hij te horen dat hij geen recht had om de tijd te bepalen, dat deed de politie wel. Het duurde ongeveer een kwartier voordat de tweede auto arriveerde. In die tijd voerden zij een discussie over het betalen van de boetes en of de auto mee moest naar het politiebureau.

Op het moment dat zij een tweede auto erbij hadden gevraagd, veranderde de sfeer verklaarde verzoeker. Tot het moment dat de politieambtenaren hem vertelden dat hij mee moest naar het politiebureau was er niets aan de hand geweest. Op die mededeling had hij boos gereageerd, aldus verzoeker. Hij had de boetes betaald en de kwitanties laten zien en nu moest hij mee naar het politiebureau, terwijl hij daar geen tijd voor had. De politieambtenaren wilden niet meer met hem praten. Verzoeker vond dat zij hem best in de politieauto hadden kunnen laten wachten terwijl zij de kwitanties controleerden. Op een gegeven moment heeft verzoeker tegen de politieambtenaren gezegd dat hij weg zou gaan als zij zo moeilijk bleven doen. Daarop pakte een van de politieambtenaren de autosleutel uit het contact. Verzoeker is niet daadwerkelijk weggegaan en was dat ook niet van plan, aldus verzoeker. Wel was hij heen en weer gaan lopen. Een van de politieambtenaren heeft hem toen vastgepakt, waarop verzoeker zich heeft afgeweerd. Er waren in de tussentijd andere mensen bijgekomen. Zij bemoeiden zich niet met het gesprek, maar de politieambtenaren vonden dat blijkbaar wel. Tijdens de hoorzitting die later plaatsvond, gaven de politieambtenaren aan dat zij zich geïntimideerd hadden gevoeld. Na een paar minuten arriveerde de tweede politieauto. Daar stapte politieambtenaar Z. uit. Verzoeker kende hem wel. Ook hij zei tegen verzoeker dat hij mee moest naar het politiebureau, ondanks dat verzoeker vertelde dat hij geen tijd had.

Op het politiebureau heeft verzoeker een uur gezeten in de cel, zonder enige uitleg te krijgen. Verzoeker vertelde dat hij daar woest over was. Hij trapte zelfs tegen de celdeur. Na een tijd kwam politieambtenaar F. naar beneden. Zij vertelde hem dat hij inderdaad de boetes had betaald en dat hij de auto terug zou krijgen. Daar moesten ze nog even op wachten. In die tijd sprak hij met politieambtenaar F. onder andere over het gedrag van haar collega B. en over de kwitanties. F. vertelde hem dat hij er verstandig aan deed de kwitanties in zijn portemonnee te bewaren, omdat ze niet wist hoe lang het zou duren voordat de betalingen verwerkt waren in het systeem. Ze heeft volgens verzoeker niet gezegd dat hij de kwitanties de volgende keer direct moest laten zien. Dat heeft zij tegenover de klachtencommissie wel zo verklaard, maar dat was niet waar volgens verzoeker.

7. Op 26 januari 2009 legde de heer Kr. een telefonische verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Hij is bevriend met verzoeker en was getuige geweest van het voorval. Hij had gezien dat twee politieambtenaren verzoeker hadden aangesproken op het parkeren op het gras. Een van hen heeft verzoekers papieren gecontroleerd. In de tijd dat zij naar de politieauto liep om dat te doen, was hij dichterbij komen staan, maar hij had zich er niet mee bemoeid. Hij hoorde dat een van de politieambtenaren zei dat verzoeker nog boetes open had staan. Verzoeker zei dat dat niet mogelijk was, omdat hij die net de dag ervoor had betaald. Hij liet de politieambtenaar meteen de kwitanties zien. Hij zei nog tegen de politieambtenaar dat hij die bij zich had om te kunnen aantonen dat hij had betaald, mocht hij gecontroleerd worden. De politieambtenaar nam de kwitanties aan, maar zei meteen dat dat de bonnetjes niet konden zijn. Verzoeker moest mee naar het politiebureau. Verzoeker was daar niet blij mee en er ontstond op den duur een beetje een discussie tussen verzoeker en de twee politieambtenaren. De houding van de politieambtenaren was meteen al chagrijnig geweest, aldus Kr. Ze wilden niet naar de argumenten van verzoeker luisteren. Ze hadden ook al meteen assistentie gevraagd. Dat busje kwam al na een paar minuten aangereden. Voordat deze auto kwam, had een van de politieambtenaren de sleutels uit de auto van verzoeker gehaald. Verzoeker wilde dat deze bleef staan, zodat verzoekster deze zou kunnen ophalen als hij op het politiebureau was. Hij had namelijk even telefonisch contact met verzoekster gehad. Verzoeker deed daarna steeds alsof hij wilde weglopen, daar reageerden de politieambtenaren heel boos op. Toen de politieambtenaar ter assistentie kwam, plaatste hij verzoeker vrij snel in de politieauto, er was geen discussie meer mogelijk. De auto waarin verzoeker had gereden moest ook mee. Toen verzoekster ter plaatse kwam, was de auto al weg. Kr. was van mening dat de politie verzoeker anders had moeten benaderen. De manier van praten van de politie-ambtenaren was niet netjes, aldus Kr. Ze hadden hem met respect moeten aanspreken.

8. Politieambtenaar Z. legde op 28 januari 2009 een telefonische verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Hij vertelde dat hij door zijn twee collega's ter assistentie was geroepen. Ze hadden verzoeker aangesproken en hadden de indruk dat deze man licht ontvlambaar was. Ter plaatse gekomen, herkende hij verzoeker. Hij had in het verleden wel vaker ambtshalve met hem te maken gehad. Hij had de indruk dat verzoeker probeerde de twee vrouwelijke collega's tegen elkaar uit te spelen. Verzoeker stond met zijn armen te zwaaien en dreef alles op de spits. Z. had verzoeker met autoriteit aangesproken en hem verteld dat een en ander op het politie-bureau moest worden uitgezocht. Het was, in verband met parketnummers, te lastig om dat op straat te doen. Pas in de politieauto liet verzoeker hem de kwitanties zien. Z. had niet gezien of zijn collega's de kwitanties ook al in handen hadden gehad. In de auto vertelde Z. verzoeker dat hij de kwitanties direct had moeten laten zien. Dan hadden zijn collega's direct kunnen checken of de boetes waren betaald en had hij niet mee naar het politiebureau gehoeven.

9. De korpsbeheerder deelde in een brief van 29 april 2009 nog mee dat de grondslag om verzoeker mee te nemen naar het politiebureau was gelegen in de door de rechter afgegeven machtiging tot gijzeling. Op dat moment was immers niet bekend dat verzoeker de opgelegde sancties had betaald. Door toepassing van het dwangmiddel gijzeling had betaling kunnen worden afgedwongen, aldus de korpsbeheerder.

Beoordeling

10. Het evenredigheidsvereiste houdt in dat overheidsinstellingen voor het bereiken van een doel een middel aanwenden dat voor de betrokkenen niet onnodig bezwarend is en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel. Dit vereiste brengt met zich mee dat de politie in beginsel dient te kiezen voor een werkwijze die voor de betrokkene het minst bezwarend is.

11. Allereerst toetst de Nationale ombudsman of de politieambtenaren verzoeker mee mochten nemen naar het politiebureau. Door verzoeker tegen zijn wil mee te nemen, hebben de politieambtenaren hem - weliswaar voor korte duur - zijn vrijheid benomen. Uit de door de politie en het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) aan de Nationale ombudsman verstrekte informatie blijkt dat er vijf administratieve sancties op naam van verzoeker openstonden, aan hem opgelegd in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). In alle vijf de gevallen had de rechter een machtiging tot gijzeling afgegeven.

