2006/086

Rapport

Voorafgaand aan de verbouwing van zijn woning had verzoeker in februari 2002 een gesprek met een medewerker van de gemeente om het bestemmingsplan in te zien. Hierbij zou ook de funderingsproblematiek aan de orde zijn gesteld, waarop door de medewerker zou zijn meegedeeld dat er volgens hem van een funderingsonderzoek geen sprake was. Verzoeker was dan ook zeer verbaasd dat hij kort daarna een brief ontving, waarin een grootschalig funderingsonderzoek werd aangekondigd.

In zijn beslissing op de klacht van verzoeker dat hij tijdens dit gesprek niet adequaat was geïnformeerd stelde het college dat niet meer viel te achterhalen met wie een gesprek was gevoerd, maar dat dit - gelet op de locatie - zeer waarschijnlijk een medewerker van de (toenmalige) afdeling Ruimtelijke Ordening en Stadsvernieuwing was geweest. Het college achtte het dan ook waarschijnlijk dat deze op dat moment niet op de hoogte was van het funderingsonderzoek, omdat dit werd georganiseerd vanuit de (toenmalige) afdeling Wonen en discretie rond het onderzoek zeer belangrijk was.

In reactie op het verzoekschrift stelde het college in december 2001 voorlopig te hebben ingestemd met de voorgestelde aanpak van de funde­ringsproblematiek en tevens te hebben besloten de eigenaren van de betrokken woningen daarover te infor­meren na de definitieve besluitvorming. Na positief advies van de Commissie Stedelijke Ontwikkeling op 7 maart 2002 waren alle woningeige­naren gelijktijdig per brief geïnformeerd.

De Nationale ombudsman overwoog dat voor hetgeen tijdens het gesprek aan de orde was gekomen enkel uitgegaan kon worden van hetgeen verzoeker stelde. Omdat het gesprek was aangegaan voor raadpleging van het bestemmingsplan en gelet op de locatie van het gesprek achtte ook de Nationale ombudsman het waar­schijnlijk dat was gesproken met een medewerker van de (toenmalige) afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Stadsvernieuwing. Omdat de (toen­malige) afdeling Wonen de eerstverantwoordelijke afdeling was en het college in zijn vergadering van 18 december 2001 had besloten hierover pas na afronding van de definitieve besluitvorming met betrokken woningeigenaren te communiceren kon het college tevens in zijn standpunt worden gevolgd dat de betrokken medewerker op het moment van het gesprek zeer waarschijnlijk niet op de hoogte was van een mogelijk funderingsonder­zoek.

Gelet op het vorenstaande oordeelde de Nationale ombudsman dat was gehandeld in overeenstemming met het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking.

Instantie: Gemeente Haarlem

Klacht:

Verzoeker niet adequaat geïnformeerd over een door de gemeente te houden funderingsonderzoek bij het door verzoeker te verbouwen pand.

Oordeel:

Niet gegrond