2005/062

Rapport

Aan verzoeker waren niet eerder aanslagen inkomstenbelasting opgelegd. In april 2003 zond verzoekers gemachtigde de Belastingdienst fotokopieën van aangiften inkomstenbelasting over de jaren 1995 tot en met 2000. In de meegezonden brief verzocht verzoeker de kopieaangiften alsnog als aangiften in behandeling te nemen en de bij zijn werkgever bij wijze van eindheffing nageheven loonbelasting met de op te leggen aanslagen te verrekenen waardoor over de betrokken jaren steeds een teruggaaf zou ontstaan. De kopieaangiften waren op één na niet ondertekend. Op het ene biljet was op de plaats voor de handtekening verzoekers naam ingevuld.

De Belastingdienst wees het verzoek van verzoeker af en stelde dat hij niet voor het opleggen van aanslagen in aanmerking kwam omdat hij geen sofi-nummer had.

Tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman stelde de Belastingdienst dat de kopieaangiften niet als aangiften konden worden aangemerkt. De Belastingdienst voerde daartoe aan dat de stukken waren ingediend namens een persoon die niet bij de Belastingdienst bekend was en waarvan geen economische activiteiten waren vastgesteld.

Verzoeker klaagde erover dat de Belastingdienst weigerde zijn verzoek om de kopieaangiften in behandeling te nemen, te honoreren. Verzoeker klaagde er ook over dat de Belastingdienst hem er niet op had gewezen dat de aangiften niet correct waren ondertekend en hem niet in de gelegenheid had gesteld dit verzuim te herstellen.

De Nationale ombudsman overwoog dat de kopieaangiftes de naam- en adresgegevens van verzoeker bevatten en dat op grond van de ingevulde gegevens een belastingschuld kon worden vatgesteld. De brief met het verzoek om verrekening van de nageheven loonbelasting kon volgens de Nationale ombudsman worden opgevat als aanvulling op de aangiften.

De Nationale ombudsman overwoog verder dat van de Belastingdienst had mogen worden verwacht dat hij verzoeker gelegenheid zou hebben geboden tot herstel van de vormverzuimen. Na het herstel van de vormverzuimen zou sprake zijn geweest van aangiften die de Belastingdienst op normale wijze had dienen te beoordelen. Indien deze beoordeling zou leiden tot de conclusie dat geen aanslagen (meer) konden worden opgelegd, had het besluit daartoe moeten worden genomen bij een gemotiveerde beschikking ex artikel 12 Awr.

De Nationale ombudsman oordeelde dat de Belastingdienst het vereiste van fair play had geschonden door verzoeker geen aanslagen op te leggen en ook geen beschikking ex artikel 12 Awr af te geven. Dusdoende had de Belastingdienst verzoeker een rechtsingang onthouden om het achterliggende fiscale probleem aan de rechter voor te leggen.

De Nationale ombudsman deed de aanbeveling verzoeker alsnog de gelegenheid tot herstel van vormverzuim te bieden en daarna alsnog aanslagen op te leggen dan wel een beschikking af te geven als bedoeld in artikel 12 Awr.

Instantie: Belastingdienst/Limburg/kantoor buitenland

Klacht:

Reactie op brief van verzoeker: aangiften inkomstenbelasting van 1995, 1996 en 1998 tot en met 2000 niet in behandeling genomen ondanks uitdrukkelijk verzoek, niet op gewezen dat kopie-aangiftebiljetten niet (correct) waren ondertekend en verzoeker niet in gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, standpunt ingenomen dat aangiften te laat zijn ingediend omdat de termijn van drie jaar was verstreken .

Oordeel:

Gegrond