12. Vervolgens kijkt de Nationale ombudsman naar de vraag of verzoeker ook daadwerkelijk meegenomen had moeten worden. Uit de afgelegde verklaringen komt een verschillend beeld naar voren van wat zich heeft afgespeeld. Verzoeker en de getuige stellen dat hij de kwitanties meteen heeft laten zien, maar dat de politieambtenaar de bedragen niet goed heeft opgeteld en vervolgens heeft geweigerd ter plekke verder uit te zoeken of hij alles had betaald. De politie zegt dat verzoeker pas heel laat de kwitanties heeft laten zien en dat de situatie toen al te ver was geëscaleerd om ter plaatse de kwitanties na te trekken. De Nationale ombudsman hecht in dit geval meer waarde aan de verklaringen van de politieambtenaren. De Nationale ombudsman acht het namelijk niet waarschijnlijk dat de politieambtenaren verzoeker naar het politiebureau zouden hebben overgebracht als zij de zaak ter plaatse (even zorgvuldig als op het bureau) hadden kunnen afhandelen. Verzoeker heeft met het betalen van enkele boetes kennelijk zo lang getalmd dat het tot een door de rechter afgegeven machtiging tot gijzeling is gekomen. Doordat er de mogelijkheid was verzoeker te gijzelen, is het niet onjuist dat de politieambtenaren zorgvuldig hebben willen nagaan of verzoeker daadwerkelijk betaald had. Daarmee heeft de politie niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

II. Ten aanzien van het overbrengen van de auto van verzoekster naar het politiebureau

Bevindingen

1. Verzoeker is door politieambtenaar Z. met de politieauto overgebracht naar het politiebureau. Omdat de mogelijkheid openstond de auto buiten gebruik te stellen, is de auto van verzoekster door politieambtenaar B. ook naar een (ander) politiebureau gebracht. Verzoeker heeft verzoekster tijdens de rit gebeld en heeft de telefoon toen overhandigd aan politieambtenaar Z. Aan hem heeft verzoekster duidelijk gemaakt dat zij geen toestemming gaf haar auto mee te nemen naar het politiebureau. Zij verzocht de politieambtenaar om de auto aan de kant van de weg stil te zetten en daar te laten staan. Hieraan is geen gehoor gegeven en dat acht verzoekster klachtwaardig.

2.1. In zijn reactie van 9 juli 2008 op de klacht schreef de korpsbeheerder dat er sprake was van een vijftal signaleringen op naam van verzoeker. In geen van deze gevallen stond de mogelijkheid open om het rijbewijs van verzoeker in te nemen. In vier van de vijf zaken had de officier van justitie op 7 april 2006 opdracht gegeven tot buitengebruikstelling van het voertuig. In de vijfde zaak gold geen buitengebruikstelling. Er was door de rechter in alle gevallen een machtiging tot gijzeling afgegeven. De afgiftedata zijn 5 februari, 9 maart en 10 maart (3x) 2007.

2.2. De korpsbeheerder vervolgde zijn brief als volgt. Terwijl de heer Z. verzoeker overbracht naar het politiebureau, hebben politieambtenaren F. en B. de personenauto die verzoeker bij zich had, ter uitvoering van de buitengebruikstelling, overgebracht naar het politiebureau. Artikel 28b van de WAHV biedt de mogelijkheid het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden buiten gebruik te stellen of, indien dit voertuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken (zie Achtergrond, onder 1. en 2.).

De parlementaire geschiedenis van de WAHV biedt geen houvast voor de opvatting dat de wetgever zou hebben beoogd het dwangmiddel uitsluitend toe te passen op voertuigen die aan de overtreder toekomen, aldus de korpsbeheerder. Uit het onderzoek dat de korpsbeheerder naar deze klacht had laten verrichten, was gebleken dat verzoeker ten tijde van het incident de beschikking had over het voertuig van verzoekster. De politieambtenaren waren, gelet hierop, bevoegd om ter uitvoering van de buitenge-bruikstelling de personenauto over te brengen naar het politiebureau, aldus de korpsbeheerder. Daarvoor hadden zij geen toestemming nodig van degene op wiens naam de auto was gesteld.

De korpsbeheerder acht de klacht ongegrond.

Beoordeling

3. Ook nu wordt getoetst aan het evenredigheidsvereiste dat inhoudt dat overheidsinstanties voor het bereiken van een doel een middel aanwenden dat voor de betrokkenen niet onnodig bezwarend is en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel.

4. Verzoekster, de eigenaresse van de auto, had de politie geen toestemming gegeven voor het meenemen van haar auto naar het politiebureau. Terwijl de auto naar het politiebureau werd gereden door politieambtenaar B., voerde zij een telefoongesprek met politieambtenaar Z. aan wie zij meedeelde dat de auto aan de kant van de weg geparkeerd moest worden. Haar verzoek is niet opgevolgd.

5. De officier van justitie had in vier van de vijf op naam van verzoeker openstaande zaken toestemming gegeven voor het buiten gebruik stellen van de auto van verzoeker. Toen verzoeker werd aangesproken door de politieambtenaren zat hij niet in zijn eigen auto, maar in die van verzoekster. Daaruit kon de politie afleiden dat verzoeker over de auto van verzoekster vermocht te beschikken, zoals dit in de wet is omschreven, en dat de politie derhalve gerechtigd was tot buitengebruikstelling van deze auto.

6. Op het moment dat verzoeker werd overgebracht naar het politiebureau ter tenuitvoerlegging van het dwangmiddel gijzeling, was bekend dat hij een deel van het openstaande bedrag had betaald en dat de auto niet aan verzoeker toebehoorde. Toch is besloten om ook het tweede dwangmiddel ten uitvoer te leggen. De Nationale ombudsman overweegt als volgt. Volgens de toepasselijke Aanwijzing (zie Achtergrond, onder 2.) wordt gijzeling pas toegepast als buitengebruikstelling niet tot betaling heeft geleid. De politie heeft de auto derhalve meegenomen om de mogelijkheid te hebben het minst zware dwangmiddel te kunnen toepassen. Er is dan ook geen sprake van een onevenredige verhouding van het middel tot het doel. De politie heeft niet in strijd met het evenredigheidsvereiste gehandeld.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

III. Ten aanzien van het telefoongesprek dat verzoekster had met politieambtenaar Z.

Bevindingen

1. Tijdens het hiervóór onder II.1. vermelde telefoongesprek met politieambtenaar Z. stelde verzoekster zich, naar eigen zeggen, voor met voor- en achternaam en vertelde hem dat zij de eigenaresse van de auto was die op dat moment naar het politiebureau werd gebracht. Zij deelde hem mee dat zij daar geen toestemming voor gaf en dat zij van mening was dat haar auto direct stilgezet diende te worden. De heer Z. reageerde hier volgens verzoekster bot op door te zeggen dat zij hem niet hoefde te vertellen hoe hij zijn werk moest doen en hij verbrak de verbinding. Zij stelde dat de heer Z. haar het bloed onder de nagels vandaan haalde. Hij reageerde fel en defensief. Zij gaf tegenover de klachtencommissie aan dat zij wel fel was geweest, maar dat ze niet tegen politieambtenaar Z. had gezegd "waar hij het lef vandaan haalde" om haar auto mee te nemen naar het bureau. Naar eigen zeggen spreekt zij de politie niet zo aan. Verzoekster klaagt er bij de Nationale ombudsman over dat de politieambtenaar zich onbeschoft tegenover haar heeft gedragen.

