2008/238

Rapport

Verzoekers dienden op 26 november 2006 een aanvraag in bij de minister van Justitie tot het verkrijgen van een beginseltoestemming tot opneming van een buitenlands kind ter adoptie.

Verzoekers klaagden over de behandelingsduur hiervan. Het ging verzoekers met name om de wachttijd van vijftien tot achttien maanden tussen de aanvraag en het starten van de procedure met de eerste voorlichtingsbijeenkomst. Hiermee duurde het zeker dertig maanden voordat een beslissing op de aanvraag werd genomen.

In deze zaak werd allereerst opgemerkt dat de No met instemming had kennisgenomen van de constatering van de commissie-Kalsbeek dat met de daadwerkelijke procedure van de voorlichtingsbijeenkomsten tot aan het verkrijgen van een beginseltoestemming een periode van twaalf maanden was gemoeid. Deze periode kwam overeen met de periode die de No in eerdere rapporten als redelijk had aangemerkt. Wat betreft de ingebouwde wachttijd van vijftien tot achttien maanden voorafgaand aan deze procedure overwoog de No dat het standpunt van de minister dat deze wachttijd moest worden ingebouwd in de periode voorafgaand aan de procedure tot aan het verlenen van de beginseltoestemming, omdat anders de druk op de vergunninghouders te groot zou worden, onvoldoende was onderbouwd.

Hierdoor is gehandeld in strijd met het vereiste van voortvarendheid. De No achtte de klacht gegrond.

Instantie: Minister van Justitie

Klacht:

Ingediende aanvraag tot verkrijging van de beginseltoestemming te lang behandeld .

Oordeel:

Gegrond