2. De korpsbeheerder reageerde op 9 juli 2008 op dit klachtonderdeel. Hij schreef dat verzoeker tijdens de autorit aan politieambtenaar Z. had verzocht met zijn advocaat (verzoekster) te mogen bellen. Deze gaf daarvoor toestemming. Verzoeker sprak kort met verzoekster en vroeg de heer Z. of deze met verzoekster wilde spreken. Volgens de heer Z. stond verzoekster hem heel onfatsoenlijk te woord. Zij sprak erg dwingend en eiste van hem dat het overbrengen van haar auto meteen werd stopgezet. Zonder om nadere uitleg te vragen vroeg ze hem waar hij het lef vandaan haalde om haar auto mee te nemen. Politieambtenaar Z. heeft haar toen uitgelegd dat hij op deze manier niet met haar wilde spreken en dat zij hem niet hoefde te vertellen hoe hij zijn werk moest doen. Hij had vervolgens de telefoon teruggegeven aan verzoeker. De korpsbeheerder overwoog dat van onbehoorlijke bejegening jegens verzoekster geen sprake was. Het gedrag van verzoekster gaf volgens hem voldoende aanleiding het gesprek na korte tijd te beëindigen. De uitspraak van politieambtenaar Z. dat verzoekster hem niet hoefde te vertellen hoe hij zijn werk moest doen, beschouwde de korpsbeheerder, onder de gegeven omstandigheden, niet als onbehoorlijk. Hij acht de klacht niet gegrond.

3. Verzoekster herhaalde in haar reactie van omstreeks 25 juli 2008, dat zij de woorden "waar hij het lef vandaan haalde" niet had gebruikt. Zij schreef vervolgens dat voordat zij de heer Z. aan de lijn kreeg, zij van verzoeker had gehoord dat haar auto naar het politiebureau werd gebracht. Zij vroeg de politieambtenaar daarnaar. In plaats van dat hij op een rustige manier uitlegde wat er speelde en dat er een machtiging tot buitengebruikstelling was afgegeven, antwoordde hij op haar mededeling dat zij de eigenaresse van de auto was, dat zij hem niet hoefde te vertellen hoe hij zijn werk moest doen. Na deze opmerking verbrak de heer Z. direct de verbinding. Verzoekster is van mening dat van een politieambtenaar mag worden verwacht dat wanneer een derde wordt geconfronteerd met de buitengebruikstelling van diens voertuig, een politieambtenaar de tijd neemt om deze derde op een rustige manier te woord te staan en uitleg te geven over de gang van zaken.

4. Verzoekster heeft op 17 september 2008 naast een schriftelijke reactie ook nog een telefonische verklaring afgelegd tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Zij verklaarde dat verzoeker haar een aantal keer had gebeld. In een van de eerste gesprekken vertelde hij haar dat de politie hem vragen stelde over openstaande boetes. Deze had hij al betaald, maar toch bleven ze erover zeuren, althans zo had verzoekster zijn verhaal opgevat. Toen verzoeker haar belde vanuit de politieauto vertelde hij haar voor het eerst over de buitengebruikstelling van haar auto. Omdat zij daarover meer wilde weten, omdat het verhaal haar nog niet helemaal duidelijk was, had verzoeker de telefoon overhandigd aan politieambtenaar Z. Zij heeft toen kort met Z. gesproken. Zij vertelde hem wie ze was en dat de auto van haar was en dat zij wilde dat deze aan de kant van de weg zou worden gezet. Naar haar weten waren de boetes betaald en was er geen reden verzoeker en de auto mee te nemen naar het politiebureau. De politieambtenaar zei daarop meteen dat zij hem niet hoefde te vertellen hoe hij zijn werk moest doen. Hij kapte het gesprek, voor haar gevoel, eigenlijk een beetje af. Hij wilde niet verder met haar praten en gaf de telefoon terug aan verzoeker. Met de manier waarop Z. haar benaderde, haalde hij het bloed onder verzoeksters nagels vandaan, aldus verzoekster. Het was haar auto die zomaar werd meegenomen en ze wist dat verzoeker ten onrechte werd meegenomen naar het politiebureau, omdat hij zijn boetes al had betaald. Zij was van mening dat de politie haar auto moest laten staan, maar als die dan toch mee moest, dan diende de politie wel uit te leggen waarom. Deze uitleg verwachtte zij van politieambtenaar Z., maar in plaats van een rustige uitleg, kapte hij het gesprek af. Hij had volgens verzoekster een onvriendelijke intonatie in zijn stem. Verzoekster sloot niet uit dat zij fel was geweest aan de telefoon, want ze was enigszins geïrriteerd dat de politie haar auto meenam, maar zij had nooit gezegd "waar hij het lef vandaan haalde om haar auto mee te nemen".

5. Verzoeker verklaarde op 29 september 2008 tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman over het gevoerde telefoongesprek onder meer het volgende. Hij had één keer gesproken met verzoekster en dat was in de politieauto. Hij had haar uitgelegd dat de politie hem en de auto meenam naar het politiebureau, terwijl hij wel had betaald en de kwitanties aan de politie had laten zien. Hij kon verzoekster niet uitleggen waarom dat moest. Zij vond het belachelijk dat haar auto mee moest naar het politiebureau als er een probleem was met hem over het al dan niet betaald hebben van boetes, aldus verzoeker. Verzoekster probeerde hem rustig te krijgen, omdat hij zo opgefokt was. Verzoekster was volgens verzoeker wel boos, maar niet aanvallend of agressief. Vervolgens had hij de telefoon aan politieambtenaar Z. gegeven, zodat hij haar het een en ander kon uitleggen. Het gesprek ging onder andere over het meenemen van de auto. Hij hoorde dat Z. tegen verzoekster zei: "U gaat mij toch niet vertellen hoe ik mijn werk moet doen?". Dit hoorde hij hem een keer of vier zeggen. Meer dan dat zei hij niet, aldus verzoeker. Daarna gaf hij de telefoon terug en heeft verzoeker nog even met verzoekster gesproken. Hij had niet kunnen verstaan wat verzoekster tegen de politieambtenaar had gezegd, want zij praatte niet heel hard. Verzoeker vond dat Z. heel brutaal sprak tegen verzoekster. Hij had volgens verzoeker een houding van "ik doe mijn werk en zij moet zich er niet mee bemoeien". Hij was geïrriteerd. Dat was hij al op het moment dat hij ter plaatse was gekomen.

6. Politieambtenaar Z. legde op 28 januari 2009 een telefonische verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Hij vertelde dat hij met verzoeker in de auto had gezeten en dat deze vrij rustig was. Verzoeker had gevraagd of hij zijn advocaat mocht bellen. Hier had Z. geen bezwaar tegen gehad. Zij spraken onderling in een voor Z. onverstaanbare taal. Op een gegeven moment had verzoeker tegen hem gezegd dat zijn advocaat graag met hem wilde spreken. De vrouw aan de andere kant van de lijn stelde zich volgens Z. niet voor, dat wist hij nog heel goed. Ze klonk heel stellig en zei meteen "waar haalt u het lef vandaan om mijn auto mee te nemen?". Ook wilde ze dat de auto meteen aan de kant van de weg werd gezet. De toon was direct gezet. Z. had toen geen behoefte meer om met haar te praten en antwoordde dat zij hem niet hoefde te vertellen hoe hij zijn werk moest doen. Daarna had hij de telefoon teruggegeven aan verzoeker. Tot dat moment wist hij niet dat verzoekster de advocaat van verzoeker was en dat de auto van haar was. Z. vond dat verzoekster zich best had kunnen voorstellen, ook had ze gewoon kunnen vragen wat de reden was dat verzoeker en de auto mee moesten naar het politiebureau. Dat vond Z. wel zo fatsoenlijk.

Beoordeling

Met betrekking tot het verloop van het gesprek

7. Het vereiste van correcte bejegening houdt onder meer in dat overheidsinstanties burgers als mens respecteren en hen beleefd behandelen. Dit brengt met zich mee dat een overheidsinstantie burgers zoveel mogelijk op een juiste wijze te woord dient te staan.

8. De Nationale ombudsman stelt zich op het standpunt dat van een politieambtenaar mag worden verwacht dat deze kan omgaan met oplopende emoties bij een burger, wanneer deze, zoals in dit geval, onverwacht wordt geconfronteerd met het buiten gebruik stellen van de uitgeleende auto. Dit betekent dat ook in die situaties een politieambtenaar een burger zoveel mogelijk op een juiste wijze te woord dient te staan. Dit brengt echter niet met zich mee dat een politieambtenaar geen duidelijke taal mag spreken en zich niet op een gezaghebbende toon mag uiten, als de situatie daar om vraagt.

9. In het onderzoek is een aantal dingen komen vast te staan, te weten dat verzoekster fel is geweest aan de telefoon, dat zij Z. heeft verzocht haar auto aan de kant van de weg te parkeren, dat politieambtenaar Z. geen uitleg over de buitengebruikstelling heeft gegeven en tegen haar een aantal keren heeft gezegd dat zij hem niet moest vertellen hoe hij zijn werk moest doen en dat hij daarna het gesprek heeft beëindigd. Verzoekster stelt dat Z. haar het bloed onder de nagels vandaan heeft gehaald. Zij heeft niet kunnen aangeven welk specifieke gedrag dit heeft veroorzaakt, anders dan dat het Z.'s manier van benaderen was geweest. Verzoeker heeft voorts verklaard dat verzoekster boos was en dat zij het belachelijk vond dat haar auto mee werd genomen naar het politiebureau. Over de politieambtenaar verklaarde hij dat deze geïrriteerd was en brutaal tegen verzoekster had gesproken. De Nationale ombudsman kan niet anders concluderen dan dat beide partijen een ander beeld hebben van het verloop van het gesprek en de reden dat dit uit de hand is gelopen. Gelet op deze tegenstrijdigheden kan de Nationale ombudsman niet tot een oordeel komen over het aspect van correcte bejegening door de politieambtenaar.

Met betrekking tot het informeren over de buitengebruikstelling

10. Het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking houdt in dat bestuursorganen burgers met het oog op de behartiging van hun belangen actief en desgevraagd van adequate informatie voorzien.

11. Uit het geschetste verhaal blijkt dat verzoekster het niet eens was met het feit dat haar auto naar het politiebureau werd overgebracht. Blijkbaar was verzoekster niet van de wettelijke bepalingen omtrent buitengebruikstelling op de hoogte. Anders had zij wel geweten dat deze auto meegenomen mocht worden omdat zij haar had uitgeleend aan verzoeker en hij dus over haar auto vermocht te beschikken. Het had, met het oog op wat onder 8. is opgenomen, in de lijn der verwachting gelegen als de politieambtenaar verzoekster over deze wettelijke bepaling had geïnformeerd. Het feit dat het gesprek niet soepel verliep, mag daaraan niet in de weg staan. Ook in die gevallen dient een politieambtenaar een burger actief en adequaat te informeren. Dat de politieambtenaar dit heeft nagelaten, levert een schending van het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking op.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Met betrekking tot de klachtenadviescommissie voor de politieregio Groningen

IV. Ten aanzien van de hoorzitting van verzoeker

Bevindingen

1. De klacht die verzoeker bij de korpsbeheerder had ingediend, werd voor advies aan de klachtencommissie voorgelegd. De hoorzitting zou plaatsvinden op het politiebureau aan de Rademarkt in Groningen. Verzoeker had in een telefoongesprek tegenover de secretaris van de klachtencommissie aangegeven dat hij bezwaar had tegen deze locatie. Hij gaf de voorkeur aan een andere locatie. De secretaris deelde hem mee dat hier wel eens vaker om werd verzocht en hij zegde toe naar een andere locatie te zullen uitkijken. Toen verzoeker de uitnodiging voor de hoorzitting ontving, bleek dat deze toch op de Rademarkt zou plaatsvinden. Hierover klagen verzoekers.

2. De korpsbeheerder reageerde namens de (voorzitter van de) klachtencommissie op dit klachtonderdeel. Hij schreef in zijn reactie van 9 juli 2008 dat de hoorzittingen van de klachtencommissie plaatsvinden in een vergaderruimte van het hoofdbureau van politie in het centrum van Groningen. Hoewel daarover niets is vastgelegd in het Huishoudelijk Reglement van de klachtencommissie (zie Achtergrond, onder 4.) kan de voorzitter besluiten uit te wijken naar een alternatieve ruimte buiten het politiebureau, wanneer zwaarwegende redenen daartoe aanleiding geven. Verzoeker werd op 22 oktober 2007 door de secretaris van de klachtencommissie uitgenodigd voor de hoorzitting van 15 november 2007. In de uitnodigingsbrief werd verzoeker gevraagd binnen een week te laten weten of hij van de gelegenheid gebruik wenste te maken om door de klachtencommissie te worden gehoord. Verzoeker gaf in een telefoongesprek van 26 oktober 2007 met een medewerker van het klachtensecretariaat aan dat hij niet kon instemmen met de plaats waar de hoorzitting plaats zou vinden. Als reden gaf hij op "het gebouw niet onafhankelijk en niet passend bij een onafhankelijke commissie te vinden".

De voorzitter heeft het verzoek van verzoeker niet gehonoreerd. Hij was de mening toegedaan dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de commissie niet wordt beïnvloed door de keuze van de locatie van de hoorzitting. De door verzoeker aangevoerde reden werd door hem niet als zwaarwegend beoordeeld. De opvatting van de voorzitter is op 30 oktober 2007 schriftelijk aan verzoeker meegedeeld. Verzoeker reageerde daar telefonisch op en verklaarde in dat gesprek toch aanwezig te zullen zijn op de hoorzitting.

De korpsbeheerder acht de klacht ongegrond.

3. Verzoeker heeft hierover op 29 september 2008 het volgende verklaard. Hij had van de secretaris van de klachtencommissie, de heer K., een brief ontvangen met de vraag of hij bij de hoorzitting van de klachtencommissie aanwezig wilde zijn. Verzoeker heeft hem toen gebeld om een afspraak te maken. K. vertelde dat de zitting in het politiebureau op de Rademarkt zou plaatsvinden. Verzoeker vroeg hem waarom een onafhankelijke klachtencommissie zitting heeft op een politiebureau. Als antwoord kreeg verzoeker te horen dat het alleen op de Rademarkt plaats kon vinden, maar dat wilde verzoeker niet. De heer K. vertelde hem dat het heel zelden gebeurt dat de zitting op een andere locatie plaatsvindt, maar hij zou een verzoek indienen voor een ander pand. In het tweede telefoongesprek dat verzoeker met K. had, vertelde hij dat een wijziging van de locatie niet mogelijk was, aldus verzoeker. Uiteindelijk is verzoeker wel akkoord gegaan met de locatie, want als hij dat niet zou doen, dan zou de klachtencommissie ervan uitgaan dat hij zou afzien van zijn klacht. Dat wilde verzoeker niet. Verzoeker stelde dat hij gedwongen akkoord was gegaan.

4. Verzoekster heeft op 17 juli 2009 gereageerd op het verslag van bevindingen waar het de hoorzitting van verzoeker betreft. Hierin kaartte zij aan dat zij in haar eerste klachtbrief aan de Nationale ombudsman een klacht had geuit over opmerkingen die de heer S. tijdens de hoorzitting van verzoeker zou hebben gemaakt over Antillianen in het algemeen (verzoeker is een Antilliaan). In de verklaring die zij op 17 september 2008 tegenover een medewerkster van de Nationale ombudsman aflegde, staat dat zij dit slechts ter kennisgeving had aangegeven. Volgens verzoekster is dat niet juist. Er had in haar verklaring moeten staan dat dit gedeelte niet bij de klachtencommissie is verwoord, maar tijdens de zittingen van de klachtencommissie is gebleken en dat het wel deel uitmaakt van de klacht die zij bij de Nationale ombudsman had ingediend.

In het telefoongesprek van 17 september 2008 waarin de medewerkster van de Nationale ombudsman de verklaring van verzoekster afnam, is deze klacht ter sprake gekomen. De medewerkster heeft verzoekster toen verteld dat deze gedraging geen deel uitmaakte van het onderzoek van de Nationale ombudsman. Zij heeft verzoekster toen gevraagd of zij wilde dat dit alsnog bij het onderzoek betrokken moest worden. Het antwoord daarop was ontkennend. Het ging verzoekster om de essentie en die was verwoord in de klachtformulering. Deze hoefde dus niet te worden aangepast.

In de vastlegging van de verklaring van verzoekster is dit opgenomen met de bewoordingen dat "dit geen onderdeel van het onderzoek uitmaakte, maar dat verzoekster het wel wilde meedelen". Verzoekster heeft deze verklaring ondertekend en retour gezonden aan de Nationale ombudsman.

Ook de verzoeker heeft hierover gesproken toen hij hierover op 29 september 2008 een verklaring aflegde tegenover de medewerkster van de Nationale ombudsman. Zij heeft hem er toen op gewezen dat dit geen deel uitmaakte van het onderzoek. Verzoeker antwoordde daarop dat hij begreep dat de Nationale ombudsman daar geen oordeel over zou geven. Met andere woorden, verzoeker achtte onderzoek hiernaar niet nodig. Verzoeker heeft deze verklaring ondertekend en retour gezonden aan de Nationale ombudsman.

Met het oog op wat zowel verzoekster als verzoeker tijdens de gesprekken hebben verklaard, zal de Nationale ombudsman het onderzoek niet uitbreiden met dit klachtonderdeel. Dit betekent dat de Nationale ombudsman evenmin een oordeel over deze klacht zal geven.

Beoordeling

5. Het verbod van vooringenomenheid houdt in dat overheidsinstanties zich actief opstellen om iedere vorm van een vooropgezette mening of de schijn van partijdigheid te vermijden.

6. In dit geval sprak verzoeker zijn twijfel uit over de onafhankelijkheid van de klachtencommissie in verband met de ruimte waarin de klachtencommissie voor de hoorzitting bijeenkwam, te weten een politiebureau.

7. Volgens de Memorie van Toelichting komt de klachtadviesprocedure tegemoet aan een in de praktijk gevoelde behoefte om klachten met enige afstand te kunnen (laten) behandelen. In alle gevallen behoudt het bestuursorgaan evenwel de verantwoor-delijkheid voor de uiteindelijke afhandeling. Bij het stellen van aanvullende eisen aan de klachtadviesprocedure is mede in acht genomen de wens een niet al te geformaliseerde procedure in te richten. Wel is de eis gesteld dat de klachtadvisering niet (mede) mag geschieden door degene op wie de klacht betrekking heeft (zie Achtergrond, onder 4. en 5.). Gelet hierop bestaat er voor de klachtencommissie een zekere vrijheid om de wijze van onderzoek zelf in te richten. Hiertoe wordt vaak ter ondersteuning een Huishoudelijk Reglement opgesteld. In het Huishoudelijk Reglement voor de Commissie voor de Politieklachten voor de regio Groningen is over de locatie waar de klachtencommissie haar hoorzittingen houdt, niets vastgelegd. Wel is er de bevoegdheid van de voorzitter van de klachtencommissie om bij zwaarwegende redenen voor een andere locatie te kiezen. De Nationale ombudsman is van mening dat het voor de uitstraling van onafhankelijkheid voordelen heeft als de klachtencommissie bijeenkomt op een locatie buiten het hoofdbureau van politie. Maar dit brengt nog niet met zich mee dat als een hoorzitting wel op een politiebureau plaatsvindt, de klachtencommissie niet meer onafhankelijk en onbevangen over een ingediende klacht zou kunnen adviseren. Evenmin levert dit feit op zichzelf een schijn van vooringenomenheid op.

De Nationale ombudsman heeft geen aanwijzing gekregen dat er in deze zaak sprake van partijdigheid of de schijn daarvan is geweest. Hij ziet dan ook geen reden om het handelen van de klachtencommissie af te keuren in verband met strijd met het beginsel van vooringenomenheid.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

V. Ten aanzien van het maken van de notulen van de beide hoorzittingen door politieambtenaar S.

Bevindingen

1. Tot slot klagen verzoekers erover dat de notulen van de hoorzittingen die naar aanleiding van beide klachten zijn gehouden, zijn opgemaakt door politieambtenaar S. Het opnemen van de notulen door een medewerker van de politie doet huns inziens niet onpartijdig aan en geeft zelfs de schijn van partijdigheid af.

2. De korpsbeheerder reageerde namens de voorzitter van de klachtencommissie op dit klachtonderdeel. Hij schreef in zijn brief van 9 juli 2008 dat uit de verslagen van de hoorzittingen van 4 oktober en 15 november 2007 blijkt dat deze niet zijn opgesteld door de heer S., zoals door verzoekers is beweerd. Hij was slechts als klachtonderzoeker op de zittingen, die overigens openbaar zijn, aanwezig, aldus de korpsbeheerder. De verslagen zijn opgemaakt door de secretaris van de klachtencommissie, bijgestaan door de notulist. Dit zijn de heren K. en Bl.

De korpsbeheerder acht dit klachtonderdeel evenmin gegrond.

3. Uit het briefpapier waarop de brief van 18 december 2007 is gedrukt, waarin staat dat de klachtbehandeling vertraging heeft opgelopen, en die is ondertekend namens de korpschef door de heer Bl., blijkt dat deze werkzaam is bij het regionale politiekorps Groningen. Het is de Nationale ombudsman ambtshalve bekend dat ook de heer K. in dienst is bij het regionale politiekorps Groningen.

4. In de aanbiedingsbrief van het advies aan de klachtencommissie is te lezen dat de commissie is bijgestaan door de heer K., in zijn rol als secretaris, en door de heer Bl., voor de verslaglegging.

Beoordeling

5. Ook dit klachtonderdeel wordt getoetst aan het verbod van vooringenomenheid.

6. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het niet de heer S. is geweest die de verslagen van de hoorzittingen heeft gemaakt. De Nationale ombudsman kan niet anders stellen dan dat verzoekers' klacht feitelijke grondslag mist.

7. Met deze klacht hebben verzoekers een signaal afgegeven omtrent de schijn van partijdigheid die wordt gewekt met het laten opstellen van het verslag van de hoorzitting van de klachtencommissie door een politieambtenaar. De verslagen in deze hoorzittingen zijn weliswaar niet door politieambtenaar S. opgesteld, maar wel door de secretaris en de notulist, beiden werkzaam bij het regionale politiekorps Groningen. De Nationale ombudsman ziet geen reden aan te nemen dat hiermee de schijn van partijdigheid wordt gewekt, aangezien het verslag wordt vastgesteld door de voorzitter van de klachtencommissie.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Groningen, is

niet gegrond ten aanzien van:

het overbrengen van verzoeker naar het politiebureau;

het overbrengen van verzoeksters auto naar het politiebureau;

gegrond ten aanzien van:

het tijdens het telefoongesprek tussen verzoekster en politieambtenaar Z.

informeren over de buitengebruikstelling, wegens schending van het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking.

De Nationale ombudsman onthoudt zich van een oordeel ten aanzien van het verloop van het telefoongesprek tussen verzoekster en politieambtenaar Z.

De klacht over de onderzochte gedraging van de voorzitter van de Klachtenadviescommissie voor de Politieregio Groningen, is

niet gegrond ten aanzien van:

de locatie van de hoorzitting in de zaak van verzoeker;

het maken van de notulen van de hoorzittingen door politieambtenaar S.

SLOTBESCHOUWING

In deze zaak wordt geïllustreerd dat iets eenvoudigs als het maken van foto's van een auto op een grasveldje kan leiden tot een gang onder dwang naar het politiebureau. Je kunt je afvragen of het noodzakelijk was verzoeker op deze wijze aan te spreken op het plaatsen van de auto op het gras. En ook of het nodig was om als reden te geven voor het daar niet mogen parkeren dat het gras dood zal gaan, waarmee een zinloze discussie wordt uitgelokt. Vraag is ook of de fotograaf niet een erg kort lontje had en helemaal niet aangesproken leek te willen worden op zijn gedrag. Feit is wel dat verzoeker door de auto op het gras te plaatsen het risico nam dat hij op zijn gedrag aangesproken zou kunnen worden. Het is immers niet toegestaan om op een openbare groenvoorziening te parkeren. Feit is ook dat verzoeker lange tijd heeft gewacht met het betalen van een aantal openstaande boetes. Zo lang dat de rechter een aantal machtigingen tot gijzeling heeft afgegeven; een ernstige zaak. Verzoeker heeft daarmee het risico genomen dat, indien hij op dat moment door de politie zou worden aangesproken, dit grote gevolgen voor hem zou hebben: inbeslagneming van de auto totdat de openstaande boetes waren betaald en eventueel zelfs gijzeling met datzelfde doel.

In dit geval had verzoeker net een week voordat de politieambtenaren hem aanspraken alle openstaande boetes betaald, maar was deze informatie nog niet verwerkt in het politieregistratiesysteem. Op die relatief korte termijn hoeft daarop ook niet gerekend te worden. Op het moment dat de politieambtenaren hem naar de openstaande boetes vroegen, heeft verzoeker in de ogen van de Nationale ombudsman niet meteen openheid van zaken gegeven. Daarbij was zijn gedrag zodanig niet meewerkend (steeds weglopen en schreeuwen) dat de politie dat niet hoefde te tolereren. De politie heeft nu eenmaal gezag en van iedere burger mag worden verwacht dat dat gezag wordt aanvaard en dat vragen en aanwijzingen van de politie serieus worden genomen. Verzoeker stelde zich echter dwars op. Het gevolg is dat de situatie is verhard en er zelfs assistentie is gevraagd. Uiteindelijk heeft dit niet aanvaarden van het gezag van de politie ertoe geleid dat verzoeker is meegenomen naar het politiebureau. Daar bleek uiteindelijk dat de boetes allemaal waren voldaan, maar dat neemt niet weg dat verzoeker terecht onder dwang naar het politiebureau werd gebracht.

Het is dus te verklaren waarom iets relatief onschuldigs kan leiden tot overbrenging naar het politiebureau, ondanks dat de boetes al waren betaald. Dit maakt het echter niet minder teleurstellend, dat het zo heeft moeten lopen.

de Nationale ombudsman,

Onderzoek

Op 24 april 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw M. te Assen, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Groningen en een klacht over de Klachtenadviescommissie voor de Politieregio Groningen (verder: klachtencommissie). Op 8 mei 2008 ontving de Nationale ombudsman een brief van de heer I. te Groningen, waarin hij aangaf zich te willen voegen in de klacht van mevrouw M.

Naar deze gedragingen, die worden aangemerkt als een gedraging van de korpsbeheerder van het regionale politiekorps Groningen (de burgemeester van Groningen), respectievelijk de voorzitter van de klachtencommissie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder en de voorzitter verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Daarnaast werd drie betrokken politieambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven.

In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Groningen over de klacht geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was.

De genoemde hoofdofficier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik.

Verzoekers en een getuige hebben een verklaring afgelegd.

Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en de voorzitter en verzoekers de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd de korpsbeheerder een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De betrokken politieambtenaren F. en B., de korpsbeheerder en de voorzitter van de Commissie voor de politieklachten deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De reactie van verzoekster gaf aanleiding het verslag aan te vullen.

Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

Verzoekschrift van 11 januari 2008 (ontvangen op 24 april 2008) van mevrouw M., met bijlagen, waaronder op deze zaak betrekking hebbende correspondentie tussen verzoekers en de korpsbeheerder;

Brief van verzoeker, de heer I., van 5 mei 2008 waarin hij aangeeft zich te willen voegen in de klacht van mevrouw M.;

Standpunt van de korpsbeheerder (mede namens de voorzitter van de Klachtenadviescommissie voor de Politieregio Groningen) van 9 juli 2008, met bijlagen;

Reactie van verzoekster met dagtekening 11 januari 2008, ontvangen op 25 juli 2008;

Verklaring van politieambtenaar B. van 10 september 2008;

Verklaring van verzoekster van 17 september 2008;

Verklaring van politieambtenaar F. van 17 september 2008;

Verklaring van verzoeker van 29 september 2008;

Verklaring van getuige Kr. van 26 januari 2009;

Verklaring van politieambtenaar Z. van 28 januari 2009;

Antwoord van de korpsbeheerder van 29 april 2009 op nadere vragen van de Nationale ombudsman.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

Artikel 28b

"Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie te Leeuwarden het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden buiten gebruik stellen of, indien dit voertuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken. De officier kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. De buitengebruikstelling duurt ten hoogste vier weken."

2. Aanwijzing administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften geldig

van 1 juni 2005 tot 1 juni 2009, Stcr. 29 april 2005

"6. Dwangmiddel 'buitengebruikstellingvoertuig'

6.1. Algemeen

Het dwangmiddel 'buitengebruikstelling voertuig' kan worden toegepast op personenauto's, bedrijfsauto's, motorfietsen, kentekenplichtige aanhangwagens/opleggers en brom- en snorfietsen. Het buiten gebruik stellen van voertuigen is overigens niet beperkt tot voertuigen op naam van natuurlijke personen, ook voertuigen op naam van rechtspersonen kunnen buiten gebruik worden gesteld. Nadat de politie een voertuig buiten gebruik heeft gesteld, wordt dit zo spoedig mogelijk aan de kentekenhouder kenbaar gemaakt. Aan hem wordt de mogelijkheid geboden om binnen één week de sanctie(s), verhogingen en de kosten bij de politie te voldoen. Nadat deze termijn is verlopen, wordt het voertuig door de Dienst der Domeinen bij de politie opgehaald.

Daarna kan er nog bij deze dienst worden betaald. De Dienst der Domeinen taxeert de buiten gebruik gestelde voertuigen. Indien de politie een particuliere berger inschakelt

voor de inbewaringstelling van een voertuig dan worden de door de berger aan de politie in rekening gebrachte kosten vergoed. Wordt de inbewaringstelling door de politie zelf verricht dan worden de kosten vergoed conform de in bijlage 3 opgenomen tarieven. Na het voertuig bij de politie te hebben opgehaald en getaxeerd, regelt de Dienst der Domeinen de vernietiging of de verkoop van het voertuig. Indien de politie heeft gehandeld conform deze aanwijzing kan zij kosten gemaakt voor de buitengebruikstelling volgens de daarvoor door het CJIB vastgestelde procedure bij het CJIB declareren.

6.2. Het begrip 'soortgelijk voertuig'

In artikel 28b van de WAHV is bepaald dat de officier van justitie te Leeuwarden het voertuig, waarmee de gedraging is gepleegd of een soortgelijk voertuig, buiten gebruik kan stellen. Om een eenduidige uitleg van het begrip `soortgelijk voertuig' te verkrijgen wordt bepaald dat aangesloten wordt bij de in artikel 1.1 van het Voertuigreglement opgenomen voertuigdefinities. Het soortgelijke buiten gebruik te stellen voertuig moet in overeenstemming zijn met de in het Voertuigreglement opgenomen meest specifieke voertuigdefinitie van het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden. Bijvoorbeeld op een autobus is zowel de definitie bedrijfsauto als bus van toepassing. De voertuigdefinitie bus is in dit geval het meest specifiek. Dit houdt dus in dat bij een met een autobus gepleegde gedraging, uitsluitend de (auto)bus, waarmee de gedraging is gepleegd, dan wel een andere (auto)bus, waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd vermag te beschikken, buiten gebruik kan worden gesteld. Voor kentekenplichtige voertuigen wordt daarnaast het volgende bepaald. Indien de gedraging is gepleegd met een voertuig, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg dan wordt als soortgelijk voertuig aangemerkt elke ander voertuig, vallende onder dezelfde voertuigdefinitie, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd vermag te beschikken. Ditzelfde geldt voor voertuigen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg.

7. Dwangmiddel 'gijzeling'

Indien een betrokkene tijdens de gijzeling een of meer sancties inclusief verhogingen en kosten wil betalen, moet hij zelf aangeven voor welke zaken hij betaalt. Indien een betrokkene is gegijzeld voor één zaak, moet hij het volledige bedrag van de sanctie inclusief verhogingen en kosten voldoen, ongeacht de duur van de gijzeling op dat moment.

8. Opdracht tot toepassing dwangmiddel (hierna: dwangopdracht)

In beginsel moet de politie een dwangopdracht binnen drie maanden ten uitvoer leggen. Na het afhandelen van een dwangopdracht meldt de politie de wijze van afloop aan het CJIB. Het CJIB kan de politie verzoeken om een dwangopdracht te retourneren. De betrokkene kan aan de politie slechts het volledige bedrag van de sanctie(s), verhogingen en kosten betalen. Betaling van een gedeelte van het totaalbedrag is dus niet mogelijk. Ook is het de politie niet toegestaan een betalingsregeling aan te gaan met

de betrokkene. Bij volledige betaling meldt de politie de afloop aan het CJIB onder vermelding van het bedrag dat is geïnd. Dit bedrag wordt afgedragen aan het CJIB via de daarvoor tussen het CJIB en de opsporingsinstantie afgesproken procedure. Indien de politie constateert dat de betrokkene onvindbaar is, wordt dit onder opgaaf van de bevindingen (vertrokken met onbekende bestemming, niet ingeschreven, etc.) aan het CJIB gemeld. Indien de betrokkene wel is ingeschreven op een bevolkingsadres dan wel de verblijfplaats bekend is kan de politie dat slechts constateren indien zij minimaal driemaal, waarvan tenminste éénmaal 's avonds, daadwerkelijk dit adres of deze adressen heeft bezocht. Indien dit geen resultaat heeft zal het CJIB na het afloopbericht van de politie te hebben ontvangen de beschikking aanbieden aan de divisie Centrale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) voor opname in het opsporingsregister (OPS). Indien de betrokkene is verhuisd binnen de grens van een regiokorps handelt hetzelfde korps de zaak af. Indien de betrokkene is verhuisd buiten de grens van een regiokorps meldt de politie dit in een afloopbericht aan het CJIB. Het CJIB zendt in dat geval een nieuwe dwangopdracht aan de politieregio waarin de woon- of verblijfplaats van de betrokkene is gelegen. Het is de politie niet toegestaan om de dwangopdracht zelfstandig door te zenden. De politie registreert de data en de tijdstippen van de door haar afgelegde bezoeken en een eventuele verhuizing buiten de politieregio bij de tenuitvoerlegging van een dwangopdracht. Het CJIB kan de politie verzoeken om een dwangopdracht te retourneren o.a. in verband met een nieuw adres of het alsnog betalen. Indien de betrokkene is overleden verifieert de politie dit bij het bevolkingsregister en meldt dit bij het CJIB onder vermelding van de overlijdensdatum en de gemeente waar het overlijden van de betrokkene is geregistreerd.

9. Signalering in het OPS

Beschikkingen op naam van personen die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, worden, indien voldoening van het sanctiebedrag niet dan wel niet volledig heeft plaatsgevonden, door het CJIB ter opname in het OPS aangeboden aan de divisie CRI van het KLPD. Ook de beschikkingen ten laste van niet-ingezetenen die niet dan wel niet volledig het sanctiebedrag hebben betaald, worden ter signalering aangeboden bij de divisie CRI. De signalering zal tevens het toegestane dwangmiddel noemen. Dit kan zijn:

* MB = Mulder Buitengebruikstelling;

* MG = Mulder Gijzeling;

* MBG = Mulder Buitengebruikstelling c.q. Gijzeling.

Bij aanhouding op grond van een OPS signalering handelt de politie de zaak af conform de procedure voor het genoemde dwangmiddel (zie paragraaf 6 en 7). Daarbij wordt gijzeling pas toegepast als de buitengebruikstelling niet tot betaling heeft geleid, dan wel niet toepasbaar is gebleken. De politie draagt zorg voor versluiering van de signalering bij de divisie CRI. De divisie CRI meldt deze versluiering bij het CJIB. De politie meldt de afloop van de OPS aan het CJIB overeenkomstig de afwerking van de dwangop-drachten."

3. Klachtregeling regionaal politiekorps Groningen van 1 april 2004

"1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. korps: het regionale politiekorps Groningen;

b. de korpsbeheerder: de beheerder van het regionale politiekorps Groningen:

c. het regionaal college: het regionaal college van het regionale politiekorps Groningen;

d. klacht: een schriftelijke dan wel mondelinge uiting van ongenoegen over een gedraging van een ambtenaar van politie van het korps, dan wel van een andere persoon die werkzaam is bij het korps;

e. klager: de indiener van een klacht;

f. gedraging: enig handelen of nalaten daarvan door een voor het korps werkzame persoon;

g. commissie: de commissie voor de politieklachten als bedoeld in artikel 3 van deze regeling;

h. klachtcoördinator: de functionaris als bedoeld in artikel 4 van deze regeling.

(…)

3. Commissie voor de politieklachten

1. Er is een commissie voor de politieklachten, die bestaat uit vijf onafhankelijke leden.

2. De commissieleden worden benoemd door het regionaal college, op voordracht van de korpsbeheerder.

3. De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij zijn tweemaal opnieuw te benoemen.

4. De korpsbeheerder wijst een secretaris aan. De secretaris is geen lid van de commissie.

5a. De commissie is belast met de behandeling van en de advisering aan de korpsbeheerder over klachten die niet door middel van overleg met de klager of door middel van bemiddeling worden afgehandeld.

5b. De commissie kan zich opsplitsen in kamers die bestaan uit ten minste drie leden.

5c. In het geval een advies strekt tot het niet in behandeling nemen van een klacht in verband met het bepaalde in het eerste of het tweede lid van artikel 9:8 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de commissie de advisering opdragen aan haar voorzitter.

5d. De commissie kan de korpsbeheerder gevraagd of ongevraagd advies geven over de behandeling van andere klachten.

6. Voor hun werkzaamheden ontvangen de voorzitter en de leden van de commissie een vergoeding. De hoogte daarvan wordt vastgesteld door of namens de korpsbeheerder.

7. De commissie stelt in een huishoudelijk reglement nadere regels vast omtrent haar werkwijze.

4. Klachtcoördinator

De beheerder van het korps wijst een ambtenaar aan die in de functie van klachtcoördinator is belast met de coördinatie van de klachtbehandeling en met de registratie van alle ontvangen klachten.

(…)"

4. Huishoudelijk reglement van de Commissie voor Politieklachten van het

regionale politiekorps Groningen

"In het huishoudelijk reglement van de commissie voor de politieklachten worden nadere regels vastgesteld omtrent de werkwijze van de commissie. Ze is gebaseerd op artikel 3 lid 7 van de op 1 april 2004 vastgestelde Klachtregeling regionaal politiekorps Groningen.

1. Begripsbepalingen In dit huishoudelijk reglement wordt verstaan onder:

a. klachtregeling: de Klachtregeling regionaal politiekorps Groningen, vastgesteld op 1 april 2004;

b. commissie: de commissie voor de politieklachten als bedoeld in artikel 3 van de Klachtregeling regionaal politiekorps Groningen;

c. klachtcoördinator: de functionaris als bedoeld in artikel 4 van de Klachtregeling regionaal politiekorps Groningen;

d. korpsbeheerder: de beheerder van het regionale politiekorps Groningen

2. De commissie

Eén van de leden wordt door de commissie tot voorzitter benoemd. Eén van de overige leden wordt door de commissie tot plaatsvervangend voorzitter benoemd.

Besluitvorming kan plaatsvinden wanneer minimaal drie leden van de commissie aanwezig zijn. In uitzonderingsgevallen mag besluitvorming door twee leden plaatsvinden mits nadien het besluit wordt bekrachtigd door ten minste één ander commissielid.

De commissieleden hebben een geheimhoudingsplicht ter zake van de informatie die hen in de uitoefening van hun werkzaamheden ter beschikking wordt gesteld.

3. De klacht

In het geval dat een advies aan de korpsbeheerder strekt tot het niet in behandeling nemen van een klacht in verband met het bepaalde in het eerste of het tweede lid van artikel 9:8 van de Algemene wet bestuursrecht, draagt de commissie de advisering op aan haar voorzitter. Een door de klachtcoördinator ontvangen klacht die vermoedelijk tot dit advies zal leiden, wordt ter beoordeling voorgelegd aan de voorzitter.

Indien klager, in gevolge artikel 6 lid 2 van de klachtregeling, in de gelegenheid wordt gesteld het in dat artikel genoemde verzuim binnen twee weken te herstellen, wordt de klacht voorlopig wel in behandeling genomen. Bij overschrijding van de hersteltermijn wordt behandeling van de klacht, met toepassing van lid 3 van genoemd artikel, meteen gestaakt.

In de aan de indiener van de klacht te verzenden ontvangstbevestiging, als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de klachtregeling, wordt tevens vermeld dat, indien de klacht niet door overleg of bemiddeling heeft geleid tot een oplossing waarmee klager tevreden is, de klacht voor een advies wordt voorgelegd aan de commissie.

4. De hoorzitting

Indien een klacht niet ingevolge lid 3 van artikel 9 van de klachtregeling wordt beëindigd, wordt een hoorzitting georganiseerd waarin klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft door de commissie worden gehoord.

Klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft worden schriftelijk uitgenodigd voor de hoorzitting. De uitnodiging aan beklaagde wordt naar diens woonadres verzonden. Aan klager wordt in de brief gevraagd of hij wenst te worden gehoord. Indien klager te kennen geeft dat hij afziet van zijn recht om te worden gehoord, wordt door de klachtcoördinator met de voorzitter van de commissie overleg gevoerd over eventuele annulering van de hoorzitting.

Het horen van betrokkenen geschiedt in beginsel in elkaars tegenwoordigheid. Indien de voorzitter van de commissie het onwenselijk acht beide partijen in elkaars tegenwoordigheid te horen, kan deze besluiten hiervan af te zien. In bijzondere omstandigheden is het mogelijk dat het horen telefonisch plaats vindt.

Zowel de klager als degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft mag zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman of een vertrouwenspersoon.

In beginsel wordt een klager ook uitgenodigd voor een hoorzitting indien de klacht vermoed wordt kennelijk ongegrond te zijn. De voorzitter is bevoegd hiervan af te wijken.

De hoorzittingen zijn in beginsel openbaar. In bijzondere omstandigheden is de voorzitter van de commissie bevoegd te bepalen dat de zitting achter gesloten deuren plaatsvindt.

De klachtcoördinator zorgt voor een afzonderlijk verslag van de hoorzitting. Het verslag dient te worden gezien als een samenvatting van hetgeen door betrokkenen ter zitting is verklaard.

5. Afronding onderzoek

Een kopie van de afdoeningsbrief van de korpsbeheerder aan klager wordt verzonden naar het woonadres van degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft.

Indien een klacht tevens een verzoek om schadevergoeding inhoudt, wordt klager in de afdoeningsbrief van de korpsbeheerder geïnformeerd over de procedure met betrekking tot de beoordeling van dat verzoek.

(…)"

5. Memorie van Toelichting bij artikel 9:13 van de Algemene wet bestuursrecht

"Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 1997-1998, 25837, nr 3

Afdeling 9.3 Aanvullende bepalingen voor een klachtadviesprocedure

Artikel 9:13

Afdeling 9.3 biedt een facultatieve, aanvullende regeling. Aanvullend wil hier zeggen dat de minimum-eisen zoals neergelegd in afdeling 9.2 onverkort van toepassing zijn, maar dat bij wettelijk voorschrift of besluit van het bestuursorgaan kan worden bepaald dat daarenboven afdeling 9.3 van toepassing zal zijn. Dat laatste heeft tot gevolg, dat een persoon of commissie met de advisering over de klachten zal worden belast. Voorts zullen enkele extra waarborgen voor de klachtbehandeling gelden. Deze waarborgen behelzen bij voorbeeld de kenbaarheid van het door de persoon of commissie uitgebrachte advies en de plicht tot motivering van afwijking van het advies. De procedure krachtens afdeling 9.3 wordt aangeduid als klachtadviesprocedure.

De klachtadviesprocedure komt tegemoet aan een in de praktijk gevoelde behoefte om klachten met enige afstand te kunnen (laten) behandelen. In alle gevallen behoudt het bestuursorgaan evenwel de verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke afhandeling. In afdeling 9.3 geldt dit uitgangspunt onverkort. Bij het stellen van aanvullende eisen aan de klachtadviesprocedure is mede in acht genomen de wens een niet al te geformaliseerde procedure in te richten. De wijze van onderzoek is ook in afdeling 9.3 derhalve niet en détail geregeld.

Als regel zal toepassing van afdeling 9.3 ertoe leiden dat een persoon of commissie voor een zekere termijn wordt benoemd om te adviseren over (in beginsel) alle klachten. De regeling laat echter ook de mogelijkheid open dat voor de behandeling van een bepaalde klacht bij besluit van het bestuursorgaan een persoon of commissie wordt belast met de advisering en behandeling.

De klachtadviesprocedure is een interne klachtprocedure, een procedure waarbij het betrokken orgaan het definitieve oordeel uitspreekt over de klacht. Uiteraard geldt ook hier de eis, dat de klachtadvisering niet (mede) mag geschieden door degene op wie de klacht betrekking heeft (vergelijk artikel 7:5 Awb). Daarnaast is het ten behoeve van een verbetering van de kwaliteit van dienstverlening en het herstel van het vertrouwen van de burger noodzakelijk dat er ook een terugkoppeling plaatsvindt in de organisatie."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/200